Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3291

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
C/05/367351
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

een vordering van een wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige, die is geboren nadat erflater, zijn vader, een testament heeft opgemaakt. Volgens het testament is hij geen erfgenaam. Moet het testament echter aldus worden uitgelegd dat hij toch als erfgenaam moet worden aangemerkt? Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0168
Jurisprudentie Erfrecht 2020/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/367351 / HZ ZA 20-116

Vonnis van 1 juli 2020

in de zaak van

[wettelijk vertegenwoordiger] in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. S. Smeets te Venlo,

tegen

[erfgenaam en/of executeur] in zijn hoedanigheid als erfgenaam en/of executeur in de nalatenschap van [erflater],

wonende te [wooplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. de Groen te Sassenheim.

Partijen zullen hierna [wettelijk vertegenwoordiger] en [erfgenaam en/of executeur] genoemd worden. [minderjarige] zal hierna [minderjarige] genoemd worden en [erflater] erflater.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de op 20 februari 2020 betekende dagvaarding

  • -

    het herstelexploot van 3 maart 2020

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 18 juni 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[wettelijk vertegenwoordiger] heeft in het verleden een affectieve relatie met erflater gehad. Uit die relatie is op 6 maart 2011 zoon [minderjarige] geboren. Erflater heeft [minderjarige] erkend en had samen met [wettelijk vertegenwoordiger] het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[erfgenaam en/of executeur] is de andere zoon van erflater, uit een eerdere relatie van erflater.

2.2.

Op 5 mei 2006, ten tijde van de affectieve relatie tussen [wettelijk vertegenwoordiger] en erflater, heeft erflater bij testament (hierna te noemen: het testament) over zijn nalatenschap beschikt (productie 2 van [wettelijk vertegenwoordiger] ). In het testament is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“(…)

4. ERFSTELLING

Onder bezwaar van voormeld legaat benoem ik tot erfgenamen, mijn partner ( [wettelijk vertegenwoordiger] , rb) en mijn zoon, de heer [erfgenaam en/of executeur] (…), tezamen en voor gelijke delen en met betrekking tot mijn zoon met toepassing van plaatsvervulling volgens de wettelijke regels geldend ten tijd van mijn overlijden (vóór aanwas).

5. EXECUTEURSBENOEMING

Ik benoemd mijn partner tot executeur onder toekenning van alle bevoegdheden uit Afdeling 6 Titel 5 Boek 4 Burgerlijk Wetboek, waaronder uitdrukkelijk is begrepen het beheren van goederen van mijn nalatenschap.

Daarbij bepaal ik dat zij omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking niet in overleg met de andere erfgenamen hoeft te treden en hun toestemming voor de tegeldemaking van een goed niet behoeft.

(…)

7. ALGEMENE BEPALING

De bepalingen in mijn testament die op mijn partner betrekking hebben, zijn uitsluitend van toepassing indien ik ten tijde van mijn overlijden met mijn partner samenwoon.”

2.3.

De affectieve relatie en de samenleving tussen [wettelijk vertegenwoordiger] en erflater is in 2013 geëindigd. In december 2013 hebben [wettelijk vertegenwoordiger] en erflater een ouderschapsplan (productie 3 van [wettelijk vertegenwoordiger] ) ondertekend waarin onder meer is bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij [wettelijk vertegenwoordiger] zal hebben en 2 dagen per 2 weken bij erflater zal zijn.

2.4.

Op 11 februari 2017 is erflater overleden.

2.5.

In de verklaring van erfrecht van 18 april 2017 (productie 7 van [erfgenaam en/of executeur] ) is opgenomen dat [erfgenaam en/of executeur] erfgenaam van erflater is, dat hij de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard en dat hij Partiar B.V. (hierna: Partiar) een algehele boedelvolmacht heeft verleend.

2.6.

Bij brief van 3 mei 2017 (productie 4 van [wettelijk vertegenwoordiger] ) heeft Partiar namens [erfgenaam en/of executeur] aan [wettelijk vertegenwoordiger] medegedeeld dat zij [erfgenaam en/of executeur] bijstaat met de afwikkeling van de nalatenschap van erflater, dat [erfgenaam en/of executeur] enig erfgenaam is en [minderjarige] aanspraak kan maken op zijn legitieme portie. Partiar heeft [wettelijk vertegenwoordiger] erop gewezen hoe zij daar namens [minderjarige] aanspraak op kan maken.

2.7.

