Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3201

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
05/194560-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak meineed en ontslag van alle rechtsvervolging voor mishandeling door agent. De rechtbank is van oordeel dat de agent verontschuldigbaar heeft gedwaald en een geslaagd beroep kan doen op een putatieve strafuitsluitingsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/194560-19

Datum uitspraak : 1 juli 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ,

raadsvrouw: mr. M. van der Steeg, advocaat te Deventer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2020.

De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Arnhem, in elk geval in Nederland, in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van [slachtoffer]

op 7 februari 2019 om 04.00 uur op 7 februari 2019, schriftelijk, persoonlijk of door een bijzondere daartoe gemachtigde opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten: "Verdachte zat namelijk in een hoekje en wilde zijn armen niet laten zien" en/of

"Ook wilde de verdachte niet opstaan en deed hij niet wat ik hem opdroeg";

2.

hij op of omstreeks 7 februari 2019 te Arnhem, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans in ieder geval éénmaal met een wapenstok tegen en/of op zijn (linker)(onder)arm en/of bovenlichaam, in elk geval tegen en/of op zijn

lichaam te slaan.

Opbouw van het vonnis

  1. Inleiding

  2. Standpunt van de officier van justitie

  3. Standpunt van de verdediging

  4. Beoordeling door de rechtbank

  5. De beslissing

1 Inleiding

In deze zaak is het aan de rechtbank om te oordelen over het handelen van verdachte in zijn functie van politieman. De rechtbank is zich ervan bewust dat vervolging van een politieman voor een mogelijk strafbaar feit begrijpelijkerwijs zeer gevoelig ligt. Door de moeilijke en extreme omstandigheden waaronder de politie soms haar werk moet doen, dient de uitoefening van geweld door politiefunctionarissen met behoedzaamheid te worden beoordeeld. Daartegenover staat de omstandigheid dat de wetgever in het kader van de opsporing en de preventie van strafbare feiten aan de politie het geweldsmonopolie heeft toebedeeld. Dat geweldsmonopolie brengt een grote verantwoordelijkheid voor politieambtenaren met zich mee en stelt terecht hoge eisen aan het aanwenden van geweld en het ter hand nemen en daadwerkelijk gebruiken van wapens, zoals de wapenstok of in het uiterste geval het dienstvuurwapen. Anders gezegd: de keerzijde van het geweldsmonopolie waarover de politie moet kunnen beschikken om haar taken op een goede wijze te kunnen uitoefenen, is dat burgers tegen ongerechtvaardigde en niet gelegitimeerde toepassing van geweld moeten worden beschermd. Dat is de achtergrond waartegen de rechtbank oordeelt.

In deze zaak draait het eerst en vooral om de vraag of de door verdachte toegepaste geweldshandelingen strafrechtelijk verwijtbaar zijn. Meer juridisch gesteld: heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling? Of waren deze geweldshandelingen gelegitimeerd dan wel verontschuldigbaar en komt aan verdachte een beroep op een strafuitsluitingsgrond toe? Ook aan de orde is de vraag of verdachte schuldig is aan meineed door over het door hem toegepaste geweld bewust een valse schriftelijke verklaring op te stellen.

In de kern vindt de officier van justitie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling door zonder noodzaak met zijn wapenstok in te slaan op een (aan te houden) man. Deze man voldeed wel aan het bevel van verdachte om de handen te laten zien. Dat weerhield verdachte er echter niet van om toch geweld tegen de man te gebruiken. Ook vindt de officier van justitie verdachte schuldig aan meineed. Verdachte heeft bewust gelogen over wat er is gebeurd door in een proces-verbaal valselijk op te schrijven dat de aan te houden man niet voldeed aan de bevelen van verdachte, aldus de officier van justitie.

De verdediging stelt daar, kort gezegd, tegenover dat verdachte de situatie verkeerd heeft beoordeeld en dat verdachte de handen van de man helemaal niet heeft gezien. Door de verkeerde waarneming was verdachte in de veronderstelling dat de man niet voldeed aan zijn bevelen. Daarom heeft verdachte zich genoodzaakt gezien geweld toe te passen om zo de man onder controle te brengen. Volgens de verdediging valt verdachte strafrechtelijk niets te verwijten en is hij ook niet schuldig aan meineed. Verdachte heeft niet opzettelijk de gebeurtenissen anders of verkeerd opgeschreven.

Hierna worden eerst de standpunten van de officier van justitie respectievelijk van de verdediging uiteengezet. Vervolgens zal de rechtbank haar beoordeling van de zaak geven. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank.

2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Aangevoerd is dat verdachte geen beroep kan doen op de rechtvaardigingsgrond van artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De betreffende man, [slachtoffer] , bood tijdens zijn aanhouding geen verzet en voldeed aan de bevelen van verdachte. Toch sloeg verdachte vervolgens [slachtoffer] meerdere keren met zijn wapenstok. Verdachtes handelen voldoet niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voortvloeiend uit artikel 7 van de Politiewet 2012.

