Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4086

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-07-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
366232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Aansprakelijkheid voor dieren. Mislukte noodslachting door dierenarts die daarbij zelf letselschade oploopt. Deelgeschil. Klachtplicht. Rechtsverwerking. Risico-aanvaarding als beletsel voor aansprakelijkheid en in het kader van eigen schuld. Eigen energie of handelen als instrument? Tenzij-clausule. Eigen schuld. De geschonden norm strekt tot bescherming van dierenwelzijn en niet tot bescherming tegen het dier. Voorschot op smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0560
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rekestnummer: C/05/366232 / HA RK 20-33

Beschikking van 16 juli 2020

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te Houten,

verzoeker,

advocaat mr. J.L. van Schoonhoven te Heerde,

tegen

1 [verweerder 1] ,

2. [verweerder 2],

3. [verweerder 3],

4. [verweerder 4],

5. [verweerder 5],

allen wonende te [plaats] ,

zijnde de vennoten van,

6. de vennootschap onder firma

[onderneming] ,

gevestigd te [plaats] ,

7. de naamloze vennootschap

NATIONALE–NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

verweerders,

advocaat mr. J. van de Klashorst te Den Haag.

Verzoeker zal verder [verzoeker] worden genoemd. Verweerders sub 1 tot en met 6 zullen worden aangeduid met [onderneming] en verweerster sub 7 met NN. Verweerders zullen gezamenlijk NN c.s. worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    de brief van de rechtbank van 12 maart 2020

  • -

    de brief van [verzoeker] van 24 maart 2020

  • -

    de brief met bijlagen van [verzoeker] van 8 juni 2020

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling via Skype voor bedrijven. Verschenen zijn enerzijds [verzoeker] bijgestaan door mr. Van Schoonhoven voornoemd en anderzijds verweerder sub 2 en [naam 1] , letselschadespecialist van NN, bijgestaan door mr. Klashorst voornoemd. Mr. Van Schoonhoven heeft het standpunt van haar cliënt mede aan de hand van pleitnotities uiteengezet en daarbij een declaratie en specificatie van haar werkzaamheden overgelegd.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is dierenarts. Hij houdt een praktijk voor gezelschapsdieren en was daarnaast ook veearts in loondienst. [onderneming] exploiteert een veehouderij. NN is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [onderneming]

2.2.

Op 14 november 2016 moest een stier van [onderneming] in op haar bedrijf in de stal worden gedood. Vervoer naar het slachthuis was niet aan de orde omdat de stier, die meer woog dan 600 kg, niet meer op zijn poten kon staan. Het uitvoeren van een dergelijke noodslachting is voorbehouden aan een dierenarts. [verzoeker] is ingeschakeld om de noodslachting te verrichten. Een noodslachting wordt uitgevoerd door een geladen schiettoestel (ook wel schietmasker genoemd) op het voorhoofd van het dier te zetten en af te vuren waarna een metalen pen in het hoofd van het dier schiet en het dier direct bedwelmd c.q. bewusteloos moet raken. Vervolgens dienen de halsslagaders van het dier doorgesneden te worden, waarna het doodbloedt.

2.3.

[verzoeker] is op 14 november 2016 naar de boerderij van [onderneming] gegaan en is de stal ingegaan met verweerders sub 1 en 2 en een kennis van hen. De stier lag rustig in een hok. [verzoeker] is het hok ingegaan, heeft zijn schiettoestel op het voorhoofd van de stier gezet en heeft de pen afgevuurd. De stier bleek echter van het schot niet bedwelmd te zijn geraakt, maar lag wel weer rustig. [verzoeker] is een paar meter bij de stier vandaan gegaan om zijn toestel opnieuw te laden. Op dat moment heeft de stier zich plotseling opgericht en een sprong gemaakt. De stier is uiteindelijk op het rechter onderbeen van [verzoeker] terecht gekomen, dat daarbij is gebroken.

2.4.

[verzoeker] is aan de botbreuk geopereerd. Mede vanwege complicaties zijn zes vervolgoperaties aan het onderbeen noodzakelijk gebleken, laatstelijk in september 2019. [verzoeker] kan inmiddels korte stukken lopen, ook zonder krukken, en mag weer fietsen en autorijden. [verzoeker] is een jaar na het ongeval weer begonnen met werken.

2.5.

De arbeidsovereenkomst van [verzoeker] is beëindigd. Vanaf 15 november 2018 ontvangt [verzoeker] een WIA-uitkering. [verzoeker] heeft zijn praktijk voor gezelschapsdieren hervat.

