Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4180

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
05/880132-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man van 20 uit Zutphen voor zijn betrokkenheid bij een vechtpartij in diezelfde plaats. Er is geen bewijs dat juist hij letsel heeft veroorzaakt bij het slachtoffer dat in de aanklacht van het openbaar ministerie staat. Maar dat hij op een openbare plek geweld heeft gebruikt is wel bewezen. De man krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 180 uur. Ook moet hij een deel van de door het slachtoffer gevorderde schadevergoeding betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/880132-19

Datum uitspraak : 6 augustus 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ,

wonende aan het [adres 1] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 27 december 2018, te Zutphen, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas (Multifragmentaire fractuur van de rechter orbita-onderrand) en/of een gebroken neusbot en/of een gebroken tand, heeft toegebracht door meermalen met kracht

- tegen het hoofd,

-tegen het gezicht,

- op/tegen het oog en/of

- op/tegen de neus te slaan, te stompen, te schoppen en/of te trappen;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

subsidiair

hij op of omstreeks 27 december 2018, te Zutphen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met kracht

- tegen het hoofd,

- tegen het gezicht,

- op/tegen het oog en/of

- op/tegen de neus heeft geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 27 december 2018, te Zutphen, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan de Nieuwstad, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten

[slachtoffer] door meermalen met kracht

- tegen het hoofd,

- tegen het gezicht,

- op/tegen het oog en/of

- op/tegen de neus te slaan, te stompen, te schoppen en/of te trappen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten

- een gebroken oogkas (Multifragmentaire fractuur van de rechter orbita-onderrand),

- een gebroken neusbot,

- een gebroken tand

- een bloeduitstorting bij het (rechter)oog en/of

- een pijnlijke rechterwang, voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

2 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De beslissing om verdachte te vervolgen kan volgens de verdediging geen stand houden omdat het openbaar ministerie heeft besloten vier andere verdachten niet te vervolgen. Daarmee heeft het openbaar ministerie in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging.

De rechtbank overweegt dat voorop moet worden gesteld dat de beslissing om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing leent.

Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel waarop de raadsman zich heeft beroepen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het verweer niet slagen. Niet kan worden geconcludeerd dat de vervolging van verdachte in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu geen sprake is van gelijke gevallen.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

In de vroege ochtend van 27 december 2018 heeft op de Nieuwstad in Zutphen een vechtpartij plaatsgevonden. Een van de slachtoffers was [slachtoffer] .2 Verdachte was betrokken bij deze vechtpartij.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primaire feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen voor het primaire en het subsidiaire feit omdat niet bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die de geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft gepleegd en zijn letsel heeft veroorzaakt. De meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging kan wel worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij met een groep vrienden liep en dat zij een andere groep jongens tegenkwamen. Op een gegeven moment werd hij van achteren vastgepakt en geslagen. Hij voelde vuistslagen in zijn gezicht. Vervolgens heeft hij een arm om de nek van die jongen gedaan waardoor ze allebei op de grond terecht kwamen. Daarna kreeg [slachtoffer] nog vuistslagen en voelde hij dat hij werd getrapt. Hij werd tegen zijn lichaam en hoofd getrapt en geslagen.4 Door het geweld heeft [slachtoffer] onder andere een breuk van de oogkas5 en een gebroken neusbot6 opgelopen.

[getuige 1] , een vriend van [slachtoffer] , heeft verklaard dat [slachtoffer] werd uitgelokt en geduwd. Vervolgens ging het over in slaan op [slachtoffer] . Op een gegeven moment zag [getuige 1] dat [slachtoffer] op de grond werd gelegd door een aantal jongens en een aantal keer goed hard werd geslagen en getrapt. De jongen die [getuige 1] had geslagen, liep naar [slachtoffer] toe en begon hem te schoppen. Toen waren er drie jongens op [slachtoffer] aan het intrappen.7

Verdachte heeft verklaard dat het andere groepje jongens even groot was als zijn eigen groepje. Er werd over en weer geschreeuwd en geslagen. Het werd een vechtpartij. Hij heeft geslagen en het kan zijn dat hij heeft geschopt. Hij weet niet meer hoe vaak hij heeft geslagen en geschopt. Over de klappen die hij heeft uitgedeeld, heeft verdachte verklaard dat het zou kunnen dat het een goede klap op de kaak is geweest.8 Verdachte heeft verder verklaard dat er over en weer is gevochten.9 Hij heeft geen idee met welke jongen hij heeft gevochten.

De officier van justitie heeft gewezen op de verklaring van getuige [getuige 2] , die heeft gezien dat een jongen werd geslagen en geschopt en op de grond viel en daarna op een bloembak ging zitten, en de verklaring van agenten dat zij [slachtoffer] zittend op een muurtje aantroffen.