De officier van justitie heeft voorts gesteld dat verdachte wel strafbaar is, omdat er geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet zou hebben gezien dat [slachtoffer] zijn armen omhoog deed op het moment dat hem dat werd bevolen. Artikel 42 Sr kent geen putatieve variant, dus verdachte kan geen beroep hierop doen. Verdachte heeft niet verontschuldigbaar gedwaald ten aanzien van de feiten. Op de camerabeelden van de deurbelcamera is duidelijk te zien dat er verlichting is in de steeg. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] zweette in zijn gezicht, terwijl armen makkelijker zichtbaar zullen zijn dan zweetdruppels op een gezicht en bovendien de armen van [slachtoffer] zich naast diens hoofd bevonden. Uit de camerabeelden blijkt nadrukkelijk dat [slachtoffer] zijn armen goed zichtbaar omhoog houdt. Dat moet, zeker van korte afstand, zichtbaar zijn geweest voor verdachte.

Het is ook niet aannemelijk dat verdachte de situatie anders heeft beleefd, los van of in combinatie met de lichtsituatie ter plaatse. Verdachte heeft kort na de aanhouding tegen zijn collega [naam 1] gezegd dat hij mogelijk een tik te veel had uitgedeeld. Als verdachte het daadwerkelijk anders had beleefd, is dit volgens de officier van justitie een vreemde opmerking. Het is ook vreemd dat verdachte niet heeft gewacht op assistentie van andere collega’s. Als hij werkelijk bang zou zijn geweest is het niet logisch dat hij alleen op [slachtoffer] afstapte met zijn wapenstok. De directheid waarmee verdachte op [slachtoffer] afstapte en het hem al schreeuwend meteen beginnen te slaan met een wapenstok, is volgens de officier van justitie ook een aanwijzing dat verdachte niet dacht dat [slachtoffer] niet meewerkte. Het is juist een aanwijzing dat verdachte doelbewust zijn woede op [slachtoffer] heeft gekoeld.

Verder heeft de officier van justitie gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed. Hiertoe is aangevoerd dat verdachte bewust een valse verklaring heeft afgelegd. Hij heeft hiermee achteraf zijn geweldstoepassing willen rechtvaardigen.

De officier van justitie heeft daarom geëist dat verdachte voor meineed (ten laste gelegd als feit 1) en mishandeling (ten laste gelegd als feit 2) zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van 2 jaren.

3 Standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft bepleit dat verdachte niet het doel had om bij [slachtoffer] pijn te veroorzaken of hem letsel toe te brengen. Verdachte had het doel om hem aan te houden en onder controle te brengen. Opzet op het toebrengen van pijn of letsel ontbrak en daarom is verzocht om verdachte vrij te spreken van de mishandeling.

Of [slachtoffer] letsel heeft opgelopen bij de aanhouding is onduidelijk volgens de verdediging. Na de aanhouding is weliswaar een bult op zijn linker onderarm geconstateerd, maar [slachtoffer] heeft niet aangegeven dat deze bult is veroorzaakt door het geweldgebruik. Op 20 februari 2019 is [slachtoffer] pas onderzocht in het ziekenhuis en is een fractuur in zijn arm geconstateerd. Gezien zijn (ook toen weer) agressieve en onberekenbare gedrag (de beveiliging van het ziekenhuis moest er aan te pas komen) is allerminst uit te sluiten dat de fractuur niet tijdens de aanhouding, maar op een ander tijdstip is ontstaan.

Indien wel sprake is van mishandeling dan vindt de verdediging dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat voor deze zaak het beginsel van ‘geen straf zonder schuld’ geldt. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat hij als politieagent geweld gebruikte terwijl dit mocht, in een situatie dus waarop de strafuitsluitingsgrond van artikel 42 Sr van toepassing was. Verdachte dacht namelijk dat [slachtoffer] niet voldeed aan zijn luid en duidelijk gegeven vordering om zijn handen omhoog te doen. Het was donker, hij was gescheiden geraakt van zijn partner, hij was eerder die avond al in aanraking gekomen met [slachtoffer] die onvoorspelbaar en agressief gedrag vertoonde, hij was bang voor [slachtoffer] en er was sprake van slaapdeprivatie. Gezien al deze factoren, tegen de achtergrond van de inhoud van het rapport van prof. [naam 2] , is het aannemelijk dat verdachte verontschuldigbaar een verkeerde waarneming heeft gedaan. Daarmee is ook sprake van een verontschuldigbare rechtsdwaling. Verdachte heeft namelijk, uitgaande van die dwaling, proportioneel en subsidiair gehandeld door zijn wapenstok te gebruiken. Hierbij is gewezen op de jurisprudentie dat terughoudendheid moet worden betracht ten aanzien van de beoordeling van geweldgebruik door de politie. Verdachte kan gezien het voorgaande een geslaagd beroep doen op afwezigheid van alle schuld in de vorm van een putatieve strafuitsluitingsgrond.