2.6.

In een uitgave van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), getiteld ‘Noodslachting op de boerderij’, staat onder meer het volgende:

Dit blad informeert praktiserend dierenartsen over de juiste bedwelmingswijze en documenten voor noodslachting op de boerderij.

Noodslachting

Een noodslachting op de boerderij is toegestaan bij (slacht)dieren die een ongeval hebben gehad, die voor het overige gezond zijn, maar die om welzijnsredenen na een ongeval niet levend naar het slachthuis mogen worden vervoerd.

(…)

De NVWA constateert vaker dat het schieten bij noodslachtingen op de boerderij niet goed verloopt. De gemaakte fouten zijn:

• men plaatst het penschiettoestel te laag op het voorhoofd;

• men plaatst het penschiettoestel te ver uit de middenlijn en/of;

• men heeft meer dan één schot nodig om het rund effectief te bedwelmen.

(…)

Uit een steekproef onder noodslachtrunderen blijkt zelfs dat in 11 van 25 gevallen niet correct was geschoten. Te laag schieten was daarbij de meest gemaakte fout. Daarom brengt de NVWA dit onderwerp nu extra onder de aandacht.

Regels

Na één schot met het penschiettoestel behoren runderen onmiddellijk bedwelmd te zijn: binnen één tot drie seconden bewusteloos (gevoelloos én bewegingloos). Diverse wettelijke eisen zijn van toepassing op het bedwelmen en slachten in én buiten het slachthuis. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. En in artikel 7, lid 1 de eis: het doden van dieren en de daarmee verband houdende activiteiten mogen uitsluitend worden uitgevoerd door personeel dat over het passende vakbekwaamheidsniveau beschikt om dit te kunnen doen zonder enige vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bij de dieren te veroorzaken. Buiten het slachthuis is alleen de dierenarts bevoegd om runderen te doden. Bij niet correct geschoten runderen wordt hen niet elk vermijdbaar lijden bespaard.

(…)

Algemene eisen

• De schutter is competent.

• Het penschiettoestel is volgens specificaties onderhouden, geschikt voor de diersoort en de grootte van het dier.

• Het kaliber van het te gebruiken munitiepatroon is bedoeld voor de soort en de grootte binnen de soort.

• De kop van het dier is voldoende gefixeerd en het schieten gebeurt direct na fixatie.

• Het penschiettoestel wordt loodrecht op het schedeloppervlak geplaatst.

• De halssnede en het verbloeden vinden direct na bedwelming plaats.

• De optimale positie voor plaatsing van het penschiettoestel bij het rund is op de kruising van twee denkbeeldige lijnen die lopen van de middenbovenzijde van de ogen naar de tegenover gelegen hoornbasis.

2.7.

In een ‘Toelichting over noodslachting’ van de NVWA is onder meer vermeld:

Werkwijze noodslachting

(…)

Doden door bedwelmen en verbloeden

Bij het bepaalde in Vo. (EG) 1099/2009 en de regeling Doden van dieren 2012, dient bij het doden van een dier ervoor gezorgd te worden dat het dier elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Hiertoe dient het dier adequaat bedwelmd te worden alvorens het dier verbloed wordt. De voorwaarden voor een adequate bedwelming zijn:

• Een vakbekwame schutter;

• Een volgens specificaties onderhouden schietmasker die geschikt is voor de diersoort en de grootte van het dier;

• Het kaliber van de munitiepatronen is bedoeld voor de soort en de grootte binnen de soort;

• De fixatie van de kop van het dier is voldoende en het schieten gebeurt direct na fixatie;

• Het schietmasker wordt op de juiste plaats, loodrecht op het schedeloppervlak geplaatst.

De tekenen dat een dier adequaat bedwelmd is, zijn als volgt:

• Het dier collabeert onmiddellijk na het schot;

• Het lichaam en de spieren van het dier verkrampen onmiddellijk na het schot;

• De ademhaling stopt onmiddellijk en blijvend; en

• De oogleden zijn open waarbij de blik van het oog recht vooruit staart en de oogbol niet draait.

Direct na de bedwelming moet verbloeding plaatsvinden door middel van het doorsnijden van de halsslagaders. In geval van een noodsituatie kan een andere dodingsmethode toegepast worden. (Zie Noodsituaties.)

2.8.

