Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4215

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
05.037005.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft een 25-jarige man uit Arnhem veroordeeld voor het plegen van vijf misdrijven op 8 februari 2020. Op die dag heeft de man zijn moeder mishandeld en bedreigd terwijl hij een mes vasthad en heeft hij zeer veel spullen in de woning vernield. Nadat de moeder via een raam wist te ontkomen aan de man, heeft hij zijn woede gericht op enkele auto’s in de buurt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05.037005.20

Datum uitspraak : 19 augustus 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

thans gedetineerd te P.I. Arnhem te Arnhem.

Raadsvrouw: mr. N.D. Schraa, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 mei 2020 en 5 augustus 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toegestane vorderingen wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een laptop en/of een ruit van de auto en/of een kledingrek en/of één of meerdere borden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] en/of [benadeelde 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2. hij in of omstreeks de periode van 06 februari 2020 tot en met 08 februari 2020 te Arnhem

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ( [merk auto 1] , voorzien van kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3. hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto [merk auto 2] , voorzien van kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4. hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk deze [slachtoffer] (met kracht) bij de keel heeft gepakt en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of opzettelijk een mes heeft getoond en/of dit mes in de directe nabijheid van de keel en/of schouder van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of de keel (met de onderarm) heeft dichtgedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk deze [slachtoffer] (met kracht) bij de keel heeft gepakt en/of de keel heeft dichtgeknepen

en/of opzettelijk een mes heeft getoond en/of dit mes in de directe nabijheid van de keel en/of

schouder van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of de keel (met de onderarm) heeft dichtgedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door deze [slachtoffer] (met kracht) bij de keel te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of een mes te tonen en/of dit mes in de directe nabijheid van de keel en/of schouder van die [slachtoffer] te houden/tonen en/of de keel (met de onderarm) dicht te drukken;

5. hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

deze [slachtoffer] opzettelijk (met zijn hand(en)) bij de keel en/of hals en/of nek heeft vastgepakt en/of

(vervolgens)deze [slachtoffer] met haar hoofd tegen de muur heeft gegooid/geduwd, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem zijn moeder, [slachtoffer] , heeft mishandeld door deze [slachtoffer] (met kracht) bij de keel te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of (vervolgens) deze [slachtoffer] met haar hoofd tegen de muur te duwen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder de feiten 1 tot en met 3, feit 4, primair, en feit 5, subsidiair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de feiten 4, primair en subsidiair, en 5, primair, heeft de verdediging voor vrijspraak gepleit. Het onder feit 4 meer subsidiair en het onder feit 5 subsidiair zou bewezen kunnen worden verklaard, aldus de verdediging.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 17 (feit 1);

- het proces-verbaal van ontvangst klacht, p. 26 (feit 1);

- het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] , p. 39 (feit 2);

- het proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 3] , p. 44 (feit 3);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 augustus (feiten 1 t/m 3).

Ten aanzien van de feiten 4 en 5

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 4, primair (poging tot doodslag) en subsidiair (poging tot zware mishandeling), en het onder feit 5, primair (poging tot zware mishandeling), tenlastegelegde.

Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat onder feit 4 ten laste is gelegd het tonen of het in de nabijheid van de keel en/of schouder houden van een mes. Deze feitelijke gedragingen leveren echter geen poging tot doodslag op omdat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden aangemerkt als te zijn gericht op voltooiing van het misdrijf doodslag.

Het pakken en dichtknijpen van de keel/nek, dan wel het tegen de muur gooien van een slachtoffer, zoals ook tenlastegelegd, zou in beginsel wel tot bewezenverklaring van een poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling kunnen leiden. Om in die gevallen tot een bewezenverklaring te komen zijn echter de specifieke omstandigheden van het geval, zoals bijvoorbeeld de kracht waarmee en de duur van het dichthouden van de keel, of de kracht waarmee is gegooid, bepalend.

In het onderhavige dossier blijkt onvoldoende met welke mate van kracht de keel/nek van aangeefster zou zijn dichtgehouden, dan wel met welke kracht zij tegen de muur zou zijn gekomen. Daarbij komt dat uit de verklaringen van aangeefster niet volgt dat haar de adem werd ontnomen. Gelet hierop kunnen de onder feit 4, primair en subsidiair, en het onder feit 5, primair, tenlastegelegde niet worden bewezen.

