Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3538

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
C/05/371759 / KG ZA 20-194
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Conventie: vorderingen tot afgifte fitnessapparatuur, afgifte van (afschriften van) bescheiden en schorsing executie ex art. 379 Rv. Reconventie: vorderingen tot het staken van concurrerende activiteiten en nakoming aandeelhoudersovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/371759 / KG ZA 20-194

Vonnis in kort geding van 29 juni 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1]

[woonplaats]

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DRIGGEM CONCEPTS B.V.,

gevestigd te Huizen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 3] ,

[vestigingsplaats] ,

eiseressen in conventie,

eiseressen sub 1 en 3 tevens gedaagden in reconventie,

advocaat mr. P.C.M. Ouwens en mr. G. van der Spek te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1]

[woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JACH HOLDING B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DISQ MOBILE GYM HOLDING B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DISQ MOBILE GYM INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHUBOEK B.V.,

gevestigd te Wenum Wiesel,

6. [gedaagde sub 6],

[woonplaats]

gedaagden in conventie,

en gedaagde sub 3 tevens eiseres in reconventie,

advocaat mr. V.H.B. Kruit te Utrecht.

Eiseressen in conventie zullen hierna afzonderlijk [Eiser 1] , Driggem Concepts en [Eiser 3] worden genoemd en gezamenlijk [Eisers]

Gedaagden in conventie zullen hierna afzonderlijk [Gedaagde 1] , JACH, DMGH, DMGI, Schuboek en [Gedaagde 6] worden genoemd en gezamenlijk [gedaagden]

Eiseres in reconventie zal hierna DMGH worden genoemd. Gedaagden in reconventie zullen hierna [Eiser 1] en [Eiser 3] worden genoemd.

1 De procedure

In conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 25 van respectievelijk 18 juni 2020 en 26 juni 2020,

- de conclusie van eis in reconventie van namens DMGH (gedaagde sub 3) met producties A t/m Z namens van 25 juni 2020,

- de mondelinge behandeling, gehouden op 26 juni 2020,

- de pleitnota van [Eisers] en [Eiser 1] en [Eiser 3] ,

- de pleitnota van [gedaagden] en DMGH.

1.2.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 29 juni 2020 vonnis bepaald. De feiten en de motivering waarop de in dat vonnis gegeven beslissing steunt, worden hierna vastgelegd.

2 De feiten

In conventie en in reconventie

2.1.

[Gedaagde 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van JACH. JACH is bestuurder en enig aandeelhouder van DMGH. [Gedaagde 1] is tevens bestuurder en enig aandeelhouder van Intelect B.V.

2.2.

[Eiser 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van Driggem B.V. Driggem B.V. is samen met Driggem Management B.V. bestuurder van [Eiser 3] .

2.3.

Bestuurder en enig aandeelhouder van Driggem Management B.V. is Destemir Holding B.V., de persoonlijke holdingmaatschappij van de heer [naam 1] (hierna: [broer eiser 1] ) . Destemir Holding B.V., is tevens bestuurder en enig aandeelhouder van Driggem Concepts. [broer eiser 1] is de broer van [Eiser 1] .

2.4.

Op enig moment hebben [Gedaagde 1] en [Eiser 1] besloten om hun krachten te bundelen en te gaan samenwerken om de DISQ te vermarkten en een online gezondheidsplatform te ontwikkelen rondom de DISQ. De DISQ is een handzaam fitnessapparaat waarmee thuis en onderweg sportoefeningen kunnen worden uitgevoerd.

2.5.

In dit kader van deze samenwerking is op 13 september 2018 de vennootschap DISQ Mobile Gym Nederland B.V. (hierna: DMGN) opgericht. Uit de statuten van DMGN blijkt het volgende doel:

(…)

a. het initiëren en (doen) exploiteren van een online gezondheidsplatform en online personal training en coaching concept, mede op basis van de DISQ-apparatuur, het inkomen, verkopen en vermarkten van de DISQ-apparatuur en het publiceren van gezondheids- en voedingsboeken en aanverwante (online) contact.

(…)

2.6.

[Eiser 3] en DMGH houden ieder 50% van de aandelen in DMGN en zijn ieder gezamenlijk bevoegd bestuurder.

2.7.

De aandeelhoudersovereenkomst bevat, voor zover thans van belang, de volgende bepalingen:

(…)

INTELLECTUELE EIGENDOM

Artikel 4

(…)

2. Alle intellectuele eigendomsrechten op het door de Vennootschap ontwikkelde online gezondheidsplatform en online personal training en coaching programma rusten bij de Vennootschap. Alle overige (al dan niet toekomstige) intellectuele eigendomsrechten, informatie en/of know how met betrekking tot het online gezondheidsplatform, zoals door de Vennootschap ontwikkeld of te ontwikkelen, vervaardigd of te vervaardigen of verkregen of te verkrijgen (anders dan op basis van een licentie), zullen toebehoren aan de Vennootschap.

(…)

INKOOP DISQ EN LEVERTIJDEN

Artikel 5

(…)

De vennootschap zal de DISQ apparatuur bij Disq Mobile Gym International B.V. handelsregisternummer: 66624606, inkopen voor een inkoopprijs van € 85,00 ex BTW per DISQ.

