Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3226

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
02-07-2020
Zaaknummer
365818
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

letselschade; vervolg op NL18.16743 11 september 2019; benoeming deskundige; neurochirurg of orthopedisch chirurg?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/365818 / HA ZA 20-101

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.L.G. Otto te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHRYWIJK B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. E.H. Verweij te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Chrywijk genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 31 januari 2020

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 4 maart 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] kweekt paprika’s in twee kassen (verder respectievelijk: de voorste kas en de achterste kas) die zijn gelegen aan de [adres]. Zij maakt gebruik van externe adviseurs, waaronder [naam 1], toeleverancier en adviseur gewasbescherming (verder: [naam 1]).

2.2.

Paprikagewassen zijn bevattelijk voor het tomatenbronsvlekkenvirus of

‘tomato spotted wilt virus’ (verder: TSWV). TSWV leidt er toe dat aan de aangetaste gewassen minder paprika's groeien, paprika's die daaraan wel groeien minder groot worden en volgroeide paprika's onbruikbaar zijn voor verkoop.

2.3.

TSWV kan verspreid worden door Californische tripsen (verder: tripsen). Een besmette plant lokt volwassen tripsen, die eitjes leggen op de plant. Uit de eitjes komen larven die besmet raken met TSWV door het eten van een besmette plant. De besmette larven, die niet kunnen vliegen, en de volwassen tripsen, die wel kunnen vliegen, kunnen het virus weer naar andere planten verspreidden. Na popstadia leggen de volwassen tripsen weer eitjes, bij voorkeur weer op een besmette plant. Indien een gewas is aangetast met TSWV is dit niet meer te genezen. TSWV kan preventief worden bestreden door maatregelen rondom de teeltwisseling, de inzet van biologische bestrijders tegen tripsen en het verwijderen van besmette planten. Orius een roofwantsensoort die een natuurlijke vijand vormt van tripsen. De bestrijding van tripsen vindt ook plaats met de roofmijt Amblyseius cucumeris (AC).

2.4.

Chrywijk teelt (onder meer) chrysanten en bouvardia’s in kassen op het perceel naast dat van [eiser]. Zij maak daarbij gebruik van een vaste teelt/bedrijfsadviseur, ing. [naam 2] (verder: [naam 2]) van Delphy (voorheen DLV Plant).

2.5.

Chrywijk heeft achter haar plantenkassen een niet-afgedekte afvalbunker, waarin zij onder meer plantenresten en snoeiafval opslaat (verder: de afvalbunker). De afvalbunker wordt leeggehaald door een extern bedrijf. Dit bedrijf maakt gebruik van een (grijp)kraan om de plantenresten te verwijderen en zorgt vervolgens voor de afvoer van dit afval.

2.6.

Op of omstreeks 26 november 2014 is [eiser] begonnen met een nieuwe kweekronde paprika’s.

2.7.

Op 6 en 10 maart 2015 is de afvalbunker van Chrywijk leeggehaald door het extern bedrijf.

2.8.

In de loop van april 2015 valt op dat veel planten bij [eiser] symptomen vertonen van TWSV.

2.9.

[naam 1] registreert haar bevindingen met betrekking tot (de bestrijding van) ziekten en plagen in de kassen van [eiser] in handgeschreven verslagen. In het dossier bevinden zich de verslagen van [naam 1] van de volgende data, waarin met betrekking tot trips het volgende staat vermeld:

26-2-2015: geen trips gevonden A.C. goed uitgelopen.

2-3-2015: Orius in laatste afdeling gestrooid. [onleesbaar]

19-3-2015: Enkele trips achterste afdeling. AC veel aanwezig – adults + eieren

26-3-2015: voor achterste Kas 48 kokers orius, Dinsdag

25-4-2015: Te veel trips – geen ontwikkeling van orius dus om de trips druk te verlagen spuiten, te veel virus planten.

2.10.

In week 31 van 2015 was 100% van de gewassen in de achterste kas aangetast met TWSV. Er zijn ongeveer 1000 paprikaplanten uitgevallen. De voorste kas bleef onaangetast.

2.11.

De rechtshulpverlener van [eiser] heeft Chrywijk bij brief van 15 juni 2015 aansprakelijk gesteld voor “de schade die aan de gewassen van cliënt is veroorzaakt door u tijdens het weghalen van het afval achter de kassen cliënt”.

2.12.

