Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3767

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-07-2020
Datum publicatie
27-07-2020
Zaaknummer
05/881037-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De militaire kamer in de rechtbank Gelderland heeft een 35-jarige sergeant van de Koninklijke Marine veroordeeld wegens het in mei 2018 plegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid in twee vormen en het als militair opzettelijk aan een mindere een bevel tot het plegen van een misdrijf geven.

De militaire kamer heeft de sergeant een vrijheidsstraf van vier maanden militaire detentie opgelegd. Daarnaast heeft de militaire kamer beslist dat de sergeant een schadevergoeding van € 1.200,00 aan het slachtoffer moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/881037-18

Datum uitspraak : 27 juli 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadslieden: mr. J.A. Baaijens en mr. P. van der Vegt, beiden advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2020 en 13 juli 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de militaire kamer toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 17 mei 2018 in de gemeente Den Helder, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde] stevig bij de armen en/of de benen heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of die [benadeelde] op/tegen/over een tafel heeft/hebben gedrukt en/of die [benadeelde] op/naar de grond heeft/hebben gewerkt en/of geduwd en/of die [benadeelde] op/tegen de grond heeft/hebben gedrukt en/of geduwd en/of hierin dat verdachte en/of zijn mededaders misbruik heeft/hebben gemaakt van uit (een) feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht van hem/hen die [benadeelde] heeft/hebben gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het met de (ontblote) penis slaan en/of tikken op/tegen de (rechter)heup, althans het lichaam van die [benadeelde] en/of het maken neukbewegingen op/tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of het op korte afstand van het gezicht van die [benadeelde] tonen van billen en/of anus en/of testikels;

Feit 2

hij op of omstreeks 17 mei 2018 in de gemeente Den Helder door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte intimiderend en/of op korte afstand voor die [benadeelde] heeft gestaan en/of tegen die [benadeelde] heeft gezegd: "Doe nou niet zo stom en laat eens zien hoe je pijpt" en/of "Als ik het zeg dan moet je dat doen" en/of "Of je pijpt nu deze hamer en/of je pijpt [medeverdachte 1] " en/of "Jij moet je mond open doen of anders stop ik hem erin" en/of "Anders doen wij het net als hiervoor" en/of hierin dat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit (een) feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht van hem, die [benadeelde] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [benadeelde] een hamer, althans een stuk gereedschap, dicht bij de mond van die [benadeelde] gehouden en/of waarna die [benadeelde] deze hamer heeft vastgepakt en/of van verdachte heeft aangepakt en/of die [benadeelde] deze hamer vervolgens in zijn mond heeft gebracht en/of gedaan;

Feit 3

hij op of omstreeks 17 mei 2018 in de gemeente Den Helder, als militair, in de rang van sergeant, opzettelijk een mindere, [medeverdachte 1] , in de rang van matroos, een bevel heeft gegeven, inhoudende het plegen van een misdrijf te weten schennis van de eerbaarheid, strafbaar

gesteld in artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht door tegen [medeverdachte 1] te zeggen dat hij zijn broek moest uittrekken en/of zijn broek moest laten zakken.

2A. Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft de partiële nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3 bepleit, omdat de tenlastelegging onduidelijk was over pleegplaats en -tijd, alsmede over de vraag op welk bevel de tenlastelegging betrekking had.

De militaire kamer overweegt dat de door de verdediging naar voren gebrachte onduidelijk-heden zijn weggenomen door de gewijzigde tenlastelegging. Het nietigheidsverweer wordt dan ook verworpen. De dagvaarding is geldig.

2B. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Sergeant [verdachte] (verdachte), korporaal [medeverdachte 2] (medeverdachte), matroos [medeverdachte 1] (medeverdachte) en matroos [benadeelde] (aangever) waren als militairen werkzaam bij de Koninklijke Marine. Op 17 mei 2018 bevonden zij zich gezamenlijk in een portacabin op de rijkswerf van de marinebasis te Den Helder, gemeente Den Helder.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende steunbewijs. Het dossier biedt volgens de verdediging bovendien verschillende aanknopingspunten voor de conclusie dat de verklaring van aangever onbetrouwbaar is.

Ten aanzien van het door medeverdachte [medeverdachte 1] tonen van diens blote billen is de verdediging van mening dat dit geen ontuchtige handeling in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht is. Datzelfde geldt ook voor het voorhouden van een hamer en door de aangever in de mond brengen van die hamer, zoals opgenomen in feit 2.