De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van het onder feit 4, meer subsidiair (bedreiging), en het onder feit 5, subsidiair (mishandeling), tenlastegelegde en overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster [slachtoffer] , de moeder van verdachte, heeft verklaard dat verdachte op 8 februari 2020 in hun woning in [woonplaats] bij haar aanwezig was met een schaar in zijn hand. Vervolgens pakte hij een mes en begon bewegingen te maken alsof hij het mes (met de schaar) aan het scherpen was. Aangeefster voelde zich hierdoor erg bedreigd. Op enig moment ontstond een worsteling tussen aangeefster en verdachte, waarbij hij het mes nog vast had. Nadat aangeefster op de grond was beland, dreef verdachte haar in een hoek van de kamer, waarop aangeefster heeft geschreeuwd om hulp. Toen duwde verdachte haar hard, waardoor zij met haar achterhoofd tegen de muur terecht kwam. Dat deed aangeefster pijn.2 In deze momenten heeft verdachte aangeefster vastgepakt ter hoogte van de nek/keel. Hij bracht het mes omhoog ter hoogte van de keel/schouder van aangeefster op een afstand van ongeveer 10 a 15 cm.3

Verdachte heeft bevestigd dat hij een mes vast had op die momenten, dat hij aangeefster vasthield terwijl hij dat mes vast had en dat aangeefster losgelaten wilde worden. Ook heeft hij zijn onderarm tegen de keel van aangeefster gedrukt, aldus verdachte.4

De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaringen van aangeefster en verdachte. De verklaringen ondersteunen elkaar in voldoende mate. Dat verdachte op andere momenten inconsequent is in zijn verklaringen doet daar niet aan af. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en van een mishandeling.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de feiten 1 tot en met 3, feit 4, meer subsidiair, en het onder feit 5, subsidiair, tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een laptop en/of een ruit van de auto en/of een kledingrek en/of één of meerdere borden, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] en/of [benadeelde 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2. hij in of omstreeks de periode van 6 februari 2020 tot en met 8 februari 2020 te Arnhem

opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ( [merk auto 1] , voorzien van kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3. hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto [merk auto 2] , voorzien van kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4. hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door deze [slachtoffer] (met kracht) bij de keel te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of een mes te tonen en/of dit mes in de directe nabijheid van de keel en/of schouder van die [slachtoffer] te houden/tonen en/of de keel (met de onderarm) dicht te drukken;

5. hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Arnhem zijn moeder, [slachtoffer] , heeft mishandeld door deze [slachtoffer] (met kracht) bij de keel te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of (vervolgens) deze [slachtoffer] met haar hoofd tegen de muur te duwen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3, telkens:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen of beschadigen

ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

ten aanzien van feit 5:

mishandeling, terwijl het misdrijf is begaan tegen zijn moeder.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 346 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Tevens is gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gewezen op de jonge leeftijd van verdachte en heeft gesteld dat de feiten hem verminderd kunnen worden toegerekend. Het zwaartepunt van de afdoening van deze zaak zou, ook in het belang van de maatschappij, moeten liggen in hulpverlening voor verdachte. Een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een substantieel lager (dan gevorderd door de officier van justitie) voorwaardelijk deel is afdoende, volgens de verdediging.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 25 juni 2020;

- een rapportage van psychiatrisch onderzoek, gedateerd 4 juni 2020, opgesteld door [psychiater 1] , psychiater, supervisor en [psychiater 2] , psychiater in opleiding en supervisant;

- een reclasseringsrapport, gedateerd 30 juli 2020.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich op 8 februari 2020 heeft schuldig gemaakt aan vijf misdrijven. Hij is die dag enorm tekeer gegaan tegen zijn moeder. Ze is in haar eigen woning, waar zij zich veilig moet kunnen voelen, geconfronteerd met haar zoon die door het lint aan het gaan was. Verdachte heeft zijn moeder bedreigd terwijl hij een mes vasthad en heeft zeer veel spullen in de woning vernield. Aangeefster heeft zeer angstige momenten meegemaakt en zij heeft gevreesd voor haar leven. Nadat aangeefster via een raam wist te ontkomen aan verdachte, heeft hij zijn woede gericht op een aantal auto’s in de buurt. Hiermee heeft hij ook voor veel onrust en gevoelens van onveiligheid in de buurt gezorgd. Een aantal buurtbewoners hebben verdachte tekeer zien gaan en durfden hun auto niet te verlaten.