In verdere correspondentie over en weer heeft [eiser] de aansprakelijkstelling nader onderbouwd en toegelicht en aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 524.713,00 en heeft Chrywijk haar standpunt onderbouwd en toegelicht en de aansprakelijkheid van de hand gewezen. [eiser] heeft haar standpunt mede onderbouwd met rapporten van ing. [naam 4], register expert NIVRE van Agro Expertiseburo (verder: [naam 4]), van 9 juli 2015 en 23 oktober 2015. Chrywijk heeft haar standpunt mede onderbouwd met een “Expertiserapport Aansprakelijkheid” van ing. [naam 3] re (verder: [naam 3]). [naam 3] heeft zich daarbij mede laten informeren door [naam 2].

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - veroordeling van Chrywijk tot betaling van € 524.713,00 als hoofdsom en € 4.398,57 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 10 maart 2015, althans de dag van de dagvaarding, met veroordeling van Chrywijk in de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] acht Chrywijk aansprakelijk voor de schade door de TSWV-aantasting van haar gewassen en de daardoor veroorzaakte lagere opbrensten uit de verkoop van paprika’s. Zij stelt dat Chrywijk onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij, kort weergegeven, door het gebruik van de open afvalbunker en het leeghalen met de grijpkraan een groot risico op de tripsenplaag en TSWV-uitbraak bij [eiser] heeft veroorzaakt, terwijl dit makkelijk te voorkomen was. Daarmee heeft Chrywijk gehandeld in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het risico heeft zich verwezenlijkt waardoor er een tripsenplaag en TSWV-uitbraak bij haar heeft plaatsgevonden en zij grote schade heeft geleden, aldus [eiser].

3.3.

De schade kan, aldus [eiser], als volgt worden begroot: In de voorste kas was de oogst 32,5 kilo paprika’s per m2. Zonder besmetting zou de opbrengst in de achterste kas, met een oppervlak van 26.750 m2 (32,5 x 26.750 =) 869.375 kg zijn, terwijl de opbrengst in werkelijkheid slechts 276.000 kg was. Dit levert, gelet op de in die periode geldende middenprijs voor paprika’s van € 1,10 per kilo, een brutoschade op van, volgens [eiser], ((869.375 kg - 276.000 kg =) 620.375 kg x € 1,10 =) € 682.412,50. Omdat in verband met de verminderde oogst in totaal € 157.699,72 aan arbeids-, energie-, mest-, water- en afzetkosten is bespaard, bedraagt de nettoschade, afgerond (€ 682.412,50 - € 157.699,72 =) € 524.713,00.

De rechtbank merkt op dat [eiser] een kennelijke rekenfout heeft gemaakt nu 869.375 kg – 276.000 kg niet 620.375 kg maar 593.375 kg oplevert. Met verder dezelfde uitgangspunten zou dat een schadebedrag van (593.375 kg x € 1,10 - € 157.699,72 =) € 495.012,78 opleveren.

3.4.

Chrywijk voert verweer. Zij betwist dat zij in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Zij betwist dat de wijze van opslag en verdere afhandeling van haar plantenafval ongebruikelijk of onzorgvuldig was en betwist er sprake was van een (aanzienlijk) risico op besmetting. De wijze van opslag leverde geen bron voor een tripsenplaag of een gevaar daarvoor op en evenmin voor een TSWV-besmetting, temeer nu, aldus Chrywijk, haar gewassen niet besmet waren met TSWV. Chrywijk betwist voorts dat er causaal verband bestaat tussen de TSWV-uitbraak bij [eiser] en het gestelde onrechtmatig handelen. In ieder geval is er sprake van eigen schuld, nu [eiser], zo stelt Chrywijk, niet adequaat heeft gehandeld bij het aantreffen van trips in haar kas. Zij betwist ten slotte ook de hoogte van de gestelde schade, omdat de gestelde aantallen en bedragen verder niet zijn onderbouwd.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen twisten allereerst over de vraag of Chrywijk door het gebruiken van een open afvalbunker en het legen daarvan met een grijpkraan in de gegeven omstandigheden onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt [eiser] de stelplicht en bewijslast van de stellingen waarop de gestelde onrechtmatigheid wordt gebaseerd. [eiser] verbindt daaraan immers het rechtsgevolg dat Chrywijk de door [eiser] geleden financiële schade dient te vergoeden die het gevolg is van de in haar bedrijf ontstane tripsenplaag en TSWV-aantasting.