Bij e-mail van 7 juni 2020 heeft dierenarts [naam 2] op verzoek van de advocate van [verzoeker] op haar onderstaande vragen:

“Het verschil tussen de noodslachting op het filmfragment en die de heer [verzoeker] uitvoerde is dat de stier niet bedwelmd raakte. Komt het vaker voor dat dat gebeurd? Is dit in de praktijk te voorkomen? Zo ja hoe en bent u van mening dat - kijkende naar de foto’s van de stal- had gekund bij deze noodslachting?”

het volgende geantwoord:

“Ondanks het zorgvuldig handelen van de persoon die een rund schiet, kan het zo zijn dat het dier niet goed bedwelmd raakt van het schietmasker. Ik heb dit zelf ook wel eens gehad bij een melkkoe. Hoewel ik altijd mijn best doe om de handeling zo goed mogelijk uit te voeren kunnen er verschillende redenen zijn dat dit gebeurt. Ik heb zelf bijvoorbeeld wel eens te laag geschoten en kwam zo niet in de hersenpan, maar de voorhoofdsholte van een rund kan ook te groot zijn voor de pen waardoor je niet in de hersenpan uit komt. Wanneer de bedwelming niet goed verloopt kan het zo zijn dat het rund daar ‘niet zo blij mee is’. Op de meegestuurde foto’s zie ik een vrij standaard strohok. Ik zie hier ook geen mogelijkheid om een stier te fixeren voor het bedwelmen. Daarnaast wil ik zelf geen andere mensen in de buurt hebben op het moment dat ik een noodslachting uitvoer vanwege de veiligheid van anderen. In ons beroep als veearts is er nu eenmaal niet altijd een mogelijkheid om alle variabelen uit te sluiten.”

2.9.

[verzoeker] heeft [onderneming] aansprakelijk gesteld voor zijn letselschade. NN heeft namens [onderneming] aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

Het verzoekt strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van art. 1019w e.v. Rv:

I) - een beslissing zal nemen over de schuldvraag met betrekking tot het ongeval op 14 november 2016 en zal oordelen dat [onderneming] op grond van art. 6:179 BW j° art. 6:181 lid 1 BW ieder voor zich maar ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle gevolgen van het ongeval en voorts dat Katerveel c.s. alsmede NN uit hoofde van art. 7:954 BW daarom gehouden zijn de schade als gevolg van dit ongeval te vergoeden,

II) - NN c.s. hoofdelijk zal veroordelen om bij wege van voorschot een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding aan [verzoeker] te betalen,

met begroting van de proceskosten van [verzoeker] en veroordeling van NN c.s. in deze kosten.

3.2.

[verzoeker] baseert zijn verzoeken kort gezegd erop dat [onderneming] bezitter dan wel bedrijfsmatig gebruiker was van de stier en daarom aansprakelijk is voor de schade die de stier heeft aangericht en gehouden is deze schade aan [verzoeker] te vergoeden, tot welke schadevergoeding NN als aansprakelijkheidsverzekeraar van [onderneming] eveneens is gehouden.

3.3.

NN c.s. voert verweer.

3.4.

De standpunten van partijen zullen hierna voor zover nodig worden besproken.

4 De beoordeling

4.1.

NN c.s. werpt in de eerste plaats op dat geen sprake is van een deelgeschil in de zin van art. 1019w Rv, omdat vrijwel de gehele zaak aan de rechtbank is voorgelegd. Zoals NN c.s. erkent zijn de verzoeken, die zien op aansprakelijkheid, eigen schuld en een voorschot op schadevergoeding, afzonderlijk zonder meer geschikt om op de voet van art. 1019w aan de rechter te worden voorgelegd. Nadat op al deze verzoeken zal zijn beslist zal, indien aansprakelijkheid zal worden vastgesteld, anders dan NN c.s. meent, ruim voldoende noodzaak voor partijen resteren om gezamenlijk tot een regeling van de schade te komen. De schadebegroting, die in een geval als het onderhavige gecompliceerd kan zijn, ligt dan immers nog open. Met een beslissing op de verzoeken zal de rechtsverhouding tussen partijen dus allerminst (bijna) geheel zijn vastgesteld. Het verweer dient dan ook te worden verworpen. Of art. 1019z Rv aan een inhoudelijke beoordeling van een verzoek in de weg staat omdat nader onderzoek naar de feiten noodzakelijk is, zoals NN c.s. ook heeft aangevoerd, zal hierna zo nodig aan de orde komen.

4.2.