Tot slot heeft de verdediging vrijspraak bepleit voor meineed. Verdachte heeft nooit het opzet gehad om de gebeurtenissen anders of verkeerd te schetsen. Hij heeft het incident beschreven zoals hij het die nacht heeft waargenomen.

4 Beoordeling door de rechtbank

Voor de leesbaarheid en begrijpelijkheid van dit vonnis gaat de rechtbank hierna eerst in op de vraag of de door verdachte toegepaste geweldshandelingen strafrechtelijk verwijtbaar zijn (paragraaf a). Daarna komt de vraag aan de orde of verdachte schuldig is aan meineed, hoewel meineed als feit 1 ten laste is gelegd (paragraaf b).

a. Beoordeling van de geweldshandelingen door verdachte

Bij de beoordeling van de geweldshandelingen dient de rechtbank de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Heeft verdachte zich door het toepassen van geweld tegen [slachtoffer] schuldig gemaakt aan mishandeling?

  2. En zo ja, zijn de geweldshandelingen verontschuldigbaar?

Ad i) Is sprake van mishandeling? 1

Mishandeling is het aan een ander opzettelijk toebrengen van pijn of lichamelijk letsel, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.

Vaststaat dat verdachte op 7 februari 2019 in Arnhem [slachtoffer] drie keer met zijn wapenstok heeft geslagen.2 Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] pijn en letsel heeft ondervonden als gevolg van deze slagen. [slachtoffer] zelf heeft verklaard dat hij pijn had na het slaan.3 Daarnaast was kort na de aanhouding van [slachtoffer] te zien dat hij een bult had op zijn linker onderarm.4 En tot slot is op 20 februari 2019 op een röntgenfoto van de linker onderarm een fractuur gezien van de ellepijp, vlakbij het polsgewricht.5

Door bewust en gericht op of in de richting van het lichaam te slaan met de wapenstok heeft verdachte ook het opzet gehad op het toebrengen van pijn of letsel. Degelijke handelingen veroorzaken naar hun aard pijn en/of letsel. Dat het primaire doel van verdachte enkel was om [slachtoffer] onder controle te houden en niet om hem pijn te doen of te verwonden, maakt niet dat het opzet ontbreekt.

Bestond er voor de handelingen van verdachte een rechtvaardigingsgrond? De geweldstoepassing door een politieagent kan gerechtvaardigd zijn indien deze daarbij of daarmee handelt ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, zoals de op Politiewet gebaseerde politiële handhaving of ter uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden. Zo mogen politieagenten, onder omstandigheden en met strikte waarborgen, geweld gebruiken indien dat noodzakelijk is om een persoon onder controle te brengen teneinde deze aan te houden. Verdachte heeft verklaard dat hij geweld heeft gebruikt omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer] niet voldeed aan zijn bevel om zijn handen te laten zien. De rechtbank heeft echter vastgesteld - zoals verdachte zelf ook heeft geconstateerd - dat op de camerabeelden te zien is dat [slachtoffer] wel degelijk voldeed aan dit bevel en dat [slachtoffer] vrijwel direct zijn armen omhoog deed. Dat maakt dat verdachte op dat moment geen reden (meer) had om geweld toe te passen voor het onder controle brengen van [slachtoffer] . Het door verdachte toegepaste geweld was dus objectief gezien niet gerechtvaardigd, hetgeen verdachte zelf na het zien van de camerabeelden ook heeft erkend. De slotsom moet dus zijn dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] .

Naar het oordeel van de rechtbank is daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op of omstreeks 7 februari 2019 te Arnhem [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen met een wapenstok tegen en/of op zijn linker onderarm en/of op zijn lichaam te slaan. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen; v

erdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het bewezenverklaarde kwalificeert als mishandeling.

Ad ii) zijn de geweldshandelingen toch verontschuldigbaar?

Hoewel sprake is van mishandeling, kan het onder (uitzonderlijke) omstandigheden toch zijn dat verdachte daarvan géén strafrechtelijk verwijt mag worden gemaakt.

Verdachte heeft verklaard te hebben waargenomen dat [slachtoffer] zijn handen niet liet zien. Naar eigen zeggen is verdachte er daarom van uitgegaan dat [slachtoffer] niet voldeed aan zijn bevel. Om [slachtoffer] desondanks onder controle te brengen heeft verdachte geweld toegepast. Verdachte zegt daarmee te hebben verkeerd in de veronderstelling dat hij heeft gehandeld conform ambtsinstructie en dat er voor hem dus een rechtvaardiging bestond voor het door hem toegepaste geweld. Meer juridisch uitgedrukt: verdachte beroept zich erop dat hij verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent het bestaan van een rechtvaardigingsgrond voor het toegepaste geweld en dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.

