Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3198

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
05-200852-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending van ambtsgeheim en computervredebreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/200852-18

Datum uitspraak : 30 juni 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsvrouw: mr. M. van der Steeg, advocaat te Deventer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 februari 2014 tot en met 28 juli 2016 te Apeldoorn, Rotterdam, Zutphen en/of Ridderkerk, althans in Nederland, een geheim waarvan zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift (te weten artikel 7 van de Wet Politieregisters), te weten politieambtenaar, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door in het (geautomatiseerd) bedrijfsprocessensysteem van de politie en/of BVI-IB, met gebruikmaking van een KENO-sleutel en/of het invoeren van persoonsgegevens, althans het invoeren van één of meerdere zoekslag(en), informatie over strafrechtelijke onderzoeken en/of informatie en/of persoonsgegevens en/of contactgegevens en/of kentekengegevens van één of meerdere perso(o)n(en) heeft bevraagd en/of opgezocht en/of uit dat systeem gehaald voor eigen privégebruik en/of gegeven aan [naam 1] (geboren [geboortedatum] ) en/of [naam 2] en/of [naam 3] ;

( art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 februari 2014 tot en met 28 juli 2016

te Apeldoorn, Rotterdam, Zutphen en/of Ridderkerk, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten het (geautomatiseerd) bedrijfsprocessensysteem van de politie en/of BVI-IB, is binnengedrongen met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten het (onbevoegd) gebruik maken van haar, verdachtes, gebruikersnaam en/of wachtwoord, en zij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk, waarin zij zich wederrechtelijk bevond voor haarzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen;

( art 138ab lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de zussen van verdachte onvoldoende betrouwbaar zijn om tot bewijs te kunnen dienen. Beiden hebben sterk wisselend verklaard. Ze hebben op punten aantoonbaar gelogen. Daarnaast zijn de familieverhoudingen complex. Er is mede daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 1 ten laste gelegde feit. Voor wat betreft feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank over de vraag of er wettig en overtuigend bewijs is voor de ten laste gelegde computervredebreuk, voor zover het gaat om raadplegingen van de politiesystemen anders dan uit dienstbelang van de directe familiekring van verdachte. Voor het overige moet verdachte worden vrijgesproken aangezien er onvoldoende bewijs is dat deze raadplegingen zijn gedaan vanwege privébelang.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Uit het onderzoek naar de raadplegingen met het account van verdachte van het bedrijfsprocessensysteem van de politie (BVI-IB) volgt dat in de periode van februari 2014 tot en met mei 2016 buiten de diensttijd van verdachte een groot aantal bevragingen zijn gedaan van (onderliggende) persoonsgegevens door bijvoorbeeld het invoeren van kentekens en/of zogenoemde keno-sleutels, waarmee personen kunnen worden gecheckt. Binnen die periode hebben er op 42 dagen verschillende bevragingen plaatsgevonden. In het proces-verbaal van onderzoek zijn de verschillende bevragingen uitgesplitst en geconcretiseerd. Zo heeft onder meer een onderverdeling in vier items plaatsgevonden.2 Onder item 3 zijn de bevragingen weergegeven en nader uitgewerkt die zijn gedaan met betrekking tot de namen die door de zussen van verdachte aan de politie zijn genoemd als personen van wie verdachte informatie met hen heeft gedeeld. Namen die worden genoemd zijn die van [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 3] .3

Verdachte heeft in haar verklaring van 20 mei 2019 een deel van de bevragingen die met haar account hebben plaatsgevonden, erkend. Zo heeft zij toegegeven dat zij bevragingen heeft gedaan met betrekking tot bijvoorbeeld haar broer [naam 8] , haar ex-vriend [naam 9] , haar zussen en ook zwager [naam 7] . Ten aanzien van deze bevragingen heeft zij desgevraagd in een aantal gevallen ook verklaard zelf geen idee te hebben wat het dienstbelang van die bevraging was of (anderszins meer of minder impliciet) toegegeven dat het dienstbelang ontbrak. Verdachte heeft samengevat gesteld (hetgeen bij pleidooi namens haar is herhaald) dat – voor zover zij zelf bevragingen heeft gedaan en voor zover dit niet uit dienstbelang was – zij dit ‘louter’ voor privégebruik heeft gedaan en dat zij geen opgevraagde gegevens met haar zussen [naam 1] en [naam 2] en/of [naam 3] heeft gedeeld. Zij heeft ten aanzien van [naam 4] en [naam 5] expliciet ontkend zelf de bevragingen te hebben gedaan. Van [naam 6] stelt zij dat zij zich niet kan herinneren of zij een bevraging heeft gedaan.4

