Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3852

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
367163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser vordert van gedaagden rectificatie van uitingen in (onder meer) het Algemeen Dagblad en Facebook. Voorzieningenrechter wijst dit af omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de uitingen onrechtmatig zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0541
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/367163 / KZ ZA 20-40

Vonnis in kort geding van 30 juli 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. S. Arts te Breda,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.B. Lever te Apeldoorn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

DPG MEDIA B.V.,

gevestigd te Gouda,

advocaat: mr. O.G. Trojan te 's-Gravenhage,

3. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. O.G. Trojan te 's-Gravenhage,

4. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats]

gedaagde,

advocaat: mr. A.B. Lever te Apeldoorn.

Eiser zal hierna “ [eiser] ” worden genoemd.

Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk “ [gedaagde 1] ”, “DPG”, “ [gedaagde 2] ” respectievelijk " [gedaagde 3] ” worden genoemd. Tezamen zullen zij “ [gedaagde 1] c.s.” worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de op 9 maart 2020 ter griffie gedeponeerde USB-stick met daarop videomateriaal

  • -

    de e-mail van [eiser] d.d. 26 maart 2020 met een eiswijziging

  • -

    de conclusie van antwoord van DPG en [gedaagde 2]

  • -

    de e-mail van [eiser] d.d. 24 juni 2020 inclusief productie

  • -

    de brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] d.d. 30 juni 2020 met producties

  • -

    de e-mail van [eiser] d.d. 2 juli 2020 met een aanvullende productie

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van DPG en [gedaagde 2]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 3] en [gedaagde 1]

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 6 juli 2020.

1.2.

Opgemerkt wordt dat de mondelinge behandeling van dit kort geding aanvankelijk zou plaatsvinden op 31 maart 2020. Vanwege de maatregelen rondom covid-19 is de mondelinge behandeling echter uitgesteld naar (uiteindelijk) 6 juli 2020.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is werkzaam in de muziekindustrie. Vanaf 1999 tot 2015 is [eiser] als “crewlid” werkzaam geweest voor de rockband [band] . Daarbij luisterde [eiser] naar de bijnaam “ [bijnaam] ”.

2.2.

[gedaagde 3] is de zanger van [band] . [band] is een bekende rockband uit [regio] maakt muziek in het genre “ [naam genre] ”.

2.3.

[gedaagde 1] is bevriend met [gedaagde 3] en eveneens als “crewlid” werkzaam voor [band] . [gedaagde 1] beheert ook het Facebook- en Instagramaccount van [gedaagde 3] . Het Facebookaccount van [gedaagde 3] wordt door ongeveer 20.000 andere Facebookgebruikers gevolgd.

2.4.

[gedaagde 2] is als journalist werkzaam voor het Algemeen Dagblad.

2.5.

DPG is een mediabedrijf en eigenaar van (onder meer) het Algemeen Dagblad. Daarnaast heeft DPG diverse regionale dagbladen in eigendom, waaronder De Gelderlander, De Stentor en BN De Stem.

2.6.

Tot de instrumenten van [band] behoort een drumstel van het merk “Yamaha” (hierna: “het drumstel”). Het drumstel heeft zich vanaf december 2015 bevonden in een beveiligde opslagruimte te Hummelo.

2.7.

[eiser] was één van de personen die over een toegangssleutel tot de opslagruimte beschikte.

2.8.

In mei 2016 is vastgesteld dat het drumstel zich niet meer in de opslagruimte bevond. Er was geen sprake van braakschade aan de opslagruimte.

2.9.

Op 13 september 2018 heeft [eiser] via Marktplaats een drumstel verkocht aan een derde, die geen partij is in deze procedure: de heer [naam 1] (hierna: “ [naam 1] ”). [naam 1] is via de importeur van het door hem gekochte drumstel erachter gekomen dat dit drumstel aan [band] heeft toebehoord.

2.10.

[naam 1] heeft vervolgens contact opgenomen met [band] . Volgens [band] was het door [naam 1] gekochte drumstel hetzelfde drumstel waarvan in mei 2016 was vastgesteld dat dit uit de opslagruimte was verdwenen.

2.11.

[gedaagde 3] en de manager van [band] hebben vervolgens tegen [eiser] aangifte gedaan van diefstal dan wel heling van het drumstel.

2.12.

Op 16 september 2018 heeft [gedaagde 1] op het Facebookaccount van [gedaagde 3] een bericht geplaatst, dat luidt:

“Na het laatste optreden van [band] bleek dat uit de beveiligde schuur bij de studio een Yamaha drumstel was verdwenen. Na veel heen en weer gepraat en gevraagd, wist niemand waar dat drumstel gebleven was. De afgelopen dagen zijn we er bij toeval achter gekomen dat iemand (volkomen te goeder trouw) het drumstel deze week gekocht heeft van een ex crewlid van [band] . [band] BV en ik persoonlijk hebben inmiddels aangifte gedaan bij de politie voor diefstal en heling van o.a. het drumstel. Danweddiedat.”

Het bericht is 353 keer “geliked”, er zijn 101 reacties bij geplaatst door andere gebruikers van Facebook en het bericht is 37 keer gedeeld.

2.13.

Op 21 september 2018 heeft [gedaagde 1] nogmaals een bericht geplaatst op het Facebookaccount van [gedaagde 3] . Dit bericht luidt:

“Wat een rare week is dit! Aan de ene kant de euforische vreugde om Jeffrey Herlings zijn wereldkampioenschap en anderzijds het ongelofelijke gedrag van een gluiperige lafbek. Iemand die je jaren vertrouwd en beschermd hebt en waarvan je dacht dat het een vriend was. [namen] en iedereen die in de crew van [band] gewerkt heeft, is net als ik stomverbaasd dat die smeerlap van [eiser] (we noemden hem nota bene [bijnaam] ) zoiets geflikt heeft!”

