Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3933

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
05-08-2020
Zaaknummer
05/780030-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging voor doodslag. Beroep op noodweer en noodweerexces slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/780030-17

Datum uitspraak : 5 augustus 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,

raadslieden: prof. mr. dr. G.G.J.A. Knoops en mr. P. van der Vegt, advocaten te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juli 2020.

1. De inhoud van de tenlastelegging 1

Aan verdachte is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag door op 30 maart 2017 als bestuurder van een bestelauto tweemaal [slachtoffer] aan te rijden en/of te overrijden. Indien dit niet kan worden bewezen, wordt verdachte verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan een poging tot doodslag op dezelfde wijze.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 2

Aanleiding onderzoek

Na een overval in de woning van verdachte en zijn partner [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) aan de [adres 2] in Arnhem, vluchten zij via de schutting de tuin uit. Zij houden een auto aan en stappen daarin. Vervolgens vinden twee aanrijdingen met de overvaller [slachtoffer] plaats. Voor wat betreft het bewijs zal de rechtbank eerst inzoomen op deze aanrijdingen, waarna zij bij de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte zal terugkomen op de overval en de dreiging voorafgaand aan de eerste aanrijding.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (de primair tenlastegelegde) doodslag. De officier van justitie heeft verder, zoals nog aan de orde zal komen, verzocht verdachte met betrekking tot dit feit te ontslaan van alle rechtsvervolging en verdachte vrij te spreken van de poging tot doodslag (subsidiair tenlastegelegd).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van de eerste aanrijding geen controle over de auto heeft gehad. Hij heeft, hangend voor zijn vrouw die hij probeerde te beschermen tegen de overvaller met het vuurwapen, niets gezien. De aanrijdingen zijn niet bewust geweest.

De verdediging heeft geen standpunt omtrent de poging tot doodslag (subsidiair tenlastegelegd) ingenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Op 30 maart 2017 is om 21:37:14 (tot 21:37:51) uur de volgende 112-melding van [getuige 1] binnengekomen;

“(…) CT = Centralist 112 (…) ML = Melder (…)

ML: Er wordt geschoten, [adres 2] …. (…) ML: [adres 2] (…)

ML: [adres 2] er wordt geschoten (…)ML: [adres 2] alstublieft (…)

CT; Ik heb je gehoord blijf aan de lijn.

Het gesprek begint bij de politiemeldkamer (…) MP = meldkamer politie (..) ML = Melder (…) ML: Help! Nee, help!

MP: Waar ben je?

ML: Wat flik je me nou? (dit wordt gezegd 11 seconden nadat het gesprek is begonnen) (…)

ML: De kinderen ohhhhh (dit wordt gezegd 16 seconden nadat het gesprek is begonnen) (…)

ML: [adres 2] er wordt geschoten, (dit wordt gezegd 28 seconden nadat het gesprek is begonnen). Er wordt geschoten.

Rijen rijen (dit wordt gezegd 36 seconden nadat het gesprek is begonnen)

MP: Zijn er gewonden? (…)

ML:2 (…)

ML: Uhm, uhm, uhm, mijn man heeft een klok, mijn man via marktplaats en die kwamen met een geweer binnen. (…)

ML: Ja, in de woning en voor de deur (…). Mijn man en we hebben iemand met de auto...... rende de straat op. We hebben de auto gepakt. We hebben hem omvergereden. (dit wordt gezegd op 1 minuut en 45 seconden nadat het gesprek is begonnen)

MP: Hebben ze je man omvergereden?

ML: Nee, wij hebben die man met het geweer omvergereden.

(…) ML (…) Ze wilde…. Het horloge ze hebben het horloge van mijn afge…aangeboden (…) ML: (te horen is dat meldster huilt en jammert) (…)

ML: Mijn man we zijn over het tuinhek gesprongen. (…)

ML: Hij liep gewoon, richtte op ons (gejammer) NTV(…)

MP: (…) Wat voor een auto heb je?

ML: (…) van de lunchroom hier verderop (…)”. 3

Naar aanleiding van onder meer deze melding kwamen de verbalisanten ter plaatse. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen daar bij een groepje mensen in de bocht van de [straatnaam 1] in Arnhem een man tegen de schutting liggen. De man bewoog niet en had zijn ogen geopend. Er liep een grote plas bloed vanuit zijn hoofd richting de schutting. Zijn hoofd was, aldus ook verbalisant [verbalisant 2] , erg beschadigd. De verbalisant voelde nog wel een lichte hartslag. Het tuinhuisje, waarnaast de man lag, was behoorlijk ontzet. Het tuinschuurtje was ongeveer 33 centimeter verschoven. Op één tot twee meter afstand van de man lag op het fietspad een zilverkleurige revolver.4Op het moment dat de ambulancebroeders ter plaatse kwamen, was de man overleden.5De man werd aan de hand van vingerafdrukken geïdentificeerd als [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ).6

Ter plaatse werd op de kruising van de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1] de witte bestelauto (merk/type: Peugeot Partner) met kenteken [kenteken] van [bedrijf] aangetroffen. Het voertuig was met name aan de voorzijde, aan de voorbumper en voorruit, beschadigd.7

Verklaringen verdachte en [getuige 1]

Met betrekking tot de gebeurtenissen direct voor de aanrijdingen heeft verdachte het volgende verklaard. Verdachte zag dat de overvaller met een pistool door het glas van de voordeur van zijn woning schoot en vervolgens met het vuurwapen naar de tuin kwam, waar op dat moment (onder andere) verdachte en [getuige 1] waren. In de tuin richtte de overvaller een vuurwapen op verdachte. Verdachte gooide een horloge en geld naar de overvaller toe en klom over de schutting. Ook [getuige 1] was over de schutting geklommen. Verdachte kwam uit op het fietspad en rende met [getuige 1] naar een auto. Hij stapte daar met [getuige 1] in. Verdachte wilde weg, maar het lukte niet om vooruit te rijden. Hij draaide de auto en zag op dat moment de overvaller. Verdachte verklaart dat hij de overvaller pas zag op het moment dat deze het pistool weer op hem richtte. Verdachte denkt dat de overvaller toen ook weer geschoten heeft. Hij heeft zijn vrouw weggeduwd. Hij is op de man afgereden, omdat hij het vuurwapen zag. Vervolgens is verdachte tegen de overvaller aan gereden.8 Verdachte reed weg en gooide, nadat hij jongens zag lopen waarvan hij dacht dat ze bij de overvaller hoorden, de auto om. Hij reed toen terug. Vervolgens vond de tweede aanrijding plaats, aldus ook verdachte ter terechtzitting.9

[getuige 1] heeft verklaard dat zij, nadat zij over de schutting was geklommen, het busje van [bedrijf] zag aankomen. Voor [getuige 1] het wist, zaten zij en verdachte zelf in die auto. De auto stond in een “soort van berm”. Verdachte reed de [straatnaam 1] op in de richting van de [straatnaam 3] , waar hij de auto draaide. Ze zag de overvaller pas toen ze al reden. De man kwam met het pistool recht op hen af. Ze zag dat hij het wapen op hen richtte. Ze dook naar beneden en hoorde vervolgens een klap. Verdachte heeft die man toen “omver gereden”, aldus [getuige 1] . Ze verklaart verder dat verdachte nog een keer terugreed en de man weer aanreed. 10

[getuige 2] heeft verklaard dat verdachte tegen haar zei dat hij de man had aangereden.11

Getuigen

De getuige [getuige 3] verklaart dat hij op 30 maart 2017 omstreeks 21:34 uur bij de rotonde op de [straatnaam 1] uit de bus stapte. Vervolgens zag hij iets voor de kruising van de [straatnaam 1] met de [straatnaam 4] en de [straatnaam 2] een vrouw en tien seconden later een man over een schutting klimmen. De man en vrouw liepen over de straat. De getuige zag een witte bestelauto die bij de man en vrouw stopte. De getuige zag de man en vrouw voorin de bestelauto stappen, de man aan de bestuurderszijde en de vrouw aan de bijrijderszijde. Voordat de bestelauto weg reed, zag de getuige een jongen vanuit de [straatnaam 2] de hoek om komen. Hij liep in de richting van de bestelauto. De man had een pistool in zijn rechterhand en richtte, toen hij voor de auto kwam, het pistool op de voorruit van de auto. De afstand tussen de man en het busje was maximaal vier meter. De getuige zag een flits uit de loop van het wapen komen en hoorde een knal. De bestuurder van de bestelauto gaf gas en begon te rijden. De auto maakte een scherpe bocht naar links en reed recht (de weg van de tegenovergestelde richting en het gras en het fietspad over) op de schutter af. De getuige zag dat de schutter, die op het fietspad liep, door de auto werd geschept en dat hij via de motorkap van de bestelauto door de lucht in de bosjes terecht kwam tussen het fietspad en een schutting. Vervolgens reed de auto opnieuw over de schutter, die op de grond lag, heen. De schutter lag na de tweede aanrijding in bijna dezelfde positie als na de eerste aanrijding.12

Voor de getuige [getuige 3] liep de getuige [getuige 4] . Deze getuige verklaart dat hij vanaf de rotonde over de [straatnaam 1] ter hoogte van de bocht richting de [straatnaam 2] in Arnhem liep.

De getuige zag twee personen uit de schaduw van een schutting komen en naar een bestelauto toe rennen, die stopte. Er stapte iemand in de auto en de auto wilde wegrijden. Vervolgens ging er een persoon voor de auto staan die gericht op de voorkant van de auto schoot. De man stak zijn hand uit richting de auto en de getuige hoorde twee harde knallen.