Bij brief van 12 november 2017 (productie 9A van [erfgenaam en/of executeur] ) heeft [wettelijk vertegenwoordiger] aan Partiar medegedeeld dat zij namens [minderjarige] aanspraak maakt op zijn legitieme portie.

2.8.

Partiar en [wettelijk vertegenwoordiger] hebben vervolgens regelmatig contact gehad per mail (productie 9 van [erfgenaam en/of executeur] ). Zo heeft Partiar op 1 december 2017 [wettelijk vertegenwoordiger] geïnformeerd over een rechtszaak van erflater en zijn broers over de nalatenschap van zijn vader, waardoor de berekening van de legitieme portie van [minderjarige] langer op zich zal laten wachten.

Op 22 juni 2018 heeft [wettelijk vertegenwoordiger] als volgt bij Partiar geïnformeerd: “Is er al meer bekend? Ik heb niks meer gehoord over de uitkomst van de zaak en de berekening van de legitieme portie voor [minderjarige] ”.

2.9.

Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2019 (productie 5 van [erfgenaam en/of executeur] ) is in de procedure van erflater en zijn broers, waarin [erfgenaam en/of executeur] als enig erfgenaam en aldus als opvolger onder algemene titel van erflater is aangemerkt, aan [erfgenaam en/of executeur] in verband met onderbedeling € 115.852,89 toegedeeld uit de nalatenschap van de vader van erflater.

2.10.

Bij aanslag erfbelasting van 7 augustus 2018 (productie 13 van [erfgenaam en/of executeur] ) heeft de Belastingdienst aan [minderjarige] medegedeeld dat zijn definitieve aanslag is vastgesteld overeenkomstig de aangifte op basis van zijn erfdeel, te weten 1/4 van € 317.651 (de waarde van de nalatenschap), zijnde € 79.412.

2.11.

Bij brief van 21 november 2019 (productie 5 van [wettelijk vertegenwoordiger] ) heeft [wettelijk vertegenwoordiger] aan Partiar medegedeeld dat zij zich op het standpunt stelt dat [minderjarige] erfgenaam is van erflater. [wettelijk vertegenwoordiger] heeft daartoe onder meer gesteld dat [minderjarige] is geboren na het opmaken van het testament, dat het testament onduidelijkheden bevat omdat daarin – naast [wettelijk vertegenwoordiger] – wordt gesproken van “andere erfgenamen” (meervoud) en dat gelet op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is opgemaakt en de verhoudingen die deze kennelijk wenst te regelen, [minderjarige] ook als erfgenaam dient te worden aangemerkt.

2.12.

Bij brief van 26 november 2019 (productie 6 van [wettelijk vertegenwoordiger] ) heeft mr. De Groen namens [erfgenaam en/of executeur] aan [wettelijk vertegenwoordiger] medegedeeld dat [minderjarige] slechts recht heeft op zijn legitieme portie, dat het testament duidelijk is en dat de geboorte van [minderjarige] geen omstandigheid is die een rol kan spelen bij de uitleg van het testament omdat die gebeurtenis uit 2011 een posterieure gebeurtenis is.

3 Het geschil

3.1.

[wettelijk vertegenwoordiger] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat [minderjarige] kan worden aangemerkt als erfgenaam van de nalatenschap van erflater en derhalve erfrechtelijke aanspraken kan maken op de nalatenschap van erflater

II. [erfgenaam en/of executeur] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis als datgeen aan [wettelijk vertegenwoordiger] ter beschikking te stellen aan de hand waarvan het erfdeel van [minderjarige] kan worden berekend, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat [erfgenaam en/of executeur] nalaat om deze gegevens ter beschikking te stellen, met een maximum van € 10.000,00, waaronder in ieder geval dient te worden verstaan:

- De aangifte erfbelasting;

- Een boedelbeschrijving;

- Rekeningafschriften van erflater van de afgelopen vijf jaren voor en tot aan het moment van overlijden;

- De actuele hypotheekstand van de woning die tot de nalatenschap behoort;

- De aangiftes inkomstenbelasting van 2013 tot en met 2017 van erflater;

- Een overzicht van de schulden der nalatenschap;

- Eventuele uitvaart- en notariskosten;

- Informatie over eventuele levensverzekeringen;

- Een overzicht van de inboedel;

- Informatie over de waarde van eventuele voertuigen;

III. [erfgenaam en/of executeur] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[wettelijk vertegenwoordiger] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het testament onduidelijkheden bevat. Bij de uitlegging van het testament van erflater dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en de omstandigheden waaronder deze is gemaakt. Erflater is bij het opmaken van zijn testament uitgegaan van de situatie waarin hij maar één zoon heeft en in de veronderstelling verkeerde dat hij niet meer kinderen zou krijgen. Hij heeft daarom geen rekening gehouden met de toekomstige geboorte van [minderjarige] , maar het was niet zijn bedoeling om eventuele volgende kinderen te onterven. Van belang is daarnaast dat de verslaving van erflater (aan alcohol) mogelijk een rol heeft gespeeld bij het niet laten opmaken van een nieuw testament.