De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat deze feitelijke handelingen weliswaar hebben plaatsgevonden, maar dat dit gebeurde binnen de cultuur van de onderzeedienst van de Koninklijke Marine. Omdat dergelijk gedrag binnen de onderzeedienst als min of meer gebruikelijk wordt beschouwd, is hierdoor geen sprake geweest van een seksuele gedraging die in strijd is met de sociaal-ethische norm binnen die cultuur, aldus de verdediging.

Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van feit 1 bepleit dat het handelen door medeverdachte [medeverdachte 1] niet aan verdachte als medepleger kan worden verweten.

Wat betreft feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen bevel heeft gegeven aan medeverdachte [medeverdachte 1] tot het plegen van schennis van de eerbaarheid. Enerzijds was er geen sprake van een op te volgen dienstbevel en anderzijds is het uittrekken van kleding niet aan te merken als schennis in de zin van artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht, aldus de verdediging.

Beoordeling door de militaire kamer van de ten laste gelegde gedragingen - feiten 1, 2 en 3

Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat hij ongeveer vijf weken voorafgaand aan het onderhavige incident op 17 mei 2018 was overgeplaatst van de onderzeeboot [naam 1] naar [naam 2] , waarna hij al snel te maken kreeg met pesterijen.3 In die weken werd aangever door verdachte uitgemaakt voor homo en in het verlengde daarvan werden door verdachte richting aangever opmerkingen gemaakt over pijpen en kontneuken. Volgens aangever had dit te maken met het feit dat hij aanvankelijk oorbellen droeg.4

Op 17 mei 2018 waren verdachte en aangever in de portacabin die fungeerde als kantine.

Uit de door aangever afgelegde verklaringen volgt dat verdachte toen vroeg aan aangever of hij weleens iemand gepijpt had. Aangever antwoordde hierop dat hij dit niet heeft gedaan en ook niet ging doen. Vervolgens zei verdachte dat aangever de eveneens aanwezige matroos [medeverdachte 1] wel kon pijpen. Aangever gaf wederom aan dat hij dat niet wilde doen. Verdachte zei daarop tegen [medeverdachte 1] dat hij zijn broek uit moest trekken. [medeverdachte 1] trok vervolgens zijn broek uit tot op zijn knieën. Aangever wilde hierop weglopen. Verdachte zei vervolgens tegen de ook aanwezige korporaal [medeverdachte 2] dat hij aangever vast moest houden, omdat het dan makkelijker zou gaan. [medeverdachte 2] heeft daarop aangever vastgepakt, aanvankelijk alleen aan diens arm en later door zijn eigen arm om aangever heen te doen. Ook verdachte pakte aangever vast.

Verdachte had de leiding. Volgens de verklaring van aangever stookte verdachte iedereen op.

Terwijl aangever door zowel verdachte als [medeverdachte 2] werd vastgehouden, kwam [medeverdachte 1] naar hem toe en pakte ook hij aangever vast. Aangever zag en voelde dat [medeverdachte 1] met zijn penis tegen zijn rechterheup sloeg. Aangever zag dat [medeverdachte 1] met zijn rechterhand zijn slappe penis vast pakte en deze in het rond slingerde tegen het been van aangever aan. [medeverdachte 1] had hierbij zijn bovenbroek op kniehoogte, terwijl zijn onderbroek half aan was met zijn geslachtsdeel eruit.5 Aangever probeerde los te komen en pakte daartoe de deurklink. Verdachte trok de vingers van aangever van de deurklink af. Verdachte en [medeverdachte 2] drukten aangever daarna tegen de tafel aan. Hierdoor kwam aangever voorover gedrukt met zijn buik op de tafel terecht. [medeverdachte 1] maakte toen neukbewegingen tegen aangever zijn kont aan. Aangever had zelf zijn broek wel aan, maar hij voelde het geslachtsdeel van [medeverdachte 1] tegen zich aan komen.