4.2.

Geen punt van geschil is dat er geen wettelijke regel of een algemeen geldende norm is die verbiedt het plantenafval op te slaan en af te voeren op de door Chrywijk gedane wijze. [eiser] verwijst weliswaar naar “Het werkboek Ondernemen met biodiversiteit”, waarin staat dat men “insleep van ziekten en plagen en verspreiding vanuit infectiehaarden dient te vermijden” en dat men daardoor de volgende maatregelen kan nemen: “voorkomen dat afvalhopen een besmettingsbron vormen” en “bij gevaar voor besmetting plantresten van het perceel verwijderen”, maar stelt niet dat dit werkboek hier een algemeen geldende norm zou weergeven. Dit nog daargelaten dat de tekst niet erg dwingend is, nu slechts sprake is van maatregelen die ‘kunnen’ worden genomen en Chrywijk er op wijst dat die maatregelen volgens de tekst slechts aan de orde zouden zijn “ter verspreiding vanuit infectiehaarden”, terwijl Chrywijk betwist dat bij haar sprake was van een infectiehaard.

4.3.

Dat neemt niet weg dat sprake kan zijn van onrechtmatig handelen aan de zijde van Chrywijk als zij met het door [eiser] genoemde gedrag heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, omdat dit gedrag de kans op infecties en schade bij [eiser] heeft vergroot.

4.4.

Bij de beantwoording van de vraag of daarvan sprake is moet worden gelet op de kans op schade, maar ook op de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (vgl. HR 5 november 1965, NJ 1966, 136). Daarbij is van belang dat niet reeds de enkele mogelijkheid van schade als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de betrokkene zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (HR 07 april 2006 ECLI:NL:HR:2006:AU6934; vgl. HR 9 december 1994, nr. 15527, NJ 1996, 403).

4.5.

Voor zover [eiser] stelt dat het opslaan en verwerken van plantenafval zoals door Chrywijk is geschied sowieso dermate gevaarscheppend is dat dit onrechtmatig is wordt deze stelling als onvoldoende onderbouwd verworpen. Zoals overwogen is op dat punt geen sprake van een algemene norm. Niet weersproken is dat deze wijze van opslaan van plantenafval ter plaatse ook niet ongebruikelijk is. Dat daarbij de kans op schade bij anderen zo groot is dat dit hoe dan ook in strijd is met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt, is verder niet onderbouwd.

4.6.

Dat er in dit geval wel sprake was van gevaarscheppend gedrag met een zo’n groot risico dat dit met inachtneming van de in 4.4. weergegeven criteria als onrechtmatig moet worden beschouwd, baseert [eiser], zo begrijpt de rechtbank, op de volgende gestelde omstandigheden:

  1. De gewassen van Chrywijk waren aangetast door TSWV.

  2. Met TSWV aangetast plantenmateriaal dient zo snel mogelijk te worden verwijderd en afgevoerd naar een veilige stortplaats.

  3. Een open afvalbunker is geen veilige stortplaats voor aangetast plantenmateriaal.

  4. Er waren bij Chrywijk (een grote hoeveelheid) tripsen in haar gewassen aanwezig.

  5. Tripsen verspreiden TSWV.

  6. Een (open) afvalbunker is een broeiplaats waar tripsen zich gemakkelijk vermeerderen.

  7. Het is algemeen bekend dat paprikagewassen gevoelig zijn voor TSWV.

  8. Chrywijk wist dat [eiser] paprika’s teelde in kassen die slechts tientallen meters verwijderd stonden van de afvalbunker van Chrywijk.

  9. Er was op 6 en 10 maart 2015 sprake van zacht weer met een wind die vanuit de afvalbunker blies in de richting van de kassen van [eiser]

  10. Bij het in die omstandigheden met een grijpkraan leeghalen van de afvalbunker is het risico groot dat een aanzienlijke hoeveelheid met TSWV besmette tripsen vanaf die bunker in de richting waait van de kassen van [eiser] en daar door de openstaande ramen naar binnen waait;