De vraag is of het handelen van verdachte inderdaad verontschuldigbaar is. Indien een verdachte verontschuldigbaar dwaalt omtrent het bestaan van een rechtvaardigingsgrond kan een beroep op afwezigheid van alle schuld worden gedaan. Als dat beroep slaagt, moet ontslag van rechtsvervolging volgen. In dit geval komt de rechtbank tot het oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte de situatie verkeerd heeft waargenomen en dat hij daarom geweld heeft toegepast. Er is sprake van een dwaling door verdachte omtrent de rechtvaardiging voor het door hem toegepaste geweld tegen [slachtoffer] . Deze dwaling is verontschuldigbaar gelet op de omstandigheden waaronder hij moest handelen. Het door verdachte toegepaste geweld, uitgaande van die dwaling, voldeed bovendien aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarom is sprake van afwezigheid van schuld. Verdachte zal worden ontslagen van rechtsvervolging.

Dit oordeel wordt hierna toegelicht. Daartoe worden eerst de feiten en omstandigheden die voorafgingen aan en gepaard gingen met de geweldstoepassing door verdachte.

Feiten en omstandigheden

Op basis van de camerabeelden en de verklaringen van verbalisanten [naam 3] , [naam 4] , [naam 1] en verdachte zelf zijn de volgende feiten en omstandigheden aannemelijk geworden.

Op 7 februari 2019 had verdachte nachtdienst samen met zijn collega [naam 1] . Die nacht kregen zij een melding dat drie mannen zich vervelend gedroegen in het uitgaansgebied van Arnhem. Toen zij ter plaatse kwamen, in burger, zagen zij dat drie mannen een portier lastig vielen. Eén van deze mannen was [naam 5] , die zich intimiderend gedroeg tegenover deze portier. [naam 5] stond bij verdachte ambtshalve bekend als een geweldpleger die in verband gebracht werd met vuurwapenbezit. [slachtoffer] was één van de andere mannen. Twee collega’s in uniform hebben de drie mannen vervolgens weggestuurd. Later die nacht kregen verdachte en zijn collega opnieuw een melding dat dezelfde drie mannen – waaronder dus ook [slachtoffer] – weer vervelend aanwezig waren in het uitgaansgebied in Arnhem. Verdachte en [naam 1] zagen dat de mannen de openbare orde verstoorden en vervelend waren tegen het daar aanwezige uitgaanspubliek. Verdachte zag dat ze onvast ter been waren en vervelend waren richting vrouwen. Nadat aan de mannen duidelijk was gemaakt dat verdachte en [naam 1] van de politie waren, hebben zij hen gevorderd het uitgaansgebied te verlaten. [naam 3] en [naam 4] voegden zich bij [naam 1] en verdachte en vervolgens begonnen de mannen te schreeuwen en te schelden tegen de politieagenten. De mannen bleven doorgaan met het schreeuwen van de beledigingen, er werd vooral veel gescholden met ‘kanker’. Hierop werd, omdat er veel publiek was en dergelijke uitlatingen afbreuk (kunnen) doen aan het gezag van de politie, besloten om de drie mannen aan te houden. Toen die zich uit de voeten maakten gingen beide agenten-koppels elk naar hun eigen dienstauto. [naam 1] en verdachte zijn de mannen vervolgens gelijk gaan zoeken. Toen zij de drie mannen even later in elkaars nabijheid aantroffen is verdachte, die de politieauto bestuurde, gestopt. [naam 1] , de bijrijder, zei vanuit de auto richting [slachtoffer] dat zij van de politie waren, dat hij moest blijven staan en dat hij was aangehouden. Op het moment dat [naam 1] wilde uitstappen gooide of duwde [slachtoffer] een grote container in de richting van [naam 1] . Deze container raakte het portier dat hij zojuist had geopend. De andere twee mannen, [naam 6] en [naam 5] , waren op dat moment nog in de directe omgeving.

[naam 1] en verdachte zijn vervolgens (onbewust) opgesplitst geraakt. [naam 1] heeft te voet de achtervolging ingezet. Verdachte besloot toen om de auto om te rijden in een poging de mannen op te vangen en zijn collega te assisteren. Verdachte zag op dat moment zijn collega [naam 1] niet meer.

Uiteindelijk trof verdachte [slachtoffer] vervolgens aan in de [straatnaam] , een nauwe straat/steeg met aan beide zijden overwegend garageboxen. Het was nacht en dus was het donker. Verdachte had de koplampen van de auto aan staan en zag verdachte tegen een muur zitten. Verdachte stapte uit de auto en riep daarbij “Laat je handen zien”. Op de camerabeelden van de deurbelcamera is te zien dat [slachtoffer] aan dit bevel voldeed. Verdachte liep op [slachtoffer] af en heeft hem drie keer met zijn wapenstok geslagen. Terwijl hij [slachtoffer] sloeg, schreeuwde hij onder andere “vuile tyfus hond” en “wie denk je wel niet wie je bent, joh”. Nadat [slachtoffer] overeind was gekomen en werd geboeid door verdachte, stopte verdachte met schreeuwen en werd verdachte, zo is op de camerabeelden zichtbaar en hoorbaar, weer rustig.