(…)

ONTVLECHTING SAMENWERKING

Artikel 10

(…)

3. [Eiser 3] en de aan [Eiser 3] Gelieerde Ondernemingen verbinden zich jegens DMGH, alsmede jegens de Vennootschap om, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van DMGH geen klanten en/of relaties van de Vennootschap (om welke reden dan ook) actief te benaderen, daarmee geen contacten te leggen en/of te onderhouden of hen op geen enkele andere wijze rechtsreeks of zijdelings te benaderen, anders dan binnen het kader van de normale bedrijfsuitoefening van de Vennootschap, en om geen klanten, werknemers, leveranciers of anderen ertoe te bewegen om contracten en/of contracten met de Vennootschap geheel of gedeeltelijk te verbreken. Het vorenstaande geldt gedurende de periode dat [Eiser 3] direct of indirect houder is van aandelen in het kapitaal van de Vennootschap, alsmede tot en met 2 jaar daarna.

4. Partijen verbinden zich jegens elkaar, alsmede jegens de Vennootschap, dat zij (alleen of tezamen met een natuurlijk persoon, onderneming of rechtspersoon, hetzij direct of indirect, hetzij voor zichzelf of voor anderen, hetzij als Aandeelhouder als partner, bestuurder, agent, manager, werknemer of adviseur van enige ander natuurlijke persoon, ondernemer, of rechtspersoon) in generlei vorm werkzaam of betrokken zal zijn bij activiteiten, anders dan na verkregen toestemming van de mede aandeelhouder(s), die gelijk zijn aan of anderszins concurrerend zijn met de activiteiten die van tijd tot tijd door de Vennootschap en haar deelnemingen worden ontplooid, waaronder mede doch niet uitsluitend wordt verstaan het verrichten van fitness – en/of gezondheidsactiviteiten en/of het aanbieden van gezondheidsproducten en artikelen. Het vorenstaande geldt zowel gedurende de periode dat een Partij direct of indirect houder is van aandelen in het kapitaal van de Vennootschap, alsmede tot en met 1 jaar daarna.

(…)

2.8.

Zowel [Eiser 1] als Driggem Concepts hebben een bedrag van € 100.000,00 geleend aan DMGN.

2.9.

Op 21 september 2018 is door DMGH en [Eiser 3] een schriftelijke volmacht verleend aan [Gedaagde 1] om, onder verlening van de titel “CEO”, DMGN zelfstandig te vertegenwoordigen. In de schriftelijke volmacht staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

(…)

[Gedaagde 1] behoeft de voorafgaande goedkeuring van DMGH en [Eiser 3] voor (rechts) handelingen of besluiten strekkende tot het:

(…)

d. aangaan en vertrekken van geldleningen en kredietovereenkomsten ten laste van de vennootschap en het door de vennootschap en het aangaan van borgtochten en overeenkomsten met soortgelijke strekking.

(…)

2.10.

Bij de stukken bevindt zich een onderhandse akte met de titel ‘Overeenkomst van geldlening’, gedateerd op 19 april 2019, met als partijen Disq Mobile Gym International B.V. (hierna: DGMI) als geldgever en DMGN als geldnemer. DMGI is een dochtervennootschap van DMGH en wordt eveneens bestuurd door [Gedaagde 1] . [Gedaagde 1] heeft deze overeenkomst ondertekend namens zowel DMGN als DGMI.

2.11.

In de onder 2.10 genoemde akte is, voor zover hiervan belang, het volgende bepaald:

(…)

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

a) Geldgever aan Geldnemer heeft verstrekt, gelijk Geldnemer van Geldgever heeft ontvangen, een bedrag van € 411,931,83 (zegge: tweehonderdéénentachtigduizend en tachtig euro en vijfentachtig eurocent);

b) Partijen de voorwaarden van de door Geldgever aan geldnemer verstrekte geldlening in deze overeenkomst (hierna: de Overeenkomst) wensen vast te leggen, waarbij tot zekerheid van de nakoming van de Overeenkomst tevens ten gunste van Geldgever een pandrecht zal worden verstrekt door Geldnemer ter zake diens roerende zaken;

c) De Overeenkomst en de pandakte komen tussen Partijen tot stand met het doel om de activiteiten van Geldnemer te kunnen bekostigen.

Verklaren als volgt te zijn overeengekomen

Artikel 1: Geldlening

1.1

Geldgever geeft per 11 juni 2019 aan Geldnemer geleend een bedrag van € 411,931,83 (zegge: tweehonderdéénentachtigduizend en tachtig euro en vijfentachtig eurocent), hierna te noemen de “Hoofdsom” . Deze lening is verstrekt tot maximaal 31 december 2019.

(…)

Artikel 7 Zekerheid

7.1

De Geldnemer verplicht zich jegens Geldgever om op eerste verzoek van Geldgever,

alsmede op ondertekeningsdatum van de Overeenkomst tevens een pandrecht op roerende

zaken (waaronder voorraad en inventaris) en vorderingen in de zin van boek 3 BW, beiden

van zo hoog mogelijke rang, te verstrekken aan Geldgever tot zekerheid voor de

terugbetaling van al hetgeen Geldnemer op grond van de Overeenkomst alsdan aan

Geldgever schuldig is vermeerderd met rente over drie jaren en kosten, welke renten en

kosten zullen worden begroot op twintig procent van de hoofdsom, op de aan de Geldgever

in eigendom toekomende roerende zaken en vorderingen.

(…)

2.12.

Bij de stukken bevindt zich een onderhandse akte met de titel ‘akte tot verpanding van roerende zaken’, gedateerd op 19 april 2019 met als partijen DGMI als pandhouder en DMGN als pandgever. [Gedaagde 1] heeft deze akte ondertekend namens zowel DMGN als DGMI.