Na ongeveer een half uur heeft [gedaagde 1] dit Facebookbericht verwijderd op instigatie van de manager van [band] .

2.14.

Op of omstreeks 18 oktober 2018 heeft [naam 1] het drumstel teruggegeven aan [band] . Van dit moment is een filmpje gemaakt. Dit filmpje is op 18 oktober 2018 geplaatst op het Facebookaccount van [gedaagde 3] . Op het filmpje is [gedaagde 3] , omringd door een aantal andere personen, aan het woord en zegt hij in de camera, voor zover relevant:

“(…) We hebben van Yamaha, die hebben gezegd dat ze er waarschijnlijk maar één van verkocht hebben in Nederland. Dat maakt het verhaal ook nog veel vreemder want het is een bijzonder drumstel. Dus dat lijkt me raar als je dat niet zou herkend hebben. En hij heeft er vijftien jaar mee gewerkt. Dus ik wil nogmaals zeggen: ik zal geen namen noemen, maar wij waren zeer teleurgesteld in die persoon. En dat is het understatement van de eeuw.”

Waarna iemand anders, buiten beeld, opmerkt:

“Maar ik vind het super dat ‘ie terug is!”

Daarop beginnen de aanwezigen hard te lachen. [gedaagde 3] lacht ook en steekt zijn duim op naar de camera en zegt:

“Ja, dat vind ik ook helemaal super!”

Waarna de overige aanwezigen doorgaan met lachen. Na enkele seconden eindigt het filmpje.

2.15.

[eiser] heeft op of omstreeks 30 oktober 2018 aangifte gedaan van smaad tegen (onder meer) [gedaagde 3] en [gedaagde 1] .

2.16.

Naar aanleiding van de aangifte door [eiser] is [gedaagde 3] op 24 april 2019 door de politie verhoord. Het proces-verbaal van dit verhoor luidt, voor zover relevant:

“(…) Ik heb wel een eigen Facebook pagina, maar ik heb daar zelf geen verstand van. Ik heb daar zelf nog nooit iets opgezet. Het boeit me zelf niet en ik weet ook niet hoe dat moet. Als ik iets op Facebook geplaatst wil hebben dan doet dat iemand anders voor mij. (…) Die persoon is genaamd [gedaagde 1] . (…)

(…)

V. Herken je het 1e bericht ?

(…)

A. Aan dit bericht heb ik mijn goedkeuring gegeven. Daar sta ik ook volledig achter.

V/O Het 2e bericht staat niet meer op Facebook (volgens aangifte geplaatst op vrijdag 21 september 2018):

(…)

A. Met betrekking tot het tweede bericht kan ik het volgende verklaren. We waren die zondagavond op de terugweg van de motorcross in Assen. Toen kwam onder andere ook het verhaal van het drumstel ter sprake. Wij waren allemaal verontwaardigd dat [eiser] betrokken was bij de diefstal van het drumstel. Dat was voor ons allemaal wel duidelijk. Om de naam en reputatie van de overige crew-leden te ontlasten heb ik destijds geroepen op de terugweg zet de naam van [eiser] er maar in. Daarmee bedoeld ik dat ik wist dat [gedaagde 1] nog een Facebook bericht zou plaatsen. In onze emotie hebben wij allerlei dingen geroepen op de terugweg en [gedaagde 1] heeft dit later verwoord tot dit bericht en [gedaagde 1] heeft dit vervolgens geplaatst op Facebook. (…)

V. Heb je spijt van het plaatsen van het 2e bericht / wil je hiervoor excuses aanbieden / zou je een rectificatie willen plaatsen?

A. [gedaagde 1] heeft 2e Facebook bericht geplaatst. Ik had hem daar niet expliciet opdracht voor gegeven. (…) Het kan dom en onhandig zijn geweest, maar ik kan het niet terugdraaien. Ik kan het 2e bericht ook niet rectificeren. (…)”

2.17.

Bij mondeling vonnis van de politierechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 4 februari 2020 is [eiser] vrijgesproken van diefstal en opzet-, dan wel schuldheling (parketnummer 08-154457-19, volgnummer 4).

2.18.

Op 10 februari 2020 is er op de website van het Algemeen Dagblad een artikel verschenen van [gedaagde 2] met als titel: “Nader onderzoek nodig: [gedaagde 3] ontsnapt aan rechtszaak wegens ‘gluiperige lafbek’”. De tekst van het artikel luidt:

Zanger [gedaagde 3] hoeft deze week nog niet voor de rechter te verschijnen omdat hij een ex-medewerker van de band voor ‘gluiperige lafbek’ had uitgemaakt. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak die vanmorgen nog op de agenda stond, weer ingetrokken voor ‘nader onderzoek’. De zanger van [band] moest voorkomen wegens belediging, maar verzet zich daar tegen.

De 73-jarige zanger werd ervan verdacht op 21 september 2018 opzettelijk de eer en goede naam van [eiser] geschaad te hebben door op zijn Facebookpagina een openbaar bericht te plaatsen met de tekst: ‘Wat een rare week is dit! Aan de ene kant de euforische vreugde om Jeffrey Herlings zijn wereldkampioenschap en anderzijds het ongelofelijke gedrag van een gluiperige lafbek. Iemand die je jaren vertrouwd en beschermd hebt en waarvan je dacht dat het een vriend was.’

De tirade van [gedaagde 3] ging nog langer door. Iets verderop in de tekst noemde [gedaagde 3] [eiser] ook nog smeerlap. De tekst is alweer enige tijd geleden verwijderd van [gedaagde 3] Facebookpagina. Maar dat de band woest is op ex-roadie [eiser] , is duidelijk.