Heeft verdachte een verkeerde waarneming gedaan en heeft hij dus gedwaald?

Zoals vastgesteld heeft [slachtoffer] op vordering van verdachte zijn handen wel laten zien. Verdachte heeft echter van meet af aan steeds (ook op ambtseed) verklaard dat hij heeft waargenomen dat [slachtoffer] zijn handen niet heeft laten zien en dat hij dus niet gezien heft dat [slachtoffer] zijn hanen wel omhoog stak direct nadat het bevel daartoe was gegeven. De twee scenario’s die dus voorliggen zijn ofwel (1) dat verdachte – in weerwil van zijn eigen verklaringen – de handen van [slachtoffer] wel degelijk heeft gezien maar desondanks doelbewust op [slachtoffer] heeft ingeslagen, zoals de officier van justitie heeft gesteld, ofwel (2) dat verdachte inderdaad een verkeerde waarneming heeft gedaan en van daaruit heeft gehandeld.

In opdracht van de verdediging is een rapport opgemaakt door deskundige prof. dr. [naam 2] , rechtspsycholoog. [naam 2] heeft hierbij in zijn algemeenheid opgemerkt dat de waarneming het resultaat is van de combinatie van wat er in werkelijkheid plaatsvindt, van de verwachtingen van de waarnemer en van eventuele factoren die waarnemingsfouten bevorderen. Hierbij is volgens [naam 2] ook van belang dat hetgeen wel zichtbaar is op camerabeelden, niet ook zichtbaar hoeft te zijn voor de waarnemer, in dit geval verdachte. Als sprake is van opnamen met een infraroodcamera kunnen de opnamen (beelden) volgens [naam 2] drastisch afwijken van hetgeen verdachte heeft kunnen zien.

[naam 2] heeft het volgende geconcludeerd:

“In de situatie in de [straatnaam] en het optreden van [verdachte] tegen [slachtoffer] komt een aantal factoren samen die ervoor kunnen hebben gezorgd dat hij de situatie verkeerd heeft beoordeeld. Ten eerste was hij waarschijnlijk in het bijzonder gestrest, ook omdat hij alleen moest optreden. Ten tweede verwachtte hij waarschijnlijk dat [slachtoffer] zich zou verzetten en problemen zou veroorzaken en wellicht gewapend was. Ten derde sliep [verdachte]

slecht gedurende de dagen dat hij nachtdienst had. Slaapdeprivatie heeft agressiever gedrag tot gevolg en het maken van foute beoordelingen.

De genoemde factoren culmineren in het maken van onjuiste oordelen en het doen van onjuiste waarnemingen en, tot slot, het ontstaan van herinneringsbeelden die niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Daaraan kunnen de slechte lichtomstandigheden ter plaatse hebben bijgedragen. Niet kan worden uitgesloten dat de opnames van de deurbelcamera de indruk wekken dat de waarnemingsomstandigheden beter waren dan ze in werkelijkheid waren.

Een camera is sowieso een slecht model voor het controleren van menselijke waarnemingen.”

[naam 2] heeft geconcludeerd dat niet kan worden aangenomen dat het scenario dat verdachte op het moment dat hij [slachtoffer] sloeg wist dat het onterecht was en daarop een onjuist proces-verbaal heeft opgemaakt, waarschijnlijker is dan het scenario dat verdachte op het moment van het slaan meende dat het terecht was om [slachtoffer] onder controle te houden en daarvan later een naar zijn oordeel juist proces-verbaal van heeft opgemaakt (de rechtbank begrijpt uit het rapport: en hij dus een verkeerde waarneming heeft gedaan).

Gezien het rapport van [naam 2] is het scenario dat verdachte een verkeerde waarneming heeft gedaan (en hij dus daadwerkelijk niet heeft waargenomen dat [slachtoffer] voldeed aan zijn vordering en zijn handen omhoog deed) een reële mogelijkheid. Een belangrijke factor bij het doen van een verkeerde waarneming is volgens van [naam 2] de lichtomstandigheid. De rechtbank overweegt dat de camerabeelden in het dossier afkomstig zijn van een infraroodcamera behorend bij een deurbel, recht tegenover en gericht op de plek waar [slachtoffer] op straat zat. De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat de beelden van de door verdachte gemaakte reconstructie (met een “gewone”, niet-infraroodcamera) in ieder geval aantonen dat het werkelijke zicht in de [straatnaam] gedurende de donkerte van de nacht beduidend slechter is dan op de camerabeelden van de deurbel het geval lijkt te zijn. Dit wordt ook ondersteund door de waarneming van de rechtbank dat zowel [slachtoffer] als verdachte zelf op de camerabeelden van de deurbel witte kleding lijken te dragen, terwijl zij in werkelijkheid allebei een donkergekleurde jas en een donkergekleurde broek droegen.