In deze akte is, voor zover hiervan belang, het volgende bepaald:

(…)

Artikel 1: Verpanding voorraad en inventaris

1.1

In aansluiting op de tussen Partijen aangegane Geldleningsovereenkomst op grond waarvan Pandgever jegens Pandhouder verplicht is na te melden zekerheden aan Pandhouder te verschaffen, verpandt Pandgever bij deze aan Pandhouder, gelijk Pandhouder bij deze als pand aanvaardt van Pandgever:

a. de gehele bedrijfsinventaris behorende tot de onderneming van Pandgever, zoals deze thans aanwezig is in de tot de onderneming te rekenen bedrijfsgebouwen en bedrijfsterreinen, waaronder onder meer begrepen de als volgt gespecificeerde zaken;

b. alle onder sub a bedoelde zaken, welke in de toekomst tot de bedrijfsinventaris van de onderneming gaan behoren;

(…)

e. De gehele voorraad (waaronder grondstoffen, halffabricaten, in bewaring zijnde materialen en voor bedrijfsmatige exploitatie gereed zijnde zaken) behorende tot de onderneming van Pandgever zoals deze thans aanwezig is in of op de tot de onderneming te rekenen bedrijfsgebouwen en bedrijfsterreinen elders;

(…)

2.13.

Op 24 februari 2020 heeft DGMI, na daartoe op 21 februari 2020 verlof te hebben gekregen van de Voorzieningenrechter van rechtbank Gelderland, pandhoudersbeslag gelegd op de voorraad DISQ-apparaten van DMGN.

2.14.

Op 30 maart 2020 zijn de in pandhoudersbeslag genomen DISQ-apparaten via een openbare veiling voor een bedrag van € 40.000,00 verkocht aan Schubroek B.V.

2.15.

De bestuurder van Schubroek B.V. is [Gedaagde 6] , de vader van [Gedaagde 1] .

2.16.

Op 6 mei 2020 heeft de Voorzieningenrechter van rechtbank Amsterdam een vonnis in kort geding gewezen tussen DGMI als eisende partij en DMGN als gedaagde partij, waarin DMGN bij verstek is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 379.248,94 aan DGMI. In dit verstekvonnis is, zover hier van belang, het navolgende overwogen:

(…)

2.2.

Op 24 april 2020 is gevraagd of er van uitgegaan mocht worden dat gedaagde de dagvaarding had ontvangen. Hierop is in de e-mail van 1 mei 2020 geantwoord dat Disq Mobile Gym Nederland B.V. in de persoon van de heer [Gedaagde 1] , een van haar bestuurders, de dagvaarding heeft ontvangen en daarvan melding heeft gedaan aan [broer eiser 1] , de bestuurder van [Eiser 3] zijnde, naast Disq Mobile Gym Holding B.V., de andere 50% aandeelhouder van Disq Mobile Gym Nederland B.V. Daarnaast is medegedeeld dat Disq Mobile Gym Nederland B.V. en Boekema geen verweer wensen te voeren tegen de vordering.

2.3.

Aangezien op grond van het voorgaande aannemelijk is dat de dagvaarding gedaagde heeft bereikt en overigens de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, kan het gevraagde verstek worden verleend.

2.4

Desgevraagd is verder medegedeeld dat [Gedaagde 1] op dit moment enig (middellijk) bestuurder is van Disq Mobile Gym Holding B.V. en Disq Mobile Gym International B.V., alsmede de gezamenlijk bestuurder van Disq Mobile Gym Nederland B.V. Verder is vermeld dat [Gedaagde 1] blijkens de handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel van 21september 2018 tot en met 18 juni 2019 – in deze periode is de lening tot stand gekomen waarvan thans terugbetaling wordt gevorderd – als CEO (Chief Executive Officer) een volledige volmacht had om Disq Mobile Gym Nederland B.V. te vertegenwoordigen.

(…)

2.17.

DGMI heeft vervolgens ten laste van DMGN executoriaal beslag gelegd op het banksaldo van DMGN en onder haar tegoeden bij betaalplatform Mollie B.V.

2.18.

Op 29 mei 2020 heeft DMGH een faillissementsverzoek ingediend tegen DMGN. De behandeling van het verzoekschrift is gepland op 30 juni 2020.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[Eisers] vordert, dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis;

Ten aanzien van de schriftelijke verklaringen aan DGMN

a. gedaagden sub 1, 2, 3 hoofdelijk zal veroordelen schriftelijke verklaringen, waaronder exploten, zoals uitgebracht aan DGMN in afschrift te verstrekken aan eiseres sub 3.

b. zal bepalen dat verstrekking van afschriften van vorenbedoelde verklaring, welke voor de betekening van het te dezen te wijzen vonnis werd ontvangen, binnen 5 werkdagen na betekening dienen te worden verstrekt.

c. zal bepalen dat verstrekking van afschriften van vorenbedoelde verklaringen, welke na de betekening van het te deze te wijzen vonnis werden ontvangen, binnen 2 werkdagen na ontvangst dienen te worden verstrekt.

d. gedaagden sub 1, 2 en 3 hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 50.000 ineens en € 10.000 per dag voor iedere verklaring waarvan eiseres sub 3 niet tijdig een afschrift verstrekt.

Ten aanzien van de Zaken

Primair

alle gedaagden hoofdelijk zal veroordelen de zaken zoals bedoeld in het proces-verbaal van de deurwaarder (Productie 13) af te geven aan DGMN binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, zulks op straffe van een aan eiseressen door gedaagden hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 50.000 voor iedere dag dat afgifte uitblijft.