Vervolgens werd aangever met zijn buik op de grond gedrukt en vastgehouden door verdachte en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] ging – nog steeds met naar beneden getrokken broek en onderbroek – op aangever liggen en maakte wederom neukbewegingen tegen aangever aan. Aangever voelde de penis van [medeverdachte 1] tegen zijn kont. Aangever zag ook dat [medeverdachte 1] dit deed, omdat hij met zijn hoofd naar de rechterkant gedraaid lag om te zien wat er gebeurde. Toen [medeverdachte 1] van aangever afging, ging hij gehurkt bij het gezicht van aangever staan en trok op een afstand van ongeveer 10 centimeter van het gezicht van aangever zijn blote billen open. Aangever zag zijn anus en zijn ballen. Aangever werd op dat moment nog steeds vastgehouden door verdachte en [medeverdachte 2] . Vervolgens werd aangever losgelaten en is hij naar buiten gegaan om een sigaret te roken.6

Aangever heeft verder verklaard dat hij daaropvolgend weer naar binnen ging omdat, zoals hij dat uitdrukte, hij zich niet wilde laten kennen. Verdachte stond in de portacabin intimiderend tegenover aangever en zei: “Doe nou niet zo stom en laat eens zien hoe je pijpt” en “Als ik het zeg dan moet je dat doen”. Vervolgens hield verdachte een vinger bij het gezicht van aangever en zei: “Doe maar eens voor op mijn vinger hoe je pijpt”. Aangever zei telkens dat hij dat niet ging doen.

Aangever ging daarna naar de keuken, waar verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met een hamer om hem heen kwamen staan. Aangever kon daardoor naar eigen zeggen geen kant op. Verdachte had de hamer vast en zei: “Of je pijpt nu deze hamer of je pijpt [medeverdachte 1] ”. Verdachte hield daarbij de hamer heel dicht bij de mond van aangever. Aangever zei dat hij dit niet ging doen. Verdachte zei dat aangever zijn mond open moest doen en dat hij hem er wel in zou stoppen. Aangever zei wederom dat hij dit niet ging doen. Verdachte zei dat ze het anders net zo gingen doen als eerder. Aangever heeft vervolgens zelf de hamer gepakt en gezegd: “Moet ik pijpen, zo zal ik pijpen” en heeft zijn tanden in de hamer gezet.7

Later is door verdachte nog tegen aangever gezegd: “Het maakt niet uit. Als je het hier niet doet dan doe je het wel op zee”. Waarop [medeverdachte 2] tegen aangever zei: “Daar kan je geen kant op”.8

Op 8 oktober 2018 heeft aangever aanvullend verklaard dat hij echt de penis van [medeverdachte 1] in slappe toestand heeft gezien. Het was geen vinger van [medeverdachte 1] die hij aanzag voor een penis.9

Getuige korporaal [getuige 1] , die ook in de portacabin aanwezig was, heeft verklaard dat hij niet zoveel over het incident kwijt wilde. Wel heeft hij verklaard dat aangever en verdachte in de portacabin een woordenwisseling kregen waarbij getuige [getuige 1] het woord homo hoorde vallen. Verdachte nam het voortouw en pakte samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangever beet, tilde hem op en legde hem neer. Ze hebben aangever vastgehouden op de grond. Getuige [getuige 1] heeft ook gezien dat, naar de getuige meent, [medeverdachte 1] zijn broek naar beneden trok en zijn billen liet zien toen aangever op de grond lag. Getuige [getuige 1] hoorde dat er later in de keuken een woordenwisseling tussen aangever en verdachte ontstond.10

Getuige korporaal [getuige 2] , die ook in de portacabin aanwezig was, heeft verklaard dat hij zich niet zoveel van het incident kon herinneren, misschien omdat hij druk was met zijn telefoon. Wel kon hij verklaren dat verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en aangever in de portacabin met elkaar in gesprek waren. Hij zag op zeker moment dat aangever op de grond lag en, volgens getuige [getuige 2] , aan het stoeien was met [medeverdachte 2] .11 Hierna liep aangever naar buiten. Aangever kwam weer binnen en ging zitten. Verdachte ging toen voor aangever staan. Volgens getuige [getuige 2] hebben zij het wel over pijpen gehad. Daarna is aangever naar de keuken gelopen en liep verdachte achter hem aan.12

Getuige korporaal [getuige 3] , die ook in de portacabin aanwezig was, heeft verklaard dat hij niet veel heeft gezien of gehoord omdat de radio aan stond. Wel heeft hij meegekregen dat verdachte in de portacabin aan aangever vroeg of hij voor wilde doen hoe hij pijpte en dat ze hem een hamer gaven. Aangever zei dat hij dat niet wilde doen. Verdachte ging nog even door en zei “pak hem anders even vast”. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] pakten aangever toen vast aan zijn armen. Daarbij ging aangever ook naar de grond. Daar lagen ze te stoeien, zag getuige [getuige 3] , waarbij aangever tegenstribbelde.13

