Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4275

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
373610
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Echtscheiding. Ex-vrouw vordert van de (huidige) partner van ex-man afschrift van bescheiden m.b.t. diverse schenkingen en giften. Voorzieningenrechter wijst dit gedeeltelijk toe omdat ex-vrouw daar een rechtmatig belang bij heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/373610 / KZ ZA 20-126

Vonnis in kort geding van 24 augustus 2020

in de zaak van

[Eiser] ,

[woonplaats] ,

eiseres,

advocaten: mr. J.W. de Groot en mr. I.J.W. Wijnberg te Amsterdam,

tegen

[Gedaagde] ,

[woonplaats] ,

gedaagde,

advocaten: mr. L.M. Schelstraete en mr. V. Zitman te ’s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [Eiser] en [Gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding inclusief producties 1 t/m 14

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties van [Eiser] d.d. 7 augustus 2020 met producties 15 t/m 20

  • -

    de brief van [Gedaagde] d.d. 7 augustus 2020 inclusief producties 1 t/m 18

  • -

    de e-mail van [Eiser] d.d. 9 augustus 2020 inclusief productie 21

  • -

    de e-mail van [Gedaagde] d.d. 10 augustus 2020 inclusief producties 19 t/m 21

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 10 augustus 2020 om 15.30 uur

  • -

    de pleitnota van [Eiser]

  • -

    de pleitnota van [Gedaagde] .

1.2.

[Eiser] heeft bij dagvaarding ook opgeroepen mevrouw [naam] (hierna: “ [de boekhouder] ”). [de boekhouder] verzorgt de boekhouding van (de eenmanszaak van) [Gedaagde] . Ter mondelinge behandeling heeft [Eiser] haar vorderingen op [de boekhouder] ingetrokken. Daarbij is tussen [Eiser] en [de boekhouder] overeengekomen dat [Eiser] het salaris advocaat conform het gebruikelijke tarief (i.e. € 980,00) aan [de boekhouder] zal vergoeden. Ook is overeengekomen dat – indien en voor zover de vorderingen van [Eiser] op [Gedaagde] zouden worden toegewezen en uitsluitend [de boekhouder] de beschikking heeft over de desbetreffende stukken – [Gedaagde] de desbetreffende stukken bij [de boekhouder] kan opvragen, waarna [de boekhouder] de desbetreffende stukken aan [Gedaagde] zal verstrekken. Deze partijovereenstemming is niet vastgelegd in een (door partijen ondertekend) proces-verbaal, maar blijkt genoegzaam uit de zittingsaantekeningen van de griffier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Eiser] is in 1997 gehuwd met de heer [naam X] .

2.2.

Het huwelijk tussen [Eiser] en [naam X] is op enig moment ontwricht geraakt. In 2018 heeft [naam X] aan [Eiser] kenbaar gemaakt dat hij wenste te scheiden.

2.3.

In oktober 2019 hebben [Eiser] en [naam X] overeenstemming bereikt over de vaststelling en verdeling van hun vermogen. Deze overeenstemming is vastgelegd in een zogeheten “financial affidavit”. Als peildatum hebben [Eiser] en [naam X] gekozen voor

8 juli 2018 (hierna: “de peildatum”). Op verzoek van [Eiser] en [naam X] bevindt de financial affidavit zich verzegeld bij de rechtbank in New Hampshire, Verenigde Staten.

2.4.

Op 4 december 2019 is tussen [Eiser] en [naam X] de echtscheiding uitgesproken.

2.5.

[Gedaagde] is werkzaam als dressuuramazone. Tot mei 2016 was [Gedaagde] in dienst bij de stal van de heer [naam Y] .

2.6.

In 2013 is [Gedaagde] naar de Verenigde Staten afgereisd om daar een paard van [Eiser] en [naam X] te trainen. Zij verbleef toen in de woning van [naam X] en [Eiser] . Op enig moment daarna is tussen [Gedaagde] en [naam X] een affectieve relatie ontstaan. [naam X] was op dat moment nog gehuwd met [Eiser] . De affectieve relatie tussen [naam X] en [Gedaagde] duurt tot op heden voort.

2.7.

Op 27 juli 2015 heeft de besloten vennootschap [naam Y] B.V. aan [naam X] een factuur gericht met kenmerk 13082. De factuur had betrekking op een Friese hengst met de naam “Falke G.” (thans genaamd: “Da Vinci”) en vermeldt een koopsom van € 40.000,00.

2.8.

Op 29 juli 2015 is een bedrag van € 39.523,73 overgemaakt naar de bankrekening van [naam Y] B.V. De bankafschriften van [naam Y] B.V. bij deze betaling luiden:

“ [naam X] [getal]

[naam X] [Eiser]

[bedrijfsnaam]

[adresgegevens]

[bankrekening]

[getal] ”

2.9.

Op 22 april 2016 heeft [naam Y] B.V. een factuur tot [naam X] gericht met kenmerk 13091. De factuur luidt, voor zover relevant:

“(…) Sold to you: Under the conditions as agree

50% ownership of the stallion

Name: Kanjer Ter Meer

Sportname: LimiTed Edition

(…) € 100.000,00

Training 20 months € 8.000,00

Total amount € 108.000,00 (…)”

2.10.

Op 28 april 2016 is een bedrag van € 106.065,00 overgemaakt naar de bankrekening van [naam Y] B.V. De bankafschriften van [naam Y] B.V. bij deze betaling luiden:

“ [naam X] [getal]

[naam X]

BENES ON FILE [naam] –

DOUBLEDAY [adresgegevens]

IBAN

[bankrekening]

BROWN USD [getal] ”

2.11.