Ter zitting heeft NN c.s. het verweer gevoerd dat [verzoeker] zich na het ongeval niet tijdig heeft beklaagd bij [onderneming] , in de zin van art. 6:89 BW. Deze bepaling is in beginsel alleen van toepassing bij wanprestatie en dus niet op een vordering uit hoofde van art. 6:179 BW, zoals in deze zaak aan de orde is. Om de schuldenaar te beschermen tegen een schuldeiser die door middel van een vordering uit onrechtmatige daad in plaats van wanprestatie de klachtplicht van art. 6:89 BW poogt te omzeilen, kan deze bepaling ook worden toegepast bij een vordering uit onrechtmatige daad, waaronder een op art. 6:179 BW gestoelde vordering wellicht zou kunnen worden begrepen. Daarvoor is dan wel vereist dat de vordering uit onrechtmatige daad is gegrond op feiten die tevens de stelling zouden rechtvaardigen dat de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt. Zie HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176. Hiervan is in dit geval geen sprake. De gestelde aansprakelijkheid is immers niet erop gegrond dat [onderneming] is tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis, maar op kwalitatieve aansprakelijkheid voor dieren.

4.3.

Het beroep van NN c.s. ter zitting op rechtsverwerking gaat evenmin op. Enkel tijdsverloop is daarvoor niet voldoende. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij gerechtvaardigd erop kon vertrouwen dat [verzoeker] haar niet aansprakelijk zou houden heeft NN c.s. niet gesteld. Dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor haar positie onredelijk wordt verzwaard of benadeeld omdat [verzoeker] eerst na verloop van een kleine twee jaar aanspraak heeft gemaakt op schadevergoeding, heeft NN c.s. onvoldoende gemotiveerd gesteld. Zij heeft in dit verband bewijsmoeilijkheden opgevoerd, maar heeft deze onvoldoende concreet gemaakt om vast te kunnen stellen dat dit nadeel zo zwaar weegt dat de vergaande consequentie van rechtsverwerking geboden is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat rechtsverwerking een toepassing betreft van art. 6:2 lid 2 BW en het dus moet gaan om omstandigheden die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken dat [verzoeker] zijn vorderingen nu instelt.

4.4.

NN c.s. heeft verder betoogd dat de uitvoering van de overeenkomst in de weg staat aan toepassing van art. 6:179 BW. [verzoeker] is niet slachtoffer geworden van onberekenbaar gedrag na een juiste behandeling, zoals de dierenarts in de zaak die heeft geleid tot HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1335, maar van onberekenbaar gedrag na een onjuiste behandeling. [verzoeker] komt daarom, anders dan de dierenarts in het door de Hoge Raad berechte geval, geen beroep toe op art. 6:179 BW, aldus NN c.s. In dit verband geldt het volgende, waarbij voorop moet worden gesteld dat niet in geschil is dat over aansprakelijkheid voor een ongeval met de stier tussen (de ex-werkgever van) [verzoeker] en [onderneming] geen contractuele afspraken zijn gemaakt.

4.5.

Een dierenarts en zeker een veearts stelt zichzelf noodzakelijkerwijs bloot aan gevaren die aan de omgang met dieren inherent zijn. In het algemeen vormt een dergelijke risico-aanvaarding niet een zelfstandige grond voor afwending van aansprakelijkheid; een bewuste blootstelling aan risico’s moet worden betrokken in de vraag of de wederpartij onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel bij de beoordeling van een beroep op eigen schuld. Zie HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300. De tekst van art. 6:179 BW biedt niet de ruimte om risico-aanvaarding te betrekken bij de vraag of risico-aansprakelijkheid voor dieren is gevestigd. Dit aspect dient dan aan de orde te komen bij de beoordeling van een beroep op eigen schuld, waarover hierna meer.

4.6.

De door NN c.s. aangehaalde overweging 3.7 van het arrest van de Hoge Raad van 27 april 2001 leidt niet tot en ander oordeel. Blijkens die passsage was in die zaak in cassatie betoogd dat een dierenarts zijn opdrachtgever in beginsel niet uit hoofde van art. 6:179 BW aansprakelijk kan houden omdat de dierenarts bekend is met de gevaren van dieren en deze gevaren, gelet op de aard en strekking van de overeenkomst met zijn opdrachtgever, heeft aanvaard. De Hoge Raad heeft dit betoog, in navolging van het hof, niet gevolgd. Of de behandeling door de dierenarts wel of niet is verricht zoals een redelijk handelend en bekwaam dierenarts betaamt, heeft daarbij niet kenbaar een rol gespeeld. De rechtbank overweegt daarbij dat NN c.s. de weergave van een cassatiemiddel door de Hoge Raad ten onrechte heeft gepresenteerd als een dragende overweging van de Hoge Raad. Uit de dragende overwegingen van de Hoge Raad blijkt niet dat de (on)zorgvuldigheid van de dierenarts in dit verband van belang is. Gelet op het in 4.5. gegeven uitgangspunt, dat bevestiging vindt in overweging 4.4. van het arrest van het gerechtshof Arnhem van 22 oktober 1996, ECLI:NL:GHARN:1996:AK3685, wordt het verweer dat [verzoeker] op deze grond geen beroep op art. 6:179 BW toekomt verworpen.