Verdwenen drums

[eiser] was als vrijwilliger betrokken bij de beroemde [band] De ruzie is ontstaan omdat bij het opheffen van de studio in [plaats] een drumstel verdween. Dat drumstel dook later weer op toen het door iemand werd gekocht. Duidelijk is dat [gedaagde 3] dacht dat [eiser] daar iets mee te maken had.

Volgens manager [naam 2] van [band] heeft de band ook aangifte gedaan, maar kwam het niet tot een veroordeling. “Omdat er niet genoeg bewijs was, die uitspraak hebben we net vorige week binnen gekregen”, aldus [naam 2] . “Ze zeiden niet dat hij het niet heeft gedaan, maar dat er niet genoeg bewijs is.”

Waarom de zaak tegen [gedaagde 3] nu is ingetrokken, is niet helemaal duidelijk. De advocaat van [gedaagde 3] wil er niks over zeggen en Wesley [eiser] is onbereikbaar voor commentaar. Bennie zelf doet er ook het zwijgen toe ‘zolang de zaak nog onder de rechter is’, zegt hij per e-mail. Een woordvoerder van het Openbaar Ministerie laat alleen los dat de zaak is ingetrokken ‘voor nader onderzoek’.

[band] -manager [naam 2] zegt ‘dat wij ons tegen die aangifte van smaad hebben verzet’. “Daar wordt nu eerst onderzoek naar gedaan.””

Bij het artikel staat een foto van [gedaagde 3] tijdens een optreden. Daarnaast staat halverwege het artikel vetgedrukt de volgende tussenkop:

Het artikel is eveneens (min of meer gelijkluidend) verschenen op de website van andere lokale dagbladen van DPG, zoals De Gelderlander, BN De Stem, De Stentor.

2.19.

[gedaagde 1] heeft op 10 februari 2020, naar aanleiding van het artikel in het Algemeen Dagblad, een Facebookbericht geplaatst via zijn eigen Facebookaccount, dat luidt:

“Dus je mag iemand die van jou dingen steelt en via Marktplaats verkoopt niet eens meer bij naam noemen , Nederland op zijn best”

Op dit Facebookbericht hebben diverse Facebookgebruikers gereageerd. Enkele van deze reacties luiden, voor zover relevant:

“Groot gelijk gewoon namen & shamen”

“”Super” die uitspraak……..”

“of het verhaal van [gedaagde 3] klopt mag de rechter bepalen. En zolang het niet is bewezen is [eiser] onschuldig, en hoeft [gedaagde 3] hem niet in het openbaar aan de schandpaal te hangen. Dat is smaad en laster, en dat mag niet. Gelukkig maar.”

“ik lees dat [gedaagde 3] dacht dat hij het was,.

Is het bewezen?”

Op dat laatste Facebookbericht heeft [gedaagde 1] weer gereageerd:

“ja 1000000 procent”

2.20.

Naar aanleiding van de aangifte door [eiser] is [gedaagde 1] op 20 februari 2020 door de politie verhoord. Het proces-verbaal van dit verhoor luidt, voor zover relevant:

“(…) V. Klopt het dat je voor [gedaagde 3] zijn Facebook (FB) beheert, dat wil zeggen dat je voor hem berichten plaatst op zijn Facebookpagina en hoe lang doe je dat al?

A. Ik beheer de FBpagina en Instagram van [gedaagde 3] . Dat doe ik nu ongeveer twee jaar.

V. Klopt het dat [gedaagde 3] dat zelf nooit doet?

A. Dat klopt. [gedaagde 3] weet niet hoe dat werkt of hoe hij dat moet doen.

(…)

V/O. Ik toon u twee berichten van FB. Een over de diefstal van het drumstel en het 2e bericht met vermelding van de naam [eiser] . Herkent u deze berichten?

A. Het eerste bericht over de diefstal van het drumstel kan ik mij niet herinneren. Het is mogelijk dat ik dat bericht op FB heb gezet, maar het kan ook zijn dat dit bericht door iemand van het kantoor van [band] BV dat heeft geplaatst en dat het een persbericht is van kantoor. Het tweede bericht waarin de naam [eiser] staat, kan ik mij wel herinneren. Dat bericht heb ik zelf op FB gezet.

V. Hoe is dat gegaan met betrekking tot de betreffende berichten over de diefstal van het drumstel en het plaatsen van het 2e bericht met vermelding van de naam [eiser] ?

Wie kwam met het idee om dat bericht/die woorden op FB te zetten?

A. Ik weet dat niet meer precies. Volgens mij heb ik zelf besloten dit bericht met deze tekst te plaatsen. Ik heb dat toen niet eerst overlegd met [gedaagde 3] . Dat vond ik niet nodig, omdat we het er in de auto wel over hadden gehad. Ik schrijf uit naam van [gedaagde 3] . Daarom lijkt het er ook op dat [gedaagde 3] dat geschreven heeft op FB, maar in werkelijkheid zijn het mijn woorden. Ik heb dat bericht toen uit emotie geplaatst. Ik was toen boos op die [eiser] .

V. Zijn het de letterlijke woorden van [gedaagde 3] die jij op FB hebt gezet?

A. Op de terugweg hebben toen gesproken over wat er gebeurd was met het drumstel en de betrokkenheid van [eiser] . Het tweede bericht is eigenlijk een samenvatting wat er toen gezegd is. Het zijn dus niet de letterlijke woorden van [gedaagde 3] . Ik heb dat zo samengevat.

(…)

V. Waarom is dat bericht zo snel weer van de site gehaald?

A. Ik had zelf niet zo goed nagedacht over dit bericht en de mogelijke gevolgen daarvan. In de opwelling had ik dat bericht geplaatst. Achteraf weet ik ook wel dat ik dat beter niet had kunnen doen met die naamsvermelding.