Subsidiair

a. alle gedaagden hoofdelijk zal veroordelen aan de advocaat van eiseressen binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis mededeling te doen van de naam van de rechts-en/of natuurlijke perso(o)n(en) die de zaken, zoals bedoeld in het proces-verbaal van de deurwaarder (Productie 13), onder zich houden.

b. alle gedaagden hoofdelijk zal veroordelen aan de advocaat van eiseressen binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis mededeling te doen van de plaats waar deze zaken zich bevinden.

c. ieder der gedaagden zal verbieden, na betekening van het vonnis, tot het verrichten van iedere handeling, een nalaten daaronder begrepen, welke bevordert dat voormelde zaken in andere handen in juridische zin dan wel in feitelijke zin overgaan op c.q. naar een andere partij.

d. ieder der gedaagden hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een dwangsom aan eiseressen van € 50.000 euro voor iedere dag dat zij geen gevolg geven aan het hiervoor subsidiair onder zowel a als b gevorderde.

e. ieder der gedaagden hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een dwangsom aan eiseressen van € 1.000.000 euro voor iedere handeling in strijd met het verbod zoals hierboven subsidiair onder c gevorderd, te verbeuren door ieder der gedaagden die handelt in strijd met dit verbod.

f. eiseressen sub 2 en 3 verlof zal verlenen voor het doen leggen van een (conservatoir) verhaalsbeslag op de zaken onder de door gedaagden op voet van het subsidiair onder a gevorderde, met begroting van de vordering op een bedrag van € 433.000,- en bepaling van de termijn waarop de eis in hoofdzaak dient te worden ingesteld op 4 weken na het eerstgelegde beslag.

Ten aanzien van het banksaldo/ vordering op Mollie

In alle gevallen

a. DGMI geheel dan wel gedeeltelijk zal verbieden het vonnis van 6 mei 2020 met zaak/rolnummer C/13/682230 KG A 20-319 AB/MB nader ten uitvoer te leggen tot het moment dat in het derdenverzet een eindvonnis is gewezen;

b. aan de op de voet van de direct hiervoor gevorderde veroordeling de voorwaarde zal verbinden dat ten minste één der eiseressen binnen 4 weken na de te dezen te geven uitspraak derdenverzet instelt tegen het bedoelde vonnis d.d. 6 mei 2020, bij gebreke waarvan het verbod direct na ommekomst van de termijn zal eindigen.

c. zal bepalen dat DGMI bij iedere overtreding van het op de voet van het direct hiervoor onder a. gevorderde verbod zal worden veroordeeld tot voldoening van een dwangsom aan eiseressen van € 1.000.000,00 ineens.

Primair

Alle beslagen zoals in opdracht van DGMI op de voet van het vonnis van 6 mei 2020 met zaak/rolnummer C/13/682230 KG A 20-319 AB/MB op zal heffen;

Subsidiair

a. bij het te dezen te wijzen vonnis de executie zal schorsen van het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam d.d. 6 mei 2020 zoals gewezen in de zaak met zaak/rolnummer C/13/682230 KG A 20-319 AB/MB tussen DGMI als eiseres en DGMN als gedaagde, tot het moment dat in het derdenverzet een eindvonnis is gewezen;

b. aan de op de voet van de direct hiervoor gevorderde schorsing de voorwaarde zal verbinden dat ten minste één der eiseressen binnen 4 weken na te dezen te geven uitspraak derdenverzet instelt tegen het bedoelde vonnis d.d. 6 mei 2020, bij gebreke waarvan de schorsing van het verbod direct na ommekomst van de termijn zal eindigen.

3.2.

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen met hoofdelijke veroordeling van eiseressen in conventie in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.4.

DMGH vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [Eiser 3] en/of [Eiser 1] zal verbieden DGMN, DMGH en/of de fitnessapparatuur van DISQ concurrentie aan te doen via de Website, de Website offline te halen, alsmede de inlogcodes en het beheer van de Website over te dragen aan DMGH, alsmede alle gedragingen naar buiten toe (waaronder doch niet uitsluitend via Youtube en/of Instagram) welke zien op gezondheid, yoga, voedingssupplementen en sport te staken en gestaakt te houden, op straffe van een onmiddellijk opeisbare en niet voor verrekening vatbare dwangsom ad € 250.000,00 (zegge: tweehonderd vijftigduizend Euro) exclusief BTW per kalenderdag, voor iedere dag dat [Eiser 3] en/of [Eiser 1] niet aan het vonnis voldoet tot een maximum van € 2.500.000,00 (zegge: twee miljoen vijfhonderd duizend Euro) exclusief BTW, dan wel een door uw voorzieningenrechter te bepalen bedrag;

2. [Eiser 3] en/of [Eiser 1] zal gebieden de aandeelhoudersovereenkomst met DMGH na te komen, door (i) [Eiser 3] en [Eiser 1] te verplichten in persoon met [Gedaagde 1] dagelijkse promotiefilmpjes op te laten nemen met de fitnessapparatuur van DISQ, (ii) [Eiser 3] en [Eiser 1] in persoon te verplichten zesmaal per jaar samen met [Gedaagde 1] te verschijnen op de events met abonnees van [naam club eiser 1] en aldaar workshops te verzorgen, (iii) [Eiser 3] en [Eiser 1] te verplichten samen met DMGH het contract met Platina en Talpa c.q. de heer De Mol opnieuw uit te onderhandelen, teneinde de opbrengsten te alloceren in DGMN (iv) DMGH inzage te geven in alle overige opbrengsten van [Eiser 3] en [Eiser 1] ter zake opbrengsten in relatie tot gezondheid, voedingssupplementen en sport op de Website en via Youtube, welke in 2018 en 2019 gerealiseerd zijn buiten DGMN en DMGH om, (v) inzage te verschaffen in het contract met Platina en Talpa en (v) alle overige door de voorzieningenrechter te bepalen handelingen zijdens [Eiser 3] en/of [Eiser 1] , teneinde nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst te bewerkstelligen, één en ander op straffe van een onmiddellijk opeisbare en niet voor verrekening vatbare dwangsom ad € 250.000,00 (zegge: tweehonderd vijftigduizend Euro) exclusief BTW per kalenderdag, voor iedere dag dat [Eiser 3] en/of [Eiser 1] niet aan het vonnis voldoet tot een maximum van € 2.500.000,00 (zegge: twee miljoen vijfhonderd duizend Euro) exclusief BTW, dan wel een door uw voorzieningenrechter te bepalen bedrag;