Als getuige ter terechtzitting heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd “Doe je broek uit”. [medeverdachte 1] heeft hierna zijn broek uitgedaan en zijn billen aan aangever laten zien. Dit gebeurde nadat eerder in de portacabin was gesproken over pijpen, waarbij verdachte had aangegeven dat aangever hem, [medeverdachte 1] , moest pijpen.14

Bij de Koninklijke Marechaussee heeft [medeverdachte 1] verklaard dat verdachte en [medeverdachte 2] aangever voorover tegen de tafel hadden gedrukt en dat [medeverdachte 1] zijn vinger, volgens [medeverdachte 1] door zijn gulp, aldus de suggestie oproepend dat die vinger zijn ontblote penis was, tegen de rechterzijde van aangever heeft aangezet. Daarna hebben verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangever op de grond gelegd. [medeverdachte 1] is daarop met zijn broek op zijn enkels naar aangever gelopen en heeft op een afstand van ‘tussen 10 centimeter en 1 meter’ zijn ‘reet’ aan aangever laten zien. Daarbij bukte hij en had hij zijn handen op zijn billen. Hierbij kon aangever zeker zijn anus en mogelijk zijn ballen hebben gezien, aldus [medeverdachte 1] . Vervolgens ging aangever naar de keuken en zijn verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] achter hem aan gelopen. [medeverdachte 1] had een hamer meegenomen. Tegen aangever is in de keuken wederom gesproken over pijpen en toen heeft [medeverdachte 1] de hamer aan verdachte gegeven. Verdachte heeft tegen aangever iets gezegd in de trant van “je pijpt de hamer of [medeverdachte 1]”. [medeverdachte 1] zag dat aangever dat niet fijn vond. Hij heeft verklaard te denken dat het erg intimiderend was voor aangever.15

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij in zijn eerdere verklaringen tegenover de Marechaussee had gelogen en dat het fout is wat hij, [medeverdachte 1] en verdachte op 17 mei 2018 in de portacabin hadden gedaan. Daarbij heeft hij verklaard dat verdachte, zo begrijpt de militaire kamer, de gangmaker is geweest en zelfs wel ergere dingen heeft gedaan. Volgens [medeverdachte 2] werden hijzelf en medeverdachte [medeverdachte 1] er in meegetrokken. [medeverdachte 2] heeft gehoord dat verdachte in de portacabin aan [medeverdachte 1] de opdracht gaf om zijn broek uit te doen. [medeverdachte 2] zag [medeverdachte 1] met zijn broek op zijn enkels. Ook zag hij dat de broek en de onderbroek beide naar beneden waren. Dat zag hij toen aangever op de grond was gevallen. [medeverdachte 1] liet zijn blote kont zien ‘als een baviaan’, terwijl aangever op de grond lag. [medeverdachte 2] lag links en verdachte lag aan de andere kant van aangever.

In de keuken heeft [medeverdachte 2] gezien dat verdachte de hamer voor het gezicht van aangever hield. [medeverdachte 2] hoorde dat verdachte in de keuken tegen aangever zei: “Laat maar zien hoe je de hamer pijpt”. Aangever pakte de hamer en heeft twee keer in de hamer gebeten.16

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij in de portacabin, en doelend op aangever, tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd: “houd jij hem even vast” en tegen [medeverdachte 1] : “trek jij je broek maar even naar beneden”. Vervolgens is verdachte naar aangever toegelopen en heeft hem ook vastgehouden. Toen kwam [medeverdachte 1] volgens verdachte met zijn vinger uit zijn gulp. Daarna lagen verdachte en [medeverdachte 2] op de grond en kwam [medeverdachte 1] aangelopen. Verdachte heeft ook erkend dat hij in de keuken tegen aangever heeft gezegd “pijp jij maar een hamer”.17

De militaire kamer overweegt allereerst dat de verklaringen van aangever worden bevestigd door de verklaring van zijn vader [naam 3] die het verhaal van aangever heeft gehoord, alsmede door de inhoud van een WhatsApp-bericht dat aangever aan zijn vader heeft gestuurd.18

De verschillende, gedetailleerde, verklaringen van aangever zijn naar het oordeel van de militaire kamer ook consistent en wijken onderling niet af.

Vervolgens overweegt de militaire kamer dat uit de hiervoor aangehaalde verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en deels ook die van verdachte, volgt dat de verklaringen van aangever vrijwel geheel, ook op detailniveau, worden bevestigd. De militaire kamer acht de verklaringen van aangever dan ook betrouwbaar en zal van de juistheid daarvan uitgaan. Dat geldt ook voor de enkele gedragingen waarvan de getuigen en (mede-) verdachte(n) hebben verklaard die niet te hebben gezien, dan wel niet te hebben gedaan. Met betrekking tot de ten laste gelegde neukbewegingen overweegt de militaire kamer nog in het bijzonder dat aangever die weliswaar niet heeft gezien, maar wel heeft hij deze bewegingen, waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze met een vinger zou hebben gemaakt, gevoeld.

Voor de overtuiging dat aangever de waarheid heeft gesproken, acht de militaire kamer voorts van belang dat alle drie verdachten in eerste instantie ontkennende en zelfs grotendeels identieke verklaringen hebben afgelegd, terwijl de beide medeverdachten na confrontatie met afgeluisterde gesprekken hebben erkend dat zij, samen met verdachte, afspraken hebben gemaakt over het verhaal dat zij aan de Marechaussee zouden ophangen.19 In het bijzonder weegt de militaire kamer daarbij mee dat uit de verklaring van [medeverdachte 1] van 6 september 2018 valt af te leiden dat zelfs is afgesproken om aangever als ‘homohater’ ongeloofwaardig te maken.20 De verklaringen van verdachte en diens medeverdachten, voor zover ontkennend, acht de militaire kamer daarom niet geloofwaardig.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de militaire kamer voorts van oordeel dat verdachte in nauwe samenwerking een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde onder feit 1. Verdachte kan immers als initiator worden aangemerkt en heeft in de verschillende gebeurtenissen op 17 mei 2018 een groot aandeel gehad.

Verdachte heeft - ten aanzien van feit 1 samen met diens medeverdachten - ook misbruik gemaakt van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, niet alleen omdat aangever fors in de minderheid was, maar ook omdat van een gezagsverhouding tussen verdachte en aangever sprake was en omdat aangever pas enkele weken werkzaam was op de [naam 2] .

De uitspraken van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] tegen aangever21“Het maakt niet uit. Als je het hier niet doet dan doe je het wel op zee” en “Daar kan je geen kant op” merkt de militaire kamer als bedreigend aan.

Met betrekking tot feit 3 overweegt de militaire kamer dat matroos [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd “Doe je broek uit”. [medeverdachte 1] heeft hierop zijn broek uitgedaan en zijn blote billen aan aangever laten zien.22 Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gehoord dat verdachte in de portacabin aan [medeverdachte 1] de opdracht gaf om zijn broek uit te doen.23 Beide verklaringen stroken met de hiervoor aangehaalde verklaring van aangever dat verdachte tegen [medeverdachte 1] zei dat hij zijn broek uit moest trekken en dat hij de blote billen en geslachtsdelen van [medeverdachte 1] heeft gezien.

De militaire kamer merkt de opmerking van verdachte, zijnde een sergeant met wie de getuige als militair mindere aanwezig was op een werkplek, inhoudende dat matroos [medeverdachte 1] zijn broek moest uittrekken, aan als een bevel van een meerdere aan een mindere.

De omstandigheid dat een onrechtmatig bevolen gedraging niet behoeft te worden uitgevoerd, maakt dit niet anders. Het tonen van blote billen en geslachtsdelen op een niet openbare plaats waarbij een ander zijns ondanks aanwezig is, levert op het misdrijf van, kort gezegd, schennis van de eerbaarheid.

Op basis van het vorenstaande heeft de militaire kamer de overtuiging bekomen dat alle in de feiten 1, 2 en 3 ten laste gelegde gedragingen op 17 mei 2018 te Den Helder door verdachte zijn begaan.

Beoordeling door de militaire kamer van de vraag of sprake is van ontuchtige handelingen - feiten 1 en 2

De militaire kamer ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de gedragingen, zoals genoemd in de feiten 1 en 2, kunnen worden aangemerkt als ontuchtige handelingen. De militaire kamer stelt daartoe voorop dat uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat een ontuchtige handeling, zoals bedoeld in artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, een handeling is van seksuele aard die in strijd is met een sociaal-ethische norm. De beoordeling of een handeling als zodanig kan worden aangemerkt, hangt af van de aard van de gedraging en de omstandigheden van het geval, waarbij ook de intentie van de verdachte een rol kan spelen.