4.7.

Als onbetwist staat vast dat [onderneming] bezitter was van de stier ten tijde van het ongeval. NN c.s. heeft wel weersproken dat sprake is van door het dier aangerichte schade, zoals in de stellingen van [verzoeker] besloten ligt en voor aansprakelijkheid op de voet van art. 6:179 BW is vereist. De plotselinge sprong van de stier is geen uiting van de eigen energie van het dier, maar een voorzienbaar gevolg van een niet goed uitgevoerde noodslachting, aldus NN c.s. In dat verband is het volgende van belang.

4.8.

De grondslag voor risico-aansprakelijkheid voor door een dier aangerichte schade is het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten. Dit brengt mee dat voor toepassing van artikel 6:179 BW nodig is dat de schade veroorzaakt is door een eigen gedraging van het dier, waarbij het dier dus niet 'als instrument handelt van de persoon, die hem berijdt of leidt' (Van Zeben, Du Pon & Olthof (red.), Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 763). Zolang het dier optreedt overeenkomstig hetgeen de begeleider van hem verlangt, mist art. 6:179 BW toepassing. Zie HR 23 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1041.

4.9.

Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de plotselinge sprong van de stier heeft verlangd. In tegendeel, [verzoeker] heeft juist beoogd de stier bewusteloos te schieten. Enige tijd nadat was gebleken dat het schot niet dit beoogde effect had, heeft het dier plotseling, spontaan, autonoom en onverwacht een sprong gemaakt. Dergelijk onberekenbaar gedrag van dieren rechtvaardigt juist de risico-aansprakelijkheid van art. 6:179 BW. Vergelijk Hof Arnhem-Leeuwarden 22 januari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:491 (waarin een door NN c.s. in randnummer 5.10 van haar verweerschrift aangehaalde beschikking is vernietigd). Dat het mislukte schot te vergelijken zou zijn met het pesten van een dier, zoals NN c.s. ter zitting heeft betoogd, doet aan het voorgaande niet af, maar kan hooguit ertoe leiden dat sprake is van eigen schuld. Vergelijk noot 2 op pagina 765 van de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis, waar het ophitsen van een dier als voorbeeld van eigen schuld is genoemd. [verzoeker] kan zich derhalve beroepen op art. 6:179 BW.

4.10.

Ter zitting heeft NN c.s. verder een beroep gedaan op de tenzij-clausule van art. 6:179 BW. Voor het slagen van dit beroep is in dit geval nodig dat de sprong van de stier jegens [verzoeker] niet onrechtmatig zou zijn geweest in de hypothetische situatie dat [onderneming] de stier op dat moment in haar macht zou hebben gehad. Dit ligt bepaald niet in de rede en NN c.s. heeft dit verweer ook niet nader toegelicht. Het wordt verworpen.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat [onderneming] aansprakelijk is voor de schade die de stier bij [verzoeker] heeft aangericht. Aan de orde is vervolgens of de schadevergoedingsplicht van [onderneming] op de voet van art. 6:101 BW moet worden verminderd, zoals NN c.s. stelt en [verzoeker] betwist. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat het verzoek sub I aldus moet worden begrepen, zoals partijen hebben gedaan, dat ook op dit punt van de rechtbank een beslissing wordt gevraagd, die bovendien niet is beperkt tot de vraag of [verzoeker] aan het ongeval schuld heeft, maar tevens betrekking heeft op de vraag of aan [verzoeker] omstandigheden kunnen worden toegerekend die op grond van de wet of de in het verkeer geldende opvattingen tot zijn risicosfeer gerekend moeten worden.

4.12.

NN c.s. verwijt [verzoeker] in het verweerschrift twee fouten; [verzoeker] heeft een fout gemaakt bij het schieten (randnummer 3.13. ) en [verzoeker] heeft de stier niet gefixeerd (randnummers 3.11 en 3.12.).

4.13.