  11. Het risico is dan groot dat er zich in de paprikakas van [eiser] een tripsenplaag en een TSWV uitbraak ontwikkelt.

Voorts begrijpt de rechtbank dat [eiser] stelt dat Chrywijk van het door haar aldus veroorzaakte risico op de hoogte was althans had dienen te zijn en dat dit risico zich in dit geval in de kas van [eiser] heeft verwezenlijkt.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de hiervoor in r.o. 4.6. onder 1) genoemde, door Chrywijk betwiste stelling dat de gewassen van Chrywijk waren aangetast door TSWV onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele, overigens niet betwiste, stelling dat Chrywijk veel uitval van bouvardia heeft gekend, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Chrywijk heeft daar immers tegen in gebracht dat dit niet door TSWV kwam, maar het gevolg was van de door haar toegepaste experimentele, innovatieve wijze van telen van bouvardia. Daarbij had zij problemen ondervonden, met name als gevolg van wortelrot door Pythium. Dit is door [eiser] niet gemotiveerd weerlegd. De omstandigheid dat er van de bouvardiateelt in die periode geen kweekverslagen zijn overgelegd, brengt evenmin mee dat er dus toch sprake moet zijn geweest van uitval door TSWV. Chrywijk heeft over die verslagen aangevoerd dat die nooit zijn opgemaakt, terwijl niet is betwist dat dit ook geen verplichting is. Chrywijk heeft voorts, onderbouwd met een brief van [naam 2], aangevoerd dat er in haar bedrijf nooit een besmetting met TSWV is geconstateerd. Uit de gestelde omstandigheid dat er ook sprake kan zijn van een latente TSWV besmetting, zonder dat daarvan in de planten symptomen waarneembaar zijn, wat Chrywijk betwist, maar waarvan zij wel erkent dat er theorieën van die strekking bestaan, kan evenmin worden afgeleid dat er sprake was van een TSWV-besmetting. Hooguit kan dan worden aangenomen, dat niet kan worden uitgesloten dat er door TSWV geïnfecteerde planten bij Chrywijk aanwezig zijn geweest. Verdere onderbouwing van dat daadwerkelijk sprake was van TSWV-aantasting is niet gegeven, zodat de rechtbank die stelling als onvoldoende gemotiveerd passeert. Ten aanzien van de omstandigheid dat niet kan worden uitgesloten dat sprake was van een latente, niet waarneembare besmetting met TSWV, geldt dat dit kennelijk dan voor alle telers van bouvardia en chrysanten zou gelden. Daarbij komt dat, zoals Chrywijk heeft aangevoerd en door [eiser] niet gemotiveerd is weerlegd, bij Chrywijk ondanks de gevoeligheid van chrysanten voor aantasting door TSWV enige latente besmetting nooit tot een daadwerkelijk aantasting heeft geleid, ook niet in de periode na 6 maart 2015, wat dus latente aanwezigheid van TSWV, ook in die tijd onwaarschijnlijk maakt. [eiser] heeft voorts niet onderbouwd dat de enkele omstandigheid dat niet kan worden uitgesloten dat sprake zou zijn geweest van een latente TSWV besmetting, reeds een zo’n groot risico betekent dat dit extra eisen met zich brengt ten aanzien van de opslag van het plantenafval door Chrywijk.

4.8.

Dat er enige tripsen in de kas bij Chrywijk aanwezig waren is door Chrywijk niet betwist. Anderzijds heeft [eiser] niet betwist dat

  • -

    er bij haar ook (al voor 6 maart 2015) tripsen aanwezig waren,

  • -

    er op 2 maart 2015 in verband met aantasting van gewassen door tripsen in haar kas al Orion is uitgezet en

  • -

    er bij glastuinbouw altijd in meer of mindere mate tripsen aanwezig zijn.

Voor zover [eiser] stelt dat er bij Chrywijk meer tripsen waren dan de door Chrywijk erkende, relatief kleine hoeveelheid, heeft zij deze stelling niet onderbouwd. Chrywijk voert aan dat er bij haar bedrijf juist relatief heel weinig trips voorkwamen. Zij verwijst daarbij naar een brief van [naam 2] van 21 september 2015, die daarin schrijft:

De afgelopen jaren heb ik uw bedrijf regelmatig (1x per 4 tot 6 weken) bezocht. U bent relatief vrij geweest van trips op uw bedrijf, zeker wanneer de vergelijking wordt gemaakt met collega chrysantenkwekers. redenen hiervoor zijn:

  • -

    U past de chemische bestrijding toe met een door uw zelf ontwikkelde spray-master. De resultaten hiervan zijn zeer goed. Uit een proef met fluoriserend poeder op uw bedrijf is ook gebleken dat de verdeling en doordringing met de spray-master uitermate goed is.