In mei 2016 is [Gedaagde] vertrokken bij de stal van [naam Y] . Sinds 1 juni 2016 exploiteert [Gedaagde] haar eenmanszaak “ [eenmanszaak gedaagde] ”.

2.12.

Tot de stukken behoort een uittreksel van de Koninklijke Vereniging Het Friesch Paarden-Stamboek, gedateerd op 15 september 2015. Daaruit blijkt dat [Gedaagde] als eigenaar van het paard Da Vinci staat geregistreerd in dit stamboek.

2.13.

Tot de stukken behoort voorts een factuur van Autohandel [naam autohandel] , gericht aan de eenmanszaak van [Gedaagde] , gedateerd op 20 september 2016. De factuur heeft betrekking op een paardentrailer van het merk Roelofsen met kenteken [kenteken] en vermeldt een koopsom ten bedrage van € 51.425,00.

2.14.

[naam X] heeft [naam Y] per e-mail van 6 november 2016, voor zover relevant, bericht:

“I can see that [Gedaagde] departure had caused you serious challenges… and I understand your position. Her decision to leave was not something I ever expected. (…)

I must admit, at this point, I am entirely lost… I have no idea whose fault this is or why this happened. All I know for sure is that my financial results are a disaster: I spent 120.000 Euro for an apartment in which [Gedaagde] is not living, and I spent 100.000 Euro for a horse that [Gedaagde] is not riding.

That translates to over 250.000 US dollars…with zero success on my part.

I blame myself for this.

At the end of your letter, you said that my only option for [Gedaagde] to ride LimiTed Edition was to “buy you out.” A couple of months ago, when we spoke by phone, I told you that buying your half of LimiTed Edition was not what I wanted. I still have little desire to spend another 100,000 Euro on LimiTed. At the same time, considering the large amount of money I have already invested, I feel it may be my only option.

(…)

First, if I decide to buy you out, would it be possible to get a receipt from [naam Y] that states the following?

LimiTed Edition is:

100% owned by [naam X]

(0% owned by [Gedaagde] )

I realize we agreed that [Gedaagde] would own part of the horse, but considering everything that has happened, I have changed my mind on this point.

Second, if I decide to buy LimiTed, and later I decide I would like to sell him (whether in 10 months or 10 years) would you be willing to handle the sale for me personally? I have no contacts to sell a horse, and you know LimiTed better than anyone, so you seem like the right person for the job… whenever that day comes.

If you are agreeable to the [naam Y] receipt and to selling LimiTed personally for me, then let me know. If we agree on these two points, then I will find some way to wire you the money for LimiTed, and we can all move forward. (…)”

2.15.

Op 9 november 2016 heeft [naam Y] B.V. een factuur tot [naam X] gericht met kenmerk 13104. De factuur luidt, voor zover relevant:

“(…) Sold to you: Under the conditions as agree

The 100% ownership of the stallion

Name: Kanjer Ter Meer

Sportname: LimiTed Edition

(…)

Payment 24-04-16 € 100.000,00

Total Amount € 300.000,00

Outstanding € 200.000,00 (…)”

2.16.

Op 10 november 2016 is een bedrag van € 200.740,31 overgemaakt naar de bankrekening van de besloten vennootschap [naam Y] B.V., vermeld op de factuur genoemd in de vorige rechtsoverweging. De bankafschriften van [naam Y] B.V. bij deze betaling luiden:

“ [naam X] [getal]

[naam X]

BENES ON FILE [naam] –

DOUBLEDAY NEW YORK NY 10019 –

/CCT/ [getal] [bankrekening]

REFERENCE

ONLY- [naam X] USD [getal]

2.17.

[naam Y] heeft [naam X] per e-mail van 30 januari 2017, voor zover relevant, bericht:

“(…) After reading your letter their stay two open questions for you.

First one is that i am the one whow still make the sale from LimeTed when he go over in other hands?!

Second one is that we have agree that as long he is under the saddle from [Gedaagde] here in Netherland he always will have [naam Y] as his first sportname. (…)”

2.18.

Daarop heeft [naam X] , voor zover relevant, diezelfde dag gereageerd per e-mail aan [naam Y] :

(…) Regarding you request that I always use [naam Y] in front of his name – i am confused by this, and i think you can imagine why. Normally, the decision on a horse’s name is the sole right of the new owner, and i feel his naming is my decision alone as his owner, especially considering the amount i’ve spent on him. (…)”

2.19.

Op de website [naam website] is op 10 februari 2017 een nieuwsbericht gepubliceerd met als titel “ [Gedaagde] : ‘Nóg meer genieten van LimiTed Edition’. Dit nieuwsbericht luidt, voor zover relevant:

“(…) Hij behoort tot de beste jonge paarden in Nederland, de Friese hengst LimiTed Edition (…). Op Jumping Amsterdam liep hij in de Subli Cup finale met [Gedaagde] , de amazone die hem vanaf zijn derde jaar opleidt en uitbrengt. En nu is hij verkocht. ‘Lim’ blijft bij [Gedaagde] onder het zadel. Een sponsor die anoniem wil blijven, schafte hem voor haar aan. ‘Ik geniet altijd ongelofelijk van dit geweldige paard. En nu kan dat nóg meer. De druk dat hij ooit een keer verkocht wordt is er niet meer’, aldus een dolblije amazone. Het feit dat zij nu ‘Lim’ definitief blijft rijden, vormt meteen de aanleiding om aan te kondigen dat ze haar eigen bedrijf start, [eenmanszaak gedaagde] , na twaalf jaar bij handelsstal [naam Y] gewerkt te hebben.

