Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3263

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
370252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Relatieve bevoegdheid. Artikel 105 Rv. Schorsing bestuurders BV. Voldoende gegronde reden om aan een juist beleid of juiste gang van zaken binnen BV te twijfelen. Vorderingen deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0282
JOR 2021/145 met annotatie van Scholten, C.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/370252 / KG ZA 20-160

Vonnis in kort geding van 30 juni 2020

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

SOCIÉTÉ ANONYME SEMPER AMPLIFI S.A.,

gevestigd te Strassen, Luxemburg,

eiseres,

advocaat mr. J. Koekkoek te Haarlem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [woonplaats/vestigingsplaats] ,

[gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats/vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3]

gevestigd te [woonplaats/vestigingsplaats] ,

[gedaagde 4]

wonende te [woonplaats/vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. E.J.H. Reitsma te Vught.

Eiseres zal hierna Semper genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagde partij] genoemd worden, dan wel ieder afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de akte wijziging van eis (voor zover nodig)

  • -

    de producties van gedaagden

  • -

    de mondelinge behandeling, die vanwege de Corona-maatregelen heeft plaatsgevonden via

Skype

  • -

    de pleitnota van Semper

  • -

    de pleitnota van [gedaagde partij]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 16 augustus 2018 hebben SocialBrands V.O.F., een vennootschap onder firma met als vennoten [gedaagde 2] en [gedaagde 4] , en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SocialBrands Tech B.V., gevestigd te Nijkerk (hierna: SB Tech), een akte van overdracht intellectuele eigendomsrechten gesloten. Daarbij droeg SocialBrands V.O.F. haar intellectuele eigendomsrechten over aan SB Tech, zijnde het volledige Social Brands Platform, bestaande uit diverse modules waaronder dashboard, campagnes, content, influencers, social, profielen en statistieken, gezamenlijk aangeduid als ‘Social Brands versie 1.0’.

2.2.

Na levering op basis van een akte uitgifte aandelen van 28 augustus 2018 en een akte aandelenoverdracht van 29 mei 2019 houdt Semper 55% van de aandelen in SB Tech. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] houden gezamenlijk 45% van de aandelen in SB Tech. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn tevens zelfstandig bevoegde bestuurders van SB Tech.

2.3.

SB Tech is enig aandeelhouder in en bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SocialBrands B.V., eveneens gevestigd te Nijkerk (hierna: SB). SB heeft ten doel de ontwikkeling en verkoop van softwareoplossingen, alsmede het verlenen van diensten in de vorm van advies en ondersteuning verband houdend met deze software.

2.4.

Met betrekking tot de Social Brands versie 1.0 was [gedaagde 2] de technische man en [gedaagde 4] de verkoper. Semper, meer in het bijzonder de heer [naam] , had en heeft de ervaring als bestuurder van Columbus Holdco, een grote speler op het gebied van online media en marketing in België, om ondernemingen als SB op een hoger plan te brengen en was bereid te investeren als aandeelhouder. [naam] heeft [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in contact gebracht met softwareontwikkelaar One Punch. One Punch heeft allerlei nieuwe functionaliteiten ontwikkeld, aangeduid als ‘Social Brands versie 2.0’.

2.5.

Sinds enige tijd verkeren partijen in een impasse. Zij kunnen het niet eens worden over de voorwaarden waaronder de samenwerking moet worden voortgezet.

2.6.

Bij e-mailbericht van 28 september 2019 heeft [naam] onder meer het volgende aan [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en de heer [naam 2] bericht:

Uiteindelijk heb ik al 300.000 euro geinvesteerd (250K kapitaal en 50K lening) en moet er nu weer geld komen om verder te kunnen. Het bedrijf torst ondertussen 100K schulden.

(…)

Dit is sterk ontgoochelend en doet het risicoprofiel van het bedrijf aanzienlijk stijgen. Momenteel hebben we niet genoeg inkomsten om gewoon jullie salarissen te betalen.

Heb daarnaast geconstateerd dat sinds mijn intrede er geen processen zijn naar reporting, een gebrek aan transparantie naar wat er gebeurt, no sense of urgency en gebrekkige bereidheid tot luisteren is.

Daarnaast is ook de Belgische implementatie geen succes gebleken tot nader order.

Voor mij staan er zoveel verschillende indicatoren op rood voor het runnen van een succesvolle start-up. Vraag is wat we hier aan kunnen of willen doen.