De militaire kamer overweegt dat, alvorens deze gedragingen hebben plaatsgevonden, meermalen door verdachte en diens medeverdachten tegen aangever is gesproken over (homo)seksualiteit, waarbij woorden als ‘pijpen’ en ‘kontneuken’ zijn gebruikt. Aldus geschiedden de gedragingen binnen een seksuele context.

Bovendien is de militaire kamer van oordeel dat deze gedragingen in strijd zijn met sociaal-ethische normen zoals die binnen de Nederlandse samenleving gelden.

Het betoog van de verdediging dat deze gedragingen moeten worden geplaatst in het kader van hetgeen gebruikelijk en aanvaardbaar wordt geacht binnen de cultuur van de onderzee-dienst volgt de militaire kamer niet. Immers, van belang is wat in het algemeen aanvaardbaar wordt geacht binnen de Nederlandse samenleving als geheel.

Voor de krijgsmacht geldt dat eens temeer, omdat seksuele en niet-seksuele pesterijen en intimidatie binnen Defensie niet worden geaccepteerd. Daarom worden op verschillende niveaus binnen Defensie juist veel inspanningen verricht om dit soort gedrag uit te bannen.

Daarnaast acht de militaire kamer voor de vraag of sprake was van een grap van belang dat aangever onmiddellijk ter plaatse, meermalen en voor de aanwezigen kenbaar, heeft aangegeven dat hij niet wilde meewerken aan de gebeurtenissen op 17 mei 2018.

De militaire kamer komt dan ook tot de conclusie dat de gedragingen, zoals ten laste gelegd in de feiten 1 en 2, als ontuchtig moeten worden aangemerkt.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 17 mei 2018 in de gemeente Den Helder, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld en een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

bestaande dat geweld hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) [benadeelde] stevig bij de armen en/of de benen heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of die [benadeelde] op/tegen/over een tafel heeft/hebben gedrukt en/of die [benadeelde] op/naar de grond heeft/hebben gewerkt en/of geduwd en/of die [benadeelde] op/tegen de grond heeft/hebben gedrukt en/of geduwd en/of bestaande die andere feitelijkheid hierin dat verdachte en/of zijn mededaders misbruik heeft/hebben gemaakt van uit (een) feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht van hem/hen,

die [benadeelde] heeft/hebben gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het met de (ontblote) penis slaan en/of tikken op/tegen de (rechter)heup, althans het lichaam van die [benadeelde] en/of het maken van neukbewegingen op/tegen het lichaam van die [benadeelde] en/of het op korte afstand van het gezicht van die [benadeelde] tonen van billen en/of anus en/of testikels;

Feit 2

hij op of omstreeks 17 mei 2018 in de gemeente Den Helder door geweld en een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

bestaande dat geweld hierin dat verdachte intimiderend en/of op korte afstand voor [benadeelde] heeft gestaan en/of tegen die [benadeelde] heeft gezegd: "Doe nou niet zo stom en laat eens zien hoe je pijpt" en/of "Als ik het zeg dan moet je dat doen" en/of "Of je pijpt nu deze hamer en/of je pijpt [medeverdachte 1] " en/of "Jij moet je mond open doen of anders stop ik hem erin" en/of "Anders doen wij het net als hiervoor" en/of

bestaande die andere feitelijkheid hierin dat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit (een) feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht van hem,

die [benadeelde] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [benadeelde] een hamer, althans een stuk gereedschap, dicht bij de mond van die [benadeelde] gehouden, en/of waarna die [benadeelde] deze hamer heeft vastgepakt en/of van verdachte heeft aangepakt en/of waarna die [benadeelde] deze hamer in zijn mond heeft gebracht en/of gedaan;