Om het erfdeel van [minderjarige] te kunnen berekenen stelt [wettelijk vertegenwoordiger] op grond van artikel 843a Rv belang bij en recht op inzage in/afschrift van de genoemde bescheiden te hebben.

3.3.

[erfgenaam en/of executeur] voert ten verwere onder meer aan dat erflater willens en weten slechts [wettelijk vertegenwoordiger] en hem als erfgenamen heeft benoemd en heeft afgezien een bepaling op te nemen waardoor eventuele toekomstige kinderen erfgenaam zouden worden. Het testament is duidelijk. Hij is (nog) enig erfgenaam. Als erflater had gewild dat [minderjarige] ook erfgenaam zou zijn, had hij zijn testament wel aangepast. Daartoe bestond aanleiding omdat erflater vanaf juni 2016 in een gerechtelijke procedure was betrokken over de nalatenschap van zijn vader. Die procedure is geëindigd met het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2019, waarin [erfgenaam en/of executeur] als enig erfgenaam en aldus als opvolger onder algemene titel van erflater is aangemerkt. [wettelijk vertegenwoordiger] heeft daarnaast bij [erfgenaam en/of executeur] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat [minderjarige] slechts aanspraak maakt op zijn legitieme. [erfgenaam en/of executeur] heeft daarnaar gehandeld, waardoor sprake is van een (vrijwel) niet terug te draaien situatie.

Over de vordering tot afgifte van stukken stelt [erfgenaam en/of executeur] dat hij niet over alle stukken beschikt en dat [wettelijk vertegenwoordiger] al inzicht heeft in de omvang van de nalatenschap.

[erfgenaam en/of executeur] concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [wettelijk vertegenwoordiger] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

ontvankelijkheid

4.1.

[erfgenaam en/of executeur] heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de vordering die [wettelijk vertegenwoordiger] tegen hem in zijn hoedanigheid van executeur heeft ingesteld. [erfgenaam en/of executeur] stelt dat hij geen executeur is.

4.2.

Een executeur wordt benoemd bij uiterste wilsbeschikking (artikel 4:142 lid 2 BW). Erflater heeft in zijn testament [wettelijk vertegenwoordiger] (voorwaardelijk) benoemd tot executeur. Als gevolg van de beëindiging van het samenwonen voor het overlijden van erflater, heeft die benoeming geen effect gehad en wijst het testament van erflater geen executeur aan.

[erfgenaam en/of executeur] wordt dan ook gevolgd in zijn standpunt. [wettelijk vertegenwoordiger] is niet-ontvankelijk in haar vorderingen voor zover die zijn ingesteld tegen [erfgenaam en/of executeur] in zijn hoedanigheid van executeur.

verklaring voor recht / erfgenaam of legitimaris

4.3.

Vast staat dat [wettelijk vertegenwoordiger] ten tijde van het overlijden niet met erflater samenwoonde. [wettelijk vertegenwoordiger] heeft zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat zij om die reden geen erfgenaam is, zodat dat niet in geschil is. Beoordeeld dient te worden of [minderjarige] – naast [erfgenaam en/of executeur] – als erfgenaam van erflater is aan te merken.

4.4.

[wettelijk vertegenwoordiger] heeft zich ten eerste op het standpunt gesteld dat het testament onduidelijkheden en dubbelzinnigheden bevat en dat de vraag dient te worden beantwoord wat erflater heeft gewild en bedoeld. Het testament is volgens [wettelijk vertegenwoordiger] onduidelijk omdat daarin in randnummer 5 is bepaald dat zij als executeur “niet in overleg met de andere erfgenamen hoeft te treden”. Het testament gaat dus uit van meerdere erfgenamen naast de executeur ( [wettelijk vertegenwoordiger] , die tevens erfgenaam zou zijn geweest) en niet van alleen [erfgenaam en/of executeur] als erfgenaam. Daarnaast is [erfgenaam en/of executeur] in het testament in zijn hoedanigheid als zoon aangemerkt als erfgenaam. Op het moment van het opmaken van het testament had erflater maar één zoon ( [erfgenaam en/of executeur] ). Dat veranderde met de komst van [minderjarige] , zodat er onduidelijkheid is ten aanzien van de bedoelingen van erflater, aldus [wettelijk vertegenwoordiger] .