Vervolgens zag de getuige dat de bestelauto door de middenberm heen over het gras en vlak voor de getuige de man aanreed. Hij hoorde gekraak. Aan de linkerzijde van het hoofd van de man lag een flinke plas bloed. Er zat geen beweging in de man.

Terwijl de getuige doorliep en probeerde 112 te bellen, zag hij dat de auto wegreed richting de rotonde. Daar keerde de auto om en reed terug naar de [straatnaam 1] . Hij hoorde de motor loeien en zag de auto zonder af te remmen over de groenstrook en het fietspad inrijden op de plek waar de getuige de man had zien liggen. De getuige liep richting het slachtoffer en zag hem links van het fietspad tegen de schutting liggen op dezelfde plek als na de eerste aanrijding. Hij zag veel bloed bij het hoofd van de man.13

De getuige [getuige 5] reed op de [straatnaam 1] en zag een man en vrouw vanaf de groenstrook aan komen rennen en zonder te kijken oversteken naar de middenberm. In haar spiegels zag ze dat het busje en de man en vrouw achter haar stopten. Op het moment dat [getuige 5] uit wilde stappen, hoorde zij knallen. Het voertuig achter haar gaf gas en maakte een draai naar links. Het voertuig wilde terug naar de [straatnaam 2] , aldus de getuige.

De getuige verklaart verder dat toen de auto gedraaid was, deze niet over de weg verder reed. De getuige zag de auto in een bijna rechte weg de groenstrook op rijden. De auto reed vol in op iets wat zij – voor de eerste aanrijding – in het gras zag bewegen. Vervolgens zag ze dat de auto vol gas weer naar voren reed. De auto kwam hierbij iets omhoog. Het was net alsof hij over iets heen reed. Het ging met grof geweld, aldus de getuige [getuige 5] .14

Camerabeelden

De woning aan de [adres 2] in Arnhem was uitgerust met camera’s. Op de beelden van de geïnstalleerde camera’s is volgens de verbalisanten op 30 maart 2017 het volgende te zien:

“(…)

21:37:25

De over de schutting gevluchte bewoners (rood) maken aanstalten om de [straatnaam 1] over te steken. (…)

21:37:29

De gevluchte bewoners (rood) staan in de middenberm op de [straatnaam 1] , een donkere personenauto remt af maar staat niet stil (rechtbank: getuige [getuige 5] ), daarachter stopt een witte bestelauto, de remlichten van beide voertuigen zijn te zien. De witte bestelauto komt wel tot stilstand. (…)

21:37:34

Het linker portier, de bestuurders kant, van de witte bestelauto gaat open(rood). Vermoedelijk stapt de bestuurder van de witte bestelauto uit en stapt de bewoner in. (…)

21:37:49

De witte bestelauto maakt aanstalten om weg te rijden over de middenberm, de donkere

personenauto (paars) staat nog steeds op de weg voor de witte bestelauto. De overvaller (groen) rent nog steeds op het fietspad in de richting van de rotonde. Tevens komen er twee getuigen in beeld (blauw). De tegemoetkomende personenauto rijdt langzaam verder in de richting van de woning [adres 2] .

21:37:49

De witte bestelauto (rood) begint te rijden en stuurt naar links de middenberm in, dat is te zien aan het licht van de koplampen. De overvaller (groen) loopt nog steeds op het fietspad in de richting van de rotonde.

21:37:51

De overvaller (groen) komt in beeld van de witte bestelauto, de overvaller is te zien in de koplampen van de witte bestelauto (rode pijl). (…)

Schermafdruk 19: 21:37:52

De overvaller strekt een arm uit (groene pijl), het is niet te zien welke arm dit is. Vermoedelijk lost de overvaller nu een schot met zijn vuurwapen in de richting van de witte bestelauto (rechtbank: aldus het proces-verbaal inzake de analyse van de camerabeelden op p. 215 e.v. is op dit moment vaag een rookpluim waarneembaar). De witte bestelauto rijdt op dit moment op de groenstrook tussen het fietspad en de rijbaan in. (…) Vermoedelijk raakt de witte bestelauto (rood) de overvaller nu voor de eerste keer.

21:37:53

(…) er wordt naar rechts gestuurd en de witte bestelauto rijdt weg, vermoedelijk over het fietspad, in de richting van de rotonde.

21:38.00

De witte bestelauto (rood) maakt aanstalten om te keren en stuurt verder naar rechts. De

aangereden overvaller is niet te zien op de camerabeelden. (…)

21:38:03

De witte bestelauto (rood) rijdt terug in de richting vanwaar hij zojuist vandaan kwam, vermoedelijk over de rijbaan. De witte bestelauto rijdt niet tegen het verkeer in. De aangereden overvaller is niet te zien op de camerabeelden. (…)

21:38:05

De witte bestelauto (rood) stuurt vermoedelijk weer iets naar rechts waardoor de witte bestelauto van de weg raakt en het fietspad oprijdt. Het lijkt er op dat de witte bestelauto aanstalten maakt om richting de aangereden overvaller te rijden. Dit is te zien aan de stand van de koplampen van de witte bestelauto die schijnen in de richting van waar de aangereden overvaller zich vermoedelijk bevindt (groene pijl). (…)

Schermafdruk 24: 21:38:07

De witte bestelauto (rood) rijdt via de groenstrook die tussen de rijbaan en het fietspad ligt, over het fietspad en komt tot stilstand. (....) (rechtbank: aldus het proces-verbaal inzake de analyse van de camerabeelden op p. 215 e.v. rijdt de bestelbus hierna, kennelijk zonder af te remmen naar de locatie waar de overvaller eerder werd aangereden en komt daar kennelijk tegen een obstakel tot stilstand). (…)

21:38:38

De bestuurder van de witte bestelauto (rood), stapt uit. (…) De persoon (rood) loopt mank en hinkt op een (1 ) been naar de woning aan de [adres 2] . Dit bleek later de bewoner van de woning te zijn, meneer [verdachte] . (…)”. 15

De rechtbank heeft de beelden ook ter terechtzitting afgespeeld. Hierbij heeft de rechtbank op de beelden van channel 3 in het bijzonder waargenomen dat de witte bestelauto gaat rijden en naar links draait. Vervolgens staat de overvaller in het licht van de koplampen. De overvaller heft zijn hand en richt zijn arm op de auto. Er is een rookpluim waarneembaar. De afstand tussen de overvaller en de bestelauto is op dat moment ongeveer de breedte van de rijstrook. Nadat de eerste aanrijding plaatsvindt, rijdt de bestelauto via de andere weghelft – van de [straatnaam 2] vandaan – weg. Te zien is dat de auto omkeert en in één vloeiende beweging naar de plek rijdt waar de eerste aanrijding heeft plaatsgevonden. Aansluitend op deze tweede aanrijding is te horen dat [getuige 1] zegt: “rijen rijen”.16

Forensisch onderzoek

Op 30 maart 2017 omstreeks 23:00 uur is de locatie van de aanrijdingen verder onderzocht. Hierbij relateren de verbalisanten dat het stoffelijk overschot op een ingang/tuinpad bij de achterzijde van een schuur (behorend bij perceel [adres 3] in Arnhem) ligt. Dit pad komt uit op het trottoir van de [straatnaam 1] . Aan weerzijden van het tuinpad ligt een groenstrook. Op het tuinpad en op de tegels in de tuin, naast de geopende tuinpoort, is bloed te zien. Rechts naast het hoofd van het stoffelijk overschot werd onder meer een bebloede pet aangetroffen. Het slachtoffer was onder meer gekleed in een zwarte trui.17

Naar de bestelauto (merk Peugeot Partner, kenteken [kenteken] ) met daarop de letters [bedrijf] is ook nader onderzoek gedaan. Hierbij zijn onder meer de

volgende (vermeende) bloedsporen aangetroffen:

  • -

    een lineair verspreid patroon van spatten in de wielkast rechtsvoor (SIN: AAJL8559NL en AAJL8562NL t/m AAJL8565NL);

  • -

    een vlek in de wielkast linksvoor;

  • -

    een vlek aan de onderzijde bij het achterwiel rechts, en

  • -

    een spoor van een deel van de rechter voorband.

