Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4298

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
8408507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Einde huurovereenkomst woonruimte, geen verwijdering zelf aangebrachte voorziening door opvolgend huurder, artikel 7:224 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2021/1 met annotatie van J.K. Six-Hummel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8408507 \ CV EXPL 20-2994 \ 25115 \ 44356

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de stichting Stichting Thius

gevestigd te Tiel

eisende partij

gemachtigde DigiDeur

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna Thius en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 mei 2020 en de daarin genoemde processtukken;

- de akte van Thius van 17 juni 2020;

- de antwoordakte van [gedaagde] van 15 juli 2020.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 20 mei 2020.

Kosten opruimen berging, tuin, zolder en verwijderen laminaat

2.2.

Thius heeft bij akte gesteld dat de gevorderde kosten van € 523,20 inclusief btw enkel zien op het verwijderen van het laminaat. Hiervoor heeft zij 12 manuren a € 40,00 exclusief btw per uur berekend, oftewel € 480,00 vermeerderd met 9% btw. De gestelde kosten zijn niet in geschil. De vraag die voorligt, is of [gedaagde] bij het einde van de huurovereenkomst gehouden was om het laminaat uit het gehuurde te verwijderen.

2.3.

Artikel 7:224 lid 2 BW bepaalt dat wanneer een beschrijving van het gehuurde is opgemaakt de huurder gehouden is de zaak in dezelfde staat op te leveren waarin deze volgens de beschrijving is aanvaard, met uitzondering van geoorloofde veranderingen en toevoegingen en hetgeen door ouderdom teniet is gegaan of is beschadigd. Wanneer geen beschrijving is opgemaakt wordt de huurder, behoudens tegenbewijs, verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. Artikel 7:224 lid 2 BW is van semi-dwingend recht, zodat hiervan niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken.

2.4.

Een beschrijving als bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW dient de toestand van verschillende onderdelen van het gehuurde zodanig concreet en nauwkeurig aan te geven dat daaruit kan worden afgeleid in welke staat de huurder het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst heeft aanvaard. Uit die beschrijving dient te blijken hoe het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst opgeleverd moet worden.

2.5.

Thius heeft ter onderbouwing foto’s ingebracht van het gehuurde die de situatie bij aanvang van de huurovereenkomst en de situatie bij het einde van de huurovereenkomst weergeven. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze foto’s een juist beeld geven van de situatie bij aanvang van de huurovereenkomst.

2.6.

De kantonrechter is van oordeel dat de foto’s die de situatie bij aanvang van de huurovereenkomst weergeven, dienen te worden aangemerkt als een beschrijving als bedoeld in de zin van artikel 7:224 lid 2 BW.

2.7.

Op de bedoelde foto’s is te zien dat het gehuurde is voorzien van laminaat. Op grond van artikel 7:224 lid 2 BW is [gedaagde] in beginsel gehouden het gehuurde voorzien van laminaat op te leveren.

2.8.

Thius verwijst echter naar het overnameformulier van 13 december 2016 waarop is vermeld dat [gedaagde] verplicht is de van de vorige huurder overgenomen zaken (waaronder het laminaat) te verwijderen bij het verlaten van het gehuurde, tenzij een eventuele opvolgende huurder schriftelijk verklaart deze zaken over te nemen. Vaststaat dat Thius geen partij is bij de overname-overeenkomst en in het tussenvonnis van 20 mei 2020 heeft de kantonrechter dan ook aan Thius verzocht nader te onderbouwen op grond waarvan [gedaagde] (jegens Thius) verplicht is het laminaat te verwijderen.

2.9.