[erfgenaam en/of executeur] betwist dat het testament onduidelijk is en stelt dat nergens uit blijkt dat erflater de intentie had om zijn vererving anders te regelen, in die zin dat toekomstige kinderen ook als erfgenaam zouden moeten worden aangemerkt. Uit de omstandigheid dat hij het testament niet heeft gewijzigd met de komst van [minderjarige] blijkt ook dat het niet de bedoeling van erflater was om [minderjarige] als erfgenaam aan te wijzen, aldus [erfgenaam en/of executeur] .

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat bij de vaststelling of een testament duidelijke zin heeft, de door artikel 4:46 BW gehanteerde maatstaf wordt gebruikt. Dat betekent dat bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een testament duidelijk zijn, mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater in het testament heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder dit is gemaakt. Gelet op jurisprudentie (onder meer HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9581 en HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911) kan dit ertoe leiden dat, hoewel de tekst van een testament op zichzelf duidelijk is, de gevolgen van het testament dienen te worden herzien in verband met na het opstellen daarvan opgetreden veranderingen in het leven van erflater.

4.6.

In het testament is – doordat [wettelijk vertegenwoordiger] niet meer als erfgenaam is aan te merken – [erfgenaam en/of executeur] tot enig erfgenaam van erflater benoemd. [erfgenaam en/of executeur] is in randnummer 4 met naam genoemd als erfgenaam, zodat daaruit duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat hij erfgenaam is en – door de beëindiging van de samenwoning met [wettelijk vertegenwoordiger] – niemand anders.

De in het testament gebruikte bewoordingen en de zaken die erflater daarmee heeft willen regelen zijn, mede gelet op de omstandigheden waaronder erflater het testament maakte en hetgeen hij daarmee toen heeft willen regelen, duidelijk. Vast staat immers dat erflater op dat moment één zoon uit een eerdere relatie had ( [erfgenaam en/of executeur] ) en samenwoonde met zijn nieuwe partner ( [wettelijk vertegenwoordiger] ) met wie hij geen kinderen had. Erflater heeft in die situatie [wettelijk vertegenwoordiger] samen met [erfgenaam en/of executeur] tot zijn erfgenamen benoemd en, voor het geval de samenwoning met [wettelijk vertegenwoordiger] zou eindigen, alleen [erfgenaam en/of executeur] . Dat in randnummer 5 wordt gesproken van “erfgenamen” (meervoud) doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan die duidelijkheid. Het noemen van “erfgenamen” in plaats van “erfgenaam” berust op een kennelijke verschrijving: uit het testament blijkt immers juist dat er, naast [wettelijk vertegenwoordiger] , slechts één andere erfgenaam was – [erfgenaam en/of executeur] – en gebruik van meervoud dus onjuist is.

4.7.

Gelet op eerder genoemde jurisprudentie dient vervolgens te worden beoordeeld of de gevolgen van het testament dienen te worden herzien in verband met na het opstellen daarvan opgetreden veranderingen in het leven van erflater, te weten de geboorte van [minderjarige] .

4.8.

De vraag is wat erflater met het testament heeft willen regelen en of dat ertoe kan leiden dat de gevolgen van het testament dienen te worden herzien, gelet op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de verhouding die erflater destijds kennelijk heeft willen regelen.

4.9.

[wettelijk vertegenwoordiger] stelt dat uit het testament blijkt dat erflater aansluiting zocht bij het parentele stelsel van artikel 4:10 lid 1 onder a BW en dat het geenszins zijn bedoeling is geweest om een toekomstig kind te onterven. Dat hij in het testament geen toekomstige kinderen heeft opgenomen had te maken met het aanzienlijke leeftijdsverschil (22 jaar) tussen haar en erflater en het ontbreken van een kinderwens. Na de komst van [minderjarige] is erflater altijd een betrokken vader geweest, ook toen [wettelijk vertegenwoordiger] en [minderjarige] elders gingen wonen en erflater door alcoholgebruik soms niet in staat was contact met [minderjarige] te hebben. Gelet op wat erflater in het testament heeft willen regelen en het feit dat [minderjarige] na de opstelling van het testament is geboren, is [minderjarige] volgens [wettelijk vertegenwoordiger] ook erfgenaam.

