Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:4036

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
14-08-2020
Zaaknummer
C/05/361067 / HZ ZA 19-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ouders ten onrechte niet in hoedanigheid van wett. vert. gedagvaard. Strekking art. 6:169 lid 2 BW. Beroep eiser op artt. 3:33-35 BW, wijziging/rectificatie, overname procespartij noch voeging/tussenkomst slagen. Niet n-o vanwege deformaliseringstendens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/361067 / HZ ZA 19-107

Vonnis van 12 augustus 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.J.R. Maas te Deventer,

tegen

1 [kind] ,

wonende te Didam, gemeente Montferland,

2. [vader]

wonende te Didam, gemeente Montferland,

3. [moeder],

wonende te Didam, gemeente Montferland,

gedaagden in de hoofdzaak,

advocaat mr. J. Zeegers te Doetinchem.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden zullen, waar nodig, afzonderlijk van elkaar [kind] (1.) en de ouders van [kind] ( [vader] en [moeder] ) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 mei 2020

  • -

    het oproepingsexploot van 26 mei 2020

  • -

    de akte uitlating na tussenvonnis tevens houdende verzoek wijziging procespartij van [eiser]

  • -

    de akte uitlating van [gedaagden]

  • -

    de antwoordakte van [eiser]

  • -

    de akte uitlating van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 20 mei 2020 heeft deze rechtbank overwogen dat [eiser] de ouders van [kind] in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [kind] had moeten dagvaarden, aangezien [kind] op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding minderjarig was. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich naar aanleiding van het voorgaande uit te laten over het daarbij ambtshalve door de rechtbank aan de orde gestelde punt van de ontvankelijkheid van [eiser] .

2.2.

[eiser] voert aan dat niet-ontvankelijkheid achterwege kan blijven. Hij is hoe dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen tegen de ouders van [kind] pro se, de ouders van [kind] zijn ook gedagvaard in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger en, indien desalniettemin teveel onduidelijkheid blijft bestaan, verzoekt [eiser] tot wijziging procespartij dan wel rectificatie van de dagvaarding dan wel overname van de procespositie van de ouders van [kind] door de thans meerderjarige [kind] .

2.3.

[gedaagden] concludeert tot toewijzing van het verzoek van [eiser] . Hij stelt daarnaast dat het gebrek eventueel gerepareerd kan worden door tussenkomst en/of voeging van [kind] als thans meerderjarige in de procedure. [gedaagden] heeft er belang bij dat [eiser] niet niet-ontvankelijk zal worden verklaard, omdat hij anders wordt geconfronteerd met extra kosten.

Losstaande aansprakelijkheidsgrond?

2.4.

[eiser] stelt dat hij hoe dan ook ontvankelijk is in zijn vorderingen jegens de ouders van [kind] . Hij voert aan dat de aansprakelijkheidsgrond van artikel 6:169 lid 2 BW, waarop de vordering jegens de ouders van [kind] is gebaseerd, juridisch losstaat van het verwijt gericht aan [kind] . Niet vereist is dat de aansprakelijkheid van het kind is vastgesteld in een tegen het kind gevoerde procedure en ook niet dat over die aansprakelijkheid in dezelfde procedure wordt geoordeeld, aldus [eiser] .

2.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens artikel 6:169 lid 2 BW moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan om de ouder of voogd aansprakelijk te kunnen stellen voor fouten van een kind van veertien of vijftien jaar. Één van die voorwaarden is dat er sprake moet zijn van een fout, dat wil zeggen een toerekenbare onrechtmatige daad, aan de zijde van het kind. Uit de parlementaire geschiedenis (C.J. van Zeben & J.W. du Pon (m.m.v. M.M. Olthof) (red.), Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6. Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 680) vloeit voort dat in de eerste plaats feiten en omstandigheden moeten worden gesteld en bewezen waaruit blijkt dat ten aanzien van het kind aan alle vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is voldaan. Dit betekent dat in rechte moet vaststaan dat sprake is van een aan [kind] toe te rekenen onrechtmatige daad, wil de rechtbank toekomen aan de beoordeling van de aansprakelijkheid van de ouders van [kind] op grond van artikel 6:169 lid 2 BW. De aansprakelijkheidsgrond van artikel 6:169 lid 2 BW betreft dus, anders dan [eiser] heeft betoogd, geen losstaande aansprakelijkheid. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de aansprakelijkheid van het kind ook in een andere procedure kan worden vastgesteld. Gesteld noch gebleken is echter dat de aansprakelijkheid van [kind] in een andere procedure reeds is vastgesteld. Dit heeft tot gevolg dat indien de rechtbank thans zou oordelen dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen jegens [kind] , de rechtbank niet zou kunnen toekomen aan een beoordeling van de aansprakelijkheid van de ouders van [kind] op grond van artikel 6:169 lid 2 BW. Het betoog van [eiser] ter zake wordt dan ook verworpen.