3. [Eiser 3] en/of [Eiser 1] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van deze procedure in reconventie, inclusief de kosten van de executie.

3.5.

[Eiser 3] en [Eiser 1] voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van DMGH in de kosten van de procedure.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

4.1.

In de aard van de stellingen van [Eisers] is voldoende spoedeisend belang gelegen om hen in hun vorderingen te kunnen ontvangen.

Vordering strekkende tot het verstrekken van afschriften

4.2.

In de eerste plaats vorderen [Eisers] om [Gedaagde 1] , JACH en DMGH te veroordelen om afschriften te verstrekken van “schriftelijke verklaringen waaronder exploten zoals uitgebracht aan DGMN”. [Eisers] hebben tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht dat de vordering ziet op het verstrekken van afschriften van dagvaardingsexploten die zijn uitgebracht aan DMGN. [Eiser 3] voert hiertoe aan dat zij als bestuurder in ieder geval niet beschikt over én niet in kennis is gesteld van het dagvaardingsexploot waarmee de procedure is ingeleid die is geëindigd met het verstekvonnis van 6 mei 2020. De exploten zijn betekend op het statutaire adres van de vennootschap en DMGN is statutair gevestigd op het adres waar ook DMGH en tevens (middellijk) bestuurders JACH en [Gedaagde 1] zijn gevestigd.

4.3.

DMGH, JACH en [Gedaagde 1] hebben geen specifiek verweer tegen deze vordering gevoerd.

4.4.

De vordering sub a t/m c kunnen worden toegewezen op de in het dictum genoemde wijze en voor zover het gaat om een vordering van de ene bestuurder richting de andere bestuurder. De bestuurders vertegenwoordigen samen de vennootschap en dat brengt mee dat zij in redelijkheid over en weer over dezelfde stukken met betrekking tot die vennootschap dienen te beschikken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onduidelijk waarom ook [Eiser 1] en Driggem Concepts recht hebben op een afschrift en waarom anderen dan de bestuurder gehouden zouden zijn de gevraagde stukken in afschrift te verstrekken. De vordering wordt daarom afgewezen voor zover die ziet op het verstrekken van een afschrift aan Driggem Concepts en [Eiser 1] en door JACH en [Gedaagde 1] .

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen op de wijze zoals vermeld in het dictum.

Met betrekking tot de vorderingen ten aanzien van de zaken

4.5.

[Eisers] leggen aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [Eiser 1] en Driggem Concepts in hun hoedanigheid van crediteuren van DMGN en jegens [Eiser 3] in haar hoedanigheid van (mede)aandeelhouder van DMGN. [Eisers] hebben in dit verband in de eerste plaats aangevoerd dat er geen rechtsgeldig pandrecht op de voorraad is gevestigd, nu [Gedaagde 1] niet bevoegd was om namens DMGN de overeenkomst van geldlening en de pandakte van 19 april 2019 te ondertekenen. De aan [Gedaagde 1] verleende volmacht van 21 september 2018 is hiervoor niet toereikend nu daarin is opgenomen dat de besluiten tot het aangaan en verstrekken van geldleningen ten laste van DMGN voorafgaande goedkeuring behoeven van [Eiser 3] en DMGH. [Eiser 3] heeft nimmer haar goedkeuring hiervoor gegeven.

In de tweede plaats voeren [Eisers] aan dat is gehandeld in strijd met het verbod van ‘Selbsteintritt’ van artikel 3:68 BW, nu de pandakte is getekend is door [Gedaagde 1] , die daarbij zowel optrad als gevolmachtigde van DMGN als voor DMGH in hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van DGMI. Ook om deze reden zijn de verrichte rechtshandelingen niet rechtsgeldig en is er niet rechtsgeldig verpand.

Nu van geldlening noch verpanding sprake was, heeft de executie door de pandhouder onrechtmatig plaatsgevonden. Schubroek is nimmer eigenaar geworden van de voorraad en heeft deze onrechtmatig in zijn macht genomen.

DMGI heeft onrechtmatig gehandeld jegens [Eiser 3] omdat zij wist dat DMGH niet bevoegd was de pandakte namens DMGN te ondertekenen. DMGI heeft vervolgens een executietraject opgetuigd en heeft daarbij de voorzieningenrechter die het verzoek voor verlof voor de veiling moest beoordelen bewust onjuist en onvolledig geïnformeerd. Met het verlof heeft DMGI onrechtmatig pandhoudersbeslag gelegd. Vervolgens is vanuit DMGI opdracht gegeven tot de parate executie van de voorraad, terwijl zij geen pandrecht had. DMGI heeft de voorraad verkocht en geleverd terwijl zij hiertoe niet bevoegd was. Dit is onrechtmatig jegens [Eiser 3] en kan DMGI worden toegerekend.