Voor beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schending van haar ambtsgeheim is van belang om vast te stellen of verdachte informatie heeft gedeeld met haar zussen [naam 1] en [naam 2] en/of met voornoemde [naam 3] . Als dat het geval is, wordt daarmee invulling gegeven aan het ten laste gelegde bestanddeel van - kortgezegd - schending van het ambtsgeheim. Het ‘louter’ opvragen van informatie voor ‘privégebruik’ is gezien de wetsgeschiedenis onvoldoende om tot invulling van dit bestanddeel te komen (zie ECLI:NL:HR:2020:523).

Zoals reeds naar voren is gekomen, hebben de zussen [naam 1] en [naam 2] voor verdachte belastende verklaringen afgelegd over het delen van vertrouwelijke informatie. Anders dan door de verdediging naar voren is gebracht, acht de rechtbank deze verklaringen van de zussen wel betrouwbaar en zij zal deze dan ook bezigen voor het bewijs. Mede gelet op de overtuigende inbedding en bevestiging die deze verklaringen vinden in andere bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van voornoemd bestanddeel en dus van feit 1.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[naam 1] heeft in haar getuigenverhoren bij de politie concreet en gedetailleerd een aantal namen en situaties beschreven waarin verdachte met haar gegevens heeft gedeeld.5 Bij de rechter-commissaris heeft [naam 1] haar eerdere verklaringen bevestigd en nog eens herhaald dat haar zus inderdaad personen voor haar heeft opgezocht. [naam 1] heeft samengevat verklaard dat verdachte informatie heeft opgezocht voor de bevriende [naam 3] . Ze heeft ook verteld dat verdachte voor haar persoonlijk ‘een aantal jongens’ heeft opgezocht en ook familieleden. Vervolgens heeft zij uitgebreid verteld hoe verdachte informatie opzocht en aan haar doorspeelde over [naam 4] . Ook heeft verdachte informatie met haar gedeeld over [naam 10] , die had verteld dat hij agent was maar dat niet bleek te zijn. Daarnaast heeft verdachte informatie gedeeld over hun zwager [naam 7] .6

[naam 2] heeft in haar getuigenverhoren bij de politie eveneens concreet en gedetailleerd verklaard over situaties waarin verdachte met haar informatie over personen heeft gedeeld.7 [naam 2] heeft daarna weliswaar bij haar getuigenverhoor bij de rechter-commissaris (RC verhoor [naam 2] , 4 februari 2019) verklaard dat niet verdachte maar zijzelf de gegevens heeft opgezocht op de telefoon van verdachte, maar zij heeft vervolgens bij de rechter-commissaris (eenmaal in de hoedanigheid van verdachte van meineed) over dat verhoor gezegd dat zij heeft gelogen voor dan wel ten gunste van verdachte en dat ze met verdachte vooraf overleg had gehad. Daarnaast is de informatie die [naam 2] in haar getuigenverklaring bij de rechter-commissaris heeft verteld over de samenstelling van een keno-sleutel waarmee zij zelf informatie zou hebben ontsloten aantoonbaar onjuist in het licht van wat de politie zelf relateert over de samenstelling (zie pagina 73 van het PV van onderzoek van [naam 12] als voornoemd). [naam 2] heeft samengevat verklaard dat verdachte voor haar informatie heeft opgezocht over een vriendje in Rotterdam, [naam 5] . Verdachte wist haar te vertellen dat er een sterretje bij zijn naam stond en dat hij een drugsgebruiker is. Ook heeft verdachte informatie opgezocht en gedeeld over zwager [naam 7] . Verdachte heeft haar ook verteld dat zij informatie had opgezocht voor [naam 3] , dat ze namen en kentekens voor hem opzocht. Het is een keer voorgevallen dat verdachte bij haar op bezoek was en in paniek door [naam 3] gebeld werd.8

Niet alleen verklaren beide zussen bij de politie concreet en gedetailleerd over het delen van informatie door verdachte, hun verklaringen versterken in algemene zin elkaar ook over en weer over het gedrag van verdachte. Sprekend is bijvoorbeeld hetgeen zij vertellen over het delen door verdachte van informatie over zwager [naam 7] .