(…)

V. Ben je bekend met het begrip/strafbare feit smaad / smaadschrift (…)?

A. (…) Ik snap ook wel dat als je iemands naam noemt op FB en daar negatief over bericht, dat dit gevolgen kan hebben voor die persoon.

(…)

V. Vind je zelf dat je verkeerd hebt gehandeld door dat bericht van Wesley [eiser] of FB te plaatsen en of wie is verantwoordelijk voor de dit bericht op FB?

A. Achteraf is dat stom geweest van mij. Ik had dat niet mogen doen. Ik ben verantwoordelijk voor dit bericht en niet [gedaagde 3] . Ik heb dat bericht geplaatst en zonder eerst overleg met [gedaagde 3] .

V. Wil je nog iets toevoegen aan deze verklaring?

A. Achteraf heb ik wel spijt van dat bericht. Ik had dat niet moeten doen. Ik heb het gedaan in emotie en dat was niet zo slim van mij. (…)”

2.21.

De officier van justitie heeft [gedaagde 3] een strafbeschikking opgelegd naar aanleiding van de aangifte van smaad door [eiser] . [gedaagde 3] is daartegen in verzet gegaan. Per brief van 29 februari 2020 heeft de officier van justitie aan [gedaagde 3] bericht dat de opgelegde strafbeschikking werd ingetrokken. De brief van de officier van justitie luidt, voor zover relevant:

“(…) De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel:

u ten onrechte als verdachte bent aangemerkt

Deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij

a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;

b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door een feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen. (…)”

2.22.

[eiser] heeft beklag gedaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar aanleiding van de intrekking van de strafbeschikking tegen [gedaagde 3] door de officier van justitie.

2.23.

Aan [gedaagde 1] heeft de officier van justitie eveneens een strafbeschikking opgelegd naar aanleiding van de aangifte van smaad door [eiser] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad,

1. [gedaagde 2] en DPG hoofdelijk veroordeelt – in die zin dat als één daarvan hieraan voldoet de ander van deze verplichting zal zijn bevrijd – binnen vijf dagen na dit vonnis zorg te dragen voor het plaatsen van:

a. een rectificatie op de voorpagina van het Algemeen Dagblad (papieren versie) met als inhoud de hieronder vermelde tekst, met een artikelgrootte (kader) van ten minste een halve krantenpagina, waarbij het lettertype ten minste 12 punten zal bedragen en de koptekst in vet, tenminste 14 punten zal bedragen, met als titel in een lettertype van tenminste 14 beeldpunten en in hoofdletters en vet lettertype: “rectificatie zaak [band] en Wesley [eiser] ” met de navolgende daar direct onder geplaatste tekst:

In deze krant verscheen een artikel van journalist [gedaagde 2] over de rechtszaak tegen Bennie [gedaagde 3] van de popgroep [band] en een zaak tegen [eiser] , een voormalig crewlid van [band] .

In deze artikelen wordt door hem ten onrechte en in strijd met de rechten van [eiser] een smadelijk artikel geciteerd. Ook wordt door de journalist met dit artikel ten onrechte gesuggereerd dat [eiser] zich aan diefstal van een drumstel van [band] zou hebben schuldig gemaakt.

Voor al deze stellingen is geen danwel onvoldoende feitenbewijs bij deze krant voorhanden.

Wij betreuren dat deze mededelingen in de krant zijn gedaan en menen dat dit niet had mogen gebeuren. De krant én de journalist [gedaagde 2] bieden de heer [eiser] hiervoor hierbij openlijk excuses aan. Hij is ten onrechte in zijn eer en goede naam door ons handelen aangetast.

Ook was bij ten tijde van deze artikelen bekend dat de heer [eiser] was vrijgesproken van diefstal dan wel heling van het drumstel van [band] door de rechtbank Almelo en is ten onrechte geen wederhoor toegepast.

De hoofdredactie en [gedaagde 2] .

b. een rectificatie op de voorpagina van de website van het Algemeen Dagblad (digitale online versie – alsmede op de zeven zusterwebsites als vermeld onder punt 36 van de dagvaarding, zichtbaar voor zowel betalende als niet betalende lezers) en deze daar zeven dagen zichtbaar te houden op dezelfde (prominente) positie (hoogte op de website). Zoals aangegeven in een grootte en positie van tenminste een grootte/omvang/positie zoals hieronder aangegeven in het rode kader (met pijl), met ten minste hetzelfde lettertype (omvang/grootte) zoals thans vermeld: “ [naam 3] <…> Rechtbank”, waarbij de koptekst zal luiden “rectificatie zaak [band] en [eiser] ”, met daarboven een afbeelding van [band] zoals eerder in het (gewraakte) artikel afgebeeld, waarbij doorklikken voor een ieder een artikel verschijnt van reguliere grootte met de hierboven (onder 1.a) vermelde rectificatietekst;

c. dan wel subsidiair een in goede justitie te bepalen rectificatie te hebben geplaatst op internet (www.ad.nl) en/of de op zeven zusterwebsites als vermeld onder punt 29 van de dagvaarding en/of in de papieren editie van het Algemeen Dagblad binnen een daarvoor door de voorzieningenrechter gestelde termijn en dit artikel daar te laten staan (middels reguliere wijze van plaatsing en doorplaatsen naar het openbare nieuwsarchief);

op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat is nagelaten te voldoen aan voorgaande per overtreding, waarbij een gedeelte van een overtreding als een volledige overtreding zal gelden, met een maximum van € 100.000,- per aparte vordering;