[Gedaagde 1] treft als middellijk bestuurder van DMGI een ernstig persoonlijk verwijt.

[Gedaagde 6] is persoonlijk aansprakelijk, gelet op de vader-zoonverhouding. Aangenomen moet worden dat hij volledig betrokken is bij het handelen van [Gedaagde 1] . Als bestuurder van Schubroek valt hem ook een ernstig verwijt te maken.

DMGH, JACH en [Gedaagde 1] hebben als (indirect) medeaandeelhouders en (middellijk) bestuurders van DMGN de zorgvuldigheidsplicht van onder andere artikel 2:8 BW jegens [Eiser 3] geschonden. Zij hadden voldoende zorgvuldigheid jegens [Eiser 3] in acht moeten nemen. Door dit niet te doen hebben zij onrechtmatig jegens [Eiser 3] gehandeld, aldus nog steeds [Eisers]

stellen recht en belang te hebben bij de gevraagde voorziening waarbij de voorraad door DMGI en Schubroek weer in de macht van DMGN worden gebracht, zulks op de voet van artikel 6:103 BW, als schadevergoeding anders dan in geld.

4.6.

[gedaagden] betwisten dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens [Eisers] Zij stellen voorop dat [Eisers] heeft nagelaten om te duiden welke eiseres wat te vorderen heeft van welke gedaagde en dat die vorderingen ook niet zijn onderbouwd. [Eisers] hebben ook nagelaten DMGN in het geding te betrekken, terwijl de gehele samenwerking van partijen juist ziet op DMGN en DMGI het pandhoudersbeslag juist heeft gelegd ten laste van DMGN. Zowel Driggem als [Eiser 1] zijn een bodemprocedure gestart tegen DMGN. Zij dienen eerst nog hun betwiste vordering in rechte te laten vaststellen vόόr zij zich tot gedaagden in deze procedure kunnen wenden. [Eisers] zijn bovendien allemaal indirect belanghebbenden die in dit kort geding afgeleide schade vorderen.

[gedaagden] stellen verder dat er wel degelijk een rechtsgeldig pandrecht op de voorraad is gevestigd en de verkoop van de voorraad derhalve rechtmatig was. [gedaagden] voeren hiertoe aan dat [Gedaagde 1] wel degelijk gevolmachtigd was om de overeenkomst van geldlening en de pandakte namens DMGN te tekenen. Bovendien waren [Eisers] op de hoogte van de overeenkomst van geldlening en de pandakte, nu dit diverse malen ter sprake is gekomen.

4.7.

De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. De vorderingen ten aanzien van de zaken strekken, zoals blijkt uit de dagvaarding en door [Eisers] is herhaald ter zitting, tot het terugbrengen van de voorraad in DMGN om zo de vermogenspositie van DMGN te herstellen.

Aan deze vorderingen leggen [Eisers] verschillende onrechtmatige daden ten grondslag.

Voor zover het gaat om de gestelde aansprakelijkheid als (middellijk) bestuurder van DMGN heeft te gelden dat de vorderingen worden ingesteld door zowel een crediteur als een aandeelhouder van DMGN zonder dat daarbij is aangegeven welke specifieke zorgvuldigheidsnorm is geschonden jegens de aandeelhouder en welke jegens de crediteur.

De drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid ligt bovendien hoog. In het geval dat een schuldeiser van een vennootschap wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, geldt als vertrekpunt dat slechts de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. Echter, onder bijzondere omstandigheden kan naast aansprakelijkheid van de vennootschap ook aansprakelijkheid worden aangenomen van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen “alleen dan” worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem ter zake van de benadeling, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 5 september 2014, NJ 2014, 21; HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295).

[Eisers] hebben echter nagelaten om specifiek aan te geven waaruit dat ernstig persoonlijk verwijt bestaat. Zij stellen enkel dat [Gedaagde 1] zich als crediteur van DMGN heeft bevoordeeld ten opzichte van de andere crediteuren, [Eiser 3] en Driggem Concepts. Niet is bijvoorbeeld gesteld dat [Gedaagde 1] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van geldlening wist of kon weten dat DMGN op dat moment niet meer aan haar aflossingsverplichting kon voldoen en geen verhaal zou bieden.

Evenmin hebben [Eisers] gesteld welke schade de crediteuren hebben geleden door het handelen van de (middellijk) bestuurder en welke schade de aandeelhouder heeft geleden. De schade die zij benoemen, bestaande uit (de waarde van) de onttrokken voorraad, is de schade van de vennootschap zelf en dat is niet per definitie de schade die de crediteuren en de aandeelhouder door het gestelde onrechtmatige handelen van de (middellijk) bestuurder lijden.

4.8.

Voor zover het gaat om onrechtmatig handelen van DMGI en Schubroek heeft verder te gelden dat de vraag of op rechtsgeldige wijze een pandrecht is gevestigd op de voorraad van DMGN en of de eigendom van de voorraad zaken op Schubroek is overgegaan op dit moment niet beantwoord kan worden. Daarbij is van belang dat partijen op bepaalde, essentiële, onderdelen lijnrecht tegenover elkaar staan. Nadere bewijslevering is nodig en daarvoor leent dit kort geding zich niet.

Dat betekent dat nu ook niet kan worden geconcludeerd dat [Gedaagde 1] als bestuurder van DMGI of [Gedaagde 6] als bestuurder van Schubroek aansprakelijk is jegens eiseressen, nog daargelaten dat ook op dit punt onvoldoende is gesteld om vast te kunnen stellen dat aan de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid is voldaan.

