Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3521

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-07-2020
Datum publicatie
15-07-2020
Zaaknummer
C/05/361637 / ES RK 19-554
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Verdeling huwelijksgemeenschap, waaronder de gouden handdruk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/361637 / ES RK 19-554

Datum uitspraak: 6 juli 2020

beschikking echtscheiding

in de zaak van

[verzoeker] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. H.A.M. Ritsma-Hartman te [woonplaats]

tegen

[verweerster] (nader te noemen: de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. H. Wolfs te [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 6, ingekomen op 7 november 2019;

  • -

    het exploot van betekening d.d. 12 november 2019;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met producties 1 tot en met 8, ingekomen op 24 december 2019;

  • -

    het verweerschrift naar aanleiding van de zelfstandige verzoeken, met producties 7 tot en met 10, ingekomen op 14 januari 2020;

  • -

    de brief van de zijde van de man van 15 mei 2020;

  • -

    het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, tevens aanvullend verzoek, met producties 9 tot en met 13, van de zijde van de vrouw, van 28 mei 2020;

  • -

    het F9-formulier, met producties 11 tot en met 27, van de zijde van de man van 2 juni 2002.

1.2.

De zaak is op de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 12 juni 2020. Daarbij waren aanwezig de beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3.

De mondelinge behandeling heeft in verband met de maatregelen tegen het virus COVID-19 via Skypeverbinding plaatsgevonden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Uit het huwelijk van partijen is geboren de minderjarige:

- [kind] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [kind] .

2.4.

De man heeft in april 2018 de echtelijke woning verlaten.

2.5.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 17 december 2019 (zaakgegevens C/05/361713 / FA RK 19-3721) is [kind] aan de vrouw toevertrouwd en is als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat [kind] bij de man verblijft:

  • -

    één keer per twee weken van zaterdagochtend 09:30 uur tot dinsdagavond 19:30 uur;

  • -

    in de andere week van maandag(middag uit school) tot dinsdagavond 19:30 uur;

  • -

    de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij [kind] :

  • -

    in de even jaren de meivakantie in de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man verblijft en in oneven jaren omgekeerd;

  • -

    in de even jaren in de kerstvakantie de eerste week bij de vrouw en tweede week bij de man verblijft en in oneven jaren omgekeerd.

  • -

    in 2019: kerstavond bij de vrouw, 1e kerstdag 2019 bij de man, 2e kerstdag 2019 bij de vrouw, oudejaarsavond bij de vrouw.

Daarnaast is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [adres] , met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

3 De beoordeling

3.1.

Deze rechtbank is bevoegd, omdat partijen in het rechtsgebied van de rechtbank Gelderland wonen.

3.2.

Het is voldoende aannemelijk dat er redelijkerwijs geen ouderschapsplan kan worden overgelegd. Partijen zijn daarom ontvankelijk in hun (zelfstandig) verzoek tot echtscheiding.

3.3.

Partijen zijn het eens over de duurzame ontwrichting van het huwelijk, zodat tussen hen de echtscheiding kan worden uitgesproken. De rechtbank zal zo beslissen.

3.4.

Partijen zijn het niet eens over:

  • -

    de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [kind] ;

  • -

    de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling);

  • -

    de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de [kind] ;

  • -

    de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw;

  • -

    de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen.

Deze onderwerpen komen hierna aan de orde.

De hoofdverblijfplaats en de zorgregeling

3.5.

De man heeft verzocht, bij beschikking en voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vast te stellen met betrekking tot [kind] die inhoudt dat [kind] de ene week van maandagochtend tot maandagochtend de daarop volgende week bij hem verblijft en de andere week van maandagochtend tot de daarop volgende week bij de vrouw, alsmede gedurende de vakanties en feestdagen bij helfte, waarbij:

de schoolvakanties die één week duren te bepalen dat [kind] de ene helft van die vakantie bij de ene ouder en de andere helft bij de andere ouder verblijft, waarbij het wisselmoment op de woensdagmiddag 12.30 uur zal zijn en dat [kind] de eerste helft van de vakantie zal verblijven bij degene bij wie hij het daaraan voorafgaande weekend ook heeft verbleven;

met betrekking tot de twee wekelijkse schoolvakanties en de zomervakantie gaat hij akkoord met het verzoek van de vrouw hieromtrent;

met betrekking tot Pasen en Pinksteren verzoekt de man de reguliere regeling door te laten lopen.

3.6.

De man heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij een co-ouderschapsregeling in het belang van [kind] acht. Hij wil graag een regeling waarbij [kind] evenveel tijd bij hem als bij de vrouw doorbrengt. [kind] geeft ook aan dat hij meer tijd met zijn vader wil doorbrengen. De man heeft benadrukt dat hij altijd een co-ouderschapsregeling voor ogen heeft gehad. De thans (goed) lopende zorgregeling is bij beschikking voorlopige voorzieningen als ordemaatregel vastgesteld. Deze zorgregeling kan in de huidige bodemprocedure worden uitgebreid.

3.7.

De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man af te wijzen. Middels zelfstandig tegenverzoek heeft zij verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij [kind] bij de man verblijft (conform de thans lopende regeling):

  • -

    één keer per twee weken van zaterdagochtend 09:30 uur tot dinsdagavond 19:30 uur;

  • -

    in de andere week van maandag(middag uit school) tot dinsdagavond 19:30 uur.

Ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen heeft zij verzocht de navolgende regeling vast te stellen:

Herfstvakantie en de voorjaarsvakantie

- gedurende de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie loopt de zorgregeling door;

Kerstvakantie en Oud en Nieuw

  • -

    gedurende de kerstvakantie verblijft [kind] in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man; in de oneven jaren verblijft [kind] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;

  • -

    op eerste kerstdag verblijft [kind] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

  • -

    op tweede kerstdag verblijft [kind] in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

  • -

    met oud en nieuw verblijft [kind] in de oneven jaren bij de vrouw met een gelegenheidsmoment op nieuwjaarsdag met de man en in de even jaren bij de man met een gelegenheidsmoment op nieuwjaarsdag met de vrouw;

Meivakantie

- gedurende de meivakantie verblijft [kind] in de even jaren de eerste week bij de vrouw en de twee week bij de man; in de oneven jaren verblijft [kind] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;

Zomervakantie

  • -

    de vrouw heeft in de oneven jaren eerste keus, die ze uiterlijk december in het voorafgaande jaar met de man zal communiceren;

  • -

    de man heeft in de even jaren eerste keus, die hij uiterlijk december in het voorafgaande jaar met de vrouw zal communiceren;

Pasen

  • -

    [kind] verblijf in de even jaren eerste Paasdag bij de man en de oneven jaren bij de vrouw;

  • -

    [kind] verblijft in de even jaren tweede Paasdag bij de vrouw en de oneven jaren bij de man;

Pinksteren

  • -

    [kind] verblijft eerste pinksterdag in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;

  • -

    [kind] verblijft tweede pinksterdag in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;

Hemelvaart

- [kind] verblijft op Hemelvaartsdag in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man.

3.8.

De vrouw heeft aan haar verweer en zelfstandig verzoek ten grondslag gelegd dat er geen redenen zijn om de thans goed lopende zorgregeling te wijzigen. [kind] is gebaat bij rust en stabiliteit. Bovendien acht zij de communicatie tussen partijen onvoldoende om een co-ouderschap succesvol te laten verlopen.

- De zorgregeling

3.9.

De rechtbank stelt voorop dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot het vaststellen van een co-ouderschapsregeling. Deze rechtbank heeft bij beschikking voorlopige voorzieningen van 17 december 2019 een zorgregeling vastgesteld voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Er is dan ook geen sprake van een situatie dat er een relevante wijziging van omstandigheden moet zijn om tot wijziging van de bij beschikking van 17 december 2019 vastgestelde zorgregeling te komen. De rechtbank zal de verzoeken van partijen dan ook inhoudelijk beoordelen.

3.10.

De rechtbank stelt daarbij allereerst vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de zorgregeling de afgelopen periode goed is verlopen. Er zijn geen contra-indicaties gebleken met betrekking tot de wijze waarop de man of de vrouw [kind] verzorgt en opvoed. Niet ter discussie staat dat [kind] graag bij de man en de vrouw verblijft en dat beide partijen beschikbaar en in staat zijn om voor [kind] te zorgen.

3.11.

De rechtbank stelt verder vast dat het in het belang van [kind] is dat hij met beide ouders een gelijkwaardig contact heeft.

3.12.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de door de man verzochte zorgregeling het meest in het belang van [kind] is. Hoewel de vrouw stelt dat het partijen niet lukt om met elkaar op een goede manier te overleggen, waardoor co-ouderschap tot problemen zal leiden, blijkt uit de stukken dat zij dit wel degelijk kunnen. In de e-mailberichten tussen partijen die door de man zijn overgelegd (productie 12) is te zien dat partijen met elkaar in overleg gaan over een eventuele verhuizing van de vrouw naar Grave en dat zij over en weer trachten het belang van [kind] voorop te stellen. De rechtbank heeft er dan ook vertrouwen in dat het partijen bij een co-ouderschap zal lukken om constructief met elkaar te overleggen. Maar zelfs als er niet of slecht wordt gecommuniceerd tussen partijen blijkt uit recente inzichten dat co-ouderschap voor kinderen te prefereren is boven een andere contactregeling. Ook zal door co-ouderschap een eventueel loyaliteitsconflict van [kind] verminderen, omdat hij evenveel tijd bij de man als de vrouw doorbrengt. Tenslotte en niet onbelangrijk acht de rechtbank van belang dat een co-ouderschapsregeling waarbij [kind] de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijft voor meer rust en duidelijkheid zorgt. Er zijn minder wisselmomenten en er hoeft minder heen en weer gereisd te worden.

3.13.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man verzochte co-ouderschapsregeling vaststellen, inhoudende dat [kind] om en om de ene week bij de man verblijft en de andere week bij de vrouw zal verblijven, waarbij het overdrachtsmoment plaats zal vinden op maandagochtend.

- De vakanties en feestdagen

3.14.

De rechtbank stelt vast dat partijen ter zitting hebben verzocht een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen, zodat discussies hierover zoveel mogelijk voorkomen zullen worden.

3.15.

Gelet op het verzoek van partijen zal de rechtbank een verdeling van de vakanties en feestdagen vaststellen, zoals nader in het dictum weergegeven. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de verzoeken van de partijen en de wensen van de vrouw met betrekking tot eerste kerstdag en Pasen.

- De hoofdverblijfplaats

3.16.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw betreffende de hoofdverblijfplaats van [kind] dient te worden afgewezen.

De kinderalimentatie

3.17.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] zal dienen te betalen een bedrag van € 300 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen onderhoudsbijdrage en ingangsdatum.

3.18.

De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen. Middels zelfstandig tegenverzoek heeft de man verzocht te bepalen dat hij als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] aan de vrouw zal dienen te betalen een bedrag van € 43 per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen onderhoudsbijdrage.

3.19.

Voor de beoordeling van de behoefte en de draagkracht wordt het Rapport Alimentatienormen van de Expertgroep alimentatienormen tot uitgangspunt genomen. De bedragen zullen worden afgerond op hele getallen.

De behoefte

3.20.

De rechtbank stelt vast dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de behoefte van [kind] van € 440 per maand in 2018. Na wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2020 € 460 per maand. De rechtbank zal uitgaan van voornoemd bedrag.

De draagkracht van partijen

3.21.

Partijen dienen naar rato van hun draagkracht in de kosten van [kind] bij te dragen. De draagkracht wordt volgens het Rapport Alimentatienormen berekend aan de hand van een tabel waaraan in het jaar 2020 de volgende formule ten grondslag ligt: 70% x [NBI-(0,3 x NBI + 975)]. Bij een NBI (netto besteedbaar inkomen) lager dan € 1.660 per maand, gelden vaste tabelbedragen. Voor zover het inkomen lager is dan € 1.410 per maand wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 per maand voor één kind en € 50 per maand voor twee of meer kinderen.

De draagkracht van de man

3.22.

De man heeft verzocht voor de vaststelling van zijn draagkracht rekening te houden met de gemiddelde winst uit zijn onderneming over de jaren 2017, 2018 en 2019.

3.23.

De vrouw heeft verzocht de draagkracht van de man vast te stellen aan de hand van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2016, 2017 en 2018. In het geval er geen rekening gehouden wordt met de winst van 2016 zal de door de man te betalen bijdrage te laag worden vastgesteld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de vrouw aangevoerd dat de man tot 2015 in loondienst heeft gewerkt met een jaarsalaris van ruim € 80.000 bruto. De man zou minstens een gemiddelde winst moeten kunnen behalen van € 41.382 bruto per jaar. In het geval zijn onderneming minder winstgevend is kan de man weer in loondienst gaan werken, aldus de vrouw.

3.24.

De rechtbank stelt vast dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij in 2015 noodgedwongen als ZZP-er is gestart, omdat zijn werkgever ( [naam bedrijf] ) hem heeft ontslagen. Zijn eenmanszaak had een vliegende start, omdat hij klanten die hij voor [naam bedrijf] bediende kon meenemen. Als gevolg hiervan heeft hij in 2016 een goed jaar gedraaid. Eind 2017 ging [naam bedrijf] echter failliet, waardoor de klanten niet meer beleverd kon worden. De man heeft gesteld dat hij sindsdien als ZZP-er verschillende werkzaamheden heeft verricht en dat hij zich thans richt op producten zoals Vinyl en cartridges voor de Nintendo Switch.

3.25.

Met betrekking tot de stelling van de vrouw dat de man minimaal een gemiddelde winst moeten kunnen behalen van € 41.382 bruto per jaar en dat - in het geval zijn onderneming minder winstgevend is - de man weer in loondienst kan gaan werken overweegt de rechtbank als volgt. Niet is gebleken dat de man op korte termijn in loondienst zal kunnen werken met het door de vrouw gestelde salaris. De vrouw heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd dat er vacatures openstaan waarop de man met succes op zou kunnen solliciteren. De rechtbank zal dan ook voor de vaststelling van de draagkracht van de man uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming van de man.

3.26.

De rechtbank overweegt dat voor wat betreft de bedrijfsresultaten van een onderneming als uitgangspunt wordt gehanteerd dat van een gemiddelde over de laatste drie jaren wordt uitgegaan, zodat schommelingen in goede en minder goede jaren bij de draagkrachtberekening worden betrokken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en ook de winst uit 2016 te betrekken bij haar berekening, mede gelet op de verklaring van de man dat er sprake was van een uitzonderlijk goed jaar in een werkveld waarin hij thans niet meer werkzaam is. De rechtbank ziet evenmin aanleiding uit te gaan van een fictieve winst over het jaar 2020, nu niet is vast te stellen dat de onderneming van de man winstgevender zal zijn dan het gemiddelde over de afgelopen drie jaren. De rechtbank zal daarom uitgaan van de gemiddelde winst over de jaren 2017, 2018 en 2019.

3.27.

Het gemiddelde inkomen van de man over voornoemde drie jaren bedraagt € 23.657 bruto per jaar ((€ 25.544 + € 19.909 + € 25.517) / 3).

3.28.

Rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de MKB-winstvrijstelling, de zelfstandigenaftrek en de inkomensheffing, met toepassing van de fiscale tarieven 2020-2.

3.29.

Het netto besteedbare inkomen van de man bedraagt op grond van het voorgaande

€ 1.906 per maand.

3.30.

Op basis van de formule 70% x [€ 1.906 - (0,3 x € 1.906 + € 975)] stelt de rechtbank de draagkracht van de man vast op afgerond € 251 per maand.

De draagkracht van de vrouw

3.31.

De vrouw heeft gesteld dat zij in 2016 als ZZP-er is gaan werken onder de naam [naam onderneming vrouw] . Voor de vaststelling van haar draagkracht wil zij uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2016, 2017 en 2018, zijnde € 1.070 bruto per jaar. Zij heeft dan ook een draagkracht van € 25 per maand, aldus de vrouw.

3.32.

De man heeft naar voren gebracht dat als bij hem met de feitelijke inkomsten gerekend wordt, dit ook bij de vrouw gedaan moet worden.

3.33.

De rechtbank stelt vast dat zij de draagkracht van de man heeft vastgesteld op basis van de gemiddelde winst over de afgelopen drie jaar, zodat zij dit ook bij de vrouw zal doen. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw een gemiddelde winst uit onderneming heeft van

€ 1.070 bruto per jaar. Gelet hierop heeft zij een minimale draagkracht van € 25 per maand voor [kind] .

De draagkrachtvergelijking

3.34.

De draagkracht van de man en de vrouw tezamen in de kosten van [kind] bedraagt

€ 276 per maand (€ 251 en € 25). Nu partijen hiermee niet volledig in de behoefte van [kind] (van in totaal € 460 per maand) kunnen voorzien, dient ieder tot maximaal zijn draagkracht in die behoefte bij te dragen. Een draagkrachtvergelijking kan daarom achterwege blijven.

De zorgkorting

3.35.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de man aanspraak maakt op toepassing van een zorgkorting op de door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] . In geschil is de hoogte van de zorgkorting. De vrouw heeft gesteld dat de man aanspraak maakt op een zorgkorting van 30% en de man is van mening dat hij aanspraak maakt op een zorgkorting van 35%.

3.36.

De rechtbank is van oordeel, gelet op de in rechtsoverweging 3.13. vastgestelde zorgregeling, dat de man aanspraak maakt op een zorgkorting van 35%. Aangezien de behoefte € 460 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 116 per maand.

3.37.

De zorgkorting wordt in beginsel in mindering gebracht op het aandeel van de man in de kosten van [kind] . Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van partijen tezamen onvoldoende is om in de behoefte van [kind] te voorzien. In dat geval wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend.

3.38.

Partijen komen een bedrag van € 184 per maand te kort om in de behoefte van [kind] te voorzien (€ 460 - € 276). De helft van dit tekort, zijnde € 92 per maand, komt in mindering op de zorgkorting. De man kan dan ook een zorgkorting verzilveren van € 24 per maand

(€ 116 - € 92).

3.39.

De eerder afgeleide bijdrage van € 251 per maand, wordt verminderd met de zorgkorting van € 24 per maand, zodat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] aan de vrouw dient te betalen een bedrag van in totaal € 227 per maand.

De ingangsdatum

3.40.

De rechtbank zal conform het verzoek van de vrouw de hiervoor berekende door de man te betalen onderhoudsbijdrage vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.

De partneralimentatie

3.41.

De vrouw heeft verzocht, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man aan haar een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen ten bedrage van € 1.000 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, dan wel een zodanig bedrag en ingangsdatum door de rechtbank in goede justitie vast te stellen.

3.42.

De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij heeft daartoe een behoeftigheids- en draagkrachtverweer gevoerd. In het geval er toch een bedrag aan partneralimentatie wordt vastgesteld heeft de man verzocht de duur daarvan te beperken tot zes maanden na de toekenning daarvan, althans tot een zodanige periode als de rechtbank juist acht.

De behoefte van de vrouw

3.43.

De vrouw heeft de huwelijksgerelateerde behoefte niet nader geconcretiseerd. Tussen partijen is echter niet in geschil dat er bij de vrouw een huwelijksgerelateerde behoefte bestaat. De man heeft geen verweer gevoerd tegen toepassing van de zogenaamde Hofnorm, waarop de vrouw haar verzoek heeft gebaseerd. De rechtbank zal dan ook (uitgaande van een gezinsinkomen in 2018 van € 2.946 per maand en kosten van [kind] van

€ 449 per maand in 2018) de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vaststellen op 60% daarvan, te weten € 1.498 netto per maand.

De behoeftigheid van de vrouw

3.44.

Op dit bedrag komen de eigen inkomsten van de vrouw in mindering.

3.45.

Partijen verschillen van mening over de vraag van welk inkomen van de vrouw moet worden uitgegaan.

3.46.

De man stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw niet uitgegaan dient te worden van haar huidige inkomen, maar van de bij haar aanwezige verdiencapaciteit. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de vrouw meer inkomen kan verwerven dan zij thans geniet voert de man aan dat de vrouw in het verleden meer uren heeft gewerkt dan zij thans doet. In 2013 had zij een salaris van € 2.326 bruto per maand. De man heeft verder aangevoerd dat niet is gebleken dat de vrouw inspanningen verricht om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De man stelt de verdiencapaciteit van de vrouw dan ook op het minimumloon, zijnde € 1.653,60 bruto per maand. Zij moet dan ook in staat worden geacht zelf in haar levensonderhoud te voorzien, aldus de man.

3.47.

De vrouw heeft gesteld dat zij druk bezig is met solliciteren, maar dat zij tot op heden geen baan heeft kunnen bemachtigen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij meerdere sollicitaties overgelegd. Op de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat ze solliciteert op functies tussen de 28 en 32 uur per week. Ze heeft een MEAO opleiding en het eerste jaar van een HBO opleiding. Ze heeft verschillende jaren niet gewerkt, wat haar verdiencapaciteit op een negatieve manier heeft beïnvloed.

3.48.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat partijen al in maart 2018 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Vanaf dat moment wist de vrouw, dan wel behoorde zij te weten, dat zij op enig moment in de kosten van haar eigen levensonderhoud zou moeten gaan voorzien en dat op haar daarvoor een inspanningsverplichting rustte. De rechtbank is van oordeel dat het voor de vrouw, gelet op de resultaten van haar onderneming over de jaren 2016 tot en met 2019, duidelijk had moeten zijn dat zij met haar onderneming structureel te weinig inkomsten genereerde om in de kosten van haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Het had naar het oordeel van het rechtbank op de weg van de vrouw gelegen om zich vanaf het moment van verbreken van de relatie in te spannen om anderszins in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld door het vinden van een dienstbetrekking in loondienst. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij deze inspanningen heeft verricht. Zij heeft weliswaar sollicitaties overgelegd, echter hieruit blijkt dat zij in een periode van 27 maanden 14 keer heeft gesolliciteerd. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, indien zij zich meer had ingespannen om (ook) een inkomen uit dienstbetrekking te krijgen, zij in staat zou moeten zijn geweest om zich een hoger netto inkomen te verwerven. De rechtbank zal dan ook uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw ter hoogte van het minimumloon van € 10,60 bruto per uur en een werkweek van 30 uur, zijnde € 1.586 netto per maand. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen de werkervaring en leeftijd van de vrouw en de omstandigheid dat de vrouw om de week de zorg heeft voor [kind] . De rechtbank is, alle aangevoerde feiten en omstandigheden afwegend, van oordeel dat door het aannemen van voormelde verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw zowel recht wordt gedaan aan de huidige positie van de vrouw op de arbeidsmarkt, als ook aan haar inspanningsplicht om haar verdiencapaciteit optimaal te benutten.

3.49.

De rechtbank zal voor de verdere beoordeling dan ook uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 1.586 netto per maand.

De conclusie

3.50.

Het bovenstaande betekent dat de vrouw geen behoefte heeft aan een door de man te betalen aanvullende onderhoudsbijdrage. Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen. De draagkracht van de man en de door de man verzochte limitering van de duur van de partneralimentatie behoeft dan ook geen verdere bespreking.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

3.51.

Partijen hebben verzocht de wijze van verdeling te gelasten van de tussen hen bestaande ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, ieder conform zijn/haar voorstel. De verzoeken van partijen strekken ertoe dat de rechtbank de verdeling vaststelt ex artikel 3:185 BW.

De peildatum

3.52.

De rechtbank overweegt als volgt. De huwelijksgoederengemeenschap wordt van rechtswege ontbonden op de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding, zijnde in dit geval 7 november 2019. De omvang van de ontbonden gemeenschap zal daarom per die datum worden vastgesteld.

De omvang van de gemeenschap

3.53.

De rechtbank zal bij haar beoordeling uitgaan van de door partijen aangedragen vermogensbestanddelen:

  • -

    de (voormalig) echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] en daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening afgesloten bij de ABN AMRO bank;

  • -

    de bank-, spaar- en beleggingsrekeningen

  • -

    de inboedel;

  • -

    de auto’s;

  • -

    de ondernemingen van partijen;

  • -

    de inkomstenbelasting.

3.54.

De rechtbank zal hierna beslissen over de door partijen aangedragen vermogensbestanddelen.

De (voormalig) echtelijke woning en daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening

3.55.

De rechtbank stelt vast dat de echtelijke woning is verkocht en op 29 mei 2020 heeft de notariële overdracht plaatsgevonden. De rechtbank hoeft dan ook niet meer over de verdeling van de echtelijke woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening te beslissen.

- De lasten echtelijke woning

3.56.

De man heeft verzocht te bepalen dat de aan de echtelijke woning verbonden gebruikerslasten waaronder de hypotheekrente, de kosten van gas, water en licht en de overige gebruikerslasten die betrekking hebben op de echtelijke woning voor rekening en risico komen van de vrouw, vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot de datum van echtscheiding.

3.57.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw sinds april 2018 bij uitsluiting het volledige woongenot heeft van de echtelijke woning. Zij dient daarom de lasten van deze woning te dragen. Hij is wel bereid zijn deel van de aflossing van de hypotheek te blijven voldoen, zijnde € 289,94 per maand.

3.58.

De vrouw heeft verzocht het verzoek af te wijzen. Zij heeft daarbij gewezen op de in artikel 1:84 BW opgenomen onderhoudsplicht jegens haar als echtgenote. Zij is wel bereid om met ingang van de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding de helft van de maandelijkse hypotheek aflossing te betalen. Dit dient echter te worden verrekend met haar aandeel van de overwaarde van de woning.

3.59.

De rechtbank is ten aanzien van de gebruikerslasten van de echtelijke woning (waaronder gas, water, elektra, televisie, internet et cetera) van oordeel dat de vrouw gehouden is deze volledig te voldoen, nu zij immers hiervan het alleengebruik heeft gehad. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw gehouden is de man terug te betalen hetgeen hij heeft betaald van de gebruikerslasten van de echtelijke woning vanaf 17 december 2019, zijnde de datum waarop de vrouw bij uitsluiting gerechtigd was tot het gebruik van de echtelijke woning tot de datum van inschrijving van deze beschikking.

3.60.

De rechtbank is ten aanzien van de eigenaarslasten van de echtelijke woning van oordeel dat beide partijen gehouden zijn de helft van deze lasten te betalen. Immers, de man is ook aansprakelijk voor de hypothecaire geldlening en de daaruit voortvloeiende rente. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ieder van partijen gehouden is de helft van de hypotheekrente en de hypotheekaflossing te voldoen. Aldus wordt beslist.

De bankrekeningen

3.61.

Van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen maken de navolgende bankrekeningen deel uit:

  1. de bankrekening met rekeningnummer [rekening 1] op naam van de vrouw;

  2. de spaarrekening met rekeningnummer [rekening 2] op naam van de vrouw;

  3. de bankrekening met rekeningnummer [rekening 3] op naam van de man;

  4. e bankrekening met rekeningnummer [rekening 4] op naam van de man;

  5. de bankrekening met rekeningnummer [rekening 5] op naam van de man;

  6. de bankrekening met rekeningnummer [rekening 6] op naam van partijen;

  7. de spaarrekening met rekeningnummer [rekening 7] op naam van partijen;

  8. de spaarrekening met rekeningnummer [rekening 8] op naam van partijen;

  9. de en/of rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekening 9] op naam van partijen;

  10. de en/of rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekening 10] op naam van partijen;

  11. de beleggingsrekening bij Binck Bank met rekeningnummer [rekening 11] op naam van de man;

  12. ‘de gouden handdruk opbouwrekening’ met rekeningnummer [rekening 12] op naam van de vrouw;

  13. beleggingen inzake zzp-pensioen bij Loyalis met rekeningnummer [rekening 13]

  14. betaalrekening met de daaraan gekoppelde spaarrekening met rekeningnummer [rekening 14] op naam van de man;

  15. de bankrekening met rekeningnummer [rekening 15] op naam van de man.

- Niet in geschil

3.62.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de saldi op de peildatum van de rekeningen genoemd onder g., h., i., en j. tussen partijen bij helfte worden verdeeld, waarna de rekeningen zullen worden opgeheven. Aldus wordt beslist.

3.63.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de rekeningen genoemd onder a. en b. aan de vrouw kunnen worden toebedeeld, onder vergoeding van de helft van de saldi op de peildatum van deze rekeningen aan de man. Aldus wordt beslist.

3.64.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de rekeningen genoemd onder c, d., e., m., n,. en o. aan de man kunnen worden toebedeeld, onder vergoeding van de helft van de saldi op de peildatum van deze rekeningen aan de vrouw. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat bij de waardering van de beleggingen inzake zzp-pensioen bij Loyalis rekening gehouden dient te worden met een belastinglatentie van 25%. Aldus wordt beslist.

- In geschil: de en/of rekening genoemd onder f.

3.65.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat van deze rekening de vaste lasten van partijen werden afgeschreven. De vrouw heeft deze in gebruik. De rechtbank zal deze rekening dan ook toedelen aan de vrouw, onder vergoeding van de helft van het saldo op de peildatum aan de man.

3.66.

De rechtbank merkt daarbij op dat de man heeft toegezegd dat hij de helft van de kosten waarvoor hij zich (samen met de vrouw) verantwoordelijk acht en nog van deze rekening zijn betaald, aan de vrouw zal voldoen. De man heeft daarbij aangegeven dat het om de periode van 7 november 2019 tot 29 mei 2020 om de volgende posten gaat:

  • -

    het verzekeringspakket van € 151,62 per maand (minus het deel dat ziet op de autoverzekering van de vrouw);

  • -

    de overlijdensrisicoverzekering van € 23,54 per maand;

  • -

    de overboeking naar de spaarrekening van [kind] van € 64 per maand.

De rechtbank gaat er vanuit dat de man zijn toezegging gestandhoud en voormelde bedragen aan de vrouw voldoet.

- In geschil: de beleggingsrekening genoemd onder k.

3.67.

De man heeft bij gewijzigd verzoek verzocht vast te stellen dat het saldo op deze rekening inmiddels is verdeeld en dat de vrouw dienaangaande niets meer van hem te vorderen heeft.

3.68.

De man heeft aangevoerd dat hij de afgelopen periode de aandelen heeft verkocht om de lasten van de echtelijke woning te blijven voldoen. Hij heeft de verkoopopbrengst van de aandelen overgemaakt naar de en/of rekening dan wel zijn eigen rekening. In totaal heeft hij een bedrag van € 20.100 naar de en/of rekening overgemaakt en een bedrag van € 20.100 naar zijn privérekening.

3.69.

De vrouw heeft primair verzocht te bepalen dat de aandelen portefeuille dient te worden verdeeld door bij helfte te worden gesplitst in een eigen aandelen portefeuille op naam van de man en een eigen aandelen portefeuille op haar naam. Subsidiair stemt de vrouw in met dat deze rekening aan de man wordt toebedeeld, onder vergoeding van de helft van het saldo aan de vrouw.

Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw verweer gevoerd tegen het gewijzigd verzoek van de man. Zij heeft aangevoerd dat zij zich - gelet op de late termijn van het verzoek - niet goed kan verweren. De man heeft geen inzage gegeven in het verloop van de rekening. De vrouw moet door het eenzijdig handelen van de man nagaan welke bedragen zij van de man heeft ontvangen op de en/of rekening. Zij heeft zich verzet tegen partiële verdeling. Partijen moeten in onderling overleg onderzoeken wie welk bedrag heeft gekregen. Zij heeft benadrukt dat de discussie tussen partijen daarmee niet is opgelost, maar dat haar subsidiaire verzoek dient te worden toegewezen. Het is dan aan partijen om te bekijken wat de waarde van de aandelen is geweest en of de vrouw inderdaad haar deel daarvan al heeft ontvangen.

3.70.

De rechtbank overweegt ter zake als volgt. De rechtbank stelt vast dat op de peildatum partijen beschikten over aandelen. De man heeft eenzijdig besloten deze aandelen ten gelde te maken en hij stelt dat hij de opbrengst van de verkoop van de aandelen bij helfte heeft verdeeld door het aandeel van de vrouw op de en/of rekening van partijen te storten. Zoals door de vrouw op de mondelinge behandeling aangegeven is het voor de vrouw en ook de rechtbank niet duidelijk geworden of de vrouw daadwerkelijk de helft van de verkoopopbrengst van de aandelen heeft ontvangen. De rechtbank zal daarom de beleggingsrekening aan de man toedelen, onder vergoeding van de helft van de verkoopopbrengst van de aandelen aan de vrouw. De rechtbank overweegt daarbij dat het aldus op de weg van de man ligt om inzage aan de vrouw te verschaffen in de verkoopopbrengst van de aandelen. De vrouw heeft recht op de helft van de verkoopwaarde waartegen de man de aandelen heeft verkocht. Het ligt op de weg van de man om inzichtelijk te maken in hoeverre de vrouw haar deel van de verkoopwaarde reeds heeft ontvangen. Aldus wordt beslist.

- In geschil: ‘de gouden handdruk opbouwrekening’ genoemd onder l.

3.71.

Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst van de vrouw en haar toenmalige werkgever [naam B.V.] met wederzijds goedvinden per 1 september 2013 is beëindigd. De vrouw heeft blijkens artikel 2.1. van de vaststellingsovereenkomst een vergoeding van € 33.905,79 ter vervanging van te derven inkomsten dan wel ter aanvulling op een lager te verdienen salaris elders ontvangen. De vergoeding is gestort op de gouden handdruk opbouwregeling.

3.72.

De man heeft gesteld dat het saldo op deze bankrekening volledig in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen valt. Hij acht deze vergoeding niet verknocht aan de vrouw. Hij voert daartoe aan dat de vrouw in de jaren na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst bij [naam B.V.] een aanzienlijk lager inkomen heeft genoten. Het is dan ook redelijk om uit te gaan dat de ontslagvergoeding bedoeld is als inkomenssuppletie voor de periode van 2014 tot de datum van de ontbinden van de huwelijksgoederengemeenschap.

Hij heeft dan ook verzocht de rekening aan de vrouw toe te delen, onder vergoeding van de helft van het saldo per de peildatum aan de man.

3.73.

De vrouw heeft gesteld dat voor de beantwoording van de vraag of de aanspraak op een ontslagvergoeding in de huwelijksgoederengemeenschap valt onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode voor en de periode na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Zij is dan ook van mening dat de ontslagvergoeding (bedoeld ter compensatie van toekomstig inkomensverlies) dient te worden verdeeld over de jaren tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw (24 november 2043). De periode van ontvangst ontslagvergoeding tot de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw bedraagt 363 maanden. Per maand zou de ontslagvergoeding dan ook € 100,89 zijn. De periode van ontvangst ontslagvergoeding en de datum van ontbinden van de huwelijksgoederengemeenschap is 74 maanden. In de huwelijksgoederengemeenschap van partijen valt dan ook een bedrag van € 7.465,86 (€ 100,89 x 74). Dit bedrag dient in de verdeling betrokken te worden. Het overige bedrag (€ 29.155,98) is aan haar verknocht, aldus de vrouw. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij (onder andere) verwezen naar de uitspraken van de Hoge Raad van 17 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BE9080) en van 23 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:270).

3.74.

De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op de voet van art. 1:94 lid 3 BW op enigerlei bijzondere wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad valt een ontslagvergoeding die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten, niet in de gemeenschap voor zover deze ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap (Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270).

3.75.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de door de vrouw ontvangen ontslagvergoeding strekt ter vervanging van te derven inkomsten dan wel ter aanvulling op een lager te verdienen salaris elders ontvangen.

3.76.

De rechtbank stelt voorts vast dat in geschil is de vraag welk deel van de ontslagvergoeding c.q. het saldo op de gouden handdruk opbouwrekening ziet op de huwelijkse periode en daardoor in de huwelijksgoederengemeenschap valt en welk deel ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, waardoor dit deel verknocht is aan de vrouw. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

3.77.

Niet ter discussie staat dat de vrouw - na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in 2013 tot heden - een veel lager inkomen heeft gehad. De man heeft dit inkomensverlies opgevangen en de vrouw heeft de ontslagvergoeding op de gouden handdruk opbouwrekening gestort en niet hoeven gebruiken. Echter, omdat het gaat om de strekking van de ontslagvergoeding, is het niet van belang in hoeverre de vrouw deze ontslagvergoeding daadwerkelijk heeft gebruikt. De omstandigheid dat de vrouw tot op heden nog geen beroep heeft hoeven doen op de ontslagvergoeding komt dus geen betekenis toe (HR 24 juni 2016, RFR2016/122).

3.78.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat niet is gebleken dat het doel van deze ontslagvergoeding is om, zoals de vrouw stelt, ‘uitgesmeerd’ te worden tot de pensioengerechtigde leeftijd en aldus over 363 maanden verdeeld dient te worden. De man heeft dit betwist en de vrouw heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Hierbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat uit artikel 2.1. van de vaststellingsovereenkomst niet blijkt dat dit de strekking van de ontslagvergoeding is geweest. Mede gelet op het feit dat de vrouw in 2013 37 jaar oud was is de rechtbank van oordeel dat de vergoeding enkel bedoeld was als inkomenssuppletie in de eerste periode na het ontslag van de vrouw bij [naam B.V.] .

Partijen hebben ervoor gekozen om de vergoeding hiervoor niet te gebruiken en de man heeft onbetwist gesteld dat zij daardoor hebben ingeteerd op hun andere vermogen.

3.79.

De man heeft onbetwist gesteld dat de vrouw in 2013 een inkomen had van

€ 2.393,87 bruto per maand. In het geval zij de ontslagvergoeding had gebruikt als inkomenssuppletie had de vrouw 14 maanden haar inkomen op peil kunnen houden (€ 33.905,79 / € 2.393,87). Dat zij dit niet heeft gedaan is - zoals hiervoor overwogen - niet van belang.

3.80.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ontslagvergoeding geheel in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen valt en dat derhalve het saldo op de gouden handdruk opbouwrekening bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld. Aldus wordt beslist.

De inboedel

3.81.

De vrouw heeft als productie 6 een inboedellijst overgelegd. Zij heeft verzocht conform deze lijst de spullen te verdelen.

3.82.

De man heeft als reactie op de inboedellijst van de vrouw aangegeven dat de spullen van [kind] ook bij helfte verdeeld dienen te worden. Voor wat betreft de overige inboedelgoederen gaat de man akkoord met het voorstel van de vrouw, met uitzondering van de navolgende goederen die hij graag toegedeeld zou willen krijgen:

  • -

    de spiegel boven de haard in de woonkamer;

  • -

    de helft van de wandtegels (woon- en badkamer);

  • -

    de leren bol poef in de Serre;

  • -

    de helft van de zilveren bestekcassette uit de servieskast;

  • -

    de hanglamp uit de kamer en suite.

3.83.

De vrouw heeft gesteld dat zij in haar inboedellijst de man meer spullen heeft toegekend om de hogere waarde van de Peugeot te compenseren. Als de auto’s apart worden verdeeld en verrekend dient de man aan haar een overbedelingsuitkering te voldoen van

€ 1.875. Zij gaat niet akkoord met toedeling van de door de man verzochte goederen.

3.84.

De rechtbank zal de inboedel afzonderlijk van de vervoersmiddelen beoordelen.

3.85.

De rechtbank overweegt als volgt. Op de mondelinge behandeling is uitgebreid gesproken over de door partijen verzochte verdeling van de inboedel. De vrouw heeft verklaard dat ze het gevoel heeft dat de man expres goederen wil hebben die haar dierbaar zijn en waar zij waarde aan hecht. Als voorbeeld heeft zij daarbij verwezen naar de tegels. Zij heeft deze wandtegels verzameld en er een verhaal van gemaakt. Dat de man nu de helft van de wandtegels wil hebben acht ze onaanvaardbaar. De man heeft daarentegen aangevoerd dat partijen gedurende hun huwelijk 24 wandtegels hebben gespaard en dat hij ook prijs stelt op deze tegels. Hij heeft verder benadrukt dat wat hij vraagt niet buitensporig veel is, zo hebben partijen drie kroonluchters en meerdere spiegels. Hij vraagt maar één kroonluchter en één spiegel. Hij heeft betwist dat hij door de vrouw is overbedeeld.

- Inboedellijst

3.86.

De rechtbank stelt vast dat de man kan instemmen met het voorstel van de vrouw om de inboedel conform de door de vrouw opgestelde lijst te verdelen, met uitzondering van de hieronder apart genoemde goederen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de inboedel verdeeld wordt tussen partijen conform de door de vrouw opgestelde inboedellijst, met uitzondering van de hieronder opgenomen goederen waar de rechtbank afzonderlijk over zal beslissen.

- Wandtegels, spiegel, poef, zilveren bestekcassette, hanglamp en spullen van [kind]

3.87.

De rechtbank stelt vast dat op de mondelinge behandeling is gebleken dat beide partijen prijs stellen op de door de man verzochte goederen.

3.88.

De rechtbank stelt vast dat de man op de mondelinge behandeling heeft aangeboden dat de vrouw de spulletjes van [kind] houdt en dat hij de overige door hem verzochte spullen krijgt. De vrouw heeft niet willen instemmen met dit aanbod.

3.89.

De rechtbank is echter van oordeel dat het aanbod van de man redelijk is en zal daarom de door hem verzochte goederen (met uitzondering van de spullen van [kind] ) aan hem toedelen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de man onbetwist heeft gesteld dat partijen meerdere hanglampen/kroonluchters en spiegels hebben, zodat het niet onredelijk is te achten dat de man de door hem verzochte spiegel en hanglamp toebedeeld krijgt. Evenmin is komen vast te staan dat het onredelijk is als de man de door hem verzochte poef en helft van de zilveren bestekcassette krijgt toebedeeld. Met betrekking tot de wandtegels zal de rechtbank bepalen dat aan ieder der partijen 12 wandtegels worden toebedeeld. Teneinde tot een eerlijke verdeling te komen bepaalt de rechtbank dat partijen steeds om de beurt een tegel mogen uitkiezen, waar de vrouw als eerste een keus mag maken. Op deze wijze krijgen beide partijen wandtegels waar zij waarde aan hechten.

- Overbedeling?

3.90.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de man is overbedeeld door de door de vrouw voorgestelde verdeling. De vrouw heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd dat de man overbedeeld is (door bijvoorbeeld het koppelen van een waarde aan de verschillende inboedelgoederen). Daarbij acht de rechtbank verder van belang dat de vrouw de spullen van [kind] behoudt en dat de man voor [kind] vervangende spullen zal moeten aanschaffen.

- Concluderend

3.91.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank - zonder nadere vergoeding aan de vrouw - de navolgende goederen aan de man toedelen:

  • -

    de spiegel boven de haard in de woonkamer;

  • -

    de helft van de wandtegels, waarbij partijen om de beurt een tegel mogen uitkiezen, waarbij de vrouw eerste keus heeft;

  • -

    de leren bol poef in de Serre;

  • -

    de helft van de zilveren bestekcassette uit de servieskast;

  • -

    de hanglamp uit de kamer en suite.

3.92.

De spullen van [kind] zal de rechtbank aan de vrouw toedelen, zonder nadere vergoeding aan de man.

3.93.

De rest van de inboedel dient verdeeld te worden conform de door de vrouw opgestelde inboedellijst, zonder nadere vergoeding over en weer.

De auto’s

3.94.

Van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen maken de navolgende auto’s deel uit:

  • -

    de Peugeot met een getaxeerde waarde van € 4.750;

  • -

    de BMW met een getaxeerde waarde van € 1.000.

3.95.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de Peugeot aan de vrouw wordt toebedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde (zijnde € 2.375) aan de man. Aldus wordt beslist.

3.96.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de BMW aan de man wordt toebedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde (zijnde € 500) aan de vrouw. Aldus wordt beslist.

De onderneming van de man

3.97.

Vaststaat dat de man een eenmanszaak exploiteert onder de naam [eenmanszaak man] . Hij heeft op naam van zijn onderneming de volgende rekeningen:

  1. een Depositorekening met rekeningnummer [rekening 16] ;

  2. een bankrekening met rekeningnummer [rekening 17] .

Daarnaast heeft hij een credit card.

3.98.

De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de waarde van de onderneming bestaat uit het saldo van de rekeningen per de peildatum en dat de rekeningen genoemd onder a. en b. aan de man kunnen worden toegedeeld, onder vergoeding van de helft van de saldi op de peildatum van deze rekeningen aan de vrouw.

3.99.

Partijen zijn het er verder over eens dat de man de zakelijke schuld op de zakelijke credit card voor zijn rekening neemt, onder verrekening van de helft van het saldo van de credit card schuld met het door de man aan de vrouw te betalen bedrag. Aldus wordt beslist.

De onderneming van de vrouw

3.100. Vaststaat dat de vrouw een eenmanszaak exploiteert onder de naam [naam onderneming vrouw] . Zij heeft op naam van de onderneming de volgende rekening:

a. een bankrekening met rekeningnummer [rekening 18] .

3.101. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de waarde van de onderneming bestaat uit het saldo van de rekening per de peildatum en dat de rekening genoemd onder a. aan de vrouw kan worden toegedeeld, onder vergoeding van de helft van de saldo op de peildatum van deze rekening aan de man. Aldus wordt beslist.

De inkomstenbelasting

3.102. De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn dat de door partijen verschuldigde inkomstenbelasting over de periode tot aan de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding voor rekening van beide partijen komt, ieder voor de helft en dat een teruggave inkomstenbelasting over de periode tot aan de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding ten goede komt aan beide partijen ieder voor de helft. Aldus wordt beslist.

De proceskosten

3.103. Omdat partijen echtgenoten zijn worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Ten slotte

3.104. De rechtbank voegt ter informatie de in het kader van deze procedure gemaakte (draagkracht)berekening(en) als bijlage(n) toe aan deze beschikking.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar gehuwd zijn [datum] te [plaats] ;

4.2.

stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat de minderjarige

[kind] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats] ;

  • -

    de ene week van maandagochtend tot maandagochtend van de daarop volgende week bij de man verblijft en

  • -

    de andere week van maandagochtend tot de daarop volgende week bij de vrouw;

  • -

    gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij [kind]

  • -

    gedurende de schoolvakanties die één week duren de ene helft van die vakantie bij de ene ouder en de andere helft bij de andere ouder zal verblijven, waarbij het wisselmoment op de woensdagmiddag 12.30 uur zal zijn en waarbij hij de eerste helft van de vakantie zal verblijven bij degene bij wie hij het daaraan voorafgaande weekend ook heeft verbleven;

  • -

    gedurende de schoolvakanties die twee weken duren, Pinksteren, Hemelvaart en Koningsdag zal de co-ouderschapsregeling door blijven lopen;

  • -

    gedurende de zomervakantie drie weken bij de vrouw en drie weken bij de man zal verblijven, waarbij de vrouw in de oneven jaren eerste keus heeft, die ze uiterlijk december in het voorafgaande jaar met de man zal communiceren en de man in de even jaren eerste keus heeft, die hij uiterlijk december in het voorafgaande jaar met de vrouw zal communiceren;

  • -

    op kerstavond, eerste kerstdag en eerste Paasdag bij de vrouw zal verblijven en op tweede kerstdag en tweede Paasdag zal hij bij de man verblijven;

4.3.

bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige aan de vrouw zal betalen € 227 per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.4.

gelast de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen zoals is overwogen in rechtsoverweging 3.52. tot en met 3.102;

4.5.

bepaalt dat de onder 4.2. tot en met 4.4. genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn bij voorraad;

4.6.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

4.7.

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M.H. Pennings, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. L.E. Huberts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2020.