2. [gedaagde 2] veroordeelt tot het plaatsen en geplaatst houden van een bericht op zijn Twitteraccount (@ [gedaagde 2] ) (openbaar aan al zijn volgers) met als tekst “rectificatie rechtbank Gelderland: hierbij plaats ik in opdracht van de rechter een rectificatie over een door mij geschreven onrechtmatig artikel @ ADnl # bevel voorzieningenrechter Gelderland” (dan wel een in goede justitie te bepalen rectificatie) met daaronder een aanklikbare link naar navolgende webpagina: http://www.singeladvocaten.nl/rectificatie-rechtbank-gelderland, met als inhoud op voormelde internetpagina (te plaatsen door de advocaat van [eiser] ) de hieronder vermelde tekst, dan wel een in goede justitie te bepalen tekst:

In het Algemeen Dagblad schreef ik journalist [gedaagde 2] eerder over de rechtszaak tegen [gedaagde 3] van de popgroep [band] en een zaak tegen [eiser] , een voormalig crewlid van [band] . In dit artikel werd door mij ten onrechte en in strijd met de rechten van [eiser] een smadelijk artikel geciteerd. Ook wordt door mij met dit artikel ten onrechte gesuggereerd dat [eiser] zich aan diefstal van een drumstel van [band] zou hebben schuldig gemaakt. Voor al deze stellingen is geen dan wel onvoldoende feitenbewijs bij deze krant voorhanden. Ik betreur dat deze mededelingen in de krant zijn gedaan en meen dat dit niet had mogen gebeuren. Ik als journalist [gedaagde 2] bied de heer [eiser] hiervoor hierbij openlijk excuses aan. Hij is ten onrechte in zijn eer en goede naam door mijn handelen aangetast. Ook was bij mij ten tijde van het publiceren bekend dat de heer [eiser] was vrijgesproken van diefstal door de rechtbank Almelo en is ten onrechte geen wederhoor toegepast. De voorzieningenrechter in Gelderland heeft mij veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie op mijn Twitteraccount met verwijzing naar dit bericht op de website van Singel Advocaten, de advocaat van [eiser]

dan wel een in goede justitie te bepalen verwijzing/link, bijvoorbeeld naar een pagina van www.rechtspraak.nl met daarop het gepubliceerde (het in deze te wijzen) vonnis;

3. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk veroordeelt – in die zin dat als één daarvan hieraan niet voldoet de ander van deze verplichting zal zijn bevrijd – binnen vijf dagen na dit vonnis zorg te dragen voor het plaatsen van:

a. een rectificatie op de voorpagina van de website van de officiële website van [band] (www. [band] .nl) en deze aldaar vier maanden zichtbaar te houden op dezelfde (prominente) positie/hoogte op de website, waarna dit artikel in het nieuwsarchief mag worden geplaatst doch wel raadpleegbaar en doorzoekbaar zal blijven voor bezoekers van de website;

een en ander zoals aangegeven in een grootte en positie van tenminste een grootte/omvang/positie zoals hieronder aangegeven in het rode kader (met pijl), met een titel/koptekst van ten minste hetzelfde lettertype (omvang/grootte/hoofdletters) zoals thans vermeld: “ [band] keert met Hemelvaartsdag terug naar Lochem”, en waarbij de overige tekst ten minste hetzelfde lettertype zal hebben zoals thans vermeld “Opnieuw <…> ticketmaster”;

waarbij de titelkoptekst zal luiden “rectificatie zaak [band] en [eiser] ”

met als inhoud de hieronder vermelde tekst, met een artikelgrootte (kader) van ten minste een halve krantenpagina, waarbij het lettertype ten minste 12 punten zal bedragen en de koptekst in vet, ten minste 14 punten zal bedragen, met als titel in een lettertype van tenminste 14 beeldpunten en in hoofdletters en vet lettertype: “rectificatie zaak [band] en Wesley [eiser] ” met de navolgende daar direct onder geplaatste tekst:

De band [band] , waaronder [gedaagde 3] en [gedaagde 1] onder de naam “ [gedaagde 1] Racestation” heeft eerder diverse uitlatingen gedaan over een oud crewlid (roadie) [eiser] ook wel bekend onder de naam “ [bijnaam] ”. Hierbij werd aangegeven dat hij een gluiperige lafbek zou zijn en dat hij een drumstel van [band] zou hebben gestolen. Ook is door onze manager na een vrijspraak van de rechter gesuggereerd dat [eiser] toch schuldig zou zijn en heeft crewlid [gedaagde 1] op Facebook gezegd – in strijd met de waarheid – dat de rechter zou hebben geoordeeld dat hij schuldig was en dat hij het drumstel zou hebben gestolen.

Hiervoor is echter geen bewijs aanwezig en [eiser] is dan ook onherroepelijk vrijgesproken van diefstal of heling door de rechtbank in Almelo.

De band heeft hierbij onjuist en onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] .

Wij bieden onze excuses hiervoor aan en hebben in overleg met [eiser] deze tekst geplaatst.

[band] .

uiteraard zonder dat andere (nieuws)berichten worden geplaatst door gedaagden of overige bandleden van [band] die aan voormelde tekst afbreuk doen, zulks voor zover ligt binnen de macht en invloed van gedaagden;

b. een rectificatie op de Facebookpagina van [gedaagde 1] – en deze aldaar geplaatst te houden (niet te verwijderen) – met als tekst: “rectificatie zaak [band] en Wesley [eiser] , klik hier voor het artikel” met een doorklikbare link naar het voormelde artikel op de website van [band] , welk artikel raadpleegbaar zal blijven (zo nodig middels aanpassing van de link) nadat het artikel na vier maanden in een nieuwsarchief wordt geplaatst;

c. dan wel een in goede justitie te bepalen rectificatie op internet (www. [band] .nl) en/of op de Facebookpagina van [gedaagde 1] en/of de popband [band] ; binnen een daarvoor door de voorzieningenrechter gestelde termijn;

4. [gedaagde 3] en [gedaagde 1] verbiedt verder enige publicatie (uiting in media) te doen over [eiser] en/of de kwestie met [eiser] over het drumstel (in de ruimste zin des woord), zoals Facebook, website(s), (medewerking aan) kranteninterviews;

5. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] veroordeelt mee te werken (inspanningsverplichting) aan verwijdering van (doorgeplaatste) artikelen op internet (waaronder google.nl, zoals het indienen van een verzoek tot verwijdering van dit artikel), betreffende de kwestie met [eiser] en het drumstel, indien [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ter zake schriftelijk door [eiser] om medewerking wordt verzocht met verwijzing naar het desbetreffende artikel;

6. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag (zegge: vijfduizend euro) dat is nagelaten te voldoen aan voorgaande punten (per overtreding) (waarbij een gedeelte van een overtreding als een volledige overtreding/dag zal gelden, met een maximum van € 100.000 (zegge: honderdduizend euro); per aparte vordering (overtreding) op te leggen;

7. [gedaagde 1] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] het volgende. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben onrechtmatig gehandeld door smadelijk en/of lasterlijk over [eiser] te berichten op hun Facebookaccounts. DPG en [gedaagde 2] hebben onrechtmatig gehandeld door het publiceren van het nieuwbericht, geciteerd in rechtsoverweging 2.18. [eiser] is hierdoor aangetast in zijn eer en goede naam. [gedaagde 1] c.s. moet de onrechtmatige berichten rectificeren. Ook moet het [gedaagde 3] en [gedaagde 1] verboden worden om opnieuw onrechtmatig te handelen door over [eiser] te berichten.

3.3.

DPG en [gedaagde 2] voeren als volgt verweer. Van een onrechtmatige perspublicatie is geen sprake. Voor een rectificatie bestaat geen aanleiding, laat staat voor een rectificatie op straffe van een dwangsom. DPG en [gedaagde 2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , althans tot niet-ontvankelijkheid, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde 1] en [gedaagde 3] voeren als volgt verweer. [eiser] heeft geen spoedeisend belang ten aanzien van zijn vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] . Van smadelijke en/of lasterlijke uitlatingen via het Facebookaccount van [gedaagde 3] is geen sprake geweest. Voor een rectificatie bestaat geen aanleiding (meer). Voor een verbod om nog verdere uitlatingen te doen bestaat evenmin aanleiding. De door [eiser] gevorderde dwangsom kan niet worden toegewezen. [gedaagde 3] en [gedaagde 1] concluderen tot afwijzing, althans tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding staan twee geschilpunten centraal. Ten eerste is het de vraag of DPG en/of [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door het in rechtsoverweging 2.18 geciteerde nieuwsbericht te publiceren op de websites van het AD, De Stentor, De Gelderlander en BN De Stem op 10 februari 2020. Ten tweede is het de vraag of [gedaagde 3] en/of [gedaagde 1] onrechtmatig hebben gehandeld door de diverse uitlatingen via hun Facebookaccounts. Beide geschilpunten zullen achtereenvolgens worden beoordeeld.

toetsingskader

4.2.

Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde 1] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door de Facebook- dan wel nieuwsberichten te plaatsen gaat het om de botsing van twee fundamentele grondrechten. Aan de ene kant geldt op grond van artikel 7 Grondwet (Gw) en artikel 10 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de vrijheid van meningsuiting. Aan de andere kant beschermt artikel 8 EVRM het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, waaronder ook is begrepen het recht op bescherming van de eer en goede naam.

4.3.

Het antwoord op de vraag welk van deze rechten in het concrete geval zwaarder weegt, is afhankelijk van alle relevante omstandigheden van het geval. Bij deze afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan een van beide rechten. Dat betekent dat de toetsing in één keer moet plaatsvinden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 EVRM en artikel 10 lid 2 EVRM (o.a. HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569).

4.4.

Bij de beoordeling van het voorgaande spelen onder meer de volgende omstandigheden een rol:

i. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben;

de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand welke de publicatie aan de kaak beoogt te stellen;

de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder hiervoor genoemde factoren.

Daarnaast spelen ten aanzien van DPG en [gedaagde 2] ook nog de volgende omstandigheden een rol:

de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publicatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

een mogelijke beperking van het door de perspublicatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen (HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801).

DPG en [gedaagde 2]

4.5.

Volgens [eiser] hebben [gedaagde 2] en DPG onrechtmatig gehandeld door op 10 februari 2020 het onder rechtsoverweging 2.18 geciteerde nieuwsbericht te publiceren op de websites van het AD, De Stentor, De Gelderlander en BN De Stem. Ter onderbouwing heeft [eiser] aangevoerd dat hij bij vonnis van 4 februari 2020 is vrijgesproken van diefstal, schuld- en opzetheling. Ook heeft [eiser] aangevoerd dat hij – in tegenstelling tot [gedaagde 3] en [band] – geen bekendheid geniet. [eiser] heeft erop gewezen dat hij werkzaam is in de muziekindustrie en daarvan ook zijn gezin moet onderhouden. Volgens [eiser] is zijn loopbaan in de muziekindustrie ernstig in gevaar gebracht door de perspublicatie van [gedaagde 2] en DPG. Verder heeft [eiser] erop gewezen dat de perspublicatie tendentieus van aard is. Zo wordt het Facebookbericht van 21 september 2018 woordelijk geciteerd, inclusief de passage “gluiperige lafbek”, aldus [eiser] . Ook staat er vetgedrukt een citaat tussen van de manager van [band] . Dit citaat duidt er volgens [eiser] op dat hij toch schuldig is aan diefstal of heling van het drumstel, terwijl hij daarvan juist is vrijgesproken. De perspublicatie bevat volgens [eiser] geen enkel nieuwswaardig, nieuw feit. Evenmin stelt de perspublicatie volgens [eiser] een maatschappelijke misstand aan de kaak. De perspublicatie vermeldt volgens [eiser] zonder reden of noodzaak zijn volledige voor- en achternaam. Ook is er geen wederhoor toegepast, aldus [eiser] .