4.9.

Bij dit alles heeft ten slotte nog te gelden dat [Eisers] schadevergoeding in natura vorderen, meer in bijzonder vorderen zij afgifte van zaken die zich niet in de feitelijke macht bevinden van [Gedaagde 1] , JACH, DMGH, DMGI of [Gedaagde 6] . Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit in de gegeven omstandigheden een passende vorm van schadevergoeding zou zijn.

De enige gedaagde die de zaken onder zich heeft is Schubroek. Maar nu, zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden vastgesteld dat er geen geldig pandrecht is gevestigd en daardoor ook niet kan worden geconcludeerd dat de pandhouder ten onrechte de zaken executoriaal heeft verkocht, is er ook geen reden om Schubroek te veroordelen tot afgifte van de voorraad aan eiseressen.

4.10.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat de primaire vordering met betrekking tot zaken moet worden afgewezen.

4.11.

Ook de subsidiaire vorderingen met betrekking tot de zaken worden afgewezen, nu [Eisers] niet hebben gesteld welk belang zij bij deze vorderingen hebben en zij bovendien de vorderingen in het geheel niet van een onderbouwing hebben voorzien. Voorts lijken alle onder a t/m e omschreven vorderingen te leiden tot het onder sub f gevraagde verlof tot het leggen van conservatoir beslag. Een verzoek tot het leggen van conservatoir beslag is niet toewijsbaar in dit kort geding, te meer nu niet is gesteld dat is voldaan aan de in de wet genoemde vereisten voor het leggen van conservatoir verhaalsbeslag.

Schorsing executie vonnis 6 mei 2020

4.12.

[Eisers] vorderen voorts DGMI te verbieden om het verstekvonnis van 6 mei 2020 ten uitvoer te leggen, dan wel om de executie van het verstekvonnis van 6 mei 2020 te schorsen. [Eisers] leggen hieraan ten grondslag dat DMGI misbruik van recht maakt omdat het vonnis berust op zowel een juridische als een feitelijke misslag. De weg voor eiseressen om dit vonnis aan te tasten, is de weg van het derdenverzet. De periode die gepaard gaat met zo’n bodemprocedure kan de door DMGI ingezette executie niet voorkomen. De vorderingen zijn er nu vooral op gericht om het beslag onder de bank van DMGN en onder Mollie B.V. op te heffen.

4.13.

[gedaagden] hebben gemotiveerd betwist dat het vonnis van 6 mei 2020 misslagen bevat. Zij stellen dat eiseressen om hen moverende redenen hebben nagelaten om DMGN in dit kort geding te betrekken, terwijl de gehele samenwerking van partijen juist zien op DMGN en DMGI het pandhoudersbeslag en de eerdere kort gedingprocedure juist heeft geëntameerd tegen DMGN. Het ontbreekt eiseressen aan belang. In de dagvaarding wordt louter en ten onrechte het (spoedeisend) belang van DMGN als eisende partij gemotiveerd. De deurwaarder, de bank en Mollie waken ook voor de belangen van eiseressen met inachtneming van de regels van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv).

4.14.

In het midden kan blijven of er sprake is van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis van 6 mei 2020 nu [Eisers] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij zodanig in hun belangen worden geschaad dat DMGI, door gebruikmaking van de bevoegdheid tot executie, in de gegeven omstandigheden jegens hen misbruik van recht maakt. Daarbij speelt mede een rol dat de belangen die volgens [Eisers] worden geschaad eerst en vooral belangen zijn van DMGN en dat het belang van eiseressen er enkel in is gelegen dat DMGN (weer) levensvatbaar is.

Bij dit alles komt dat in dit geval volstrekt onduidelijk is of het middel van derdenverzet aan eiseressen toekomt. Uit hetgeen [Eisers] hebben aangevoerd kan enkel worden afgeleid dat zij van mening zijn dat de crediteuren van DMGN, [Eiser 1] en Driggem Concepts, een slechtere verhaalspositie hebben verkregen maar zij hebben niet gesteld dat dit kan worden gekwalificeerd als een benadeling van recht in de zin van artikel 376 Rv, laat staan dat zij dit verder hebben onderbouwd.

Het voorgaande betekent dat ook de vorderingen ten aanzien van het banksaldo/vordering op Mollie B.V. worden afgewezen.

4.15.

[Eisers] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van deze procedure in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

5 De beoordeling in reconventie

5.1.

Voorop staat dat [Eiser 1] en [Eiser 3] ter zitting bezwaar hebben gemaakt tegen de producties K t/m Z behorend bij de conclusie van eis in reconventie alsmede de brief aan de rechtbank van 25 juni 2020. [Eiser 1] en [Eiser 3] stellen gemotiveerd dat zij deze niet hebben ontvangen. Nu niet aannemelijk is geworden dat deze stukken hen wel hebben bereikt, bestaat er aanleiding om deze stukken verder buiten beschouwing te laten. [Eiser 1] en [Eiser 3] hebben de inhoud er van niet kunnen bestuderen en meer in het bijzonder hebben zij geen reactie daarop kunnen voorbereiden. Deze stukken zullen dan ook niet in de beoordeling worden betrokken.

5.2.

