Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4301

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-08-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
C/05/374434 / FZ RK 20-2050
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Zorgmachtiging Wvggz. De advocaat van betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij inhoudelijk geen verweer voert op het verzoek, maar dat hij wel verweer voert op een tweetal formele punten. Allereerst is de advocaat van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de termijnoverschrijding. Daarnaast moet er sprake zijn van een meer vaststaande diagnose wil het verzoek tot een zorgmachtiging toegewezen kunnen worden.

Wetsverwijzingen
Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg 6:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Zutphen

Zaakgegevens: C/05/374434 / FZ RK 20-2050

Datum mondelinge uitspraak: 17 augustus 2020

Beschikking machtiging tot het verlenen van verplichte zorg Wvggz

naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[naam]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Gld.),

wonende te [adres] te [geboorteplaats] (Gld.),

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. I. Vreeken te Zutphen.

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op
29 juli 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 via beeldbellen plaatsgevonden op 17 augustus 2020.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:

  • -

    mr. Vreeken;

  • -

    dhr. J. Dekkers, als zorgverantwoordelijke verbonden aan GGNet;

  • -

    dhr. K. Hali, als spv’er verbonden aan GGNet;

  • -

    dhr. [naam], broer van betrokkene.

1.4.

Omdat een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig is, is de officier van justitie niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.

1.5.

De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. Betrokkene is door zijn advocaat, zijn broer en de spv’er op de hoogte gesteld van de mondelinge behandeling op 17 augustus 2020. De broer is tijdens de mondelinge behandeling nog naar het huis van betrokkene gelopen maar trof betrokkene daar niet aan. De broer van betrokkene heeft aangegeven dat betrokkene steeds hetzelfde patroon laat zien. Hij reageert nergens op, gaat nergens naar toe en trekt zich terug op het moment dat het spannend wordt. Door de advocaat van betrokkene is aangegeven dat betrokkene keer op keer heeft aangegeven met rust gelaten te willen worden.
De advocaat is van mening dat hieruit de conclusie kan worden getrokken dat betrokkene niet gehoord wenst te worden en dat de mondelinge behandeling kan worden voortgezet zonder de aanwezigheid van betrokkene. Gelet hierop heeft de rechtbank de mondelinge behandeling voortgezet.

2 Beoordeling

2.1.

Ten aanzien van de wijze waarop de procedure mondeling is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Vanwege de maatregelen van de overheid ter bestrijding van het coronavirus (COVID-19) is het niet toegestaan betrokkene persoonlijk te bezoeken. Dit levert voor betrokkene en andere aanwezigen een onaanvaardbaar besmettingsgevaar op.

2.2.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een depressie-stemmingsstoornis. Daarnaast is betrokkene bekend met een stoornis in het gebruik van alcohol. De onafhankelijke psychiater die betrokkene diende te onderzoeken heeft betrokkene echter niet zelf gesproken. Betrokkene heeft tot driemaal toe de afspraak afgezegd en de psychiater heeft betrokkene thuis opgezocht maar dat heeft ook niet tot een gesprek geleid. Gezien de beperkte mogelijkheden om een goed onderzoek uit te voeren zal meer onderzoek nodig zijn. Dat er sprake is van een stoornis staat echter niet ter discussie.

2.3.

Het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit, leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:

  • -

    ernstige psychische schade;

  • -

    ernstige materiële schade;

  • -

    ernstige financiële schade;

  • -

    ernstige verwaarlozing;

  • -

    maatschappelijke teloorgang.

2.4.

Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, heeft betrokkene zorg nodig. Betrokkene drinkt veel en daardoor loopt hij het risico op lichamelijke ziekten en een verder isolement. Het lukt betrokkene niet afdoende om afspraken te maken met de hulpverlening om tot een goed behandelplan te komen waardoor betrokkene verder lijkt af te glijden. Betrokkene heeft geen inzicht in de wijze waarop zijn psychiatrische problematiek zijn leven beïnvloedt en hoe dit behandeld kan worden.

2.5.

Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. De rechtbank is van oordeel dat de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg en de daarbij aangegeven duur noodzakelijk zijn, mede gelet op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van zorg bestaan uit:

  • -

    het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische behandelmaatregelen;

  • -

    het beperken van de bewegingsvrijheid;

  • -

    het uitoefenen van toezicht op betrokkene;

  • -

    onderzoek aan kleding of lichaam;

  • -

    onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;

  • -

    het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

  • -

    het opnemen in een accommodatie;

allen voor de maximale duur van zes maanden.

2.6.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.

2.7.

