Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4281

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
C/05/361267 / HZ ZA 19-114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

erfrecht. oproeping erfgenaam na einde testamentair bewind, partijwisseling volgens 225 jo 227 Rv of oproeping als derde partij?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/361267 / HZ ZA 19-114

Vonnis in incident van 26 augustus 2020

in de zaak van

1. [eiser 1], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van mevrouw [naam 1] , alsmede in haar hoedanigheid van testamentair bewindvoerder van de onder bewind gestelde erfdelen van [naam 2] in voornoemde nalatenschap,

wonende te Heelsum,

2. [eiser 2], in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van mevrouw [naam 1] ,

wonende te Linschoten,

eiseressen in conventie in de hoofdzaak,

verweersters in reconventie in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. D. van de Lockant-Geschiere te Utrecht,

tegen

[gedaagde] , in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van mevrouw [naam 1] , alsmede in haar hoedanigheid van testamentair bewindvoerder van de onder bewind gestelde erfdelen van [naam 2] in voornoemde nalatenschap,

wonende te Arnhem,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

advocaat mr. Y. De Groot-Amtari te Oosterbeek.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 2] , respectievelijk [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de brief van 20 juli 2020 van mr. De Groot-Amtari aan de rechtbank,

  • -

    de akte verzoek tot oproeping gedaagde na einde bewind.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben bij deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt tegen hun zuster [gedaagde] waarin zij onder meer vorderen dat de rechtbank de wijze van verdeling bepaalt van de nalatenschap van hun in 2007 overleden moeder. [gedaagde] voert verweer en heeft in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat de nalatenschap van moeder definitief is afgewikkeld en partijen ter zake niets meer te vorderen hebben.

[eiser 1] en [gedaagde] procederen beiden in hun hoedanigheid van erfgenaam en in die van testamentair bewindvoerder van de onder bewind gestelde erfdelen van hun broer [naam 2] (hierna ook: [naam 2] ) in de nalatenschap van hun overleden moeder.

2.2.

Bij brief van 20 juli 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] de rechtbank bericht dat bij beschikking van 9 juli 2020 het bewind over de erfdelen van [naam 2] is opgeheven, zodat [eiser 1] en [gedaagde] hem niet meer in hun hoedanigheid van bewindvoerder kunnen vertegenwoordigen. Zij vraagt de rechtbank aan [eiser 1] en [eiser 2] te verzoeken om [naam 2] op te roepen, zodat hij als zelfstandige procespartij in de zaak wordt betrokken en de gelegenheid krijgt te reageren op de vorderingen en stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [gedaagde] anderzijds.

Uit de beschikking van 9 juli 2020 blijkt dat het bewind op verzoek van [naam 2] is opgeheven omdat voldoende aannemelijk is geworden dat hij de komende jaren verantwoord met zijn geld zal blijven omgaan.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben vervolgens bij akte verzoek tot oproeping gedaagde na einde bewind verzocht hen in de gelegenheid te stellen [naam 2] als procespartij in de onderhavige procedure op te roepen en deze, vertegenwoordigd door een advocaat, voort te zetten in de stand waarin de procedure zich bevindt, dan wel anderszins te bepalen dat [naam 2] als procespartij deel neemt in de onderhavige procedure en de wijze waarop dit dient te geschieden.

2.3.

Hier doet zich de situatie voor dat gedurende de procedure de betrekking waarin [eiser 1] en [gedaagde] het geding mede voerden, is opgehouden. In dat geval kan de procedure geschorst worden op de voet van artikel 225, eerste lid onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De regeling van schorsing ex artikel 225 Rv laat het aan de partij aan wier zijde de schorsingsoorzaak zich voordoet (of aan haar opvolger) over om te beslissen of al dan niet van de bevoegdheid tot schorsing gebruik te maken, en zo ja, om te bepalen hoe het geding hervat zal worden. De regeling kan worden gebruikt om de opvolger toegang te geven tot het geding. Wordt van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, dan wordt het geding op naam van de oorspronkelijke partij voortgezet.

Zolang geen gebruik wordt gemaakt van het middel van schorsing en hervatting na partijwisseling blijven [eiser 1] en [gedaagde] in hun hoedanigheid van bewindvoerders over [naam 2] procespartij. Dat zal tot gevolg hebben dat zij in de procedure niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, omdat (het de rechtbank bekend is dat) zij geen bewindvoerder meer zijn.

2.4.

Bijzonder aan deze situatie is dat [naam 2] in de procedure als eiser én als verweerder door een bewindvoerder wordt vertegenwoordigd. Het is aan [naam 2] om te beslissen of en aan welke zijde hij wenst te verschijnen. De rechtbank gaat ervan uit dat [naam 2] door zijn voormalige bewindvoerder(s) is geïnformeerd over deze procedure. In het geval [naam 2] als opvolger van zijn bewindvoerders deze procedure wenst over te nemen is het aan hem gebruik te maken van de mogelijkheid de procedure te schorsen en na partijwisseling te hervatten. In het geval [naam 2] de procedure niet wenst over te nemen is het aan (een van) de voormalige bewindvoerders na schorsing van de procedure hem voor hervatting van de procedure op te roepen.

2.5.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door partijen.

2.6.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 september 2020 voor uitlating partijen,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.

Ap/ms