(…) Ik ben bereid om nog eens 50K in het bedrijf te steken aan een interestvoet van 5% en terugbetaalbaar op 3 jaar (te bespreken). Tegelijkertijd vraag ik voor het geheel van mijn leningen een pand op IP. Dit wil zeggen dat bij een mislukking ik de IP uit het bedrijf kan halen. Een pand op aandelen is immers niets waard als het bedrijf stopt.

2.7.

Bij e-mailbericht van 3 oktober 2019 heeft [naam] onder meer het volgende aan [gedaagde partij] bericht:

Ik bekijk dit als leninggever, niet als aandeelhouder: Als leninggever van 100K wil je garanties, net zoals een bank: twee mogelijkheden: pand op handelsvorderingen en/of pand op IP. Handelsvorderingen bedragen nu nog niet het bedrag van de lening dus is niet voldoende, daarom de enige andere optie is de IP in escrow te steken. Als de lening niet wordt terugbetaald of het bedrijf over de kop gaat, dat neemt de pandhouder de IP over. Anders gaat dit naar de curator. Indien het echt de foute kant zou opgaan, kan ik de IP te gelde maken om mijn lening te proberen recupereren.

2.8.

Bij e-mailbericht van 13 december 2019 heeft [gedaagde 2] onder meer het volgende aan [naam] bericht:

Wij kunnen niet ingaan op je voorstel voor een lening van 50K. Ook al waarderen wij jouw geste van harte en zou het ook een beetje helpen, het bedrag is on-voldoende voor groei van de onderneming inzake afbouw software, uitbouw sales en schaalbare groei. En dat is wat we nodig hebben. De voorwaarden voor acceptatie kunnen (en mogen) wij niet nemen. De zekerheids-stellingen zijn te fors voor ons.

(…)

Het niet aanvragen van een faillissement kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid. En dat willen we natuurlijk niet. Het klopt dat de vergadering van aandeelhouders het bestuur de opdracht zou moeten verstrekken om het faillissement aan te vragen. Als een (meerderheids)aandeelhouder weigert mee te werken aan het aanvragen van het eigen faillissement kan dat tot aansprakelijkheid van die aandeelhouder leiden.

2.9.

Op verzoek van Semper is [naam 2] medio maart 2020 benoemd tot medebestuurder van SB Tech.

2.10.

Omdat partijen er niet uitkwamen onder welke voorwaarden de samenwerking moest worden voortgezet, heeft Semper aangekondigd een procedure te starten bij de Ondernemingskamer.

2.11.

Op verzoek van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] is SB bij beschikking van 8 mei 2020 in staat van faillissement verklaard.

3 Het geschil

3.1.

Semper vordert na wijziging van eis dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] schorst als bestuurders van SB Tech, althans totdat

de Ondernemingskamer een voorziening treft,

2. [gedaagde partij] verbiedt gedurende deze schorsing bestuurshandelingen te

verrichten voor SB Tech, zulks op straffe van een dwangsom van €10.000,00 per

keer dat zij in gebreke blijven aan dit verbod te voldoen, zulks met een maximum van

€ 300.000,00,

3. [gedaagde partij] verbiedt om tijdens de schorsing contact te hebben of op te nemen

met de klanten en relaties van SB en SB Tech en voorts om deze klanten en relaties

terstond door te verwijzen naar de heer [naam 2] , zulks op straffe van een dwangsom van

€ 25.000,00 per overtreding en per dag dat de overtreding voortduurt,

4. [gedaagde partij] veroordeelt om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis

schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen aan Semper c.q. de heer [naam 2]

omtrent hun handelen als bestuurder vanaf 1 januari 2019, althans 29 mei 2019, in het

bijzonder omtrent hun dagelijkse werkzaamheden, in het bijzonder voor wat betreft de

verkoop en de productontwikkeling, het debiteuren- en crediteurenbeheer, strategie en

marketing(plannen), en alle contacten met klanten, relaties, adviseurs en (mogelijke)

investeerders van SB en SB Tech, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,00

per keer dat zij in gebreke blijven aan dit verbod te voldoen, zulks met een maximum van