(…)

‘Ik kan mijn droom om Limited Edition nu verder op te leiden en van hem te genieten voortzetten. Het is heel bijzonder dat zijn nieuwe eigenaar zo’n vertrouwen in mij stelt en mij alle ruimte geeft om hem naar eigen goeddunken te rijden. (…)

Ook Da Vinci (…) werd al voor haar aangeschaft. Een nieuwe tweepaards veewagen en de huur van een prachtige accommodatie maakte het voor [Gedaagde] compleet. Ze richt zich nu op een nieuwe toekomst met [eenmanszaak gedaagde] in het [plaats] , waar ze trainingspaarden zal rijden en les zal geven. (…)”

2.20.

In een uittreksel van de Koninklijke Vereniging Het Friesch Paarden-Stamboek, gedateerd op 21 februari 2017 staat [Gedaagde] als eigenaar van Limited Edition vermeld.

2.21.

Tot de stukken behoort een factuur van [naam autodealer] , gericht aan de eenmanszaak van [Gedaagde] , gedateerd op 22 juni 2018. De factuur heeft betrekking op een Volvo XC60 met kenteken [kenteken] en vermeldt een koopsom, inclusief btw en bpm, ten bedrage van € 65.600,00.

2.22.

Na de echtscheiding van [Eiser] en [naam X] is tussen hen een geschil gerezen over de vaststelling en verdeling van het vermogen in de financial affidavit. Daarbij heeft [Eiser] zicht op het standpunt gesteld dat [naam X] vermogensbestanddelen zou hebben verzwegen bij de opstelling en verdeling van het vermogen. [naam X] heeft dat betwist.

2.23.

[naam X] heeft [Eiser] per e-mail van 16 februari 2020 bericht:

“ [Eiser] ,

I want you to know that I have talked to [Gedaagde] about giving up Limited Edition. As you might imagine, it has been an extremely difficult and emotional conversation. It is ongoing at the moment.”

2.24.

Op 29 juni 2020 heeft [Eiser] een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [naam X] bij de Superior Court van New Hampshire. In deze bodemprocedure vordert [Eiser] van [naam X] schadevergoeding en het volledig eigendom van unieke en onvervangbare goederen die volgens [Eiser] in de verdeling van het vermogen betrokken hadden moeten worden, maar volgens [Eiser] door [naam X] zijn verzwegen. Tot deze goederen behoren volgens [Eiser] :

  1. het paard Da Vinci met een aanschafwaarde van € 40.000,00;

  2. het paard Limited Edition met een aanschafwaarde van € 300.000,00.

De schadevergoeding is gebaseerd op de stelling dat [naam X] aan [Gedaagde] geld heeft geschonken met het oog op de aanschaf van:

de Volvo XC60 met kenteken [kenteken] met een aanschafwaarde van € 65.600,00;

een paardentruck van het merk Roelofsen met een aanschafwaarde van € 51.425,00;

en ten behoeve van een appartement dat [naam X] voor [Gedaagde] heeft gekocht, gehuurd en/of gerenoveerd ter waarde van € 120.000,00;

of ten behoeve van:

de eenmanszaak van [Gedaagde] , “ [eenmanszaak gedaagde] ”, volgens [Eiser] door [naam X] gefinancierd voor een nog onbekend bedrag.

2.25.

De advocaat van [Eiser] heeft [Gedaagde] per brief van 7 juli 2020 gesommeerd om uiterlijk 13 juli 2020 diverse documenten toe te sturen met betrekking tot de vermogensbestanddelen genoemd in de vorige rechtsoverweging.

2.26.

Aan deze sommatie heeft [Gedaagde] geen gevolg gegeven. Haar advocaten hebben per brief van 13 juli 2020 aan de advocaat van [Eiser] diens standpunten gemotiveerd weersproken.

2.27.

[Eiser] heeft bij verzoekschrift van 30 juni 2020 aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om ten laste van [naam X] conservatoir derdenbeslag tot afgifte en levering te leggen op de paarden Da Vinci en Limited Edition.

2.28.

Bij beschikking van 30 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door [Eiser] verzochte verlof verleend.

2.29.

Bij exploot van 30 juni 2020 heeft [Eiser] conservatoir derdenbeslag ten laste van [naam X] onder [Gedaagde] . Het exploot luidt, voor zover relevant:

“(…) Vandaag (…) Heb ik, (…) Mij begeven naar en bevonden te [postcode] Voorst aan het adres [straatnaam] [nummer] , waar ik rond 18.15 uur aanwezig was en aldaar heb ik gesproken met mevrouw [Gedaagde] . Vervolgens heb ik mij gelegitimeerd en aangegeven waarvoor ik kwam. Waarop mij werd medegedeeld dat de paarden (…) aldaar niet aanwezig zijn. Zij vertelde mij dat zij al het een en ander had vernomen uit de media omdat het hele verhaal al online staat en dat zij zich aan het inlezen was. Op mijn daartoe gestelde vraag wilde ze mij niet meedelen waar de paarden zich [naam X] wel bevinden. Zij deelde mij ook mede dat het haar paarden zijn en niet van de heer [naam X] . (…)”

2.30.