  • -

    U past een zeer lage tolerantie toe ten aanzien van trips op uw bedrijf. Bij de constatering van oplopende aantallen grijpt u direct en konsekwent in met hoge frekwentie van spuiten. Als het moet 4 tot 5x per week.

Dit alles heeft geresulteerd in een positie op de veilingklok waarbij u als één van de telers wordt genoemd die zijn product zeer schoon aanvoert. Een voorbeeld voor anderen.

[eiser] heeft daar niets tegen in gebracht. In het door haar ingebrachte rapport van [naam 4] van 23 oktober 2015, wordt, uitgaande van de zijdens Chrywijk aangeleverde gegevens, die op zich niet worden betwist, ten aanzien van tripsen erkend dat Chrywijk “op het punt van de bestrijding in de kas er alles aan gedaan heeft om de infectiedruk zo laag als praktisch mogelijk te houden”.

4.9.

Ten aanzien van de stelling dat tripsen in een ‘open afvalhoop’, en meer specifiek in de afvalbunker van Chrywijk, zich snel vermeerderen, heeft [eiser] feitelijk geen andere onderbouwing gegeven dan een verwijzing naar het rapport van [naam 4] van 23 oktober 2015. Daarin staat over dit onderwerp:

Overigens is een dergelijke afval naar mijn mening een perfect broeinest voor de in stand houding van tripsen waarvan het aannemelijk is dat er altijd tripsen bijzitten die virus met zich meedragen.

De door tegenpartij genoemde hoge temperaturen van 50-60 graden betreffen immers alleen de kern van de hoop en niet de buitenzijde die juist een optimale temperatuur voor het verder afkweken van larven tot volwassen trips betekenen temeer daar het de eerste decade van maart uitzonderlijk warm en rustig weer buiten was (bron KNMI).

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van [naam 4] te algemeen is en onvoldoende is onderbouwd om tot een deugdelijke onderbouwing te kunnen dienen van de genoemde stelling van [eiser]. Waarom een dergelijke afvalopslag een “perfect broeinest” zou zijn en dat de temperatuur aan de buitenzijde van de hoop optimaal zou zijn voor de vermeerdering van tripsen is door [naam 4] niet nader onderbouwd, nog daargelaten dat [naam 4] spreekt over “de in stand houding van tripsen” en niet concreet over vermenigvuldiging. Een verdere onderbouwing van haar stelling heeft [eiser] niet gegeven. Een deugdelijke onderbouwing van de stelling had van [eiser] wel mogen worden verwacht nu Chrywijk gemotiveerd betwist dat tripsen zich in een dergelijke opslag, en in ieder geval in de hare, (snel) vermenigvuldigen en daarbij aanvoert dat tripsen leven van sapstromen en levend blad en dat zij zich vermenigvuldigen als ze het naar hun zin hebben, dus, aldus Chrywijk, op een levende plant en niet op afval waar een composteringsproces plaatsvindt.

4.11.

De rechtbank stelt vast dat al met al onvoldoende is onderbouwd dat bij Chrywijk daadwerkelijk sprake was van een TSWV-besmetting, dat in de gewassen van Chrywijk sprake was van meer dan de met bestrijding in redelijkheid te realiseren minimale hoeveelheid tripsen en dat de wijze van opslag vermeerdering van tripsen in de hand heft gewerkt. De stellingen op die punten zijn feitelijk niet meer dan niet concreet onderbouwde veronderstellingen. Nu niet is gebleken van daadwerkelijke TSWV-aantasting in de planten van Chrywijk, zijn de in r.o. 4.6. onder 2 en 3 genoemde stellingen van [eiser], dat aangetaste planten zo snel mogelijk moeten worden afgevoerd naar een veilige opslagplaats, wat de open opslagplaats van Chrywijk niet was, niet relevant.

4.12.

Wat overblijft is de nabijheid van de afvalopslag van Chrywijk op enkele tientallen meters bij de kas van [eiser], de gevoeligheid van paprikagewassen voor TSWV, het weer en de windrichting op 6 en 10 maart 2015 en de omstandigheid dat er altijd sprake is van de aanwezigheid van enige tripsen in chrysanten en bouvardia’s en ook in het afval daarvan. Deze omstandigheden zijn door Chrywijk niet betwist. Daarnaast geldt nog de, wel betwiste, omstandigheid dat ondanks dat bij Chrywijk geen TSWV-aantasting van bouvardia’s waarneembaar was er nog sprake kan zijn geweest van een latente besmetting.