€ 300.000,00,

5. [gedaagde partij] gebiedt om Semper c.q. de heer [naam 2] zelfstandige toegang te

verschaffen tot (i) de administratie van SB Tech, (ii) het zelfstandig gebruik van alle

e-mailaccounts en inloggegevens en toegangscodes van SB Tech, en (iii) alle

correspondentie met de adviseurs en relaties van SB Tech, allen op straffe van een

dwangsom van € 25.000,00, althans een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede

justitie vermeent te behoren, per dag dat [gedaagde partij] in gebreke blijven aan dit

gebod te voldoen, met een maximum van € 300.000,00,

6. een zodanige voorziening treft en/of zodanige voorzieningen treft als zij in goede justitie

zal menen te behoren, teneinde Semper de tijd te vergunnen de Ondernemingskamer te

kunnen adiëren, althans SB Tech en Semper de tijd te vergunnen voor de duur van

minimaal een half jaar om de voorliggende en andere alternatieven te (laten)

onderzoeken, een en ander ter voorkoming onomkeerbare gevolgen voor SB Tech,

7. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan Semper van de proceskosten, te

vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening

van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde

termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te

rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat Semper is gevestigd in Luxemburg. [gedaagde partij] is gevestigd, dan wel, voor zover het de privépersonen betreft, is woonachtig, in Nederland, zodat op grond van artikel 4 lid 1 Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis) de Nederlandse rechter bevoegd is van dit geschil kennis te nemen.

4.2.

[gedaagde partij] heeft voor alle weren en daarmee tijdig een beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt dit beroep niet. Weliswaar is volgens de hoofdregel van artikel 99 Rv de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd, hetgeen in dit geval met zich brengt dat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is, omdat [gedaagde 1] is gevestigd in [woonplaats/vestigingsplaats] en [gedaagde 3] is gevestigd in [woonplaats/vestigingsplaats], terwijl hun bestuurders in diezelfde plaatsen woonachtig zijn. Echter, in artikel 105 Rv is voor de in dat artikel genoemde zaken een alternatieve bevoegdheidsregeling opgenomen naast die van artikel 99 Rv, in die zin dat in die zaken mede bevoegd is de rechter van de woonplaats of de plaats van vestiging van de rechtspersoon of de vennootschap. Het onderhavige geschil tussen partijen houdt onder meer verband met het aanvragen van het faillissement van SB door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] buiten de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van SB Tech om. Daarmee gaat het om een zaak die de rechtsgevolgen van een besluit van een orgaan van een vennootschap betreft in de zin van artikel 105 Rv. Dit betekent dat de rechtbank Gelderland eveneens bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen, nu SB Tech, en overigens ook SB, in Nijkerk is gevestigd.

4.3.

[gedaagde partij] stelt verder nog dat voor alle onderwerpen die centraal staan in de vorderingen van Semper geldt dat de AVA het bevoegde orgaan is om besluiten daaromtrent te nemen. Voor geen van de vorderingen die Semper heeft ingesteld is echter ooit een AVA bijeengeroepen, terwijl de AVA zelf kan en ook moet voorzien in die onderwerpen. Nu de AVA is gepasseerd is [gedaagde partij] nodeloos in dit kort geding betrokken. Daarmee ontbreekt ook het spoedeisend belang. Ten slotte is er geen sprake van een patstelling. Zowel in de AVA als binnen het bestuur kunnen gewoon besluiten worden genomen. Volgens [gedaagde partij] moet de voorzieningenrechter dan ook geen kennis nemen van de vorderingen van Semper, althans moeten die worden afgewezen.

4.4.

De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Semper houdt de meerderheid van de aandelen in SB Tech (55%) en het staat haar als (meerderheids)aandeelhouder vrij om een voorlopige voorziening als de onderhavige te vragen buiten de AVA om. Bovendien heeft zij het spoedeisend belang bij haar vorderingen in voldoende mate aannemelijk gemaakt.

4.5.

Uit de stellingen van partijen en uit de door hen in het geding gebrachte stukken kan worden afgeleid dat zij ervoor hebben gekozen Nederlands recht van toepassing te laten zijn op hun onderlinge rechtsverhouding.

4.6.

Schorsing van een bestuurder van een besloten vennootschap door de rechter is, ook bij wege van onmiddellijke tijdelijke voorziening, in beginsel voorbehouden aan de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam, zo volgt uit artikel 2:349a lid 2 en 3 BW en artikel 2:355 j° artikel 2:356 sub b BW. Schorsing is volgens laatstgenoemde bepalingen aan de orde indien het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek wanbeleid door de betrokken bestuurder aan het licht heeft gebracht. De Ondernemingskamer kan, volgens eerstgenoemde bepaling, ook voorafgaand aan het gelasten van onderzoek, bij wege van onmiddellijke voorziening een bestuurder schorsen. Deze voorziening moet wel gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken vereist zijn in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek en kan voorafgaand aan dat onderzoek slechts wordt getroffen indien er naar voorlopig oordeel van de rechter gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.

4.7.