Elders op de auto, zoals bijvoorbeeld op/nabij de gebarsten voorruit, zijn geen op bloed gelijkende sporen aangetroffen. Gelet op het aangetroffen bloedend letsel had dit, indien het letsel bij het ontstaan van de beschadigingen zou zijn ontstaan, wel in de lijn der verwachtingen gelegen. Bij het onderzoek werden tot slot vezels van de gebarsten voorruit veiliggesteld (SIN: AAJL8571NL).18

Het bloedspoor in de wielkast rechtsvoor (SIN-nummer eindigend op 8859NL) is nader onderzocht. Hierbij is een DNA-profiel verkregen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.19 Gelet op al het voorgaande in samenhang met de omstandigheid dat het hier gaat om de hoogste mate van zekerheid die bij dit type onderzoek kan worden verkregen, acht de rechtbank bewezen dat het hier gaat om bloed van [slachtoffer] . Voor wat betreft de vezels wordt geconcludeerd dat de vezelsporen op de voorruit overeenkomsten vertonen met vezels die zijn verwerkt in de trui van [slachtoffer] .20 In (het voorpand van) de trui en de pet zijn geen glasdeeltjes aangetroffen.21

Tot slot is onderzoek gedaan naar de snelheid van het voertuig. Hierbij is geconcludeerd dat een botssnelheid van vijfentwintig kilometer per uur bij de eerste aanrijding aannemelijk is. Een snelheid hoger dan vijfendertig kilometer per uur – wat een extreem hoge versnelling zou impliceren – wordt niet voorstelbaar geacht.22

Doodsoorzaak

Voorafgaand aan de sectie is op 31 maart 2017 een scan van het lichaam van [slachtoffer] gemaakt. Hierbij is onder meer het volgende geconstateerd:

  • -

    uitgebreide schedel- en aangezichtsfracturen met daardoor lucht rondom de hersenen;

  • -

    bloed in de hersenen;

  • -

    fractuur in de halswervelkolom op niveau C1 (1e nekwervel) en C7 (7e nekwervel);

  • -

    fractuur van het grote hoorntje van het tongbeen en van het schildkraakbeen;

  • -

    fractuur van rechter bovenarm en verbrijzelde rechter schouderkop;

  • -

    uitgebreide ribfracturen beiderzijds met in de linkerflank ook dislocatie van enkele fracturen en ter plaatse ophoping van lucht in weke delen;

  • -

    klaplong links met longletsel in waarschijnlijk de bovenkwab met hierin bloed, ook bloed in de borstholte links, en een

  • -

    fractuur van dwarsuitsteeksel corpus 1.1 links.

De radioloog concludeert dat het gaat om uitgebreide letsels van het hoofd met onder meer letsels aan de weke delen, facturen van het schedelskelet en letsels van de hersenen. De schedel is vervormd en meerdere breuken zijn verplaatst. De letsels zijn te verklaren door zeer heftig botsend of samendrukkend geweld. Voor wat betreft de uitgebreide letsels van de borst met letsels aan de weke delen, fracturen van de ribben en letsels van de linkerlong, concludeert de radioloog dat de linkerhelft van de borstholte is vervormd. Ook deze letsels zijn, net als de letsels in de nek, hals, rug en aan de rechterarm, te verklaren door (zeer heftig) botsend of samendrukkend geweld. De letsels aan het hoofd zijn dodelijk. Het is, aldus de radioloog, zeer onwaarschijnlijk dat het slachtoffer na het oplopen van deze letsels nog handelingsbekwaam was. De letsels aan de borst hebben niet direct tot handelingsonbekwaamheid geleid. Voor het letsel aan de rechterarm geldt dat deze waarschijnlijk niet meer te gebruiken was. De letsels aan het hoofd en aan/in de borstholte zijn bij leven opgelopen.23

Op het lichaam van [slachtoffer] , zoals overleden op 30 maart 2017 omstreeks 21:36 uur, is sectie verricht. De patholoog concludeert dat als gevolg van bij leven opgelopen heftig botsend geweld zich huidkneuzingen, schaafwonden/huidverscheuringen en onderhuidse bloeduitstortingen in het aangezicht/aan de hals en de romp bevonden. Het hoofd en het aangezicht zijn daardoor ernstig beschadigd met inwendig ernstige letsels aan de botdelen, bloederige hersenvliezen en kneuzing en verscheuring van onder andere de hersenstam en het verlengde ruggenmerg tot gevolg. Het overlijden wordt als gevolg van het functieverlies van de hersenstam zonder meer verklaard. Mogelijk heeft het functieverlies van de linkerlong hier ook aan bijgedragen. De conclusie is dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend geweld op het lichaam. Op grond van de aangetroffen letsels is het, aldus de patholoog, waarschijnlijker dat [slachtoffer] meermalen door een voertuig is aangereden of is overreden dan dat er éénmalig een impact met een rijdend voertuig is geweest.24

Op verzoek van de rechter-commissaris is door de patholoog Kubat aanvullend gerapporteerd. De patholoog rapporteert hierbij dat alle letsels, omgeven door bloeduitstortingen, bij leven zijn ontstaan. De breuk van de eerste halswervel en de daarmee samenhangende onderbreking van het verlengde ruggenmerg is (vrijwel) onmiddellijk dodelijk. Dit letsel is na het optreden van de overige letsels dan wel gelijktijdig met de overige letsels ontstaan. Dergelijk letsel kan ontstaan in het kader van een aan- en/of overrijding.25

Ook de radioloog is gevraagd aanvullend te rapporteren. De radioloog concludeert dat de kans klein is dat de eerste aanrijding, met de voorzijde van het voertuig en een maximumsnelheid van vijfendertig kilometer per uur, dodelijk is geweest. Op basis van de foto’s van de plaats delict en de letsels aan het hoofd en de borst, kan naar de mening van de radioloog worden vastgesteld dat het hoofd van het slachtoffer na de tweede aanrijding bekneld is geraakt tussen de rechter voorzijde van de auto, een licht verhoogde stenen rand en/of de paal van een schutting. Dit type trauma leidt tot vervorming van de schedel en heeft direct geleid tot de dood. De radioloog concludeert dat de resultaten van het onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer de eerste aanrijding geen dodelijk letsel heeft veroorzaakt dan wanneer de eerste aanrijding dodelijk letsel heeft veroorzaakt.26

Concluderend

Gelet op al het voorgaande en in het bijzonder:

  • -

    de verklaring van de getuige [getuige 3] over het via de motorkap op de grond terecht komen van [slachtoffer] ;

  • -

    het forensisch onderzoek waarbij geen bloed op de voorruit of motorkap is aangetroffen en de omstandigheid dat dit niet past bij het op dat moment ontstaan van bloedende letsels;

  • -

    het feit dat vezels – weliswaar met slechts globale overeenkomsten met de trui van [slachtoffer] – op de ruit zijn aangetroffen, wat ook past bij het neerkomen op de motorkap en/of voorruit;

  • -

    de omstandigheid dat na de eerste aanrijding de positie van [slachtoffer] (die is aangetroffen met een forse plas bloed op de grond) volgens de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] niet is veranderd en [slachtoffer] vanaf dat moment ook niet meer op de beelden te zien is;

  • -

    de omstandigheid dat vervolgens de tweede aanrijding heeft plaatsgevonden zonder dat verdachte heeft geremd en de impact hiervan – getuige ook de verschuiving van het tuinhuisje – groot is geweest;

  • -

    de omstandigheid dat getuige [getuige 5] hierbij de auto omhoog heeft zien komen, wat net als het bloed in onder meer de wielkast past bij een overrijden van [slachtoffer] ;

  • -

    de omstandigheid dat de (bloedend bij leven opgelopen) letsels van [slachtoffer] ook passen bij het meermalen aan/overrijden door het voertuig, en tot slot

  • -

    de conclusie van de radioloog dat bij de tweede aanrijding een beknelling van het hoofd met onder meer de auto, een rand en/of de paal van een schutting is ontstaan en dat type trauma leidt tot de dood,

acht de rechtbank niet alleen bewezen dat verdachte [slachtoffer] tweemaal heeft geraakt, maar ook dat [slachtoffer] daarbij na de eerste keer op de grond heeft gelegen en verdachte vervolgens bij de tweede aanrijding over hem heen is gereden. Op grond van al het voorgaande en in het bijzonder de resultaten van het forensisch onderzoek en de conclusies van de radioloog, kan naar het oordeel van de rechtbank – mede in acht nemend het korte tijdsverloop tussen de beide aanrijdingen (15 seconden) – worden aangenomen dat het geheel van deze twee aanrijdingen de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Hoewel verdachte heeft verklaard [slachtoffer] niet bewust te hebben aangereden, kan naar het oordeel van de rechtbank uit zijn handelen wel dit vol opzet worden afgeleid. Door niet alleen de eerste keer op [slachtoffer] af te rijden en hem vervolgens aan te rijden, maar ook de tweede keer zonder te remmen doelgericht in één beweging naar hem toe en op de grond over hem heen te rijden, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van vol opzet op de dood van [slachtoffer] . Daarmee kan de doodslag (primair) worden bewezen.

Nu de rechtbank ten aanzien van beide aanrijdingen zal komen tot een ontslag van alle rechtsvervolging en daarmee ten aanzien van de doodslag (primair tenlastegelegd) niet tot een veroordeling komt, ziet de rechtbank aanleiding kort in te gaan op het subsidiair tenlastegelegde. Nu de rechtbank bewezen acht dat sprake is van een voltooide doodslag, is geen sprake van de subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag, aangezien daarvoor vereist is dat het voorgenomen misdrijf (de doodslag) niet is voltooid. Met de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Arnhem [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door

- als bestuurder van een (bestel-)auto die [slachtoffer] (met aanzienlijke snelheid) aan te rijden en/of te overrijden (1e aan-/overrijding, 21.37.52 uur; blz 265, schermafdruk 19) en/of

- als bestuurder van een (bestel-)auto die [slachtoffer] (met aanzienlijke snelheid) aan te rijden en/of te overrijden (2e aan-/overrijding, 21.38.07 uur; blz 265, schermafdruk 24).

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van primair:

Doodslag.

5 De strafbaarheid van het feit

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht verdachte voor wat betreft de eerste aanrijding te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hiertoe is aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie, waarbij de noodzaak tot verdediging aanwezig was en de wijze van verdediging ook in verhouding was gelet op het schieten met een vuurwapen door [slachtoffer] . Na de eerste aanrijding was de noodweersituatie geëindigd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte bij beide aanrijdingen uit noodweer heeft gehandeld.