Verder overweegt de rechtbank dat het volgens [naam 2] zo kan zijn dat de koplampen van de auto juist voor slechter zicht hebben gezorgd. De rechtbank acht dit aannemelijk gezien haar eigen waarneming dat op de door verdachte gemaakte beelden te zien is dat de lichtbundel uit de koplampen van de auto scherp is afgetekend tegen de muur. Met andere woorden de overgang van het licht (in die lichtbundel) naar het donker (boven en onder die lichtbundel) is scherp begrensd zichtbaar. De armen van de zittende man zijn nog wel zichtbaar, maar vallen niet meer in de lichtbundel van de koplampen, maar juist in het veel donkerder stuk daarboven. Dit kan er naar het oordeel van de rechtbank juist voor hebben gezorgd dat voor verdachte de armen van [slachtoffer] in werkelijkheid niet zichtbaar waren althans slechter zichtbaar dan deze lijken te zijn op de infraroodbeelden.

Uit de verklaring van verdachte dat hij zag dat [slachtoffer] erg zweette, kan worden afgeleid dat verdachte bovendien gefocust was op het gezicht van [slachtoffer] . Het is op de door verdachte gemaakte beelden te zien dat de lichtbundel van de koplampen inderdaad het gezicht uitlichtte. Ook op de infrarood beelden lijkt dit het geval te zijn. Dat het hoofd van [slachtoffer] goed zichtbaar was, maakt niet dat zijn armen ook goed zichtbaar waren. [slachtoffer] droeg zoals gezegd donkere kleding en zat tegen een donkere muur aan, terwijl zijn hoofd werd uitgelicht. De rechtbank overweegt dat het mogelijk is dat hierdoor het contrast tussen het hoofd en de armen juist groter was door de koplampen en dat daardoor slechter zicht was op de armen voor verdachte.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank zonder meer aannemelijk dat de camerabeelden geen waarheidsgetrouwe weergave zijn van hetgeen verdachte ter plaatste heeft kunnen waarnemen en daadwerkelijk heeft waargenomen.

De tweede factor die [naam 2] noemt is het verwachtingspatroon. De rechtbank acht de volgende factoren van belang die het verwachtingspatroon van verdachte kunnen hebben bepaald:

  • -

    Uit de hele aanloop naar de aanhouding door verdachte blijkt dat [slachtoffer] zich vervelend en agressief gedroeg. [slachtoffer] was vermoedelijk onder invloed van alcohol en gedroeg zich onberekenbaar. [slachtoffer] heeft kort voor de aanhouding een grote container richting [naam 1] gegooid. Hieruit blijkt dat hij ook geweld richting politie niet schuwde. Verdachte was daarom, zoals hij verklaard heeft, bang voor [slachtoffer] ;

  • -

    [naam 3] heeft bevestigd dat [slachtoffer] bekend staat als een onberekenbare man bij haar en haar collega’s. [naam 3] heeft ook aangegeven dat zij ongerust was, aangezien verdachte en [naam 1] met zijn tweeën deze drie mannen moesten aanhouden;

  • -

    Op het moment dat verdachte uit de auto stapte rekende hij op een gewelddadige confrontatie met [slachtoffer] ;

  • -

    Uit de verklaring van [slachtoffer] zelf blijkt dat hij zich agressief gedroeg richting de politie die nacht, [slachtoffer] verklaart zelfs dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat hij hem zal neerschieten. Hieruit blijkt ook dat verdachte geen onjuiste inschatting heeft gemaakt ten aanzien van de gemoedstoestand en het mogelijke gedrag van [slachtoffer] ;

  • -

    verdachte was gescheiden van zijn partner [naam 1] geraakt en maakte zich zorgen om zijn partner;

  • -

    verdachte voelde de druk om [slachtoffer] aan te houden en zijn partner terug te vinden;

  • -

    de trainingen voor aanhouding zijn altijd voor situaties waarbij agenten in tweetallen optreden.

De rechtbank betrekt verder in haar overwegingen dat verdachte al drie nachtdiensten op rij had gewerkt, veel overuren gedraaid had in de periode voorafgaand aan het incident en recent vader was geworden. Dat er sprake was van slaapdeprivatie en dat dit van invloed is geweest op de waarneming van verdachte acht de rechtbank dan ook aannemelijk.