De ouders van [kind] reeds opgeroepen in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger?

2.6.

[eiser] voert voorts aan dat de dagvaarding moet worden uitgelegd met behulp van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. [eiser] stelt dat die uitleg ertoe leidt dat hij de bedoeling heeft gehad om [kind] te dagvaarden, vertegenwoordigd door zijn ouders, wat in de dagvaarding benadrukt is door de zinsnede ‘en diens ouders’.

2.7.

De rechtbank stelt voorop dat een inleidende dagvaarding expliciet de hoedanigheid moet vermelden van degene aan wie het exploot wordt uitgebracht. De vraag in welke hoedanigheid een procespartij optreedt, is een kwestie van uitleg van het exploot, waarbij de wilsvertrouwensleer als maatstaf fungeert (artikelen 3:33 en 3:35 BW). Er worden strenge eisen gesteld aan de duidelijkheid en de formulering van het exploot en meer in het bijzonder aan de omschrijving van de identiteit en de hoedanigheid van partijen. Dit neemt niet weg dat de met het exploot beoogde rechtsgevolgen slechts onthouden dienen te worden, als dat gewenst is in verband met de bescherming van belangen die deze strenge eisen beogen te waarborgen (Kamerstukken II 1999/00, 26 855, 3, p. 76). Indien met toepassing van de uitlegregel aangenomen moet worden dat de wederpartij redelijkerwijs begrepen moet hebben dat met de (gebrekkige) partijaanduiding een bepaalde partij in een bepaalde hoedanigheid werd geïdentificeerd, zal van een benadeling van die belangen meestal geen sprake zijn.

2.8.

Het is evident dat de ouders van [kind] hebben begrepen dat het exploot voor hen bestemd was, aangezien zij door [eiser] pro se aansprakelijk worden gesteld en dus (in elk geval ook) in die hoedanigheid gedagvaard zijn. Met behulp van de hiervoor genoemde uitlegregel moet worden gekeken of de ouders van [kind] hadden behoren te begrijpen dat het exploot daarnaast voor hen als partij in een bepaalde hoedanigheid (in dit geval, wettelijk vertegenwoordiger van [kind] ) bestemd was. De zinsnede ‘en diens ouders’ heeft niet kenbaar tot gevolg gehad dat de ouders van [kind] redelijkerwijs hebben moeten begrijpen dat het exploot met de (gebrekkige) partijaanduiding ook voor hen in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger bestemd was. [gedaagden] heeft in zijn aktes immers aangegeven in beginsel de conclusie van deze rechtbank te delen, inhoudende dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vorderingen wegens het niet correct dagvaarden. [gedaagden] heeft voorts (in die aktes) niet verklaard dat hij c.q. de ouders van [kind] de dagvaarding heeft begrepen als zijnde ook gericht aan de ouders van [kind] als wettelijk vertegenwoordiger van [kind] . [eiser] heeft aangevoerd dat uit het feit dat de ouders van [kind] (in hun conclusie van antwoord) niet hebben gesteld dat door [eiser] in strijd is gehandeld met artikel 1:245 lid 4 BW volgt dat zij de dagvaarding kennelijk zo hebben begrepen dat zij als wettelijk vertegenwoordiger van [kind] zijn gedagvaard. De rechtbank volgt [eiser] , gelet op het voorgaande, niet in deze redenering. De conclusie is dat [eiser] de ouders van [kind] niet heeft gedagvaard in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [kind] . Het betoog van [eiser] ter zake wordt dan ook verworpen.

Rectificatie / wijziging van procespartij?

2.9.

[eiser] heeft vervolgens verzocht zijn dagvaarding te rectificeren, althans te verduidelijken, en heeft daartoe een verzoek tot wijziging van procespartij gedaan. [eiser] voert aan dat de aanvankelijk onjuiste partijaanduiding op grond van vaste jurisprudentie kan worden gerectificeerd nu er (mede) namens de ouders die wettelijk vertegenwoordigers zijn als formele procespartij verweer is gevoerd tegen de vorderingen.

2.10.

De rechtbank constateert dat de jurisprudentie waarop [eiser] in zijn akte uitlating doelt (Rechtbank Zutphen 26 oktober 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BU7649 en Hoge Raad 4 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2798), betrekking heeft op de situatie dat de aanduiding van de eisende partij niet op de juiste wijze in de dagvaarding is vermeld als gevolg van een vergissing of verschrijving. In het onderhavige geval betreft het echter een andere situatie - het dagvaarden van een partij waarbij de juiste hoedanigheid ontbreekt -, waarop de hiervoor bedoelde jurisprudentie geen betrekking heeft. [eiser] kan dan ook niet langs de weg van rectificatie bewerkstelligen dat de door hem beoogde wijziging van procespartij plaatsvindt. Het feit dat zowel [eiser] als [gedaagden] om rectificatie dan wel wijziging van procespartij hebben verzocht, maakt dit niet anders.

Overname van procespartij?

2.11.

[eiser] stelt voorts dat de thans meerderjarige [kind] de procespositie van de ouders van [kind] namens [kind] kan overnemen.

2.12.

De rechtbank stelt voorop dat er een herstelmogelijkheid bestaat in het geval een kind tijdens een procedure meerderjarig is geworden. Het kind kan als materiële partij in de procedure worden opgeroepen, zodat het kind als werkelijk belanghebbende het geding van de wettelijk vertegenwoordiger als formele procespartij kan overnemen om de procedure (alsnog) op eigen naam te laten voortzetten. De rechtbank overweegt dat overname van de procespartij van de ouders van [kind] namens [kind] door de thans meerderjarige [kind] niet kan plaatsvinden, nu de rechtbank hiervoor in 2.8 heeft overwogen dat [eiser] de ouders van [kind] niet heeft gedagvaard in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [kind] , zodat zij ook niet geacht kunnen worden namens [kind] verweer te hebben gevoerd. Overname van procespartij, zoals door [eiser] betoogd, kan in dit geval in rechte dan ook niet worden gehonoreerd.

Voeging en/of tussenkomst?

2.13.

[gedaagden] heeft tot slot aangevoerd dat het formele gebrek met betrekking tot het niet correct dagvaarden van de ouders van [kind] kan worden gerepareerd met de tussenkomst en/of voeging van [kind] als thans meerderjarige in de procedure.

2.14.

De rechtbank overweegt dat van voeging of tussenkomst geen sprake kan zijn, aangezien in artikel 217 Rv staat vermeld dat het moet gaan om ‘een tussen andere partijen aanhangig geding’. Nu [kind] zelf is gedagvaard, is hij geen derde en kan hij zich niet voegen aan de zijde van een van de partijen of door middel van tussenkomst zijn eigen vordering instellen.

Deformaliseringsgedachte

2.15.

Desalniettemin ziet de rechtbank in het door partijen over en weer aangevoerde aanleiding om niet over te gaan tot het bij tussenvonnis geuite voornemen om [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen. Deze beslissing past in de deformaliseringstendens in het burgerlijk procesrecht. Volgens de Hoge Raad is de ratio hiervan dat fouten en vergissingen niet tot fatale gevolgen behoren te leiden, mits de wederpartij door het herstel hiervan niet onredelijk in haar belangen wordt geschaad, en voorts dat zoveel mogelijk dient te worden beslist tussen de werkelijk belanghebbende partijen bij de rechtsbetrekking in geschil (zie het arrest van de Hoge Raad van 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881). Dit betekent dat voor niet-ontvankelijkheid slechts plaats is indien de wederpartij anders onredelijk in haar belangen zou worden geschaad, waarvan sprake is als zij door het gebrek wordt bemoeilijkt in het voeren van verweer.

2.16.

De rechtbank constateert dat [eiser] de thans meerderjarige [kind] bij exploot van 26 mei 2020 heeft opgeroepen om in het geding te verschijnen. (Daarbij tekent de rechtbank aan dat [eiser] in zijn eerste akte vermeldt dat dat oproepingsexploot op 25 mei 2020 is uitgebracht. De aanhef van het oproepingsexploot vermeldt echter de datum van 26 mei 2019, waarbij de rechtbank het ervoor houdt dat die jaartalaanduiding gelezen moet worden als 2020. De datum van 26 mei 2020, die tevens door [gedaagden] in zijn aktes wordt genoemd, zal dan ook worden aangehouden als datum waarop de dagvaarding jegens [kind] is uitgebracht). Mr. Zeegers heeft zich bij akte uitlating van 29 mei 2020 gesteld als (proces)advocaat van [kind] , waarbij hij heeft verzocht het eerder in de conclusie van antwoord gevoerde verweer aan te merken als zijnde gevoerd namens de thans meerderjarige [kind] . Vervolgens heeft nogmaals een aktewisseling plaatsgevonden. Zowel [eiser] als [gedaagden] hebben daarbij aangegeven te willen doorprocederen. Nu vaststaat dat [kind] door het gebrek niet in zijn belangen wordt geschaad - hij wordt immers niet bemoeilijkt in het voeren van verweer -, houdt de rechtbank de niet-ontvankelijkheid voor gedekt.

2.17.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 26 augustus 2020 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Klaasen en in het openbaar uitgesproken op
12 augustus 2020.

FP | MK