In de aanloop naar een dergelijke enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer kan ook de voorzieningenrechter in kort geding bij wege van ordemaatregel een bestuurder schorsen. Daarbij dient hij zich in beginsel te richten naar de maatstaf die voor de Ondernemingskamer geldt, zoals deze hiervoor is uiteengezet. Tegen deze achtergrond geldt het volgende.

4.8.

Semper maakt in de kern genomen de volgende verwijten aan het adres van [gedaagde partij], zo is ter zitting gebleken:

1. [gedaagde partij] heeft nodeloos het faillissement aangevraagd van SB zonder de procedure bij de Ondernemingskamer af te wachten, en

2. [gedaagde partij] blokkeert willens en wetens de verdere ontwikkeling van de software (Social Brands versie 2.0) door One Punch, terwijl deze software kan worden ontwikkeld voor een bedrag van € 12.000,00, welk bedrag kan worden betaald uit een lening van € 50.000,00 die Semper bereid is aan SB Tech te verstrekken.

4.9.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat [gedaagde partij] terecht aanvoert dat de vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in persoon moeten worden afgewezen, nu zij geen bestuurder zijn van SB Tech, terwijl het voor een ieder duidelijk is dat de vorderingen zich daartegen richten.

4.10.

[gedaagde partij] bestrijdt de door Semper gestelde verwijten. Zij stelt dat haar een pak is aangenaaid. One Punch heeft immers kostenoverschrijding op kostenoverschrijding gestapeld, waardoor de middelen van SB Tech volkomen zijn uitgeput, terwijl er geen garantie is dat het einde in zicht is. [gedaagde partij] heeft om die reden van One Punch verlangd de broncode te mogen inzien van de modules die One Punch heeft gebouwd om zo de deugdelijkheid van die modules te kunnen beoordelen en om te kunnen beoordelen wat voor werk er nog mogelijk lag besloten in de afronding van de modules. Deze inzage is door One Punch echter geweigerd. Opvallend hierbij is dat Semper aandeelhouder is van One Punch. Volgens [gedaagde partij] is Semper dan ook uitsluitend uit op het behartigen van haar eigen belang, waarbij de verwikkelingen met One Punch als instrument worden ingezet om het intellectuele eigendom naar Semper toe te trekken. Daar staat tegenover dat [gedaagde partij] nooit enig voordeel voor zichzelf heeft bedongen. De bestuurders hebben zichzelf al vanaf oktober 2019 vrijwillig achtergesteld voor wat betreft hun managementfee, die hen overigens gewoon toekomt, maar waarvoor geen geld is.

4.11.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat als [gedaagde partij] geen vertrouwen meer had in One Punch en/of haar product, zij maatregelen had moeten treffen tegen One Punch. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] op dit punt iets heeft ondernomen. In plaats daarvan heeft zij het faillissement aangevraagd van dochteronderneming SB die geheel buiten deze kwestie staat. Dit is een uiterst vreemde gang van zaken en voorshands geoordeeld levert dit op zichzelf reeds voldoende gegronde reden op om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.

4.12.

Maar er is meer. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter waren [gedaagde 1] en [gedaagde 3] als bestuurders van SB Tech ook niet bevoegd bedoelde faillissementsaanvraag te doen zonder raadpleging van de AVA. [gedaagde partij] was zich hiervan ook terdege bewust, gelet op de e-mail van 13 december 2019 van [gedaagde 2] , waarin hij onder meer aangeeft dat het klopt dat de vergadering van aandeelhouders het bestuur de opdracht zou moeten verstrekken om het faillissement aan te vragen (zie 2.8). Ter zitting heeft [gedaagde partij] nog gesteld dat een bestuursvergadering van SB Tech is belegd waarin het doen van aangifte van het faillissement van SB op de agenda is gezet en dat [naam 2] en daarmee Semper hiervan steeds tijdig schriftelijk op de hoogte is gesteld. Het besluit is diverse malen uitgesteld en doorgeschoven naar een volgende bestuursvergadering, omdat [naam 2] meer tijd wenste. Wat hiervan verder ook zij, [gedaagde partij] erkent ook dat uiteindelijk het besluit is genomen zonder instemming van Semper en daarmee dus ook buiten de AVA om.

4.13.