Dat [verzoeker] niet goed heeft geschoten heeft NN c.s. daarop gebaseerd dat het schot niet tot bedwelming van het dier heeft geleid. Vast staat dat het schot inderdaad niet dit beoogde effect had, maar daarmee is nog niet gegeven dat [verzoeker] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en bekwaam veearts mag worden verwacht. Het is aan NN c.s. om de norm aan te geven die [verzoeker] heeft geschonden. In randnummers 3.10. en 3.13. van het verweerschrift heeft NN c.s. opgemerkt dat onduidelijk is of [verzoeker] een competent schutter is en of hij een goed onderhouden en voor het doel geschikt schiettoestel met geschikte munitie heeft gebruikt. Dit zijn geen stellingen maar slechts suggesties. Een normschending in dit verband heeft NN c.s. zodoende onvoldoende gemotiveerd gesteld.

4.14.

In de in 2.6. geciteerde publicatie van de NVWA staat dat uit een steekproef onder noodslachtrunderen blijkt dat in 11 van de 25 gevallen niet correct was geschoten. Dat een rund niet bewusteloos raakt van een eerste schot is dus niet ongewoon. De publicaties van de NVWA zijn bovendien klaarblijkelijk van overheidswege opgesteld om onnodig lijden van dieren te voorkomen (zie de considerans bij Verordening (EG) Nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden, waarop de publicaties van de NVWA zijn gebaseerd) en behelst niet zonder meer een in de beroepsgroep geaccepteerde norm dat een veearts in civielrechtelijke zin (jegens zijn opdrachtgever) onzorgvuldig handelt als het schot niet het beoogde effect heeft. Verder is van belang dat dierenarts [naam 2] heeft verklaard dat het ook bij zorgvuldig handelen mogelijk is dat geen goede bedwelming volgt; de voorhoofdsholte van een rund kan te groot zijn voor de pen waardoor deze niet in de hersenpan uit komt. Zeker in dit licht bezien mocht van NN c.s. worden verwacht dat zij haar verwijt niet enkel op het onvolkomen resultaat baseerde. Zij had moeten stellen dat en toelichten waarom [verzoeker] niet heeft geschoten zoals van een redelijk handelend en bekwaam veearts mocht worden verwacht, bijvoorbeeld door ten minste gemotiveerd aan te geven welke van de door de NVWA opgesomde fouten [verzoeker] heeft gemaakt, of door een deskundigenopinie van die strekking in het geding te brengen. Dat heeft zij niet gedaan. Dat op [verzoeker] ter zake van zijn betwisting een verzwaarde motiveringsplicht rust, zoals NN c.s. lijkt te suggereren, kan niet worden aangenomen. [onderneming] was bij het ongeval aanwezig en het betrof haar stier, zodat zij geacht kan worden te beschikken over de gegevens die voor eventuele bewijslevering van belang kunnen zijn. Het verweer slaagt niet.

4.15.

Vast staat dat [verzoeker] de kop van de stier niet heeft gefixeerd voordat hij schoot. Het voorschrift in de publicaties van de NVWA, dat de kop van het dier voldoende moet worden gefixeerd en dat direct daarna moet worden geschoten, is klaarblijkelijk erop gericht dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat het schot niet tot bedwelming leidt omdat het dier vlak voor het schieten het hoofd beweegt en als gevolg daarvan niet ‘raak’ geschoten wordt. Dat dit voorschrift (mede) ertoe strekt de betrokken veearts tegen het dier te beschermen, volgt uit deze publicaties niet en is door NN c.s. niet nader toegelicht. Bovendien heeft NN c.s. ook in dit verband niet uiteengezet waarom de fixatienorm niet alleen geldt ter bescherming van dierenwelzijn, maar ook een civielrechtelijk zorgvuldigheidnorm betreft die aan volledige schadevergoeding in de weg kan staan. Denkbaar is weliswaar dat fixatie van de kop van de stier ook zou hebben belet dat de stier tot op [verzoeker] zou hebben kunnen springen, maar in de hiervoor geschetste omstandigheden kan het niet-fixeren niet worden beschouwd als een omstandigheid die aan [verzoeker] kan worden toegerekend ter beperking van een civielrechtelijke schadevergoedingsverplichting.

4.16.