[erfgenaam en/of executeur] betwist dat het kennelijk de bedoeling van erflater is geweest om [minderjarige] ook als erfgenaam te benoemen. In het testament is alleen hij – [erfgenaam en/of executeur] – (met naam) als erfgenaam genoemd en er bestaat noch in het testament noch daarbuiten enige aanwijzing dat erflater meer erfgenamen wenste te benoemen dan uitsluitend hem ( [erfgenaam en/of executeur] ) en [wettelijk vertegenwoordiger] . [erfgenaam en/of executeur] stelt dat hij veel nauwer betrokken was bij erflater doordat [minderjarige] bij [erfgenaam en/of executeur] en haar nieuwe partner woonde. Als erflater [minderjarige] ook als erfgenaam had willen benoemen, dan had hij het testament na de geboorte van [minderjarige] wel herzien. Niets wijst erop dat erflater de behoefte heeft gehad om het testament zodanig aan te passen dat [minderjarige] ook tot erfgenaam zou worden benoemd, aldus [erfgenaam en/of executeur] .

4.10.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen erflater in het testament heeft geregeld, niet blijkt wat zijn (kennelijke) intentie was voor de situatie waarin hij nóg een kind zou krijgen. Uit de omstandigheid dat hij [wettelijk vertegenwoordiger] en [erfgenaam en/of executeur] in zijn testament heeft aangewezen als zijn erfgenamen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij zoveel mogelijk aansluiting heeft gezocht bij het parentele stelsel en dus bedoeld zal hebben een volgend kind ook tot erfgenaam te willen benoemen. Als dat zijn bedoeling was geweest, valt niet in te zien waarom erflater na de geboorte van [minderjarige] het testament niet heeft herzien. Dat hij daartoe niet in staat was en/of dat zijn alcoholverslaving daarbij een rol heeft gespeeld, heeft [erfgenaam en/of executeur] betwist en is door [wettelijk vertegenwoordiger] onvoldoende onderbouwd. Uit de door [wettelijk vertegenwoordiger] overgelegde stukken (productie 7 tot en met 9) blijkt wel dat erflater een alcoholprobleem had, maar niet dat hij niet in staat was om zijn testament te herzien en/of zijn wil te bepalen, zodat daarvan niet is gebleken. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit de door [erfgenaam en/of executeur] (als productie 4 en 5) overgelegde stukken blijkt dat erflater wel in staat was om te procederen over de nalatenschap van zijn vader.

4.11.

Duidelijk is dat de omstandigheden van erflater, toen hij overleed, fundamenteel anders waren dan toen hij het testament liet opstellen en dat erflater die nieuwe situatie waarschijnlijk niet voor ogen heeft gestaan toen hij het testament liet opstellen. Dat leidt echter nog niet tot de conclusie dat erflater in die nieuwe situatie ook [minderjarige] tot erfgenaam had willen benoemen. [wettelijk vertegenwoordiger] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd waaruit dat blijkt. Dat erflater en [minderjarige] nog goed en regelmatig contact met elkaar hadden (al dan niet op grond van de regeling in het ouderschapsplan), maakt nog niet dat erflater [minderjarige] als erfgenaam had willen benoemen. Dat [minderjarige] op de rouwkaart van erflater als kind is vermeld, maakt dat niet anders: hij is immers een kind van erflater. [erfgenaam en/of executeur] heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij de uitvaart van erflater heeft geregeld en [minderjarige] op de kaart heeft laten zetten.

4.12.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat niet duidelijk is wat precies de intentie van erflater is geweest ten aanzien van de erfrechtelijke positie van [minderjarige] . Niet uitgesloten moet worden dat erflater de intentie had om uitsluitend [erfgenaam en/of executeur] als erfgenaam aan te wijzen, zoals volgt uit de tekst van het testament. Omdat [minderjarige] op grond van het testament geen erfgenaam is en niet gebleken is van een kennelijke intentie bij erflater om [minderjarige] wél erfgenaam te laten zijn, is de door [wettelijk vertegenwoordiger] gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar.

rechtsverwerking

4.13.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat [wettelijk vertegenwoordiger] pas in november 2019 – dus 3½ jaar na het overlijden van erflater – aanspraak heeft gemaakt op het erfdeel van [minderjarige] , terwijl zij zich daarvóór steeds op het standpunt heeft gesteld dat [minderjarige] slechts legitimaris is. In artikel 6:2 lid 1 BW is bepaald dat schuldeiser en schuldenaar verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Gelet op jurisprudentie (onder andere HR 26 maart 1999, NJ 1999/445 en HR 29 september 1995, NJ 1996/89) is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten voor rechtsverwerking onvoldoende. Voor rechtsverwerking is vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

4.14.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan beide genoemde vereisten voldaan.