De rechtbank is van oordeel dat afgezien van de camerabeelden het dossier geen aanknopingspunten bevat waaruit kan worden afgeleid dat verdachte doelbewust – dat wil zeggen: wetende dat [slachtoffer] zijn handen wel omhoog hield – in strijd met de geweldsinstructies geweld heeft gebruikt. Het dossier bevat daarentegen juist wel contra-indicaties dat verdachte doelbewust heeft gehandeld, te weten:

  • -

    verdachte is een politieagent met een onberispelijke staat van dienst;

  • -

    verdachte heeft op het moment dat hij uit het dienstvoertuig stapte - blijkens cameraopnamen waarvan verdachte op dat moment niet wist dat ze gemaakt werden - direct geroepen dat [slachtoffer] zijn handen moest laten zien. Als verdachte [slachtoffer] hoe dan ook had willen slaan, ongeacht of dat geoorloofd was of niet, was dit overbodig geweest;

  • -

    vanaf het moment dat [slachtoffer] geboeid was en verdachte de situatie onder controle had, werd verdachte direct rustig. Dit past beter bij het door verdachte geschetste scenario dat hij bang was voor [slachtoffer] en heeft geslagen omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer] niet meewerkte aan zijn aanhouding;

  • -

    verdachte heeft na het weerzien met zijn collega [naam 1] direct gemeld dat hij geweld had toegepast en dat dit misschien een tik te veel was. Als verdachte doelbewust ongeoorloofd geweld had toegepast, acht de rechtbank het niet onwaarschijnlijk dat hij het gebruik van dit geweld zou hebben willen verhullen. Verdachte - die nog niet bekend was met het feit dat er opnames waren - heeft het gebruikte geweld – ook niet het aantal slagen – echter niet verhuld, maar juist direct gemeld. Dit past beter bij het scenario dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer] niet meewerkte aan zijn aanhouding. Dat verdachte tegen [naam 1] gezegd zou hebben dat hij mogelijk een tik te veel had uitgedeeld, maakt dit niet anders, maar lijkt eerder een oprechte uitlating van een agent die na een aanhouding twijfelt over de vraag of hij het goed heeft gedaan;

  • -

    verdachte heeft het toegepaste geweld direct gemeld bij de hulpofficier van justitie én direct in alle mutaties verwerkt. Dit past om de hierboven weergegeven reden naar het oordeel van de rechtbank beter bij het scenario dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer] niet meewerkte aan zijn aanhouding, dan bij het scenario dat verdachte [slachtoffer] doelbewust ongeoorloofd wilde slaan;

  • -

    verdachte heeft in het proces-verbaal van aanhouding van [slachtoffer] opgeschreven dat [slachtoffer] in een hoekje zat, terwijl dit feitelijk niet zo was. [slachtoffer] zat in een recht stuk van de steeg, naast een regenpijp. De verklaring van verdachte is ook op dit punt dus feitelijk onjuist. Deze onjuistheid heeft geen meerwaarde, sterker nog, het gebruik van geweld bij een aanhouding tegen iemand die zich in een hoek bevindt en geen kant op kan is wellicht minder snel geoorloofd dan wanneer dit gebeurt op een recht stuk straat. Deze onjuistheid past naar het oordeel van de rechtbank dan ook beter bij het scenario dat verdachte die bewuste nacht verkeerd heeft waargenomen;

  • -

    uit het gesprek met de IBT instructeur volgt dat het toegepaste geweld proportioneel was geweest indien [slachtoffer] zijn handen niet omhoog had gedaan.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat het aannemelijk is geworden dat verdachte een verkeerde waarneming heeft gedaan en dacht te zien dat [slachtoffer] zijn niet omhoog stak en dat [slachtoffer] daarmee dus niet voldeed aan het bevel van verdachte. Verdachte heeft dus gedwaald: hij verkeerde in de veronderstelling dat toepassing van geweld op dat moment gerechtvaardigd was om [slachtoffer] onder controle te brengen.

Bij de beantwoording van de vraag of de dwaling aan de zijde van verdachte verontschuldigbaar is, heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat van verdachte als politieambtenaar die is getraind in de omgang met geweld, meer dan van de gemiddelde burger mag worden verlangd dat hij in precaire en hectische situaties als hier aan de orde optreedt met de noodzakelijke zelfbeheersing en behoud van overzicht. Strafrechtelijk wordt dan gesproken van de zogenaamde Garantenstellung.