Bovendien is van belang dat volgens dierenarts [naam 2] op foto’s van het hok van de stier geen mogelijkheid te zien is om de stier te fixeren voor het bedwelmen. Dat [verzoeker] niettemin tot fixatie was gehouden heeft NN c.s. onvoldoende toegelicht. Zij heeft wel nog gesteld dat [verzoeker] de stier met een verreiker had moeten fixeren of door de twee aanwezige vennoten met de hand had moeten laten fixeren, maar dat dit een deugdelijke en in de diergeneeskundige praktijk acceptabele manier van fixeren betreft heeft zij niet toegelicht, bijvoorbeeld met een deskundigenopinie of aan de hand van diergeneeskundige literatuur. Het is gebleven bij een kale stelling, die tegenover de onbestreden visie van dierenarts Bruil onvoldoende gewicht in de schaal legt.

4.17.

De door NN c.s. gezochte analogie met het pesten van een dier gaat mank omdat in dit geval geen sprake is van pesten of ophitsen nu [verzoeker] een noodzakelijke diergeneeskundige behandeling (noodslachting) uitvoerde.

4.18.

Ter zake van omstandigheden die volgens NN c.s. in de risicosfeer van [verzoeker] liggen geldt het volgende.

4.19.

Zoals gezegd bracht de uitvoering van de opdracht tot het uitvoeren van de noodslachting voor [verzoeker] noodzakelijkerwijs risico’s mee, die [verzoeker] vrijwillig en bewust heeft aanvaard. Of, en zo ja in hoeverre, om deze reden sprake is van een omstandigheid die in zijn risicosfeer ligt en daarom aan hem moet worden toegerekend in de zin van art. 6:101 BW, hangt af van de inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval. Vergelijk het door NN c.s. aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7010, waarin een ongeval tijdens een paardrijles aan de orde was en tussen de bezitter en de berijdster een overeenkomst bestond.

4.20.

In dit geval is sprake van een veearts in loondienst die ter uitvoering van een overeenkomst van opdracht tussen zijn werkgever en de bezitter van een stier een noodslachting op die stier dient uit te voeren. De overeenkomst betrof dus niet zozeer het genot van de eigen energie van het dier, zoals bij paardrijles, maar een diergeneeskundige behandeling van dat dier waarbij deze eigen energie juist zo veel mogelijk werd vermeden. Tijdens deze behandeling heeft de stier, die gedood moest worden omdat hij niet meer op zijn poten kon staan, zonder concrete directe aanleiding op een onverwacht moment een sprong gemaakt waardoor de dierenarts, die toen enige meters van de stier verwijderd was, werd geraakt, een ook volgens de verklaring van verweerder sub 2 ter zitting uniek en onvoorzienbaar voorval. Deze omstandigheden zijn in essentie vergelijkbaar met de casus die heeft geleid tot het hiervoor aangehaalde arrest van 27 april 2001 waarin de betreffende dierenarts bij de behandeling werd geconfronteerd met een plotseling agressief wordend paard. Net zoals in dat geval bestaat ook in de omstandigheden van dit geval geen grond om aan te nemen dat het risico op de aan de dierenarts toegebrachte schade naar de in het verkeer geldende opvattingen zou moeten worden gedragen door [verzoeker] als degene die zich bij overeenkomst tot behandeling van het dier had verbonden. Ook in dit opzicht gaat het beroep op eigen schuld niet op.

4.21.

[verzoeker] verlangt een voorschot op immateriële schadevergoeding van € 7.500,00. Voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding is, gelet op het restitutierisico, onder meer vereist dat de vordering tot het beloop van het verzochte voorschot reeds voldoende vaststaat of op eenvoudige wijze vastgesteld kan worden. Tegen deze achtergrond geldt het volgende.

4.22.