Thius heeft onbetwist gesteld dat het laminaat geen bestanddeel van het gehuurde is geworden door natrekking. Daarnaast zou volgens Thius een verhuurder, volgens vaste jurisprudentie, de verplichting van [gedaagde] uit de overname-overeenkomst aan [gedaagde] kunnen tegenwerpen. De kantonrechter is anders van oordeel. De verhuurder is geen partij bij de overname-overeenkomst en kan om die reden geen nakoming vorderen van deze overeenkomst. Voorts is onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat een eventuele verwijderplicht van de vorige huurder door schuldoverneming op [gedaagde] is overgegaan, nu niet is gesteld dat de rechtsvoorganger van Thius daar toestemming voor heeft gegeven, zoals is voorgeschreven in artikel 6:155 BW. Nog daargelaten dat niet is onderbouwd waarom op de vorige huurder een verwijderplicht rustte. Evenmin kan de overname-overeenkomst worden gezien als een (aanvullende) beschrijving als bedoeld in de zin van artikel 7:224 lid 2 BW reeds omdat die beschrijving niet tussen de huurder en verhuurder is opgemaakt. De kantonrechter wijst de vordering tot vergoeding van de kosten voor het verwijderen van het laminaat dan ook af.

Kosten afvoeren afval

2.10.

In het tussenvonnis van 20 mei 2020 is reeds door de kantonrechter geoordeeld dat deze kosten toewijsbaar zijn, tenzij blijkt dat [gedaagde] deze kosten inmiddels heeft betaald. Van enige betaling is niet gebleken, zodat de kantonrechter deze vordering zal toewijzen.


Wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten

2.11.

Bij akte van 17 juni 2020 heeft Thius haar eis verminderd in die zin dat zij de wettelijke rente vordert vanaf 7 februari 2020. Dat maakt dat het antwoord op de vraag of [gedaagde] de eindafrekening en de eerdere sommatie heeft ontvangen niet langer relevant is. De door Thius genoemde datum van 7 februari 2020 is de datum waarop Thius [gedaagde] schriftelijk heeft gewezen op zijn verplichting een bedrag ad € 727,58 aan haar te voldoen onder aanzegging van de wettelijke rente. Voor zover relevant is in deze brief het navolgende opgenomen:

14 dagen

Teneinde kosten verbonden aan incassomaatregelen te voorkomen, dient laatstgenoemd bedrag – onder vermelding van ons mapnummer 3903131 – ad € 727,58 uiterlijk binnen 14 dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd te zijn bijgeschreven op één van onze hiernaast vermelde rekeningen of aan ons kantoor te zijn voldaan.

Buitengerechtelijke kosten en rente

Indien het bedrag niet binnen voormelde termijn is ontvangen, brengen wij u buitengerechtelijke kosten in rekening. De kosten bedragen € 109,14 en worden vermeerderd met BTW ad € 22,92. U bent op grond van de wet verplicht deze kosten te voldoen. Daarnaast wordt aanspraak gemaakt op de wettelijke rente vanaf het moment dat u in verzuim bent.”

2.12.

Op datum verzending van deze brief (7 februari 2020) is [gedaagde] (nog) niet in verzuim. Het verzuim treedt pas in indien de betaling uitblijft binnen 14 dagen vanaf de dag nadat de brief bij [gedaagde] is bezorgd. [gedaagde] betwist de ontvangst van deze brief niet zodat ervan uitgegaan wordt dat deze brief uiterlijk op dinsdag 11 februari 2020 bij [gedaagde] is bezorgd. De verzuimtermijn van veertien dagen loopt van 12 februari 2020 tot 26 februari 2020, zodat [gedaagde] vanaf laatstgenoemde datum in verzuim is en vanaf dat moment de wettelijke rente verschuldigd is over een bedrag van
€ 204,38.

2.13.

Thius maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Thius heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ad € 132,06 komt niet overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal daarom slechts tot een bedrag van
€ 48,40 worden toegewezen.

2.14.

Partijen worden beiden voor een deel in het ongelijk gesteld en moeten daarom ieder hun eigen kosten dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Thius te betalen een bedrag van € 252,78, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 204,38 vanaf 26 februari 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

3.2.

verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op