DMGH legt aan haar reconventionele vorderingen ten grondslag dat er sprake is van onrechtmatige concurrentie en overtreding van het overeengekomen non-concurrentiebeding (artikel 10 lid 3 en 4 van de aandeelhoudersovereenkomst) aan de zijde van [Eiser 1] en [Eiser 3] . [Eiser 1] en [Eiser 3] zijn in de afgelopen twaalf maanden in strijd met voornoemde overeenkomst een gezondheidsplatform aan het bouwen via een Youtube kanaal en de website [naam website] (waarvan [naam club eiser 1] deel uitmaakte), welke activiteiten direct concurrerend zijn aan de activiteiten in DMGN en waarbij de revenuen bewust buiten DMGN worden gehouden en louter toekomen aan [Eiser 3] en [Eiser 1] . Dit is ook de reden waarom onder meer DMGH in december 2019 een voorlopig getuigenverhoor jegens [Eiser 3] en [Eiser 1] heeft geëntameerd bij de rechtbank te Amsterdam.

DMGH stelt een direct belang te hebben bij haar vorderingen omdat zij door de contractuele inbreuken op de aandeelhoudersovereenkomst een directe aanspraak heeft gekregen jegens [Eiser 3] en [Eiser 1] in privé uit hoofde van de boetebepaling in artikel 14 lid 3 van de aandeelhoudersovereenkomst.

5.3.

[Eiser 3] en [Eiser 1] betwisten dat DMGH een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, zulks te meer omdat het debat over het non-concurrentiebeding vele aspecten omvat en partijen hierover uitvoerige processtukken hebben gewisseld bij de rechtbank in Amsterdam. [Eiser 3] en [Eiser 1] stellen dat het non-concurrentiebeding zeer vaag is geformuleerd en dat partijen kennelijk van mening verschillen met betrekking tot de interpretatie van deze bepaling. [Eiser 3] en [Eiser 1] stellen verder dat zij geen inbreuk maken op het non-concurrentiebeding uit de aandeelhoudersovereenkomst, dan wel enig ander beding uit de aandeelhoudersovereenkomst.

5.4.

Voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding is vereist dat de aan die vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vorderingen in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.5.

Centraal daarbij staat artikel 10 lid 4 van de aandeelhoudersovereenkomst. Deze bepaling gaat over activiteiten die concurrerend zijn aan die van DMGN, waaronder mede wordt verstaan het verrichten van fitness- en/of gezondheidsactiviteiten en/of het aanbieden van gezondheidsproducten en artikelen. Dit is verder niet uitgewerkt of toegelicht.

De vraag is nu wat hieronder wordt verstaan en meer in het bijzonder of dit betekent dat [Eiser 3] en [Eiser 1] in het geheel geen activiteiten mogen verrichten die betrekking hebben op het verrichten van fitness- en/of gezondheidsactiviteiten en/of het aanbieden van het gezondheidsproducten, zoals DMGH veronderstelt.

Voorop staat dat de tekst van de bepaling niet doorslaggevend is. Bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn steeds alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis (HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493). Indien, zoals in casu, de rechtspositie van derden niet rechtstreeks door het tussen partijen overeengekomen beding wordt beïnvloed, dient uitleg te geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium, hetgeen inhoudt dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kring partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

5.6.

In dat verband heeft DMGH gewezen op een e-mailwisseling tussen [Gedaagde 1] en een contactpersoon die volgens DMGH optrad namens [Eiser 3] , waaruit de juistheid van haar stelling zou volgen. Deze e-mail is echter op zichzelf niet doorslaggevend. Uit de e-mail blijkt juist dat er vragen waren over de reikwijdte van het non-concurrentiebeding en dat partijen daarover met elkaar in gesprek waren. Uit de mailwisseling kan niet worden afgeleid dat partijen het er over eens waren dat [Eiser 1] in het geheel geen activiteiten op het gebied van gezondheid meer mocht verrichten buiten DMGH om. In dit kader is verder van belang dat DMGH zelf heeft aangegeven in het kader van het voorlopig getuigenverhoor meer bewijs te willen verzamelen over onder meer de (uitleg van de) bepalingen uit de aandeelhoudersovereenkomst, waarbij zij ook de hiervoor genoemde contactpersoon als getuige wil horen.

5.7.

Een en ander leidt tot de conclusie dat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld dat de bepalingen in de aandeelhoudersovereenkomst zo ver strekken als nu door DMGH wordt gesteld. Dat betekent dat de vordering met betrekking tot het non-concurrentiebeding van DMGH worden afgewezen.

5.8.

Ook de vordering die strekt tot nakoming zal worden afgewezen, nu DMGH niet nader heeft gespecificeerd op grond van welke bepalingen zij jegens [Eiser 3] en [Eiser 1] aanspraak maakt op de door haar gevorderde acties tot nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst en [Eiser 3] en [Eiser 1] bovendien betwisten dat zij gehouden zijn tot het verrichten van de door DMGH genoemde activiteiten.

5.9.

DMGH zal als de in het ongelijk gestelde partij in de van deze procedure in reconventie worden veroordeeld. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden de proceskosten in reconventie aan de zijde van [Eiser 3] en [Eiser 1] worden begroot op € 490,00 (factor 0,5 × tarief € 980,00).

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt DMGH om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [Eiser 3] afschriften te verstrekken van dagvaardingsexploten uitgebracht aan DMGN,

6.2.

veroordeelt DMGH om aan [Eiser 3] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat DMGH niet aan de in 2.1. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

6.3.

veroordeelt [Eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot aan de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.636,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie

6.6.

wijst de vorderingen af,

6.7.

veroordeelt DMGH in de proceskosten, aan de zijde van [Eiser 1] en [Eiser 3] tot op heden begroot op € 490,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,

6.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2020 terwijl de feiten en de motivering van voormelde beslissing afzonderlijk door haar op schrift zijn gesteld op 15 juli 2020, bij haar afwezigheid ondertekend door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen.