Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3342

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
C/05/372402 FZ RK 20-1597
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wvggz, voortzetting crisismaatregel, bevoegdheid rechtbank, toevoegen zorgvorm die niet is verzocht door de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Zutphen

Zaakgegevens: 372402 FZ RK 20-1597

Datum mondelinge uitspraak: 26 juni 2020

Beschikking machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel Wvggz

naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verblijfadres: [instelling] , te [plaats b] , op grond van een crisismaatregel geldend tot en met 26 juni 2020,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. A.J.M. Paanakker te Ede.

1 Procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 24 juni 2020, heeft de officier van justitie verzocht om voortzetting van de op 23 juni 2020 opgelegde crisismaatregel.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 via beeldbellen plaatsgevonden op 26 juni 2020.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn via een beeldverbinding gehoord:

betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;

mevrouw [naam] , als psychiater verbonden aan [instelling] te [plaats b] .

1.4.

Omdat een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig is, is de officier van justitie niet gehoord.

1.5.

De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.

2 Beoordeling

2.1.

Door de advocaat van betrokkene is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het verzoek dient te worden afgewezen vanwege onbevoegdheid van de rechtbank Gelderland omdat betrokkene naar [plaats b] is overgeplaatst en vanwege schending van artikel 8:16 lid 2 Wvggz betreffende het informeren over de overplaatsing.

2.2.

De rechtbank stelt vast dat zij, alsmede naar zij heeft begrepen ook de advocaat, pas enkele uren voorafgaand aan de mondelinge behandeling op de hoogte was van de overplaatsing van betrokkene vanuit [plaats a] naar [plaats b] . Daargelaten het feit dat in artikel 8:16 lid 2 Wvggz geen termijn voor de hier bedoelde mededeling is bepaald, brengt een eventuele normschending op dit punt niet mee dat het verzoek moet worden afgewezen.

2.3.

Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank Gelderland overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 1:6 lid 1 Wvggz is de rechter van de woonplaats van de betrokkene of van de plaats waar betrokkene hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft bevoegd. Wat betreft de relatieve competentie is het moment van indienen van het verzoekschrift bepalend. Gezien de korte beslistermijn in deze procedure, het late moment waarop de rechter in dit geval op de hoogte was van de overplaatsing vanuit [plaats a] naar [plaats b] - enkele uren voorafgaand aan de mondelinge behandeling - en het feit dat de mondelinge behandeling in GGZ-procedures momenteel nog grotendeels via beeldbellen plaatsvindt, is het bovendien praktisch dat deze rechtbank het verzoek behandelt. Het bevoegdheidsverweer wordt verworpen.

2.4.

Ten aanzien van de wijze waarop de procedure mondeling is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. Vanwege de maatregelen van de overheid ter bestrijding van het coronavirus (COVID-19) is het landelijk beleid van de Rechtspraak dat het niet is toegestaan de accommodatie waar betrokkene verblijft te bezoeken. Dit levert voor betrokkene en de medebewoners en verzorgers een onaanvaardbaar besmettingsgevaar op. Datzelfde geldt voor de medewerkers van de rechtbank, alsook voor bewoners en verzorgers van overige accommodaties indien van dit beleid zou worden afgeweken. Om die reden is besloten betrokkene via beeldbellen te horen.

2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de psychiater verschillende keren geprobeerd betrokkene bij de mondelinge behandeling te betrekken. Betrokkene heeft echter voor de rechtbank en advocaat hoorbaar verklaard niet te willen gehoord en zij heeft de deur niet te willen openen voor de psychiater. De advocaat heeft toegelicht betrokkene voorafgaand aan de mondelinge behandeling te hebben gesproken. Zij heeft verder geen bezwaar gemaakt tegen voortzetting van de procedure. De rechtbank heeft daarom het verzoek inhoudelijk behandeld zonder te spreken met betrokkene.

2.6.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in:

ernstige psychische schade;

ernstige materiële schade;

ernstige verwaarlozing;

maatschappelijke teloorgang;

gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

2.7.

Het ernstig vermoeden bestaat dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van dysfore manie met (kortdurende) psychotische kenmerken. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht. Betrokkene laat verhoogde agitatie zien, is vermagerd en slaapt en eet slecht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de psychiater toegelicht dat betrokkene veel spanning laat zien en dat de verpleging veel energie moet steken in het voorkomen van incidenten.

2.8.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de psychiater naar voren gebracht dat het noodzakelijk is betrokkene te beperken wat betreft het gebruik van communicatiemiddelen, zoals het gebruik van de telefoon, om ernstig nadeel af te wenden. De advocaat heeft aangevoerd dat deze vorm van verplichte zorg niet toewijsbaar is, omdat het verzoekschrift daar niet toe strekt. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.

De advocaat heeft in die zin een punt dat het aanbrengen van beperkingen van de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen niet is vermeld in het lichaam van het verzoekschrift van de officier van justitie. Onder het kopje “verzoek” staat evenwel: “De officier van justitie verzoekt de rechtbank onder verwijzing naar de bijlagen, een machtiging tot voortzetting crisismaatregel voor betrokkene te verlenen”.

De rechtbank vat dit verzoek van de officier van justitie zo op dat de officier van justitie in het lichaam van het verzoekschrift slechts een voorstel deed ten aanzien van de in de machtiging op te nemen vormen van verplichte zorg. De rechtbank treedt dus niet buiten de grenzen van het verzoekschrift wanneer zij de door de psychiater beoogde vorm van verplichte zorg in de machtiging zou opnemen. In deze zin ook HR 5 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1012).

Voorts geldt dat de rechter in een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel andere of meer vormen van verplichte zorg kan opnemen dan in de crisismaatregel waren vermeld. Zie HR 5 juni 2020 (ECLI:NL:HR:202:1017).

Verder geldt nog dat in artikel 6:4 lid 2 Wvggz is bepaald dat de rechter, indien hij van oordeel is dat aan de criteria voor verplichte zorg is voldaan, maar met de in het zorgplan of de medische verklaring opgenomen zorg het ernstig nadeel niet kan worden weggenomen, in de zorgmachtiging in afwijking van het zorgplan andere verplichte zorg of doelen van verplichte zorg kan opnemen, alsmede in de zorgmachtiging kan bepalen dat een ander zorgplan moet worden opgesteld. Voor een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel ontbreekt een soortgelijke bepaling. Het is echter de vraag of het ontbreken van een dergelijke bepaling op een bewuste keuze van de wetgever berust. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval en moet worden aangenomen dat de rechter ook bij een machtiging tot voortzetting crisismaatregel over de bevoegdheid beschikt die wat betreft de zorgmachtiging is uitgewerkt in artikel 6:4 lid 2 Wvggz. Vergelijk in dit verband HR 5 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1012).

Uit de justitiële documentatie blijkt dat de officier van justitie op 13 juni 2020 heeft besloten de betrokkene te dagvaarden voor “huiselijk geweld kindermishandeling”. Uit informatie van de politie blijkt dat aan de betrokkene een huisverbod is opgelegd tot 10 juli 2020, terwijl de psychiater ter zitting heeft toegelicht dat de betrokkene haar partner heeft aangevallen en daarbij per ongeluk een van haar kinderen heeft geraakt. Uit informatie van de politie blijkt verder dat de vader van de kinderen van betrokkene de kinderen in veiligheid heeft gebracht, omdat hij de situatie thuis niet veilig achtte. In de medische verklaring leest de rechtbank dat betrokkene het als gevolg van haar psychische stoornis moeilijk vindt zich aan de voorwaarden van het contactverbod te houden.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de psychiater terecht dat het noodzakelijk is betrokkene te beperken wat betreft het gebruik van communicatiemiddelen, zoals het gebruik van de telefoon, om ernstig nadeel af te wenden. Wanneer betrokkene haar kinderen in haar huidige toestand gaat bellen of hen per e-mail benadert, bestaat het gevaar dat dit de kinderen schade toebrengt en dat betrokkene haar positie als moeder daarmee ondergraaft.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat de in de crisismaatregel genoemde zorg, te weten:

het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische behandelmaatregelen,

het beperken van de bewegingsvrijheid,

insluiten,

het uitoefenen van toezicht op betrokkene,

het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen,

het opnemen in een accommodatie,

noodzakelijk is om het nadeel af te wenden.

2.10.

Betrokkene verzet zich tegen de zorg zoals vermeld onder 2.9. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Een ambulante behandeling is gezien het toestandsbeeld en de periode die nodig is om te stabiliseren op dit moment geen alternatief.

2.11.

De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.12.

Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel met de vormen van verplichte zorg zoals hierboven onder 2.9. zijn genoemd ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 17 juli 2020.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020 door mr. J.S.W. Lucassen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier, en de schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 3 juli 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.