Op 30 juli 2020 heeft [naam X] in de Amerikaanse bodemprocedure tegen [Eiser] bij de Superior Court van New Hampshire een “answer” ingediend. Met dit processtuk reageert [naam X] op de dagvaarding van [Eiser] . In het processtuk wordt [naam X] aangeduid als “Defendant”, [Eiser] als “Plaintiff” en [Gedaagde] als “ [Gedaagde] ”. Het processtuk luidt, voor zover relevant:

“(…) 41. Defendant admits that he became [Gedaagde] ’s sponsor, but denies that he depleted “marital assets”, which did not even exist until the commencement of divorce proceedings, or assets to which Plaintiff had any entitlement as alleged in paragraph 41 and denies that the amount of his sponsorship and gifts to [Gedaagde] make his relationship with [Gedaagde] material to this lawsuit.

(…)

44. Defendant admits that, in order to prevent embarrassment to both parties and an awkward situation for their joint financial advisor, he disingenuously told the advisor that the funds earmarked for the acquisition of Limited Edition were because he was purchasing a gift for his wife’s birthday. In fact, he was purchasing Limited Edition as a gift for [Gedaagde] , and, indeed, he promptly gifted the horse to her after the acquisition occurred in November of 2016.

(…)

47. (…) In fact, he had no intention of buying the horse for Plaintiff and was buying the remainder interest for [Gedaagde] Further answering, Defendant says that he and [Gedaagde] each owned 25% of the horse when he purchased the remaining 50% of the horse in November of 2016 for [Gedaagde] . The seller was well aware that Defendant was purchasing the remainder interest for [Gedaagde] , and that Defendant was gifting his 75% to [Gedaagde] . Once Defendant gifted his 75% interest to [Gedaagde] after the November 2016 purchase, she became the sole owner of the horse. (…)”.

3 Het geschil

3.1.

[Eiser] vordert, na wijzigingen van eis, dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut, [Gedaagde] veroordeelt tot:

1. het verstrekken van afschrift en/of inzage, uiterlijk vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, over de periode vanaf 1 oktober 2014 tot heden aan [Eiser] van:

i. (elektronische kopieën van) financiële bescheiden, waaronder bankafschriften, waaruit betalingen volgen van of namens [naam X] (of tussenpersonen van [naam X] ) aan [Gedaagde] , waaronder maar niet beperkt tot betalingen die betrekking hebben op het verzorgen en/of onderhouden en/of trainen en/of berijden van de paarden Da Vinci en Limited Edition, waarbij onder betaling wordt verstaan: elke vorm van betaling, waaronder maar niet beperkt tot bankoverschrijvingen, contante betalingen, cheques, betalingsopdrachten of elke andere vorm van storting of overboeking van gelden;

ii. documenten, waaronder overeenkomsten, tekstberichten, e-mails en andere correspondentie tussen [naam X] of namens [naam X] en [Gedaagde] over het houderschap, bezit en/of eigendom van de paarden Da Vinci en Limited Edition;

iii. documenten, waaronder overeenkomsten, tekstberichten, e-mails en andere vormen van correspondentie tussen [naam X] en/of financieel adviseurs van [naam X] en [Gedaagde] over de aard van de betalingen van of namens [naam X] aan [Gedaagde] en/of de eenmanszaak van [Gedaagde] , en de fiscale kwalificatie daarvan;

iv. documenten, waaronder overeenkomsten, bankafschriften, betaalbewijzen, (bevestiging van) betalingsopdrachten, (bevestiging van) bankoverschrijvingen, tekstberichten, e-mails en andere correspondentie met betrekking tot betalingen, bankoverschrijvingen of geldoverschrijvingen, of vermeende geschenken die zijn gedaan door of namens [naam X] aan [Gedaagde] , waaronder maar niet beperkt tot documenten gerelateerd aan de paarden Da Vinci en Limited Edition, het appartement, huur en/of renovaties, het paardenbedrijf, de Volvo en/of de paardentruck, waarbij onder betaling wordt verstaan: elke vorm van betaling, waaronder maar niet beperkt tot bankoverschrijvingen, contante betalingen, cheques, betalingsopdrachten of elke andere vorm van storting of overboeking van gelden;

v. (elektronische kopieën van) koopovereenkomsten en/of verkoopovereenkomsten (en de e-mails ten aanzien van de totstandkoming daarvan, [naam X] wel de e-mails waarin de overeenkomsten zijn bijgesloten) met betrekking tot de paarden Da Vinci en/of Limited Edition.

2. betaling van een dwangsom van EUR 10.000,00 althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor iedere dag of een deel daarvan dat [Gedaagde] niet aan het gevorderde onder 1 voldoet;

3. betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 157,00 zonder betekening, [naam X] wel € 239,00 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis – en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

3.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [Eiser] het volgende. [naam X] heeft zonder medeweten van [Eiser] gelden en goederen onttrokken aan hun huwelijksvermogen. De in het kader van de echtscheiding door [naam X] afgelegde ‘financial affividavit’ was in strijd met de waarheid. [Gedaagde] heeft bescheiden onder zich waarmee [Eiser] het voorgaande wenst aan te tonen in de bodemprocedure tegen [naam X] bij de Superior Court van New Hampshire in de Verenigde Staten. Ondanks verzoek daartoe weigert [Gedaagde] om afschrift van deze bescheiden te verstrekken aan [Eiser] . [Eiser] heeft er spoedeisend belang bij dat [Gedaagde] wordt veroordeeld om dat alsnog te doen.

3.3.

[Gedaagde] voert als volgt verweer. [Eiser] heeft geen spoedeisend belang, laat staan een rechtmatig belang bij afschrift van de door haar gevorderde bescheiden. De bescheiden waarvan [Eiser] afschrift vordert zijn onvoldoende bepaalbaar. Een behoorlijke rechtsbedeling is ook zonder het verstrekken van de bescheiden gewaarborgd. Tussen [Gedaagde] en [Eiser] bestaat geen rechtsbetrekking. De door [Eiser] gevorderde dwangsom is buitensporig. Indien de voorzieningenrechter de vorderingen van [Eiser] toewijst, [naam X] maakt [Gedaagde] bezwaar tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad. [Gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [Eiser] , althans tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [Eiser] in kosten van de procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding staat centraal de vraag of [Gedaagde] veroordeeld moet worden tot het verstrekken van afschrift aan [Eiser] van de bescheiden, genoemd in punt 3.1. van dit vonnis.

4.2.

[Gedaagde] heeft tegen de vorderingen van [Eiser] één formeel verweer aangevoerd. Volgens [Gedaagde] ontbeert [Eiser] spoedeisend belang. Dit verweer zal (als meest verstrekkende) als eerste worden beoordeeld. Vervolgens zal de vordering van [Eiser] tot het verstrekken van afschrift van bescheiden worden beoordeeld. Daarbij wordt uitdrukkelijk overwogen dat binnen de beperkte kaders van dit kort geding voor nadere bewijslevering geen plaats is. Daarvoor zijn partijen aangewezen op een bodemprocedure.

spoedeisend belang

4.3.

Als wettelijk uitgangspunt heeft te gelden dat de voorzieningenrechter bevoegd is om een voorziening bij voorraad te geven in alle spoedeisende zaken waarin dat, gelet op de belangen van partijen, vereist is. Een spoedeisend belang bij een voorziening heeft de eiser van wie men niet kan vergen dat hij eerst een bodemprocedure afwacht. Of men van de eiser kan vergen dat hij een bodemprocedure afwacht, hangt af van (onder meer) het voorlopig karakter van het rechterlijk oordeel. Ook hangt dit af van de vraag hoe ingrijpend de gevolgen zijn van het uitblijven of verlenen van de voorziening (HR 15 december 1995, NJ 1996, 509). De enkele omstandigheid dat een eiser geruime tijd heeft laten verstrijken voordat hij een kort geding start, hoeft de voorzieningenrechter er niet van te weerhouden om een spoedeisend belang aan te nemen (HR 29 juni 2001, NJ 2001, 602).

4.4.

Ter onderbouwing van haar verweer heeft [Gedaagde] aangevoerd dat [Eiser] in de Amerikaanse bodemprocedure bij het Superior Court van New Hampshire ook informatie van [naam X] kan vorderen, door middel van een zogeheten ‘discovery’. Ook heeft [Gedaagde] aangevoerd dat [Eiser] in de Amerikaanse bodemprocedure in elk geval de komende maanden nog geen nader bewijs hoeft te leveren.

4.5.

[Eiser] heeft daarentegen gesteld dat zij op korte termijn in de Amerikaanse bodemprocedure verweer dient te voeren tegen een door [naam X] ingediende ‘motion to dismiss’. Een dergelijke motie kan ertoe leiden zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, tenzij [Eiser] haar claim in dat stadium met voldoende bewijs kan onderbouwen en zij haar rechtsgronden voldoende heeft uitgewerkt. In geval de motie wordt afgewezen volgt op korte termijn een fase van ‘automatic disclosure’, waarbij [Eiser] alle haar ter beschikking staande bewijzen dient over te leggen, die haar rechtspositie onderbouwen, nog steeds aldus [Eiser] .

4.6.

In het kader van een kort geding kan in geval van dringende spoed niet van de voorzieningenrechter worden gevergd dat hij zich een grondig beeld vormt van het huwelijksgoederenregime en de daaraan verbonden wijze van procederen naar het recht van de staat New Hamsphire. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is aannemelijk dat [Eiser] op korte termijn ter weerlegging van de door [naam X] ingediende motion to dismiss zoveel mogelijk ‘klare wijn’ dient te schenken door haar stellingen rond het door haar gewraakte handelen van [naam X] ten overstaan van de Amerikaanse rechter voldoende aannemelijk te maken en met bewijsstukken te onderbouwen, bij gebreke waarvan er een ‘dismissal’ volgt. De voorzieningenrechter kan uiteraard niet treden in de vraag wat naar de Amerikaanse maatstaven voldoende aannemelijk is in vorenbedoelde zin. Gezien de zwaarwegende consequenties van een dergelijke beslissing en de korte termijnen die gelden in dit voorstadium van de Amerikaanse procedure, is het (spoedeisend) belang van [Eiser] bij haar vorderingen in dit kort geding gegeven, daargelaten of die vorderingen naar Nederlands recht toewijsbaar zijn en daargelaten of de afweging van belangen tussen haar en [Gedaagde] in haar voordeel dienen uit te vallen.

afschrift van bescheiden

4.7.

Nu het formele verweer van [Gedaagde] faalt, is aan de orde of zij moet worden veroordeeld tot het verstrekken van afschriften van de door [Eiser] gevorderde bescheiden.

4.8.

Op grond van artikel 843a Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: “Rv”) gelden vier voorwaarden aan een vordering tot overlegging van bescheiden. Voor toewijsbaarheid van de vorderingen van [Eiser] moet aan alle vier de voorwaarden zijn voldaan, te weten:

i. degene die de vordering instelt, dient op het moment dat hij de vordering instelt een rechtmatig belang te hebben;

het moet gaan om bepaalde bescheiden;

de bescheiden moeten een rechtsbetrekking aangaan waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is;

degene van wie de bescheiden worden gevraagd moet deze tot zijn beschikking of onder zijn berusting hebben.

4.9.

Daarnaast mag geen sprake zijn van een van de uitzonderingsgronden uit artikel 843a lid 3 en 4 Rv, te weten:

i. diegene die uit hoofde van zijn ambt, beroep op betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde tot zijn beschikking staan of onder zijn berusting zijn;

er mag geen sprake zijn van gewichtige redenen, op grond waarvan men niet gehouden is aan de vordering te voldoen;

de behoorlijke rechtsbedeling is ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens gewaarborgd.

4.10.

[Eiser] stelt een rechtmatig belang te hebben bij de door haar gevorderde bescheiden. Voor haar onderbouwing wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen is samengevat onder 3.2. van dit vonnis.

4.11.

[Gedaagde] heeft gemotiveerd weersproken dat [Eiser] een rechtmatig belang heeft bij de door haar gevorderde bescheiden. Ter onderbouwing heeft [Gedaagde] kort gezegd aangevoerd dat het huwelijksvermogensrecht van de staat van New Hampshire geen huwelijksgemeenschap van goederen kent. Volgens [Gedaagde] was [naam X] vrij om over zijn vermogen te beschikken. Uitsluitend op het moment van echtscheiding vindt een billijke verdeling van het op dat moment bestaande vermogen plaats, aldus [Gedaagde] , en op dat moment had [naam X] haar de vermogensbestanddelen al geschonken, nog steeds aldus [Gedaagde] .

4.12.

Het betreft hier een rechtsbetrekking tussen [Eiser] en [naam X] en – als reeds overwogen – niet kan worden uitgesloten dat er naar het Amerikaanse recht consequenties zullen worden verbonden aan de financiële handel en wandel van [naam X] in de verhouding tot [Gedaagde] vóór en in de aanloop naar de echtscheiding met [Eiser] . Hoewel, zoals [Gedaagde] terecht heeft doen bepleiten, de rechter de nodige terughoudendheid in acht dient te nemen bij de boordeling van de vraag of van een derde, die niet rechtstreeks partij is bij de bedoelde rechtsbetrekking, opening van zaken verlangd kan in de zin van artikel 843a Rv, in het geval van [Gedaagde] is voor deze terughoudendheid geen of slechts in geringe mate reden. Zij was zich immers ten volle bewust van het feit dat [naam X] [Eiser] niet aanstonds zal hebben geïnformeerd over de affectieve relatie die tussen haar en [naam X] was ontstaan en in het verlengde daarvan evenmin van de grote bedragen en dergelijke die hij haar deed toekomen. Dat haar privacy met de onderhavige procedure is gemoeid moge zo zijn, maar dat is niet zo zeer het gevolg van de vorderingen van [Eiser] als wel van het feit dat zij een relatie is aangegaan met een wereldwijd bekende auteur en zij ook zelf met het paard dat onderdeel is van deze procedure succesvol in de sportieve openbaarheid is getreden.

4.13.

[Gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [naam X] in april 2016 een aandeel van 50% in het paard Limited Edition heeft aangekocht, waarvan hij direct een aandeel van 25% aan haar heeft geschonken. Volgens [Gedaagde] heeft [naam X] de resterende 50% in november 2016 voor haar aangekocht. Deze verklaring strookt echter niet met de e-mails die tussen [naam X] en [naam Y] zijn gewisseld (zie 2.14 en 2.18). In die e-mails stelt [naam X] immers dat hij de volledige eigendom van Limited Edition wenst te verwerven, en: “I realize we agreed that [Gedaagde] would own part of the horse, but considering everything that has happened, I have changed my mind on this point.” Verder heeft [naam X] zich na de aankoop tegenover [naam Y] op het standpunt gesteld dat hij de naam van Limited Edition mag bepalen, want “the decision on a horse’s name is the sole right of the new owner, and I feel his naming is my decision alone as his owner, especially considering the amount i’ve spent on him.” Dit staat nog los van het feit dat [Gedaagde] niet expliciet stelt dat het aandeel van 25% dat [naam X] volgens haar eerder voor zichzelf had behouden op enig moment ook door hem aan haar heeft geschonken, hetgeen wel is verklaard door [naam X] in zijn op 29 juli 2020 bij het Superior Court van New Hampshire ingediende ‘answer’. Overigens is er ook sprake van tegenstrijdigheid tussen het standpunt dat [Gedaagde] in deze procedure inneemt – het paard is in november 2016 voor haar aangekocht en dus (in de woorden van [naam X] zelf in zijn ‘answer’ van 29 juli 2020) ‘promptly’ aan haar geschonken – en haar uitlatingen in de media van februari 2017, zoals weergegeven onder 2.19. In het artikel op de paardenwebsite [naam website] wordt [Gedaagde] namelijk geciteerd als volgt: “Het is heel bijzonder dat zijn nieuwe eigenaar zo’n vertrouwen in mij stelt en mij alle ruimte geeft om hem naar eigen goeddunken te rijden.” Daaruit kan afgeleid worden dat [naam X] in elk geval in februari 2017 nog eigenaar was van Limited Edition.

4.14.

Gezien de wisselende verklaringen van zowel [naam X] als [Gedaagde] heeft [Eiser] een rechtmatig belang om van [Gedaagde] inzage te verkrijgen in bescheiden met betrekking tot, en zo ja, wanneer [naam X] het paard Limited Edition aan [Gedaagde] heeft geschonken.

[Gedaagde] dient daarom die, al dan niet digitale, bescheiden in het geding brengen, waaruit blijkt dat en, zo ja, wanneer dit paard aan haar is geschonken, uiteraard voor zover die bescheiden er zijn. Dat kan de schenkingsovereenkomst zelf zijn of, als daarvan geen schriftelijk stuk is opgemaakt, boekhoudkundige stukken en dergelijke waaruit blijkt sinds wanneer het paard tot haar bedrijfsinventaris is gaan horen.

4.15.

Terzijde wordt opgemerkt dat de verklaring van [naam X] in zijn mail van

16 februari 2020 (“I have talked to [Gedaagde] about giving up LimiTed Edition”) zodanig voor meerderlei uitleg vatbaar is dat hieruit voor dit kort geding niet zonder meer voortvloeit dat het paard hetzij toen eigendom was van [naam X] dan wel van [Gedaagde] . Dit oordeel wordt aan de rechter in de Verenigde Staten overgelaten.

4.16.

De enkele tenaamstelling van Limited Edition in het stamboek is niet beslissend, aangezien dat geen bewijs van eigendom is. In dit verband zij er overigens wel op gewezen dat in het stamboek [Gedaagde] al op 21 februari 2017 als eigenaar van LimiTed Edition staat geregistreerd.

4.17.

Wat betreft het paard Da Vinci: vaststaat dat dit paard al op 27 juli 2015 door [naam X] is aangekocht. Op 15 september 2015 is in het paardenstamboek geregistreerd dat Da Vinci eigendom was van [Gedaagde] . [Gedaagde] zelf geeft aan dat dit paard haar direct na aankoop is geschonken en dit is ook de verklaring van [naam X] in zijn ‘answer’ in de Amerikaanse bodemprocedure. Iedere aanwijzing van het tegendeel ontbreekt. Het is aan de Amerikaanse rechter om te beslissen welke rechtsgevolgen aan deze schenking moeten worden verbonden in het kader van de verdeling van het vermogen van [Eiser] en [naam X] . Er is geen reden om de vorderingen tegen [Gedaagde] toe te wijzen, voor zover het dit paard aangaat.

4.18.

[naam X] heeft erkend dat hij reeds geruime tijd voor de echtscheiding [Gedaagde] is gaan sponsoren en haar giften heeft doen toekomen, zij het met gelden waarover hij naar zijn zeggen tijdens zijn huwelijk vrij kon beschikken. In deze procedure wordt, zoals reeds overwogen, niet ingegaan op het Amerikaanse recht, behoudens dat aannemelijk wordt geacht dat de Amerikaanse rechter bij de behandeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van een echtscheiding niet zonder meer voorbij zal gaan aan donaties tijdens het huwelijk in een situatie als de onderhavige.
Dat nota’s, een Volvo en een paardentruck op naam van [Gedaagde] staan en mogelijk ook door haar zijn betaald – daarvan ontbreekt in deze procedure elk bewijs – moge zo zijn, het gaat in deze zaak om de vraag of de bedragen die daarmee gemoeid waren door [naam X] zijn gefourneerd. In die zin dient [Gedaagde] openheid van zaken te geven, uiteraard tot 4 december 2019 toen de echtscheiding tussen [naam X] en [Eiser] definitief is geworden. Dit ziet overigens niet alleen op de Volvo en paardentruck, maar evenzeer op betalingen die ten behoeve van haar door [naam X] zijn gedaan, zoals nota’s die betrekking hadden op de inrichting van het appartement waar zij woonde (zie het bedrag van € 120.000,- in de mail van

6 november 2016 onder 2.14) alsmede bedragen die anderszins ten behoeve van haar onderneming zijn voldaan (zie bijvoorbeeld het bedrag van € 8.000,- ten behoeve van trainingen als weergegeven onder 2.9). Verder betreft het boekhoudkundige bescheiden die hierop betrekking hebben. Wat betreft de Volvo en de paardentruck gaat het eveneens om de vraag wie de Volvo en paardentruck heeft betaald. Impliciet lijkt [Gedaagde] te stellen dat zij dat zelf heeft gedaan. In dat geval dient zij inzage te geven in haar bankafschriften, ook voor zover die betrekking hebben op de daarmee gemoeide bedragen, wanneer deze vooraf door [naam X] op haar rekening zijn gestort. Voor zover [naam X] rechtstreeks de betrokken verkopers heeft betaald, zal van die betaling uit haar boekhouding moeten blijken en dient zij aan [Eiser] daarin inzage te verlenen.

4.19.

[Gedaagde] heeft zich nog verweerd door aan te voeren dat een behoorlijke rechtsbedeling ook is gewaarborgd zonder afschrift van de door [Eiser] gevorderde bescheiden. Volgens [Gedaagde] kan [Eiser] immers gebruikmaken van een ‘discovery’ naar Amerikaans recht. Dit verweer wordt echter gepasseerd, reeds omdat [naam X] niet beschikt over de stukken waarvan nu inzage of afschrift worden bevolen. Partijen spreken elkaar bovendien tegen voor zover het gaat om de bewijslevering die [Eiser] kan en moet leveren in de Amerikaanse bodemprocedure in de stand waarin die zich nu bevindt. Het gaat – zoals hiervoor al is overwogen – de taak van de voorzieningenrechter te buiten om zich binnen de beperkte kaders van dit kort geding een beeld te vormen van het recht naar de staat van New Hampshire. De beoordeling daarvan wordt overgelaten aan de rechtbank aldaar, waar partijen inmiddels een bodemprocedure aanhangig hebben gemaakt. Ook wordt meegewogen dat de uitzonderingsgrond waarop [Gedaagde] zich beroept komt te vervallen in het wetsvoorstel tot herziening van het inzagerecht (Kamerstukken II 2011/12, 33 079, nr. 3, p. 2.) .

slotsom

4.20.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [Gedaagde] jegens [Eiser] zal worden veroordeeld tot het verstrekken van:

i. afschrift van - al dan niet digitale - bescheiden waaruit blijkt dat, en zo ja, wanneer [naam X] het paard Limited Edition aan [Gedaagde] heeft geschonken (zoals een schenkingsovereenkomst of, als daarvan geen schriftelijk stuk is opgemaakt, boekhoudkundige stukken en dergelijke waaruit blijkt sinds wanneer het paard Limited Edition is gaan behoren tot de bedrijfsinventaris van [Gedaagde] );

afschrift van - al dan niet digitale - bescheiden daterend van vóór 4 december 2019, zoals bankafschriften, boekhoudkundige stukken en dergelijke, waaruit blijkt of, en zo ja, welke bedragen [naam X] aan (de eenmanszaak van) [Gedaagde] heeft betaald of ter beschikking heeft gesteld, waaronder maar niet beperkt tot bescheiden met betrekking tot de Volvo, de paardentruck en het appartement en bedragen die anderszins ten behoeve van (de eenmanszaak van) [Gedaagde] door [naam X] zijn voldaan, een en ander zoals omschreven in rechtsoverweging 4.18 van dit vonnis.

4.21.

Al het overige zal worden afgewezen op de gronden zoals hiervoor overwogen. Het verweer van [Gedaagde] dat toewijzing van het gevorderde zal leiden tot een ‘fishing expedition’ behoeft daardoor geen behandeling meer.

uitvoerbaarheid bij voorraad

4.22.

[Gedaagde] heeft aangevoerd dat uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege dient te blijven. Dit verweer wordt gepasseerd. Ter onderbouwing van dit verweer heeft [Gedaagde] immers aangevoerd dat [Eiser] geen belang heeft bij haar vordering, maar zoals hiervoor al is overwogen, heeft [Eiser] dat ten aanzien van het toegewezen deel van haar vordering wel degelijk. De door [Gedaagde] aangevoerde onomkeerbaarheid van het verstrekken van afschrift maakt het oordeel evenmin anders omdat er slechts een beperkt deel van de vorderingen van [Eiser] zal worden toegewezen.

dwangsom

4.23.

[Gedaagde] heeft aangevoerd dat voor toewijzing van een dwangsom geen aanleiding bestaat omdat zij niet van slechte wil is en niets te verbergen heeft.

4.24.

Vast staat dat [Gedaagde] in het kader van dit kort geding al de nodige stukken als productie heeft overgelegd. Dit meewegende zal de door [Eiser] gevorderde dwangsom worden afgewezen, waarbij uitdrukkelijk wordt overwogen dat de voorzieningenrechter erop vertrouwt dat [Gedaagde] haar toezegging op dit punt zal nakomen. Indien en voor zover mocht blijken dat [Gedaagde] na betekening van dit vonnis haar toezegging niet nakomt en geen of onvoldoende gevolg geeft aan het dictum van dit vonnis, dan kan (desgevorderd) alsnog een passende dwangsom worden opgelegd.

proceskosten

4.25.

[Gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [Eiser] worden begroot op:

- griffierecht € 304,00

- betekening exploot 100,89

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.384,89

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [Gedaagde] tot het verstrekken van:

i. afschrift van - al dan niet digitale - bescheiden waaruit blijkt dat, en zo ja: wanneer [naam X] het paard Limited Edition aan haar heeft geschonken (zoals een schenkingsovereenkomst of, als daarvan geen schriftelijk stuk is opgemaakt, boekhoudkundige stukken en dergelijke waaruit blijkt sinds wanneer het paard Limited Edition is gaan behoren tot de bedrijfsinventaris van [Gedaagde] );

afschrift van - al dan niet digitale - bescheiden tot 4 december 2019, zoals boekhoudkundige stukken en dergelijke, waaruit blijkt of, en zo ja: welke bedragen [naam X] aan (de eenmanszaak van) [Gedaagde] heeft gefourneerd, waaronder maar niet beperkt tot bescheiden met betrekking tot de Volvo, de paardentruck en het appartement en bedragen die anderszins door [naam X] ten behoeve van (de eenmanszaak van) [Gedaagde] zijn voldaan, een en ander zoals nader omschreven in rechtsoverweging 4.18 van dit vonnis.

5.2.

veroordeelt [Gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [Eiser] tot op heden begroot op € 1.736,89, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [Gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Gedaagde] niet binnen veertien dagen na betekening aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2020.

(eh/dv)