De rechtbank is van oordeel dat ook in het licht van deze Garantenstellung de dwaling verontschuldigbaar was, juist vanwege de genoemde stressvolle omstandigheden, slaapdeprivatie en slechte waarnemingsomstandigheden. De situatie was in het uitgaansgebied al gespannen, verdachte had te maken met personen die vermoedelijk onder invloed waren van alcohol en onvoorspelbaar en agressief gedrag vertoonden. Verdachte was gescheiden van zijn partner en er waren drie verdachten die moesten worden aangehouden. Verdachte is gaan zoeken en terechtgekomen in een donkere steeg waar hij [slachtoffer] zag zitten. [slachtoffer] had kort tevoren laten zien dat hij geweld tegen de politie niet schuwde. Het maakte hierbij niet uit dat [slachtoffer] op de grond zat, tijdens trainingen is gebleken dat een zittend persoon net zo goed gevaarlijk kan zijn als een staand persoon. Verdachte wist niet hoe de situatie op dat moment ervoor stond, in de zin dat hij niet wist of [slachtoffer] alleen was dan wel of de twee andere mannen in de directe nabijheid waren. Verdachte was alleen en wist niet waar zijn partner op dat moment was. Verdachte bevond zich in omstandigheden waarvoor hij eigenlijk nooit had getraind maar moest in een split-second de beslissing nemen om toch uit te stappen en [slachtoffer] aan te houden. De samenleving vraagt van politiemensen om ook in extreme en gewelddadige situaties te (blijven) handelen en niet terug te treden of terug te trekken maar om juist een stap naar voren te doen. Onder deze omstandigheden zag verdachte vervolgens – hetgeen de rechtbank dus aannemelijk acht - niet dat [slachtoffer] wel voldeed aan zijn vordering en deed toen daadwerkelijk die “stap naar voren” om een confrontatie voor te zijn met een onberekenbare en onvoorspelbare man die groter was dan verdachte. Verdachte was zoals gezegd bang voor [slachtoffer] en wilde ervoor zorgen dat hij na zijn dienst weer veilig kon terugkeren naar zijn gezin. Verdachte gebruikte daarom zijn wapenstok, om ervoor te zorgen dat hij de overhand kreeg en de situatie onder controle kon brengen. Gezien alle feiten en omstandigheden, is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald.

Proportionaliteit en subsidiariteit

Voor de vraag of verdachte een beroep toekomt op deze verontschuldigbare dwaling is tot slot nog van belang of verdachte, uitgaande van zijn verkeerde waarneming en daarmee in de veronderstelling verkerend dat [slachtoffer] niet meewerkte, [slachtoffer] mocht slaan met een wapenstok.

Voorop wordt gesteld dat bij de strafrechtelijke beoordeling van opsporingshandelingen van politieagenten in functie terughoudendheid moet worden betracht. De rechter mag niet, achteraf oordelend, zijn eigen beoordeling in de plaats stellen van die van een politieagent in de hitte van de strijd. Beoordeeld dient te worden of het toegepaste geweld aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldoet, niet of de politieagent redelijkerwijs een andere keuze had kunnen of zelfs had moeten maken.

[naam 7] en [naam 1] hebben verklaard dat zij de indruk hadden dat het toegepast van geweld door verdachte proportioneel was, gelet op de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] niet deed voldeed aan de vordering om zijn handen te laten zien.

Ook de IBT instructeur heeft geconcludeerd dat het handelen van verdachte voldeed aan de ambtsinstructie, uitgaande van de dwaling van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is een IBT instructeur deskundig op dit gebied en daarom geschikt om de situatie te beoordelen.

De rechtbank volgt de bevindingen van de verbalisanten over de proportionaliteit en subsidiariteit van het toegepaste geweld. Verdachte is weliswaar over de schreef gegaan in zijn verbale bejegening van het slachtoffer – wat het bekijken van de camerabeelden heftig maakt – maar dat doet niet af aan het feit dat het door verdachte toegepaste geweld, uitgaande van de verkeerde waarneming, proportioneel en subsidiair was.

Slotsom

Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte de situatie verkeerd heeft waargenomen en dat hij daarom geweld heeft toegepast. Verdachte heeft gedwaald de rechtvaardiging voor het door hem toegepaste geweld tegen [slachtoffer] . Deze dwaling was verontschuldigbaar, gelet op de omstandigheden waaronder verdachte heeft moeten handelen die nacht. Uitgaande van die dwaling voldeed het door verdachte toegepaste geweld bovendien aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarom is sprake van afwezigheid van schuld. De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

Beoordeling van de ten laste gelegde meineed (feit 1)

De rechtbank heeft ten aanzien van de mishandeling geconcludeerd dat op grond van verontschuldigbare dwaling sprake is van afwezigheid van alle schuld en dat verdachte zal worden ontslagen van rechtsvervolging. Aan dit oordeel ligt feitelijk ten grondslag dat verdachte de situatie verkeerd heeft waargenomen. Verdachte heeft deze verkeerde waarneming weliswaar geverbaliseerd, maar hij was zich niet bewust van het feit dat zijn waarneming onjuist was. Hiermee ontbreekt het opzet van verdachte op het afleggen of vastleggen van een valse verklaring. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van de ten laste gelegde meineed.

5 De beslissing

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit (meineed);

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit (mishandeling) heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit van mishandeling;

 verklaart verdachte daarvoor niet strafbaar en ontslaat verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en

mr. J.M. Graat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Langstraat, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [naam 8] en [naam 9] van de politie Oost Nederland, team Veiligheid, Integriteit en Klachten, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer [nummer] , gesloten op 11 juni 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal bevindingen camerabeelden deel II, p. 33; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juni 2020.

3 Het proces-verbaal van aangifte, p. 50.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] , p. 56.

5 De nagekomen medische verklaring van het [naam 10] gedateerd 25 september 2019.