Ten slotte staat vast dat het faillissement van SB is aangevraagd, terwijl er een vastgestelde schuld bestond van (slechts) € 5.000,00. Van de zijde van Semper lag er een financieringsvoorstel om een bedrag van € 50.000,00 te investeren. Daarmee zou SB Tech verder kunnen, want met genoemd bedrag zouden de nodige externe crediteuren worden betaald en zou een bedrag van € 12.000,00 worden aangewend om het product af te maken. Dit is door [gedaagde partij] evenwel geweigerd. Het verwijt dat Semper de verwikkelingen met One Punch als instrument inzet om het intellectuele eigendom naar Semper toe te trekken is onterecht. [naam] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij geen belang heeft bij de intellectuele eigendomsrechten en dat hij deze rechten slechts in ruil voor de lening van € 50.000,00 door een derde partij in escrow wil laten nemen. Dat is iets anders dan toeëigenen. Van verkwanselen van het belangrijkste actief binnen de vennootschap is voorshands geoordeeld dan ook geen sprake. Er wordt enkel iets afgemaakt wat er voor een groot deel al ligt, te weten de Social Brands versie 2.0.

4.14.

Alles overziend is de voorzieningenrechter van oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken binnen SB Tech te twijfelen. Al hetgeen overigens door partijen is aangevoerd kan verder onbesproken blijven.

4.15.

Het gevorderde onder 3.1 sub 1 lig derhalve voor toewijzing gereed, met dien verstande dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden geschorst als bestuurders van SB Tech totdat de Ondernemingskamer een voorziening treft.

4.16.

In het verlengde van het voorgaande ligt ook het gevorderde onder 3.1 sub 2 voor toewijzing gereed. De gevorderde dwangsom is eveneens toewijsbaar.

4.17.

Het onder 3.1 sub 3 gevorderde verbod om contact te hebben of op te nemen met de klanten en relaties van SB en SB Tech zal worden afgewezen. Semper heeft niet toegelicht welk zelfstandig belang zij heeft bij deze vordering, terwijl ook niet duidelijk is geworden wat deze vordering nog toevoegt aan de wel toe te wijzen vorderingen.

4.18.

De onder 3.1 sub 4 gevorderde veroordeling tot het afleggen van rekening en verantwoording zal eveneens worden afgewezen. Semper heeft geen duidelijke grondslag aangevoerd voor deze vordering. Bovendien is dit bij uitstek iets wat in de procedure bij de Ondernemingskamer aan de orde moet komen.

4.19.

Het onder 3.1. sub 5 gevorderde gebod om Semper c.q. [naam 2] zelfstandige toegang te verschaffen tot de administratie van SB Tech, alle e-mailaccounts, inloggegevens en toegangscodes van SB Tech en alle correspondentie met de adviseurs en relaties zal worden toegewezen. Semper heeft belang bij deze vordering nu [naam 2] na de schorsing van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] de enige, nog in functie zijnde bestuurder is van SB Tech. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] dienen binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan dit gebod te voldoen. De in dit verband gevorderde dwangsom is ook toewijsbaar.

4.20.

Hiervoor is geoordeeld dat de vorderingen jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in persoon zullen worden afgewezen. Dit leidt ertoe dat Semper als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] zal worden veroordeeld. De voorzieningenrechter zal deze kosten evenwel begroten op nihil, nu het voor iedereen duidelijk was dat het hier ging om de bestuurders van SB Tech en niet om de privépersonen daarachter, terwijl [gedaagde 2] en [gedaagde 4] voor het overige meeliften op de (verworpen) verweren van hun holdings.

4.21.

[gedaagde 1] en [gedaagde 3] zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Semper worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:

- betekening € 100,89

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.736,89

4.22.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst af de vorderingen ten aanzien van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ,

5.2.

veroordeelt Semper in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] tot op heden begroot op nihil,

5.3.

schorst [gedaagde 1] en [gedaagde 3] als bestuurders van SB Techtotdat de Ondernemingskamer een voorziening treft,

5.4.

verbiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gedurende deze schorsing bestuurshandelingen te verrichten voor SB Tech,

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] om aan Semper een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan de in 5.4 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 300.000,00 is bereikt,

5.6.

gebiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] om Semper c.q. de heer [naam 2] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis zelfstandige toegang te verschaffen tot (i) de administratie van SB Tech, (ii) het zelfstandig gebruik van alle e-mailaccounts en inloggegevens en toegangscodes van SB Tech, en (iii) alle correspondentie met de adviseurs en relaties van SB Tech,

5.7.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] om aan Semper een dwangsom te betalen van € 25.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.6 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 300.000,00 is bereikt,

5.8.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] in de proceskosten, aan de zijde van Semper tot op heden begroot op € 1.736,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.10.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2020.

Coll.: MvG