Feit 3

hij op of omstreeks 17 mei 2018 in de gemeente Den Helder, als militair, in de rang van sergeant, opzettelijk een mindere, [medeverdachte 1] , in de rang van matroos, een bevel heeft gegeven, inhoudende het plegen van een misdrijf te weten schennis van de eerbaarheid, strafbaar

gesteld in artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht, door tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat hij zijn broek moest uittrekken en/of zijn broek moest laten zakken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Ten aanzien van feit 3:

als militair opzettelijk een mindere een bevel geven, inhoudende het plegen van een misdrijf, terwijl het bevel is uitgevoerd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een militaire detentie voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de zedelijke cultuur binnen de onderzeedienst waarbinnen het voorval heeft plaatsgevonden. Daarnaast werd verdachte als militair zeer gewaardeerd en kreeg hij lovende beoordelingen van zijn meerderen. Inmiddels is verdachte al ruim twee jaar geschorst bij Defensie en heeft deze strafzaak een grote impact gehad op zijn persoonlijke leven. Tot slot is verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit veroordeeld en schat de reclassering het recidiverisico in als laag.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 27 mei 2020;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 23 oktober 2019.

De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (deels in vereniging met anderen, hetgeen strafverzwarend is) seksuele aanranding van een ondergeschikte en het geven van een bevel tot het plegen van een misdrijf aan een andere ondergeschikte.

Het slachtoffer van de aanranding is tijdens zijn werk tegen zijn wil en onder dwang geconfronteerd met de blote billen en geslachtsdelen van een collega-militair, heeft een hamer in zijn mond moeten nemen en is bovendien bedreigd met het moeten pijpen tijdens een missie op zee. Het slachtoffer heeft ook neukbewegingen door een medeverdachte moeten dulden.

Dit zijn vernederende feiten die een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer.

Daarnaast gaat het om kwalijke feiten omdat zij het aanzien van de krijgsmacht in het algemeen op ernstige wijze schaden. De militaire kamer weegt hierbij mee dat al sinds jaren, ook al in 2018, en op verschillende manieren veel publiekelijke aandacht wordt gegeven aan het terugdringen van seksuele en niet-seksuele pesterijen en intimidatie binnen de krijgsmacht. Dat juist verdachte, als sergeant en leidinggevende, bij de onderhavige feiten de initiatiefnemer was, neemt de militaire kamer hem zeer kwalijk.

Tevens was het slachtoffer een nieuw bemanningslid op de onderzeeboot [naam 2] , hetgeen hem kwetsbaar maakte. Voorafgaand aan de gebeurtenissen op 17 mei 2018 was hij enkele weken gepest door collega-militairen waaronder zelfs zijn meerdere, te weten verdachte. Verdachte heeft er aldus actief aan bijgedragen dat het slachtoffer is vernederd, voor de ogen van andere militairen.

De militaire kamer neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij geen oog heeft gehad voor de belangen van het slachtoffer, noch voor de belangen van de krijgsmacht. Bovendien heeft verdachte geen blijk gegeven van enige oprechte spijt.

Ook neemt de militaire kamer hem zeer kwalijk dat hij, nadat een opsporingsonderzoek was gestart, dat onderzoek heeft willen frustreren door met zijn medeverdachten af te spreken om valse verklaringen af te leggen, zoals uit afgeluisterde gesprekken is gebleken. Verdachte schuwde daarbij niet om het slachtoffer publiekelijk als ‘homohater’ neer te willen zetten teneinde aan zijn eigen strafbare gedragingen een schijn van corrigerend gedrag te geven.

Voorts weegt de militaire kamer mee dat uit de telefoontaps is gebleken dat door het groepje van verdachte niet alleen is afgesproken om hun verklaringen af te stemmen, maar ook dat getuigen werden benaderd, alsmede dat bevriende collega’s werden benaderd om elders binnen de Koninklijke Marine op zoek te gaan naar aangever, mogelijk om verhaal te halen.

Verdachte had zich als sergeant moeten realiseren dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is en dat juist hij als leidinggevende verantwoordelijk is voor het creëren van een veilige werkomgeving. Dergelijk gedrag kan leiden tot een verziekte werksfeer met zeer negatieve gevolgen voor het functioneren van de desbetreffende eenheid, in het onderhavige geval een onderzeeboot.

De militaire kamer neemt bij de strafmaat eveneens in aanmerking dat artikel 22b, eerste lid en onder a, van het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat een taakstraf niet wordt opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige misbruik op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. De militaire kamer is van oordeel dat dit zich hier voordoet.

De eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de militaire kamer geen recht aan de verwijtbaarheid en de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. De militaire kamer zal dan ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen, in de vorm van militaire detentie en van langere duur dan gevorderd.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten.