Verder heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat [getuige 2] heeft verklaard dat de dader, terwijl de jongen op de grond lag, werd weggetrokken door een meisje en dat [getuige 3] (het meisje dat bij de groep van verdachte was, toevoeging rechtbank) bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij ook aan verdachte heeft getrokken bij het incident.

De rechtbank overweegt dat sprake is geweest van een vechtpartij tussen twee groepen jongens. Zij kenden elkaar niet. Er zijn weliswaar onafhankelijke getuigen die verklaren over het geweld dat zij hebben gezien, maar uit deze verklaringen volgt niet wie welk geweld op wie heeft uitgeoefend. [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat een flinke groep jongens aan het vechten was.10 Zijn aandacht ging vervolgens naar één jongen. Naar het oordeel van de rechtbank betekent de enkele omstandigheid dat [slachtoffer] door de politie op een muurtje werd aangetroffen niet perse dat hij de jongen is waarover [getuige 2] heeft verklaard. Immers, ook [getuige 1] , een vriend van [slachtoffer] , heeft verklaard dat hij op de grond terecht is gekomen en toen klappen kreeg. Zelfs als de verklaring van [getuige 2] wel over [slachtoffer] gaat,

dan levert die verklaring niet het bewijs dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt. Hierbij speelt een rol dat de beschrijving die [getuige 2] heeft gegeven van de (kleding van de) dader meer lijkt te passen bij andere betrokkenen dan bij verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank bewijst ook de combinatie van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet dat sprake is geweest van geweld van verdachte tegen [slachtoffer] . [getuige 3] heeft bij de politie alleen verklaard dat zij haar vriend [naam 1] heeft weggetrokken. Dat verklaart ze ook bij de rechter-commissaris. Pas in antwoord op een vraag zegt zij dat ze misschien ook een beetje aan verdachte heeft getrokken bij het incident. Dit vindt de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de verklaring van [getuige 2] over de dader ziet op verdachte.

Dit alles betekent dat de rechtbank tot het oordeel komt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair en subsidiair aan hem ten laste gelegde feiten. Er kan immers niet worden bewezen dat juist hij degene is die letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] .

Voor een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde feit is nodig dat er openlijk en met verenigde krachten geweld is gepleegd tegen een persoon. De verdachte moet opzet hebben gehad op het in vereniging plegen van dat geweld en moet daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage hebben geleverd. In dat geval is de verdachte ook strafrechtelijk aansprakelijk voor het niet door hemzelf gepleegde geweld.

Gelet op de hierboven opgenomen bewijsmiddelen vindt de rechtbank bewezen dat er in vereniging geweld is gepleegd tegen [slachtoffer] en dat verdachte daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van

26 september 2017 (NJ 2017/473) overweegt de rechtbank dat de strafverzwaringen die in het tweede lid van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht zijn vermeld, uitsluitend betrekking hebben op de dader van wie komt vast te staan, dat het door hemzelf gepleegde geweld een van de in onderdeel 1°, 2° of 3° omschreven gevolgen heeft gehad. Gelet op

hetgeen is overwogen over het primaire en subsidiaire feit, kan de in de tenlastelegging opgenomen strafverhogende omstandigheid niet worden bewezen. Daarom zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

4 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 27 december 2018, te Zutphen, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan de Nieuwstad, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten

[slachtoffer] door meermalen met kracht

- tegen het hoofd,

- tegen het gezicht,

- op/tegen het oog en/of

- op/tegen de neus te slaan, te stompen, te schoppen en/of te trappen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten

- een gebroken oogkas (Multifragmentaire fractuur van de rechter orbita-onderrand),

- een gebroken neusbot,

- een gebroken tand

- een bloeduitstorting bij het (rechter)oog en/of

- een pijnlijke rechterwang, voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

meer subsidiair: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.

6 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8 Overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar en enkele bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 100 uur gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS een taakstraf van 150 uur in de rede ligt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitgaansgeweld. Na wat geschreeuw over en weer is hij als eerste op de groep andere jongens afgestapt, waarna de situatie onnodig en flink uit de hand is gelopen. Slachtoffer [slachtoffer] heeft ernstig letsel opgelopen en ervaart ook nu nog de psychische en praktische gevolgen van het incident. Dit terwijl verdachte in een WhatsApp-bericht van kort na het incident meldt dat hij ‘gezeur’ heeft gehad en zich in tapgesprekken alleen druk lijkt te maken over de mogelijkheid dat hij wordt aangehouden en hoe een en ander in de pers is beschreven en zich in het geheel niet bekommert om het letsel bij onder andere [slachtoffer] . Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister volgt dat verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor geweldsfeiten.