Uit de over verdachte geschreven rapportages volgt dat bij verdachte sprake was van een ernstige stoornis in alcohol- en cannabisgebruik en van een psychotische stoornis. Het advies van de deskundigen om de feiten verdachte verminderd toe te rekenen, neemt de rechtbank over. De kans dat verdachte nieuwe strafbare feiten zou plegen schatten de NIFP-deskundigen matig tot hoog in. De rechtbank acht behandeling en begeleiding van verdachte dan ook aangewezen en zal de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 314 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. De rechtbank beoogt hiermee dat verdachte op de dag na het wijzen van dit vonnis uit detentie zal komen. De op te leggen bijzondere voorwaarden zullen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Gelet op de aard van de bewezen verklaarde bedreiging en mishandeling, de bij verdachte aanwezige stoornissen en de inschatting door de deskundigen van de kans op herhaling moet er immers ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.452,06.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 534,25.

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.472,39.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] kunnen worden toegewezen, waarbij de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente kunnen worden opgelegd.

De vordering van benadeelde [benadeelde 1] dient, volgens de officier van justitie, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit omdat aangeefster aansprakelijkheid voor de bedoelde schade heeft aanvaard en in dat kader al betalingen aan [benadeelde 1] heeft gedaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet betwist. De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] dient om de reden zoals door de officier van justitie genoemd niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1]

Ter terechtzitting heeft de verdediging naar voren gebracht dat aangeefster een betalingsregeling met [benadeelde 1] heeft getroffen en dat zij reeds bedragen heeft overgemaakt ter vergoeding van door hem geleden schade. Van deze betalingsregeling blijkt niet uit de vordering van [benadeelde 1] . Onvoldoende duidelijk is in hoeverre aangeefster de door [benadeelde 1] gestelde schade heeft vergoed. Een nader onderzoek hieromtrent zou een onevenredige belasting van dit strafproces opleveren. Daarom zal de rechtbank benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 2] en [benadeelde 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vorderingen is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] als gevolg van het feit 2, respectievelijk feit 3, bewezen verklaarde handelen tot de gevorderde bedragen schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vorderingen zijn voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van de toe te wijzen bedragen ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten is daar niet bij inbegrepen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 4, primair en subsidiair, en onder feit 5, primair;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 314 (driehonderdveertien) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;


de algemene voorwaarde dat verdachte:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;


de bijzondere voorwaarde(n) dat verdachte:

  • -

    zich uiterlijk binnen drie dagen na het wijzen van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Iriszorg (telefoonnummer 088-6061311) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht. Het meewerken aan huisbezoeken is een onderdeel van de meldplicht;

  • -

    zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Iriszorg en Kairos of soortgelijke zorgverleners op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstellingen aan te geven. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverleners geven voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Het meewerken aan controles op middelengebruik kan een onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    indien geïndiceerd door een voor indicatie verantwoordelijke instantie zich kortdurend klinisch in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, laat opnemen voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

  • -

    gedurende de proeftijd zal verblijven bij stichting Moria dan wel een andere soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld en aan de huisregels. Indien de instelling een verbod heeft op alcohol en drugs gebruik dan dient hij zich ook hier aan te houden. Hij zal ook mee moeten werken aan controles op gebruik;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk is aan de duur van het voorarrest;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2], van een bedrag van € 1.472,39 (duizend vierhonderdtweeënzeventig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 1.472,39 (duizend vierhonderdtweeënzeventig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 24 (vierentwintig) dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 3], van een bedrag van € 534,25 (vijfhonderdvierendertig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] , een bedrag te betalen van € 534,25 (vijfhonderdvierendertig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 10 (tien) dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.S.M. van Bergen (voorzitter), mr. H.P.M. Kester en
mr. S. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 augustus 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal met nummer: PLO600-2020062562, gesloten op 11 februari 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van ontvangst klacht, p. 28 t/m 30.

3 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen met nummer, PL0600-2020061583-25, p. 1.

4 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 augustus 2020.