Gevorderd wordt – bij herstelvordering van 3 juli 2020 – een totaalbedrag van € 2.500,00 wegens immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geadviseerd de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen, met bepaling dat deze hoofdelijk zal worden opgelegd. Dit bedrag dient tevens te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, primair omdat vrijspraak is bepleit en subsidiair omdat de beoordeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering te matigen omdat het gevorderde bedrag niet in verhouding staat tot de aard en de ernst van de gestelde inbreuk.

Beoordeling door de militaire kamer

Naar het oordeel van de militaire kamer is de benadeelde partij door verdachte en zijn medeverdachten aangerand, waaraan pesterijen van de benadeelde partij vooraf zijn gegaan.

De drie verdachten hebben er samen voor gezorgd dat de benadeelde partij niet kon ontsnappen aan hen. Hij is gedwongen de aanranding te ondergaan en is daarbij ook bedreigd en dat heeft hij als zeer schokkend ervaren. Ook de ten gevolge daarvan, gedwongen, overplaatsing buiten de onderzeedienst was voor hem erg pijnlijk en frustrerend. Er is hierdoor sprake van een opeenstapeling van inbreuken op zijn levenssfeer.

Als gevolg hiervan heeft de benadeelde partij immateriële schade geleden. De benadeelde partij is door het handelen van verdachte op andere wijze in de persoon aangetast, als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid en sub b, van het Burgerlijk Wetboek.

De militaire kamer acht de vordering van de benadeelde partij voldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de hoogte van de vordering is de militaire kamer van oordeel dat de totale hoogte van de gevorderde schadevergoeding in verhouding staat tot de aard van de ernst van de inbreuk, maar dat een schadevergoeding naar evenredigheid van het aandeel van verdachte (en diens medeverdachten) dient te worden toegekend. Het voorstel tot een hoofdelijke verdeling zal de militaire kamer dan ook niet volgen.

Gelet op de zeer negatieve rol die verdachte heeft gespeeld, zal de militaire kamer de immateriële schade als gevolg van verdachte’s handelen begroten op een bedrag van € 1.200,00.

Concluderend

Naar het oordeel van de militaire kamer is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte immateriële schade van € 1.200,00 heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. Wat betreft het meer of anders gevorderde moet de vordering, als in zoverre ongegrond worden afgewezen.

De militaire kamer ziet, ook ter bescherming van de benadeelde partij, aanleiding om voor dit bedrag aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De proceskostenvergoeding is daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 17 mei 2018.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 246 en 248 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 11 en 150 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

9 De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een militaire detentie voor de duur van 4 (vier) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde detentiestraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde], van een bedrag van € 1.200,00 (twaalfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoer-legging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst af het restant van de vordering jegens veroordeelde tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 1.200,00 (twaalfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 22 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter) en mr. Y. van Wezel, rechters, en kolonel mr. M. Hoedeman, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. S. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2020.

Mr. Van Wezel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 4] , opperwachtmeester werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer 181210.1200.7329, gesloten op 10 december 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 22-23, alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 juli 2020.

3 Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 22, alsmede het proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 27 e.v..

4 Het proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 27 en p. 30.

5 Processen-verbaal van verhoor aangever [benadeelde] d.d. 23 mei 2018, p. 30, en d.d. 8 oktober 2018, p. 36.

6 Het proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 27 en p. 30-31.

7 Het proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 27 en p. 31.

8 Het proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 27.

9 Het proces-verbaal van verhoor aangever [benadeelde] d.d. 8 oktober 2018, p. 36-37.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 55.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 66 en 68.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 70.

13 Het proces-verbaal van getuige [getuige 3] , p. 88.

14 De getuigenverklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ter terechtzitting van 13 juli 2020.

15 Het 3e proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 413-416.

16 Het 3e proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 358-361.

17 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 juli 2020.

18 Schriftelijk bescheid; zijnde een WhatsAppbericht gedateerd 22 mei 2018, p. 84-85.

19 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] , p. 358 en p. 362, alsmede proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 5 september 2018, p. 409, evenals het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 10 september 2019, p. 301.

20 proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] d.d. 6 september 2018, p. 418

21 Het proces-verbaal van aangifte [benadeelde] , p. 27.

22 De getuigenverklaring van [medeverdachte 1] afgelegd ter terechtzitting van 13 juli 2020.

23 Het 3e proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 360-361.