De reclassering heeft beschreven dat verdachte ambulante woonbegeleiding van [naam 3] ontvangt en sinds oktober 2019 onder behandeling staat van forensische polikliniek [naam 2] . In de behandeling staan traumaverwerking en agressieregulatie centraal. De reclassering vindt het van belang dat een verplicht kader wordt opgelegd. Ondanks dat verdachte in een vrijwillig kader is gestart met de behandeling, is het behandeltraject nog niet zo lang bezig en de rapporteur acht de kans groot dat verdachte af zal haken zodra de verplichting wegvalt. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld.

Gelet op het bovenstaande en de LOVS-oriëntatiepunten, waarbij het uitgangspunt voor openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel als bulten, schrammen en blauwe plekken als gevolg al een taakstraf van 150 uur is en met zwaar lichamelijk letsel als gevolg een gevangenisstraf van zes maanden, komt de rechtbank tot oplegging van een zwaardere straf dan door de officier van justitie geëist, te weten een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 180 uur. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden bijzondere voorwaarden verbonden, te weten een meldplicht en de verplichting om mee te werken aan ambulante behandeling en woonbegeleiding.

9 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding. Gevorderd wordt € 24.982,61 aan materiële schade en € 1.800,- smartengeld. Verder is een bedrag van € 922,- aan proceskosten gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig moet worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Subsidiair wordt (het causale verband tussen het incident en) de gestelde studievertraging betwist en is aangevoerd dat de kosten voor boeken niet zijn onderbouwd en deze boeken bovendien verkocht hadden kunnen worden om de schade te beperken.

Beoordeling door de rechtbank

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat verder ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij als gevolg van het openlijk geweld schade heeft geleden. Anders dan de verdediging vindt de rechtbank wel aannemelijk dat er studievertraging is ontstaan door het incident ter hoogte van het in de vordering vermelde en onderbouwde bedrag. Voor wat betreft de aangeschafte boeken geldt dat de benadeelde partij de schade had kunnen beperken door boeken te verkopen. Daarom begroot de rechtbank deze post op de helft van het gevorderde bedrag. De overige materiële schade is niet betwist en komt de rechtbank overigens ook niet onredelijk voor. De totale materiële schade komt daarmee op een bedrag van € 24.582,61.

Naar het oordeel van de rechtbank is verder aannemelijk gemaakt dat immateriële schade is ontstaan. De rechtbank stelt het bedrag naar billijkheid vast op de gevorderde € 1.800,-.

De totale schade komt daarmee op € 26.382,61.

De rechtbank stelt vast dat hoofdelijke veroordeling van verdachte tot vergoeding van de volledige schade niet is gevorderd. Daar komt bij dat hoofdelijke aansprakelijkheid alleen bestaat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade. Van die situatie is geen sprake, omdat (nog) niet in rechte is vastgesteld dat behalve verdachte ook een ander of anderen aansprakelijk zijn voor de schade van [slachtoffer] . Dit betekent dat verdachte niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor het totale schadebedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank zou toekenning van de volledige schadevergoeding onder de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leiden. Daarom zal zij de verplichting tot schadevergoeding matigen. Aan verdachte wordt de verplichting opgelegd om

€ 5.276,52 te betalen aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

27 december 2018. De rechtbank zal ook een schadevergoedingsmaatregel opleggen ter hoogte van dit bedrag.

Verder zal de rechtbank verdachte veroordelen in de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten van € 922,-.

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder punt 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 5;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

o de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

de bijzondere voorwaarden dat verdachte:

o zich uiterlijk vijf dagen na afdoening van deze zaak meldt bij Reclassering Nederland ( [adres 2] ). Verdachte moet zich blijven melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

o zich laat behandelen door forensische polikliniek [naam 2] of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering, waarbij hij zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft;

o zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen van [naam 3] of een soortgelijke instantie, te bepalen door de reclassering;

stelt als overige voorwaarden dat:

o verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

o verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

 legt op een taakstraf van 180 uur, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 5.276,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2018 tot aan de dag dat het bedrag is betaald;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.276,52. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2018 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 61 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 922,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker (voorzitter), mr. Y.M.J.I. Baauw en

mr. D.S.M. Bak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 augustus 2020.

mr. Rademaker is buiten staat

dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, basisteam IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019035053 (onderzoek Zeester), gesloten op 19 maart 2019, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 253-255.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 239-244.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 253-255.

5 Geneeskundige verklaring, p. 258.

6 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , p. 267.

7 Proces-verbaal van aangifte [getuige 1] , p. 735-736.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 241-242.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 246.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 296.