Zowel vanuit GGNet als IRISzorg is in het afgelopen half jaar geprobeerd om een behandeling op te starten en vorm te geven. Op 27 maart jl. heeft de rechtbank een verzoek tot een zorgmachtiging afgewezen en onder andere tijdens de mondelinge behandeling met betrokkene besproken dat ondanks dat de zorgmachtiging wordt afgewezen, er wel degelijk zorgen zijn rondom betrokkene en dat hij in beweging zal moeten komen en hulp in het vrijwillige kader moet accepteren om een vicieuze cirkel te doorbreken. Betrokkene leek daar toen toe bereid. Gebleken is echter dat betrokkene de zorg volledig heeft afgehouden. Een behandeling in een klinische setting is noodzakelijk om de vicieuze cirkel waarin hij zich bevindt te doorbreken en om een detox te kunnen organiseren.

2.8.

De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede voor de veiligheid van betrokkene.

2.9.

De advocaat van betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij inhoudelijk geen verweer voert op het verzoek, maar dat hij wel verweer voert op een tweetal formele punten. Allereerst is de advocaat van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de termijnoverschrijding. Op grond van artikel 5:16 jo 5:17 Wvgzz dient de officier van justitie, indien hij beslist dat is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, onverwijld een verzoek tot zorgmachtiging in. In deze zaak is op 17 juni 2020 besloten een verzoek tot zorgmachtiging voor te bereiden, en is op 29 juli 2020 het daadwerkelijke verzoek ingediend. Dit is een termijnoverschrijding van dertien dagen.

2.10.

Als tweede formeel punt voert de advocaat aan dat de rechtbank in zijn beschikking van 27 maart 2020 heeft opgenomen dat “bij ontvankelijkheid van de officier van justitie het verzoek zou zijn afgewezen. Dit omdat onvoldoende is onderbouwd dat er bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz. Betrokkene betwist de diagnose depressiviteit terwijl deze evenmin niet nader is onderbouwd. Die nadere onderbouwing had wel verwacht mogen worden. Met name omdat op 13 december 2019 een verzoek voorlopige machtiging onder de wet BOPZ is afgewezen omdat de destijds gestelde diagnoses (eveneens) onvoldoende onderbouwd waren. In december werd nog gesproken over een mogelijke autistiforme stoornis of dwangmatige persoonlijkheidsstoornis gepaard gaande met middelenmisbruik. Dat thans gesproken worden over de diagnose depressie roept dan ook vragen op. Op zich zelf kan gezien de levensloop en maatschappelijke teloorgang van betrokkene deze diagnose voorstelbaar zijn maar zij dient niettemin afdoende onderbouwd te zijn”. De advocaat is van mening dat de vragen die er destijds waren, nog steeds niet zijn opgehelderd. Ook niet in het huidige verzoekschrift. Uit de medische verklaring blijkt dat de psychiater betrokkene niet heeft gesproken. Dat dat een probleem is, begrijpt de advocaat op zichzelf wel, maar er wordt vervolgens verwezen naar het dossier waaruit de diagnose zou blijken terwijl dat nu juist niet voldoende is onderbouwd. Volgens hem moet er sprake zijn van een meer vaststaande diagnose wil het verzoek tot een zorgmachtiging toegewezen kunnen worden.

2.11.

Ten aanzien van het eerste formele punt zoals door de advocaat is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat een overschrijding van de termijn op zich zelf niet tot niet-ontvankelijkheid hoeft te leiden. Het is de rechtbank bekend dat het Openbaar Ministerie met grote achterstanden kampt. Daarnaast heeft betrokkene zelf ook voor vertraging gezorgd door tot drie maal toe de afspraak met de psychiater af te zeggen.

2.12.

Ten aanzien van het tweede formele punt zoals door de advocaat is aangevoerd, overweegt de rechtbank als volgt. De situatie van betrokkene is zeer zorgwekkend en door de zorgverantwoordelijke is tijdens de mondelinge behandeling voldoende toelicht hoe de medische verklaring en de diagnose tot stand zijn gekomen en hoe het traject daarin beperkt werd doordat onderzoek niet mogelijk was. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een stoornis die de verslaving in stand houd. Omgekeerd zorgt de verslaving van betrokkene voor psychische problemen. Betrokkene is niet in staat gebleken om dit patroon te doorbreken. Daarnaast is hij onvoldoende in staat gebleken goed voor zichzelf te kunnen zorgen. De zorgmachtiging is noodzakelijk om het ernstig nadeel zoals hierboven omschreven af te wenden.

2.13.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden, om welke reden de rechtbank zal beslissen als hierna vermeld.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [naam]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Gld.), inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen als genoemd in 2.5. kunnen worden getroffen;

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 16 februari 2021.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2020 door mr. A.E.M. Overkamp, rechter, in tegenwoordigheid van L. Stoevenbelt, griffier, en de schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 26 augustus 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.