4.13.

De rechtbank is echter van oordeel dat die omstandigheden nog niet met zich brengen dat de opslag in een open afvalbunker en het op 6 en 10 maart 2015 leeghalen daarvan met een grijpkraan een dusdanig groot risico op een tripsenplaag en/of een TSWV-uitbraak bij [eiser] opleverde dat Chrywijk zich daarvan had moeten weerhouden, althans niet zonder nadere toelichting, die opnieuw ontbreekt.

Daarbij overweegt de rechtbank dat:

- niet onderbouwd is dat, nu er niet van een bovenmatige hoeveelheid tripsen in de afvalbunker kan worden uitgegaan, er toch een aanmerkelijk risico was dat er een aanzienlijke hoeveelheid tripsen tijdens het leeghalen van die afvalbunker over een afstand van enkele tientallen meters door de ramen van de kassen van [eiser] naar binnen zouden waaien, noch om hoeveel tripsen het dan zou gaan;

- niet onderbouwd is waarom dit dan een voor [eiser] onbeheersbaar probleem zou vormen dat zij, anders dan bij de ‘reguliere’ aanwezigheid van tripsen in haar kas, niet meer zou kunnen bestrijden;

- niet onderbouwd is hoe groot dan het risico was dat de gewassen van [eiser] met TSWV besmet zouden raken (nu niet kan worden uitgegaan van een TSWV-uitbraak bij Chrywijk) en hoe groot het risico dan was dat die TSWV-uitbraak dan niet meer zou zijn in te dammen.

De conclusie is dat onvoldoende is onderbouwd dat het handelen van Chrywijk, afgezet tegen het altijd aanwezige, niet weersproken, algemene risico op schade door tripsen en TSWV, voor [eiser] een zodanig gevaar voor haar gewassen opleverde dat Chrywijk zich daarvan had dienen te onthouden. Ook op dit punt is het slechts bij speculaties gebleven.

4.14.

[eiser] heeft nog aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat de tripsenplaag en de TSWV-uitbraak veroorzaakt is door (het ruimen van) de afvalhoop van Chrywijk, omdat

  • -

    [eiser] het voorafgaande jaar een hele goede oogst had, zonder ziekten of plagen

  • -

    zij de kas vóór de nieuwe oogst heeft gereinigd en ontsmet en preventief heeft gespoten met Vertimec, een middel tegen trips,

  • -

    TSWV niet latent in paprikaplanten aanwezig kan zijn,

  • -

    er vóór het laten legen van de afvalhoop door Chrywijk niets aan de hand was,

  • -

    besmetting uit de vrije natuur, gelet op de tijd van het jaar, zeer onwaarschijnlijk zou zijn en er dan ook meestal maar een uitval plaatsvindt van 5-10%.

Echter, wat er ook zij van deze, door Chrywijk betwiste stellingen, en in het midden gelaten of op basis daarvan een causaal verband zou kunnen worden aangenomen, ook indien er van zou worden uitgegaan dat de tripsenplaag en TSWV-uitbraak is veroorzaakt door besmetting vanuit de opslag tijdens het ruimen van het afval door Chrywijk, betekent dat nog niet dat Chrywijk onrechtmatig heeft gehandeld. Dit (gestelde) causaal verband tussen het handelen en de schade brengt immers nog niet mee dat dit handelen ook zo risicovol is geweest dat Chrywijk zich daarvan, met in achtneming van de in r.o. 4.4. genoemde criteria, had moeten onthouden en dat haar gedrag daarom onrechtmatig was.

4.15.

De conclusie is dat onvoldoende is onderbouwd en dus niet is komen vast te staan dat Chrywijk onrechtmatig heeft gehandeld en dat de vordering van [eiser] reeds om die reden niet kan worden toegewezen. De stellingen omtrent het causaal verband, de eigen schuld en de hoogte van de schade kunnen daarom verder onbesproken blijven.

4.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Chrywijk worden begroot op:

- griffierecht 4.030,00

- salaris advocaat 6.198,00 (2,0 punten × tarief € 3.099,00)

Totaal € 10.228,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Chrywijk tot op heden begroot op € 10.228,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Meijer, rolrechter, op 8 april 2020.