4.6.

DPG en [gedaagde 2] hebben gemotiveerd weersproken dat de perspublicatie onrechtmatig is geweest. Ter onderbouwing hebben DPG en [gedaagde 2] aangevoerd dat het berichten over strafrechtelijke procedures een belangrijke taak is van de media. Volgens DPG en [gedaagde 2] was niet [eiser] , maar het uitstellen van de strafzaak tegen [gedaagde 3] het onderwerp van de perspublicatie. Dit was volgens DPG en [gedaagde 2] een nieuwswaardige gebeurtenis. Logischerwijs moest daarbij ook aandacht worden besteed aan hetgeen vooraf is gegaan aan de strafzaak tegen [gedaagde 3] , aldus DPG en [gedaagde 2] . Omdat [eiser] onderdeel was van deze nieuwswaardige gebeurtenis, moet hij zich nu eenmaal een zekere inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer laten welgevallen, aldus DPG en [gedaagde 2] . Volgens DPG en [gedaagde 2] vindt de perspublicatie ook voldoende steun in de feiten. DPG en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat zij [eiser] in de perspublicatie nergens van hebben beschuldigd. DPG en [gedaagde 2] stellen dat zij slechts hebben opgetekend dat anderen, waaronder [gedaagde 3] en [naam 2] , [eiser] beschuldigen van betrokkenheid bij de verdwijning van het drumstel. Anders dan [eiser] stelt, bestaat er voor journalisten ook geen algemene verplichting om wederhoor toe te passen, aldus DPG en [gedaagde 2] . Bovendien had wederhoor niets aan de perspublicatie toegevoegd, nog steeds aldus DPG en [gedaagde 2] . Uit het feit dat [eiser] aangifte heeft gedaan blijkt volgens DPG en [gedaagde 2] uit zichzelf al dat [eiser] het niet eens is met de beschuldigen van [gedaagde 3] en [gedaagde 1] .

4.7.

Geoordeeld wordt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat een rechter na het voeren van een bodemprocedure zal oordelen dat de perspublicatie van [gedaagde 2] en DPG onrechtmatig is geweest. DPG en [gedaagde 2] hebben terecht aangevoerd dat het berichten over strafrechtelijke procedures een belangrijke taak van de media is (EHRM 11 januari 2000, NJ 2001, 74). Het uitstel voor onderzoek van de strafzaak tegen [gedaagde 3] is een nieuwswaardig feit, met name omdat [gedaagde 3] de zanger is van de bekendste [band] in Nederland. Uit de perspublicatie blijkt dat DPG en [gedaagde 2] zich in zekere zin distantiëren van de beschuldigingen aan het adres van [eiser] . In de perspublicatie wordt immers opgetekend dat [gedaagde 3] op zijn Facebookaccount een inmiddels verwijderde “tirade” tegen [eiser] heeft geplaatst naar aanleiding van het verdwenen drumstel. De perspublicatie vindt ook voldoende steun in de feiten. Zo meldt de perspublicatie bijvoorbeeld dat [band] aangifte heeft gedaan tegen [eiser] , maar dat het niet tot een veroordeling is gekomen. Deze feitelijke weergave is juist. Het citaat van de manager van [band] maakt de perspublicatie evenmin onrechtmatig. Dit citaat vindt eveneens voldoende steun in de feiten. Indien de strafrechter immers oordeelt dat de bestanddelen van de delictsomschrijving onvoldoende zijn bewezen, volgt vrijspraak. Weliswaar hadden DPG en [gedaagde 2] de naam van [eiser] kunnen anonimiseren, maar het is twijfelachtig of dit verschil had gemaakt: [eiser] heeft immers zelf aangevoerd dat de muziekwereld maar klein is. Bovendien geldt er voor DPG en [gedaagde 2] ook geen verplichting om de naam van [eiser] te anonimiseren. Het feit dat DPG en [gedaagde 2] volgens [eiser] geen wederhoor hebben toegepast maakt evenmin dat de perspublicatie onrechtmatig is. Uit het enkele feit dat [eiser] aangifte heeft gedaan van smaad blijkt immers al dat hij het niet eens is met de door [gedaagde 3] geuite beschuldiging. Evenmin leidt het enkele feit dat [eiser] is vrijgesproken ertoe dat er geen enkele negatieve berichtgeving meer naar buiten mag worden gebracht. Alles in overweging nemende behoort de persvrijheid in deze zaak zwaarder te wegen dan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . De vorderingen van [eiser] tegen DPG en [gedaagde 2] zullen daarom worden afgewezen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 3]

4.8.

Verder heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] onrechtmatig gehandeld hebben door diverse smadelijke en lasterlijke uitlatingen te plaatsen op hun Facebookaccounts. Daarbij heeft [eiser] verwezen naar:

  1. het bericht op het Facebookaccount van [gedaagde 3] van 18 september 2018;

  2. het bericht op het Facebookaccount van [gedaagde 3] van 21 september 2018;

  3. het videofilmpje op het Facebookaccount van [gedaagde 3] van 18 oktober 2018;

  4. de berichten op het Facebookaccount van [gedaagde 1] van 10 februari 2020.

4.9.

Volgens [eiser] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zich schuldig gemaakt aan een opzettelijke lastercampagne met als enige doel het beschadigen van zijn reputatie. [eiser] heeft aangevoerd dat hij sindsdien diverse klussen en opdrachten heeft moeten missen, zoals roadiewerkzaamheden voor [band] (een andere [band] ) en de Zwarte Cross. Volgens [eiser] verdiende hij daar voorheen circa € 52.000,- bruto per jaar mee. [eiser] stelt dat hij er spoedeisend belang bij heeft dat zijn naam wordt gezuiverd en dat [gedaagde 3] en [gedaagde 1] rectificaties plaatsen op (onder meer) hun Facebookaccounts en op de website van [band] .