Naar de mening van de verdediging is vanaf het schietend binnendringen van de woning tot en met de tweede aanrijding sprake geweest van een voortdurende noodweersituatie. Hiertoe is onder meer aangevoerd dat [slachtoffer] , na het draaien van de auto door verdachte, met een getrokken vuurwapen voor het voertuig heeft gestaan en daarmee (voordat de bestelbus in beweging is gekomen en de eerste aanrijding heeft plaatsgevonden) gericht op de bestelbus

heeft geschoten.

Na de eerste aanrijding heeft verdachte – bij het roepen van [getuige 1] om de kinderen – het voertuig gedraaid en [slachtoffer] nogmaals aangereden. Het is daarbij zeer aannemelijk dat [slachtoffer] tussen de eerste en tweede aanrijding nog in leven was en een bedreiging voor verdachte en zijn partner vormde. Zelfs indien de overvaller het wapen niet nogmaals op hen richtte, was nog immer sprake van een acute noodweersituatie. Daartoe is opgemerkt dat niet alleen

het tijdsverloop tussen de eerste en tweede aanrijding heel kort was, maar verdachte ook andere personen met petjes zag en de kinderen nog in de woning waren.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf

De rechtbank overweegt dat onder bepaalde omstandigheden een feit niet als strafbaar kan worden aangemerkt. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een verdachte handelt uit geoorloofde verdediging (noodweer). De verdediging moet hierbij gericht zijn tegen een “ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding” van bijvoorbeeld een lichaam (van jezelf of een ander) of een goed. Van noodweer kan, volgens vaste rechtspraak, ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.

Indien sprake is van een aanranding, dient te worden getoetst of verdachte zich in deze situatie heeft moeten verdedigen en er dus een noodzaak tot verdediging heeft bestaan (subsidiariteitseis). Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake als een verdachte zich aan de situatie heeft kunnen onttrekken. Tot slot moet de wijze waarop een verdachte zich heeft verdedigd in verhouding staan tot de ernst van de aanranding.

Terug naar de zaak

Verdachte heeft verklaard dat er op 30 maart 2017 om 21:00 uur in verband met een advertentie van zijn Rolex-horloge op Marktplaats een man bij zijn woning zou komen. Verdachte belde [getuige 6] om bij de overdracht aanwezig te zijn, omdat verdachte zijn voet had gebroken en het een duur horloge (ongeveer € 30.000,-) was. Rond 21.30 uur zag verdachte langs de tuinmuur, richting het verlengde van de tuin, een man met een pet lopen. De deurbel ging en [getuige 6] vroeg of hij de deur open moest doen. Toen [getuige 6] bevestigde dat de man alleen was, zei verdachte dat dat goed was. Vanaf het moment dat [getuige 6] de deur open deed, zag verdachte vanuit de woonkamer (in het verlengde van de voordeur) geduw in de deur. Terwijl verdachte zag hoe [getuige 6] met man en macht de deur dicht probeerde te duwen, zag hij een pistool. Hij hoorde een knal en gerinkel van glas. Verdachte rende/hinkelde naar de tuin. Het enige wat hij dacht was: “mijn kinderen, mijn vrouw!”. Hij zei tegen [getuige 1] dat ze weg moest gaan. Er was heel veel paniek. [getuige 1] klom over de schutting.

Verdachte zag dat een man met een vuurwapen de tuin in kwam. De man hield het pistool voor zich. Volgens mij heeft hij in de tuin ook geschoten, verklaart verdachte.

Verdachte gooide het horloge en geld naar de man toe. Op het moment dat de man dit pakte, klom ook verdachte over de schutting. Hij rende met [getuige 1] naar een auto en stapte daar met [getuige 1] in. Hij wilde weg, maar het lukte niet om vooruit te rijden. Verdachte draaide de auto om. Het moment dat hij de overvaller weer zag, richtte de overvaller het pistool opnieuw op hem. De overvaller schoot, naar zijn weten, toen ook weer. Verdachte duwde zijn vrouw weg. Hij reed op de overvaller af, omdat hij het vuurwapen zag. Hij was bang dat hij beschoten zou worden. Over wat er daarna gebeurde, verklaart verdachte dat hij reed als ‘kip zonder kop’. Hij hoorde [getuige 1] zeggen: “de kinderen, de kinderen!”. Hij wilde terug naar zijn kinderen. Vervolgens reed verdachte, in zijn beleving, terug naar huis. Toen hij jongens met petjes zag, keerde hij de auto. Hij reed terug en zag dat de overvaller ergens tegenaan hing. In verdachtes beleving richtte de overvaller weer een vuurwapen op hem. Vervolgens vond de tweede aanrijding plaats. Over het aantal schoten dat verdachte heeft gehoord, verklaart hij dat hij een schot bij de voordeur, bij de auto en “ergens tussenin” heeft gehoord. Veel details bij de aanrijdingen kan verdachte niet meer terughalen (processen-verbaal van verhoor verdachte, p. 405 t/m 409 en p. 419).

[getuige 1] heeft verklaard dat zij in de avond van 30 maart 2017 de deurbel, gevolgd door twee knallen en glasgerinkel hoorde. Verdachte kwam de tuin in en zei dat ze weg moest gaan. Ze zag volgens een man met een vuurwapen achter hem aan komen. Verdachte zei tegen de overvaller: “hier het geld en het horloge, pak het, pak het”. Over het busje verklaart [getuige 1] dat verdachte de [straatnaam 1] op reed en daar de auto draaide. De overvaller bleek ook op de [straatnaam 1] te lopen en kwam met het wapen recht op hen af. Hij richtte het wapen op hen. Ze dacht dat hij hen dood wilde schieten. Ze dook naar beneden, waarna verdachte de man omver reed. [getuige 1] denkt dat de man ook geschoten heeft. Vervolgens reed verdachte nog een keer terug en reed de man toen weer aan (proces-verbaal verhoor verdachte [getuige 1] , p. 448 en 450).

De getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij op 30 maart 2017 bij verdachte was en er iemand voor zijn horloge langs zou komen. Toen de deurbel ging, stond er een persoon met een petje en een glimmend chroomkleurige revolver in zijn hand voor de deur. De man riep: “opendoen”, waarna de getuige vrijwel direct één of twee keer beschoten werd. Het glas in de voordeur sneuvelde. De getuige vluchtte via de gang naar de woonkamer, waar hij rechts om de hoek in het eetkamergedeelte op de grond ging liggen. De man met het petje kwam hem achterna en schoot één of twee keer in zijn richting. De man riep: “Geef me de klok”. Nadat de getuige aangaf dat hij alleen een autosleutel in zijn zak had, richtte de man zijn aandacht op verdachte. De man schoot richting de tuin. De getuige hoorde dat verdachte zei: “Neem alles maar” en “Hier heb je het horloge”. De getuige verklaart verder dat het daarna allemaal heel snel ging en hij even later hoorde dat de persoon met het petje was geraakt door een auto. [getuige 6] liep vervolgens naar de plek waar hij de persoon met het petje zag liggen. Hij pakte de tas van de man. Hij wilde de spullen van zijn bestolen vriend veiligstellen. Uiteindelijk besloot hij de tas weg te gooien in een vuilniscontainer. Dat was zeer waarschijnlijk aan de [adres 4] in Arnhem (één van de containers 0282 en 0283) geweest (proces-verbaal verhoor getuige, p. 315 t/m 317).

Voor wat betreft de gemoedstoestand van verdachte acht de rechtbank de verklaring van de getuige [getuige 7] nog van belang. Deze getuige verklaart dat verdachte verdwaasd over de weg liep en schreeuwde: “Ga hulp halen, ga hulp halen. De kinderen.” (proces-verbaal verhoor getuige [getuige 7] , p. 179).

Forensisch onderzoek

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van verdachte steun vinden in het forensisch onderzoek, te beginnen in de woning zelf.

Zo werden in de woning aan de [adres 2] in Arnhem onder meer een gedeformeerde kogel met mantelfragmenten (naast ook een kapotte ruit en een verdere beschadiging aan de vloer, mogelijk van een ricochet) bij de deuropening, een deformeerde kogelpunt nabij de poot van de side tafel in de woonkamer (met een fragment van een mantel op de gashaard) en een patroon (bodemstempel Fn, kaliber 7.65) in de tuin (SIN: AAIE1236 NL) aangetroffen (vindplaatsen: proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 921-922, stamproces-verbaal, p. 878 en proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 978).

Ook naar het bij [slachtoffer] aangetroffen wapen, een zilverkleurige revolver met een trommel geschikt voor vijf patronen en met nu vijf lege hulzen, is nader onderzoek gedaan. Het gaat om een revolver (SIN: AAJH8820NL) met een open loop van het merk Smith & Wesson (kaliber .38). De vijf hulzen zijn van hetzelfde kaliber (proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 891-892 en het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 1121-1122).

De binnenzijde van de loop is bemonsterd (SIN: AAKQ3262NL, proces-verbaal biologisch vooronderzoek, p. 1145). Deze bemonstering is nader onderzocht. Hierbij is een DNA-profiel verkregen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] . De matchkans is niet berekend (NFI-rapport, p. 1165).

De tas van de overvaller werd op aanwijzen van [getuige 6] op 2 april 2017 in een container aangetroffen. In de tas bevonden zich onder meer 7 patronen van het kaliber 7,65 mm met dezelfde bodemstempel als de kogel in de tuin (SIN: AAKS4550NL), een bivakmuts (SIN: AAHY4452NL), een plastic zak met 13 tie-wraps (SIN: AAHY4451NL) en 35 geldbiljetten (totaalbedrag: € 695,00). Dit volgt uit het proces-verbaal van bevindingen, p. 1132-1133, het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 1135-1136, het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 1126 en het stamproces-verbaal, p. 878-879.

Van onder meer de schoudertas zelf (SIN: AAKS4549NL, spoor buitenzijde met SIN: AAKQ3268NL), twee eurobiljetten uit de tas (SIN: AAKQ3451NL en AAKQ3452NL), de bivakmuts (SIN: AAHY4452NL, spoor: AAKQ3270NL) en het horloge (spoor AAKQ3269NL) zijn (bloed)sporen veiliggesteld (proces-verbaal biologisch vooronderzoek, p. 1143 t/m 1148).

Voor wat betreft deze (bloed)sporen aan de buitenzijde van de tas, het horloge, de bivakmuts en bankbiljetten geldt dat daarvan een DNA-profiel is verkregen van een man, dat afkomstig kan zijn van slachtoffer [slachtoffer] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard (NFI-rapport, p. 1165). Dit geldt ook voor één van de patronen uit de tas (SIN: AAKS4550NL#01). Hiervan is een DNA-mengprofiel verkregen, waaruit een hoofdprofiel is afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] . De matchkans is opnieuw kleiner dan één op één miljard (TMFI-rapport, p. 1161). Het gaat hier om de hoogst mogelijke mate van zekerheid. Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet alleen worden afgeleid dat daadwerkelijk in de woning en tuin is geschoten, maar ook dat de munitie, het wapen en de buit aan [slachtoffer] kunnen worden gelinkt.

Tot slot zijn voor wat betreft het forensisch onderzoek de resultaten van het onderzoek naar de bestelauto (met kenteken [kenteken] ) van belang. Hierbij zijn namelijk schotbeschadigingen in de linker buitenspiegel en het scherm linksvoor (boven de linker voorband) aangetroffen. Voor de linker buitenspiegel geldt dat hierin een loden projectiel is gevonden (SIN: AAKD0998NL, vindplaats proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 1085 t/m 1087). Gezien de massa en de uiterlijke kenmerken past de kogel het beste bij munitie van kaliber .38 special, welke patronen doorgaans worden verschoten met een revolver van het kaliber .38 special of .357 Magnum. De systeemsporen passen bij revolvers van meerdere merken, zoals Smith & Wesson, Ruger en Taurus (NFI-rapport, p. 1188). Zoals overwogen is bij [slachtoffer] een pistool van het merk Smith & Wesson van het kaliber. 38 aangetroffen.

In het schootbaanonderzoek wordt verder geconcludeerd dat de beschadiging aan de linker buitenspiegel op basis van uiterlijke kenmerken past bij een inschotbeschadiging. De beschadiging aan de voorzijde van de auto (boven de wielkast) past bij een ricochetspoor.

Er is onderzocht of de twee schotbeschadigingen afkomstig zijn van één kogel. Onder de aanname dat de buitenspiegel niet van positie is veranderd, kan dit een aanwijzing geven voor een tweede schot. Ondanks deze onzekerheid is in de verdere rapportage tot uitgangspunt genomen dat de twee schotbeschadigingen door één kogel zijn veroorzaakt (NFI-rapport, p. 1187). Met betrekking tot de schotbaan wordt geconcludeerd dat de waarnemingen duiden op een schot vanaf de voorzijde van de bestelauto richting de achterzijde (rechtbank: vanaf de linkerzijde van de bestuurder vanuit de inzittenden gezien, zie p. 1189-1190).

Daarmee vindt niet alleen het schieten door [slachtoffer] op de auto steun in forensisch onderzoek, maar ook het in de richting van de bestuurder schieten.

Beelden

Tot slot zal de rechtbank nader ingaan op de camerabeelden, die ook gedeeltelijk eerder aan de orde zijn geweest. Op de beelden van de camera’s zoals geïnstalleerd op en rondom de woning aan de [adres 2] in Arnhem is op 30 maart 2017 het volgende te zien (waarbij [verdachte] verdachte is en [getuige 1] is):

“(…)

(CH1 21.35:58) Overvaller belt aan bij de voordeur. (…)

(CH1 21.36:20) Voordeur wordt kennelijk geopend waarna de overvaller de woning betreed. Overvaller wordt kennelijk geweerd en komt weer naar buiten.

(CH1 21.36:28) Er vindt kennelijk een schermutseling plaats waarna alsnog de woning binnen gaat.

(CH7 21.36:29) [getuige 1] en [getuige 8] springen op van de lounge set in de tuin en zijn kennelijk in paniek. (…)

(CH7 21.36:52) [verdachte] werpt, staande op de lounge set, zijn polshorloge in de richting van de overvaller die ook in de achtertuin is. (…)

(CH3 en CH 7 21.36:55) Overvaller strekt zijn rechter arm en heeft in zijn rechtervuist ogenschijnlijk een vuurwapen en richt deze op [verdachte] . [verdachte] werpt kennelijk iets wat lijkt op gebundelde stapels geld, in de richting van de overvaller. De overvaller raapt geld op van de grond en stopt dit in zijn meegenomen tas. [verdachte] klimt over de schutting (zijde [straatnaam 1] ) om zich te voegen bij [getuige 1] die al over de haag was geklommen en op de [straatnaam 1] stond. (…)

(CH3 21.37:28) [getuige 1] en [verdachte] houden op de [straatnaam 1] een lichtgekleurde bestelbus staande. De bestelbus rijdt in de richting van de rotonde bij de [straatnaam 3] . (…) [getuige 1] en [verdachte] stappen in de bestelbus. (…)

(CH1 21:37:35) Overvaller rent via de voordeur naar buiten de voortuin in.

(CH6 21.37:37) Overvaller springt over het hek aan de voorzijde van de voortuin en rent linksaf weg in de richting van de [straatnaam 1] .

(CH 3 en CH4 21.37:43) Overvaller rent weg via het fietspad van de [straatnaam 1] in de richting van de [straatnaam 3] .

(CH3 21.37:43) Overvaller rent nog steeds en heeft in zijn rechterhand een glimmend voorwerp, waarschijnlijk een vuurwapen. Tevens is te zien dat hij om zijn linker schouder een tas draagt.

(CH3 21.37:50)

Witte bestelbus begint te rijden. De bestuurder draait het voertuig direct naar links en rijdt door de middenberm. Vervolgens steekt hij met het voertuig de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer over. De bestuurder rijdt met het voertuig de grasstrook aan de linkerzijde van de weg op. In deze grasstrook ligt ook het eerder aangeduide fietspad waar op dat moment de overvaller loopt.

(CH3 21:37:51)

De overvaller strekt zijn rechter arm en wijst met het vermoedelijke vuurwapen in de richting van de bestelbus. Er is vaag iets van een rookpluim waarneembaar. De indruk bestaat dat de overvaller in de richting van de bestelbus schiet.

(CH3 21.37:52)

Bij het naderen van de bestelbus doet de overvaller één stap achteruit. Direct hierop wordt hij door de naderende bestelbus aangereden. De overvaller is hierna niet meer op de camerabeelden waarneembaar. (…)

(CH3 21.37:55)

De bestelbus stopt niet. De bestelbus rijdt, gezien de rijrichting, naar rechts. De bestelbus rijdt weg van de plaats waar de overvaller was aangereden. De bestelbus rijdt hierna in de richting van de [straatnaam 3] . Vervolgens keert de bestelbus op de rijbaan bestemd voor het verkeer komende uit de richting van de [straatnaam 3] . De bestelbus rijdt hierna, kennelijk zonder af te remmen, naar de locatie op de grasstrook waar de overvaller eerder werd aangereden. Het voertuig komt kennelijk tegen een obstakel tot stilstand. (…)” (vindplaats proces-verbaal van bevindingen, p. 215 t/m 217).

Voor wat betreft de verdere analyse van de beelden met betrekking tot de overval zelf acht de rechtbank de volgende beelden nog van belang:

“(…)

Om 21:35:57 is te zien dat de overvaller aanbelt bij de woning aan de [adres 2] te Arnhem. (…)

Om 21:36:20 is te zien dat de overvaller de woning binnenstapt. Te zien is dat de rechterarm van de overvaller naar achteren buigt, waardoor het lijkt alsof hij iets uit de rechter zak van zijn trui/vest pakt. (…)

Om 21:36:23 is te zien dat de overvaller, achterwaarts, weer naar buiten komt. Het lijkt alsof er een worsteling plaatsvindt. De overvaller wijst met zijn linkerarm naar binnen en lijkt daarna iets met zijn rechterhand te pakken en daarna met zijn linkerhand te ondersteunen. Daarbij drukt de overvaller zijn lippen stijf op elkaar. Hierna duikt de overvaller om 21:36:27 naar binnen en verdwijnt uit beeld (…)

Om 21:36:28 zijn, in de weerspiegeling van de geparkeerde auto vlak boven de linker buitenspiegel, vermoedelijk twee lichtflitsen te zien. (…)” (proces-verbaal van bevindingen, p. 233 t/m 235).

Daarmee ondersteunen ook de camerabeelden de verklaringen inzake het schieten bij de voordeur en het richten van een vuurwapen op verdachte in de tuin.

Voor wat betreft de aanrijdingen verwijst de rechtbank naar wat zij hierover heeft overwogen, waarbij zij de volgende passages met betrekking tot de camerabeelden van belang acht:

“(…)21:37:49

De witte bestelauto (rood) begint te rijden en stuurt naar links de middenberm in, dat is te zien aan het licht van de koplampen. (…)

21:37:51

De overvaller (groen) komt in beeld van de witte bestelauto, de overvaller is te zien in de koplampen van de witte bestelauto (rode pijl). (…)

21:37:52

De overvaller strekt een arm uit (groene pijl), het is niet te zien welke arm dit is. Vermoedelijk lost de overvaller nu een schot met zijn vuurwapen in de richting van de witte bestelauto (rechtbank: aldus de analyse op p. 215 e.v. is op dit moment vaag een rookpluim waarneembaar). De witte bestelauto rijdt op dit moment op de groenstrook tussen het fietspad en de rijbaan in. (…) Vermoedelijk raakt de witte bestelauto (rood) de overvaller nu voor de eerste keer.

21:38:03

De witte bestelauto (rood) rijdt terug in de richting vanwaar hij zojuist vandaan kwam, vermoedelijk over de rijbaan. De witte bestelauto rijdt niet tegen het verkeer in. De aangereden overvaller is niet te zien op de camerabeelden. (…)

21:38:05

De witte bestelauto (rood) stuurt vermoedelijk weer iets naar rechts waardoor de witte bestelauto van de weg raakt en het fietspad oprijdt. Het lijkt er op dat de witte bestelauto aanstalten maakt om richting de aangereden overvaller te rijden. Dit is te zien aan de stand van de koplampen van de witte bestelauto die schijnen in de richting van waar de aangereden overvaller zich vermoedelijk bevindt (groene pijl). (…)

21:38:07

De witte bestelauto (rood) rijdt via de groenstrook die tussen de rijbaan en het fietspad ligt, over het fietspad en komt tot stilstand. (....)” (proces-verbaal van bevindingen, p. 262 t/m 265).

Tot slot is van belang dat niet is vast te stellen of verdachte vanuit de witte bestelauto al dan niet via de spiegels de overvaller al heeft kunnen zien aankomen (p. 264). Verdachte heeft zelf ter terechtzitting verklaard dat hij in zijn paniek niet in zijn spiegels heeft gekeken.

Concluderend

Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer] zowel bij de voordeur, in de woning als in de tuin heeft geschoten. Hierbij is een dusdanig dreigend gevaar ontstaan, dat verdachte zichzelf en zijn naasten hiertegen heeft mogen verdedigen.

Hoewel op dat moment [getuige 1] en vervolgens ook verdachte over de schutting kunnen klimmen en kunnen vluchten (tijdstip 21:36:55 uur), is de rechtbank – met de officier van justitie en de verdediging – van oordeel dat op dat moment de noodweersituatie nog niet is geëindigd. Niet alleen bevindt de overvaller zich nog in de woning waar ook de kinderen zijn achtergebleven, maar ook is hij nog in het bezit van het vuurwapen en de buit die hij daarvoor onder dreiging heeft verkregen. Verdachte verklaart over de paniek en hun wens om weg te komen van de situatie (en de overvaller). Hierbij past dat zij om 21:37:28 uur een bestelauto staande houden en ook roepen “Ga hulp halen, ga hulp halen. De kinderen”. Binnen enkele seconden daarna verlaat de overvaller (21:37:35 uur) de woning via de voordeur en komt op het fietspad van de [straatnaam 1] aanrennen (21:37:43 uur).

Op de beelden is vervolgens te zien dat de bestelauto enkele seconden later begint te rijden en – nu de weg ervoor door een andere auto is geblokkeerd – links de middenberm in stuurt (21:37:49 uur). De overvaller komt via de koplampen in het zicht van de bestelauto (21:37:51 uur). De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de overvaller vervolgens zijn arm strekt en – ook tegen de achtergrond van het forensisch onderzoek – een schot lost (21:37:52 uur). Verdachte rijdt op dat moment op de groenstrook tussen de rijbaan en het fietspad en rijdt [slachtoffer] vervolgens aan. Verdachte verklaart over deze aanrijding dat hij [slachtoffer] pas zag op het moment dat [slachtoffer] een vuurwapen op hem richtte. Verdachte reed op [slachtoffer] af, omdat hij het vuurwapen zag en bang was beschoten te worden. Hoewel in theorie verdachte gedurende een heel kort moment [slachtoffer] in de spiegels heeft kunnen zien, is niet aannemelijk geworden dat verdachte [slachtoffer] heeft gezien voordat [slachtoffer] in het licht van de koplampen verscheen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte de confrontatie met [slachtoffer] bewust heeft gezocht. Niet is aannemelijk geworden dat verdachte van meet af aan de intentie had om [slachtoffer] met de bestelbus aan te rijden. Het moet er voor worden gehouden dat verdachte en [slachtoffer] elkaar bij toeval opnieuw troffen op straat. [slachtoffer] richtte daarbij opnieuw een vuurwapen op verdachte en schoot ook daadwerkelijk. Op dat moment was er sprake van een bedreiging van het leven van verdachte en zijn partner [getuige 1] door [slachtoffer] .

Gelet op al dit voorgaande, mede in aanmerking genomen het zeer korte tijdsverloop, acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte – bij dit onmiddellijk dreigend gevaar voor zijn leven en het leven van zijn vrouw – uit verdediging heeft gehandeld. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verdachte zich niet heeft kunnen onttrekken aan de situatie dan wel dat dit niet van hem kon worden verlangd, zeker niet op het moment dat de overvaller een vuurwapen richtte op het voertuig waarin verdachte en zijn vrouw zich bevonden (terwijl dezelfde overvaller in en om de woning al meerdere malen had geschoten). Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop verdachte zichzelf en zijn vrouw heeft verdedigd, bij ook het ontbreken van andere middelen, in verhouding staat tot de ernst van de situatie. Daarmee komt verdachte naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de eerste aanrijding een beroep op noodweer toe. Voor wat betreft dit onderdeel acht zij het feit niet strafbaar en zal verdachte dan ook in zoverre ontslaan van alle rechtsvervolging.

Voor de tweede aanrijding geldt naar het oordeel van de rechtbank iets anders. Zoals eerder overwogen neemt de rechtbank tot haar uitgangspunt dat [slachtoffer] zich vanaf de eerste aanrijding op de grond heeft bevonden en niet meer van positie is veranderd. Gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] (onder meer het ‘gekraak’ bij de eerste aanrijding en de forse plas bloed) en ook de conclusies omtrent het letsel van [slachtoffer] , acht de rechtbank niet aannemelijk dat [slachtoffer] na de eerste aanrijding nog in staat is geweest een bedreiging te vormen voor verdachte dan wel zijn familieleden (wat volgens verdachte wel aan de tweede aanrijding ten grondslag zou hebben gelegen). Daarmee is de noodweersituatie naar het oordeel van de rechtbank na de eerste aanrijding geëindigd.

Voor wat betreft de tweede aanrijding verwerpt de rechtbank daarmee het beroep op noodweer en acht het feit daarmee in zoverre strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht verdachte ook voor wat betreft de tweede aanrijding te ontslaan van alle rechtsvervolging. Er komt verdachte naar de mening van de officier van justitie een beroep op noodweerexces toe.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hiertoe is ten eerste aangevoerd dat indien de rechtbank aanneemt dat de noodweersituatie na de eerste aanrijding is geëindigd, nog altijd geldt dat de waarnemingen van verdachte begrijpelijkerwijs een veronderstelling van onverminderd levensgevaar voor de tweede aanrijding hebben veroorzaakt. Dit maakt dat hij wel redelijkerwijs mocht aannemen dat er sprake was van een (dreigende) noodweersituatie.

Vervolgens heeft de verdediging een beroep gedaan op noodweerexces. Er is sprake geweest van paniek, een ‘blinde doodsangst’ als gevolg van de tegen verdachte en zijn gezin gepleegde handelingen (aanrandingen). Uitgaande van een voortduring van de noodweersituatie en het te ver gaan daarin, geldt dat de overschrijding in het licht van het overrompelende en potentieel dodelijke geweld waarmee verdachte in zijn woning en daarna is geconfronteerd relatief beperkt is. Verder is gewezen op de aard en intensiteit van de hevige gemoedsbeweging en het zeer beperkte tijdsverloop tussen de aanranding en de verdediging (61 seconden tussen het verlaten van de woning en de tweede aanrijding).

Indien de rechtbank aanneemt dat de noodweersituatie na de eerste aanrijding is geëindigd en concludeert dat verdachte te lang is doorgegaan, kan aan de hand van de rapportages van de deskundigen Koerselman en Van Giessen worden geconcludeerd dat de handelingen van verdachte het gevolg zijn van automatische, reflexmatige impulsen die uit zijn paniektoestand dan wel de trigger/activatie hiervan zijn voortgekomen. Alternatieve scenario’s kunnen aan de hand van de rapportages worden uitgesloten. De overschrijding – zowel in het te ver gaan in een noodweersituatie (intensief noodweerexces) als het te lang doorgaan (extensief noodweerexces – moet als een gevolg van de gemoedsbeweging worden gezien.

Tot slot is een beroep gedaan op putatief noodweerexces in de zin dat een overschrijding van de noodzakelijke verdediging ook in het licht van een vergissing van verdachte – die hij ook mocht maken – omtrent het aanwezige gevaar moet worden beoordeeld.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat onder bepaalde omstandigheden een verdachte niet als strafbaar kan worden aangemerkt. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als verdachte een beroep toekomt op putatief noodweer dan wel (putatief) noodweerexces.

Putatief noodweer

Door de verdediging is een beroep gedaan op zogenaamd putatief noodweer. Dit houdt in dat een verdachte redelijkerwijs niet alleen kon, maar ook mocht menen dat hij zich nog in een situatie bevond waarin hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. In dat geval kan hem zijn handelen, nu hij het gevaar begrijpelijkerwijs heeft ingebeeld dan wel verkeerd heeft beoordeeld, niet worden toegerekend en kan hij daarvoor niet als strafbaar worden aangemerkt.

Nog daargelaten dat niet op de beelden is te zien dat zich na de eerste aanrijding mannen met petjes in de buurt van verdachte hebben bevonden (de getuige [getuige 3] draagt, zo valt af te leiden uit p. 105, een pet maar loopt, aldus de waarneming van de rechtbank juist de andere kant uit), zijn er voor het overige geen aanknopingspunten op basis waarvan verdachte na de eerste aanrijding mocht aannemen dat [slachtoffer] het wapen weer op hem richtte en schoot. De ervaringen van verdachte in de woning en de eerste aanrijding acht de rechtbank, ook in combinatie met het korte tijdsverloop, onvoldoende om uit te gaan van de lezing van de verdediging in dit verband. De rechtbank verwerpt daarmee het beroep op putatief noodweer.

Noodweerexces

Vooraf

Van noodweerexces kan sprake zijn in de volgende situaties:

  1. in het geval verdachte zich op dat moment mocht verdedigen, maar hij als onmiddellijk gevolg van een hevige emotie (gemoedsbeweging) – die door de eerdere aanranding is veroorzaakt – daarin te ver gaat (intensief noodweerexces);

  2. in het geval de situatie waarin verdachte zich mocht verdedigen is geëindigd, maar hij als onmiddellijk gevolg van een hevige emotie (gemoedsbeweging) – veroorzaakt door de aanranding daarvoor – te lang doorgaat (extensief noodweerexces).

Aannemelijk moet zijn dat de emotionele toestand van de verdachte (de hevige gemoedsbeweging) van doorslaggevend belang is geweest voor zijn handelen. Hierbij kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen zijn overschreden en aan de aard en intensiteit van de emotionele toestand van een verdachte. Tot slot kan het tijdsverloop een rol spelen.

Opnieuw terug naar de zaak: de tweede aanrijding

Voor wat betreft het beroep op intensief noodweerexces in de zin dat verdachte zich bij de tweede aanrijding ook mocht verdedigen, maar hierin te ver is gegaan, overweegt de rechtbank dat zij hier gelet op haar eerdere overwegingen over het na de eerste aanrijding eindigen van de noodweersituatie niet meer aan toe komt. Dit verweer wordt verworpen.

Met betrekking tot het te lang doorgaan als gevolg van heftige emoties (een hevige gemoedsbeweging) die door de eerdere noodweersituatie is veroorzaakt, zal de rechtbank eerst nader ingaan op een aantal aanvullende omstandigheden.

Emotionele toestand verdachte

Verdachte heeft verklaard dat de eerste knal door het raam heen (de rechtbank: bij de voordeur) hem het meest bij staat. Vanaf toen is de angst er bij hem in geslagen.

Vanaf het moment dat hij in de tuin de man in de ogen keek, was hij in paniek en was hij het kwijt. Hij was gewoon dood van binnen, aldus verdachte. Hij was met zijn gebroken voet over de schutting geklommen en wilde alleen maar weg. Gevraagd naar wat er door hem heen ging toen hij de man (voor de eerste aanrijding) zag, verklaart verdachte dat hij wist dat het dezelfde man als in de woning was. Als verdachte wordt gevraagd de man te beschrijven, verklaart hij: “Petje (…). Ik zie alleen een petje en een wapen. Ik zal heel eerlijk zeggen dat ik hem niet eens kan omschrijven”.

Zoals overwogen heeft verdachte ten aanzien van de eerste aanrijding verklaard dat hij op de overvaller is afgereden, omdat hij het vuurwapen zag. Hij was bang dat hij opnieuw beschoten zou worden. De knal bleef maar in zijn hoofd hangen. Over wat hij voelde op dat moment: “(…) Het is niet alleen de hartslag, het is je buik, je lichaam. Het is BAM! Je kunt me zo opvegen. Dat voelde ik. Doodsangst”. Hij wilde weg en naar zijn kinderen. In zijn beleving reed verdachte vervolgens terug naar huis. Toen zag hij daar jongens met petjes. Omdat de man bij de deur iets in de zin van “kom kom” had gezegd, dacht dat hij dat ze met meerdere personen waren. Hij wilde niet terug, maar zag de jongens en dacht dat zij misschien ook wapens hadden. Hij raakte in paniek, keerde om en reed terug die kant (rechtbank: waar de eerste aanrijding had plaatsgevonden) op. Hij dacht – hoewel hij de film niet helemaal terug kan halen – dat de overvaller ergens tegen aan hing. In zijn beleving richtte de overvaller weer een vuurwapen op hem. Hij was in paniek, de knal die hij als eerste hoorde ging weer door hem heen. Verdachte verklaart verder:

“Het is allemaal vaag. Ik heb stukken die ik met tintelingen in mijn hoofd heb zitten. Allemaal van die kleine tintelingen en flitsen. Flitsen in mijn hoofd en duizelingen die je hebt zoals als je snel opstaat. Het is moeilijk te verwoorden. Angstflitsen, paniek, mijn vrouw, kinderen. Alles gaat door je heen en maalt door je hoofd. Je hebt geen idee hoe je omgeving eruit ziet. Je bent gewoon een leeg hulsel. ledere keer als ik mijn ogen sluit dan zie ik die eerste knal weer (…)”.

Ter terechtzitting heeft verdachte hier nog aan toegevoegd: “je weet niet waar je bent op dat moment. Je handelt, maar je weet niet wat je doet. (…)”. Veel details kan verdachte zich niet herinneren. Bij de rechter-commissaris verklaart verdachte ook dat hij in een roes heeft gezeten. Hij heeft alleen nog maar gevaar gezien (vindplaats verklaringen verdachte: processen-verbaal van verhoor verdachte, p. 405-409 en p. 417 t/m 420, het proces-verbaal van verhoor verdachte in het kader van de vordering inbewaringstelling, blad 1-2 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting).

Deze verklaring van verdachte omtrent zijn emotionele toestand vindt steun in de verklaring van meerdere getuigen, waaronder de getuige [getuige 9] . [getuige 9] zag ter hoogte van het kruispunt met de [straatnaam 2] de eigenaar van de woning op de hoek (rechtbank: verdachte) over de weg naar hem toe rennen. Hij stopte midden op de weg voor zijn auto, spreidde zijn armen en zei: “Ik ben overvallen, help me!”. De getuige zag dat verdachte in paniek was, verdachte en zijn partner waren allebei helemaal overstuur. De getuige merkte dit aan hun gedrag en aan hun geschreeuw (processen-verbaal verhoor getuige, p. 127-128 en p. 129-130).

Ook de getuige [getuige 3] verklaart dat de vrouw en man die over een hek klommen in paniek waren. Hij zag dat aan hun houding en gedrag. (processen-verbaal verhoor getuige, p. 105 en p. 110). Tot slot verklaart de getuige [getuige 7] – zoals overwogen – over verdachte die verdwaasd over de weg liep en schreeuwde: “Ga hulp halen, ga hulp halen. De kinderen” (proces-verbaal verhoor getuige [getuige 7] , p. 179).

Tussenconclusie

Gelet op al het voorgaande en in het bijzonder ook het korte tijdsverloop waarbinnen de overvaller aanbelt en de tweede aanrijding plaatsvindt – ongeveer twee minuten – en de grote dreiging tot een seconde voor de eerste aanrijding (drie schoten in de woning/tuin en vervolgens het schieten op de auto), acht de rechtbank aannemelijk dat als gevolg van deze aanrandingen heftige emoties en paniek (ofwel hevige gemoedsbewegingen) bij verdachte zijn ontstaan.

De vervolgvraag is of de overschrijding bij de tweede aanrijding, die slechts vijftien seconden na de eerste aanrijding heeft plaatsgevonden, het onmiddellijk gevolg is van deze gemoedstoestand van verdachte. De rechtbank zal voor de beantwoording van deze vraag ingaan op de rapportages van de psycholoog en psychiater.

Rapportages

De psycholoog Van Giessen rapporteert d.d. 21 juli 2017 (vier maanden na het feit) dat bij verdachte sprake is van een posttraumatische stressstoornis, die is opgetreden na het feit. Over de toestand waarin verdachte zich ten tijde van het feit na het aanbellen door de overvaller heeft bevonden, rapporteert de psycholoog:

“(…) Betrokkene is in de visie van ondergetekende daarna in een toestand van angst, paniek en hyperarousal gekomen, waarin hij geen normale controle meer had over zijn denken, gevoelens en gedragskeuzes. Hij kon, met andere woorden, niet meer beschikken over zijn onder normale omstandigheden wel aanwezige wilsvrijheid en handelingsvrijheid. (…)” (p. 18 psychologische rapportage).

Door psychiater prof. dr. G.F. Koerselman is op 10 juni 2020 gerapporteerd. De psychiater onderscheidt vier fases in de gebeurtenissen:

  1. voorafgaand aan het aanbellen: verhoogde alertheid;

  2. vanaf het aanbellen van de overvaller tot de vlucht over de muur: bewustzijnsvernauwing met daarbij een focus op het pistool met daarbij gelijktijdig een min of meer automatisch handelen;

  3. vanaf de vlucht over de muur tot en met de eerste aanrijding: versterking bewustzijnsvernauwing met een focus op de vlucht en vervolgens op het beeld van het pistool, terwijl andere omstandigheden niet echt meer zijn doorgedrongen (en verdachte min of meer automatisch heeft gehandeld);

  4. vanaf de val van het lichaam van de auto tot en met de tweede aanrijding: het overrulen van de impuls om te vluchten door de angst om de kinderen. Opnieuw is sprake van een beeld van een dreigend pistool met weinig ruimte voor andere waarnemingen.