Vast staat dat [verzoeker] bij het ongeval letselschade heeft opgelopen waarvoor [onderneming] aansprakelijk is, zodat een wettelijke grondslag bestaat voor het toekennen van smartengeld. Ter toelichting op zijn verzoek heeft [verzoeker] onbetwist gesteld dat hij als gevolg van het ongeval in de loop van drie jaren zeven keer is geopereerd, nog steeds lichamelijke beperkingen ondervindt, arbeidsongeschikt is geraakt en zijn baan als veearts is kwijtgeraakt, onder overlegging van medische stukken uit de behandelend sector. Ter zitting heeft hij de gevolgen onbetwist nader toegelicht, in die zin dat hij inmiddels zonder krukken kan lopen, maar dat traplopen nog moeizaam gaat. Voor zich spreekt dat het ongeval met deze gevolgen aanmerkelijke pijn, verdriet en gederfde levensvreugde heeft veroorzaakt bij [verzoeker] . Hiermee zijn de gevolgen van het ongeval niet volledig in kaart gebracht. Wel kunnen aldus enige elementen die voor het bepalen van de aanspraak op smartengeld van belang zijn worden vastgesteld, aan de hand waarvan kan worden bepaald of de vordering (ten minste) tot het beloop van het verzochte voorschot toewijsbaar is. Anders dan NN c.s. opwerpt heeft [verzoeker] wel volgens hem vergelijkbare casus aangedragen, namelijk de rechtspraak die is aangehaald in de Smartengeldgids met nummers 107 en 117. NN c.s. heeft niet concreet betwist dat deze casus vergelijkbaar zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding deze uitspraken niet als indicatie te hanteren. Verder is van belang dat geen sprake is van schuldaansprakelijkheid maar van risico-aansprakelijkheid en dat [verzoeker] ten tijde van het ongeval 59 jaar oud was. Al met al kan de smartengeldvordering naar het oordeel van de rechtbank thans reeds tot ten minste een bedrag van € 7.500,00 worden vastgesteld. Vermindering van de vergoedingsplicht is zoals hiervoor overwogen niet aan de orde. NN is tot rechtstreekse schadevergoeding aan [verzoeker] gehouden. Het verzoek is dan ook toewijsbaar.

4.23.

Uit het voorgaande volgt dat afwijzing van een verzoek op de voet van art. 1019z Rv niet aan de orde is. Op de verzoeken kon zonder nadere bewijsverrichtingen worden beslist.

4.24.

Ter zake van de proceskosten geldt het volgende. [verzoeker] wenst in dit verband begroting van de kosten van 28:18 uur aan werkzaamheden van zijn advocaat tegen een uurtarief van € 260,00 exclusief btw, vermeerderd met € 304,00 aan griffierecht. Deze werkzaamheden zijn behoorlijk gespecificeerd. NN c.s. vindt de bestede tijd bovenmatig, maar de onderbouwing van dat standpunt overtuigt niet.

Het enkele feit dat tijd is besteed aan de ontvangst van de opdrachtbevestiging betekent niet dat deze tijd niet is besteed bij de behandeling van het verzoek, namelijk aan het verifiëren van de opdracht tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift.

Dat delen van het verzoekschrift uit eerdere correspondentie zijn overgenomen is op zichzelf nog geen reden om aan te nemen dat aan het opstellen van het verzoekschrift niet de gestelde tijd is besteed. Dat het opstellen van het verzoekschrift 6½ uur heeft gekost komt de rechtbank niet bovenmatig voor, ook als gedeelten daarvan konden worden overgenomen.

Over de na opstelling van het verzoekschrift bestede tijd heeft NN c.s. opgemerkt dat haar standpunt bij [verzoeker] al bekend was zodat daaraan bij de behandeling van het verzoek niet zo veel tijd hoefde te worden besteed. De overgelegde correspondentie biedt echter geen steun voor dat standpunt. NN c.s. heeft in rechte het arsenaal aan eventuele verweren volledig benut – ook minder voor de hand liggende – hetgeen aan de zijde van [verzoeker] zonder meer kostenverhogend zal hebben gewerkt.

Het maken van de advocaatkosten, noch de hoogte daarvan kan dan ook onredelijk worden geacht. De kosten in de zin van art. 1019aa Rv zullen worden begroot op een bedrag van € 9.207,18. (De conclusie van de pleitnota van mr. Van Schoonhoven vermeldt kennelijk abusievelijk een bedrag van € 9.249,23.) Nu [onderneming] voor de schade aansprakelijk is en [verzoeker] rechtstreeks van NN vergoeding van zijn schade kan verlangen, zal de gevraagde hoofdelijke veroordeling van NN c.s. in de aldus begrote kosten worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [onderneming] op grond van art. 6:179 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ongeval op 14 november 2016 en voorts dat [onderneming] en uit hoofde van art. 9:754 BW ook NN gehouden zijn de nog nader te bepalen schade, zowel materieel als immaterieel, te vergoeden die [verzoeker] heeft geleden en in de toekomst nog zal lijden als gevolg van het ongeval,

5.2.

verklaart voor recht dat de vergoedingsplicht van NN c.s. niet op de voet van art. 6:101 BW is verminderd,

5.3.

veroordeelt NN c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om bij wege van voorschot op immateriële schadevergoeding een bedrag van € 7.500,00 aan [verzoeker] te betalen,

5.4.

begroot de kosten van [verzoeker] bij de behandeling van het verzoek op € 9.207,18 en veroordeelt NN c.s. tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker] .

Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2020.