4.10.

[gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben zich verweerd tegen de vorderingen van [eiser] , onder meer door aan te voeren dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] dateren vrijwel alle openbare Facebookberichten uit september en oktober 2018. Sindsdien zijn er bijna twee jaar verstreken, aldus [gedaagde 3] en [gedaagde 1] . In die tussenliggende twee jaar hebben [gedaagde 3] en [gedaagde 1] geen aandacht aan de kwestie besteed. Het Facebookbericht van [gedaagde 1] van 10 februari 2020 is weliswaar recent geplaatst, maar dat is gebeurd in een afgesloten, privéchatsessie, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 3] . Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betwist dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan een opzettelijke lastercampagne. Zo heeft het Facebookbericht van 21 september 2018 maar 23 minuten online gestaan, aldus [gedaagde 3] en [gedaagde 1] . Ook is ruw taalgebruik binnen de gelederen van [band] volstrekt [band] en geaccepteerd, nog steeds aldus [gedaagde 3] en [gedaagde 1] . Volgens [gedaagde 3] en [gedaagde 1] laat het videofilmpje van 18 oktober 2018 alleen maar een vreugdevolle gebeurtenis zien. [gedaagde 3] was blij dat het drumstel weer terug was en naar aanleiding daarvan is spontaan een grapje gemaakt, aldus [gedaagde 3] . Volgens [gedaagde 3] was het niet de bedoeling om [eiser] met het videofilmpje te schaden.

4.11.

Geoordeeld wordt dat [eiser] , anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betogen, wel een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. De enkele omstandigheid dat een eiser geruime tijd heeft laten verstrijken voordat hij een kort geding start, hoeft de voorzieningenrechter er immers niet van te weerhouden om een spoedeisend belang aan te nemen (HR 29 juni 2001, NJ 2001, 602). Daarbij weegt zwaar dat [eiser] pas op

4 februari 2020 is vrijgesproken van diefstal en heling. Het valt te begrijpen dat [eiser] tot dat moment heeft gewacht met het vorderen van rectificatie in dit kort geding. Het verweer van [gedaagde 3] en [gedaagde 1] faalt op dit punt.

4.12.

Verder wordt geoordeeld dat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat een rechter na het voeren van een bodemprocedure zal oordelen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] onrechtmatig hebben gehandeld door het plaatsen van de diverse uitingen via Facebook. Het eerste Facebookbericht van 18 september 2018 vermeldt immers de naam van [eiser] niet. Daardoor is het niet op voorhand aannemelijk dat dit bericht schadelijke gevolgen voor [eiser] heeft gehad. In het bericht wordt slechts gemeld dat iemand te goeder trouw het drumstel heeft gekocht van een “ex crewlid van [band] ” en dat vindt steun in de feiten. Het tweede Facebookbericht van 21 oktober 2018 verdient naar het oordeel van de voorzieningenrechter zeker niet de schoonheidsprijs, maar binnen de beperkte kaders van dit kort geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] daarmee onrechtmatig hebben gehandeld. Daarbij weegt mee dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] onweersproken hebben aangevoerd dat openlijk ruziemaken en ruw taalgebruik bij [band] aan de orde van de dag zijn. [gedaagde 3] en [gedaagde 1] hebben tijdens hun verhoor bij de politie aangegeven dat zij emotioneel waren aangedaan door de gebeurtenissen rondom het drumstel. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben kennelijk in een opwelling het Facebookbericht geplaatst en daar later tegenover de politie spijt van betuigd. Ook speelt mee dat het bericht binnen een half uur weer is verwijderd. Het videofilmpje van 18 oktober 2020 is evenmin op voorhand onrechtmatig te noemen. Op het videofilmpje is te zien dat [gedaagde 3] en de overige aanwezigen blij zijn dat het drumstel weer terug is bij [band] . Eén van de omstanders maakt daarbij een grapje dat (voor ingewijden) is te herleiden tot [eiser] en daarom wordt gelachen. Het enkele feit dat [eiser] dit niet kan appreciëren maakt echter niet dat sprake is van onrechtmatig handelen. De Facebookberichten van [gedaagde 1] op

10 februari 2020 zijn evenmin op voorhand onrechtmatig te noemen. Daarbij weegt mee dat de berichten kennelijk zijn geplaatst in een afgesloten, privésessie. Het feit dat [gedaagde 1] in deze chatsessie vraagtekens plaatst bij de vrijspraak van [eiser] maakt niet dat hij onrechtmatig handelt. In algemene zin kan immers niet gezegd worden dat een strafrechtelijke vrijspraak ertoe leidt dat men op geen enkele manier zijn of haar mening daarover mag vormen en daarover verder moet zwijgen. Verder is onvoldoende aannemelijk geworden dat de Facebookberichten voor [eiser] tot ernstige gevolgen hebben geleid. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat hij ten gevolge van de geuite beschuldigingen een brutobedrag van € 50.000,- per jaar misloopt, maar dit bedrag is onvoldoende onderbouwd met (financiële) stukken, zoals bijvoorbeeld facturen, opdrachtbevestigingen of een jaarrekening van de eenmanszaak van [eiser] . Het voorgaande leidt tot de slotsom dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de diverse Facebookuitingen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, onrechtmatig zijn geweest. De vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zullen daarom worden afgewezen.

proceskosten

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.14.

De proceskosten worden aan de zijde van DPG en [gedaagde 2] begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.636,00

4.15.

De proceskosten worden aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] begroot op:

- griffierecht € 304,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.284,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter.

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van DPG en [gedaagde 2] begroot op 1.636,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 3] en [gedaagde 1] begroot op 1.284,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2020.

EH/Vr