[wettelijk vertegenwoordiger] heeft in de periode van november 2017 tot november 2019 meerdere keren ondubbelzinnig verklaard dat zij voor [minderjarige] aanspraak maakt op de legitieme portie (en dus niet op het erfdeel als erfgenaam). Pas in november 2019, nadat aan [erfgenaam en/of executeur] (die als enig erfgenaam en opvolger onder algemene titel van erflater namens hem voort procedeerde) in de procedure over de nalatenschap van de vader van erflater een vordering van € 115.852,89 was toegedeeld, heeft [wettelijk vertegenwoordiger] daarop aanspraak gemaakt. [erfgenaam en/of executeur] mocht er toen (na het verstrijken van 3½ jaar en na het voeren van de procedure als enig erfgenaam van erflater) op vertrouwen dat hij enig erfgenaam was en [minderjarige] slechts legitimaris.

Onder deze omstandigheden zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn dat [erfgenaam en/of executeur] na al die tijd zou moeten accepteren dat niet alleen hij, maar ook [minderjarige] erfgenaam van erflater is. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat [erfgenaam en/of executeur] – ervan uitgaande dat alleen hij erfgenaam was – een groot deel van de erfenis heeft gebruikt om zijn woning te verbeteren en dat daarom sprake is van een vrijwel niet terug te draaien situatie. Dat [wettelijk vertegenwoordiger] , zoals zij ter zitting nog heeft gesteld, zo laat aanspraak heeft gemaakt op het erfdeel namens [minderjarige] omdat zij onjuist zou zijn geadviseerd door de betrokken notaris, maakt dit niet anders. Het komt voor rekening en risico van [wettelijk vertegenwoordiger] als zij onjuiste adviezen heeft gekregen en op basis daarvan haar standpunt heeft bepaald. Zij had er ook voor kunnen kiezen om zich direct na het openvallen van de nalatenschap (mede) door een of meer andere deskundigen te laten adviseren. Ten slotte kan de stelling van [wettelijk vertegenwoordiger] dat [minderjarige] minderjarig is en dat zijn erfrechtelijke positie daardoor extra zorgvuldig moet worden beoordeeld, evenmin afdoen aan het voorgaande.

4.15.

Een en ander leidt tot de conclusie dat [wettelijk vertegenwoordiger] namens [minderjarige] geen aanspraak kan maken op rechten als erfgenaam van erflater. De door [wettelijk vertegenwoordiger] gevorderde verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.

overlegging van stukken

4.16.

Omdat [minderjarige] niet is aan te merken als erfgenaam, is berekening van zijn erfdeel niet aan de orde. Om die reden is overlegging van stukken om het erfdeel te berekenen evenmin aan de orde en zal de vordering van [wettelijk vertegenwoordiger] daartoe worden afgewezen.

4.17.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat [erfgenaam en/of executeur] stukken die hij niet heeft, niet kan overleggen. Zo kan hij stukken met betrekking tot de inkomstenbelasting van erflater niet overleggen omdat hij die niet heeft, zo heeft [erfgenaam en/of executeur] ter zitting gesteld.

Van de auto van erflater heeft [erfgenaam en/of executeur] ter zitting gesteld dat die naar de sloop is gegaan en dat hij daar een vrijwaringsbewijs van heeft dat hij aan [wettelijk vertegenwoordiger] zal overleggen.

De rechtbank constateert dat [erfgenaam en/of executeur] (onder andere vlak voor de zitting) al veel stukken aan [wettelijk vertegenwoordiger] heeft overgelegd en zich bereid heeft verklaard nog andere stukken over te leggen. De rechtbank geeft [erfgenaam en/of executeur] in overweging (kopieën van) eventuele nog niet overgelegde stukken die van belang zijn voor het berekenen van de legitieme portie zo snel mogelijk aan [wettelijk vertegenwoordiger] over te leggen ter voorkoming van verdere procedures.

proceskosten

4.18.

Gelet op de familierelatie tussen [erfgenaam en/of executeur] en [minderjarige] zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [wettelijk vertegenwoordiger] niet-ontvankelijk in haar vorderingen voor zover die zijn ingesteld tegen [erfgenaam en/of executeur] in zijn hoedanigheid van executeur,

5.2.

wijst de vorderingen voor het overige af,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2020.

jo/on