De psychiater acht aannemelijk dat het direct schieten van de overvaller bij de voordeur, paniek bij verdachte teweeg heeft gebracht. Op zo’n acute paniek volgt, aldus de psychiater, een ‘defense-cascade’: een opeenvolging van automatische verdedigingsreacties op acuut gevaar. Als regel volgt op de arousal een korte freeze-reactie, waarbij de aandacht maximaal wordt gefocust op het centrale punt van gevaar. Hierbij past zowel de focus op het wapen als de omstandigheid dat verdachte van andere gebeurtenissen op dat moment minder heeft meegekregen (zoals bijvoorbeeld ook de pijn aan zijn voet).

De volgende stap in dit psychologische proces is volgens de psychiater de fase ‘flight or fight’ (vechten of vluchten). De verklaring van verdachte dat alleen maar weg wilde sluit daarbij aan. Dat hij vervolgens automatisch de auto startte is binnen die context ook te begrijpen. Handelingen in deze fase verlopen, aldus de psychiater, vrijwel geheel automatisch. De keuze voor vluchten of vechten gaat daarbij zo snel dat het meer het karakter heeft van een reflex. Voor wat betreft het vervolgens richten van het wapen op verdachte, acht de psychiater voorstelbaar dat voor verdachte in deze fase vluchten geen optie meer is geweest, zodat niets anders is overgebleven dan de ‘fight-reflex’, in dit geval in de vorm van gas geven en de overvaller aanrijden.

Na de eerste aanrijding is de vluchtimpuls, aldus de psychiater, overruled door de impuls om de kinderen in veiligheid te brengen. Gelet op de focus van verdachte op het wapen, wat een centraal element in de gebeurtenissen is geweest, is het mogelijk dat verdachte de indruk heeft gehad dit weer te zien. Wat daarvan ook zij, kan hierdoor – aldus de psychiater – in ieder geval de fight (vecht)-reactie zijn geactiveerd die zich kort daarvoor ook bij de eerste aanrijding heeft voorgedaan.

De toestand van verdachte – hij zag andere personen van wie hij schrok en opnieuw een wapen (en verder niets) – past goed bij een geautomatiseerde alarmtoestand. In die toestand kan er geen sprake zijn geweest van een vrije wil om keuzes te overzien en consequenties daarvan te overwegen. De mogelijkheid dat verdachte in deze laatste fase nog in staat is geweest afwegingen te maken en eventueel anders te beslissen lijkt de rapporteur vanuit psychiatrisch oogpunt uiterst onaannemelijk. De psychiater concludeert dan ook dat het gedrag van verdachte tussen de vlucht uit zijn huis tot zijn terugkeer het gevolg is geweest van automatische, reflexmatige impulsen, die voortvloeiden uit de paniektoestand waarin hij zich bevond (psychiatrische rapportage, p. 7 t/m 12).

Concluderend

Bij de beantwoording van de vraag of het te lang doorgaan van verdachte een onmiddellijk gevolg is geweest van zijn hevige gemoedsbeweging, hecht de rechtbank grote waarde aan de zeer uitzonderlijke en specifieke omstandigheden van het geval. Zoals overwogen bevindt zich tussen het binnendringen van de overvaller in de woning en de tweede aanrijding slechts twee minuten. In dit tijdsbestek wordt herhaaldelijk geschoten, zelfs tot een seconde voor de eerste aanrijding. Vervolgens eindigt de situatie met de tweede aanrijding vijftien seconden later.

Met betrekking tot de beleving van de tweede aanrijding door verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte heeft verklaard over het rijden naar huis, het zien van mannen met petjes en tot slot het wapen bij [slachtoffer] . Voor al deze omstandigheden geldt dat deze beleving niet klopt met de feitelijke situatie. Verdachte rijdt juist weg van zijn woning, in zijn nabijheid bevinden zich op dat moment (aldus de beelden) geen mannen met petjes en tot slot is niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] nog in staat is geweest het wapen op hem te richten. Zowel deze beleving met een focus op het wapen en gevaar als ook de omstandigheid dat verdachte niet veel van de context heeft meegekregen, passen bij een toestand van automatisch/reflexmatig handelen als gevolg van paniek (zoals door de psycholoog en psychiater beschreven).

Op grond van al het voorgaande en in het bijzonder de ernst van de aanrandingen en het zeer korte tijdsverloop acht de rechtbank niet alleen aannemelijk dat de gemoedsbeweging zeer hevig en intens is geweest, maar ook dat verdachte hierdoor niet meer tot redelijk nadenken in staat is geweest. Gelet op de verklaring van verdachte en de getuigen geplaatst in de door de deskundigen beschreven psychische processen, acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte door angst en paniek in een toestand is gekomen waarin hij geen controle meer had over zijn denken, gevoelens en gedragskeuzes en vanuit deze toestand [slachtoffer] opnieuw heeft overreden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van een overschrijding die het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, maar ook van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding(en) daarvoor is ontstaan.

Dit maakt dat het beroep op (extensief) noodweerexces slaagt en de rechtbank verdachte voor wat betreft de tweede aanrijding niet strafbaar acht. Zij zal om die reden verdachte ook voor dit onderdeel ontslaan van alle rechtsvervolging. Dit betekent dat de rechtbank niet meer toekomt aan een bespreking van het verweer inzake putatief noodweerexces.

Hoe voorstelbaar de rechtbank het leed en verdriet van de nabestaanden van [slachtoffer] ook acht, dit oordeel leidt onvermijdelijk tot de conclusie dat aan verdachte geen straf zal worden opgelegd.

7. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde doodslag.

Door [benadeelde 1] is daarbij een bedrag van € 3.508,29 aan materiële schade en € 27.500,00 aan immateriële schade gevorderd. [benadeelde 2] heeft een bedrag van € 5.588,42 aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade gevorderd. Dit geldt in beide gevallen vermeerderd met wettelijke rente. Verder is namens de benadeelden oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte is ontslagen van alle rechtsvervolging zonder oplegging van een straf of maatregel

De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen dienen te worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen nog slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het primair bewezenverklaarde met betrekking tot de eerste aanrijding niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan;

 verklaart dat het primair bewezenverklaarde met betrekking tot de tweede aanrijding oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte met betrekking tot de tweede aanrijding niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partijen

 verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. dr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.T.P.J. Damen en A.W. Elbersen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 augustus 2020.

BIJLAGE

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Arnhem [slachtoffer] opzettelijk van het

leven heeft beroofd door - als bestuurder van een (bestel-)auto die [slachtoffer] (met aanzienlijke snelheid) aan te rijden en/of te overrijden (1e aan-/overrijding, 21.37.52 uur; blz 265, schermafdruk 19) en/of - als bestuurder van een (bestel-)auto die [slachtoffer] (met aanzienlijke snelheid) aan te rijden en/of te overrijden (2e aan-/overrijding, 21.38.07 uur; blz 265, schermafdruk 24);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Arnhem, ter uitvoering van het/de door

verdachte voorgenomen misdrijf/misdrijven om [slachtoffer] opzettelijk van het

leven te beroven, - als bestuurder van een (bestel-)auto die [slachtoffer] (met aanzienlijke snelheid) heeft aangereden en/of overreden (1e aan-/overijding, 21.37.52 uur; blz 265, schermafdruk 19) en/of - als bestuurder van een (bestel-)auto die [slachtoffer] (met aanzienlijke snelheid) heeft aangereden en/of overreden (2e aan-/overijding, 21.38.07 uur; blz 265, schermafdruk 24), terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is

voltooid.

1 De inhoud van de volledige tenlastelegging is in de bijlage opgenomen.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2017144862, onderzoek ON4R017046 (Gracht), gesloten op 30 oktober 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 46 t/m 48.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 55-56, het proces-verbaal van bevindingen, p. 60 en het stamproces-verbaal, p. 867.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 57.

6 Het proces-verbaal van dactyloscopisch onderzoek, p. 1047 en het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 891.

7 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 1076-1077.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 405 t/m 408, het proces-verbaal verhoor verdachte in het kader van de vordering tot inbewaringstelling, blad 1 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 406 en 409 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , p. 448 en 450 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige 1] , p. 466-467.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 308.

12 Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , p. 102 t/m 105 en het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , p. 110-111.

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 116 t/m 118, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 121 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 126.

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 158-159 en het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] , p. 160 t/m 162.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 262 t/m 266, het proces-verbaal van bevindingen, p. 215 t/m 217 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 63.

16 De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting.

17 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 891-892.

18 NFI-rapport, p. 1109-1110 en het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 1076-1077.

19 NFI-rapport, p. 1177-1178.

20 NFI-rapport, p. 1216-1217.

21 NFI-rapport, p. 1215.

22 Werkverslag, p. 1209.

23 Proces-verbaal CT-scan ten behoeve van gerechtelijke sectie, p. 1053-1054 met bijlagen, p. 1055 t/m 1057 en de rapportage, p. 1059-1060 en p. 1064-1065.

24 NFI-rapport, blad 3 en 5.

25 Aanvullende rapportage, p. 1218-1219.

26 Aanvullende rapportage MUMC, p. 1221 t/m 1224.