De door de zussen genoemde namen van wie verdachte volgens hen verdachte informatie heeft gedeeld ( [naam 4] , [naam 10] , zwager [naam 7] , [naam 3] ) blijken volgens voornoemd onderzoek daadwerkelijk ook bevraagd met de account van verdachte, hetgeen met name is uitgewerkt onder item 3 van het proces-verbaal van onderzoek. Hieruit volgt onder meer dat inderdaad het kenteken van [naam 3] is bevraagd in april 2016.9 [naam 3] heeft zelf in april 2018 tegenover de politie verklaard dat verdachte hem een keer heeft nagetrokken in de politieregisters, dat hij denkt dat dat twee jaar eerder was en dat zij destijds de uitkomst ook aan hem heeft verteld.10 [naam 1] heeft aangaande [naam 4] onder andere aan de politie verteld dat verdachte met haar deelde dat tegen hem een aangifte is gedaan van bedreiging van een homoseksuele man. De juistheid van deze hele specifieke politie-informatie wordt bevestigd door het onderzoek van de politie. [naam 4] kon zich tegenover de politie ook herinneren dat hij van [naam 1] hoorde dat verdachte hem had nagetrokken.11

Een en ander maakt de belastende verklaringen van de zussen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Hun belastende verklaringen vinden, zoals hiervoor uiteengezet, op voor de rechtbank overtuigende wijze inbedding en bevestiging in andere bewijsmiddelen. Dat er kennelijk meer speelde tussen deze zussen enerzijds en verdachte anderzijds en dat dat mogelijk heeft meegespeeld bij de beslissing van de zussen om met de politie te gaan praten, doet daar niet aan af.

Over de wisselende verklaringen van verdachte zelf over de toedracht overweegt de rechtbank als volgt. De strekking en rode draad van haar verweer is kennelijk dat de door haar zussen genoemde personen niet door haar zijn nagetrokken maar dat één of beide zussen daar verantwoordelijk voor is of zijn. Deze stelling vindt echter geen enkel aanknopingspunt in andere verklaringen of bevindingen in het dossier en dit alternatieve scenario is ook overigens niet nader geconcretiseerd en verifieerbaar. Daarentegen is verdachte zelf inconsequent en wispelturig in haar verhaal. In eerste instantie heeft zij met grote stelligheid betoogd dat zij zeker weet dat [naam 2] degene is die haar diensttelefoon heeft gebruikt, maar vervolgens heeft zij in haar laatste verklaring de veronderstelling geuit dat als het niet [naam 2] was, het [naam 1] moet zijn geweest. Dat [naam 2] verantwoordelijk zou zijn voor de bevragingen in de politiesystemen wordt overigens ook weerlegd door de vaststelling dat [naam 2] aantoonbaar onjuist heeft verklaard over de samenstelling van keno-sleutels die zij gebruikt zou hebben bij bevragingen. De rechtbank neemt ook in breder perspectief in ogenschouw dat verdachte tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft zij in haar verhoor van juli 2018 nog stellig ontkend zwager [naam 7] überhaupt te hebben nagetrokken om daar vervolgens in haar verhoor uit mei 2019 (eenmaal geconfronteerd met nadere onderzoeksgegevens) op terug te komen. Ook is ze wisselend in haar verklaringen over het hoe, wat en waarom ze (kentekens op naam van) [naam 3] heeft bevraagd. In het licht van dit alles, acht de rechtbank de ontkenning van verdachte dat zij gegevens heeft gedeeld ongeloofwaardig.

Feit 2

Met betrekking tot feit 1 is bewezen verklaard dat verdachte in het bedrijfsprocessensysteem opgevraagde informatie over een aantal personen heeft gedeeld met haar zussen en [naam 3] Zodoende heeft zij met het opvragen van die informatie opzettelijk en wederrechtelijk gebruik gemaakt van haar inloggegevens. Deze bevragingen (van de vervolgens gedeelde informatie) vonden immers blijkens het onderzoek niet alleen buiten diensttijd plaats maar kenden bovendien geen enkel dienstbelang.

Verdachte wist dat zij de systemen slechts mocht raadplegen als dat noodzakelijk zou zijn voor de uitoefening van haar functie als opsporingsambtenaar en niet voor privézaken of uit nieuwsgierigheid. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte bij de niet-werkgerelateerde bevragingen de grenzen van haar autorisatie te buiten is gegaan. Die autorisatie was verdachte immers juist uitsluitend ter beschikking gesteld met betrekking tot de uitoefening van haar werk binnen de politie.

Door haar inloggegevens te gebruiken voor doeleinden die buiten de grenzen van haar autorisatie vallen, heeft verdachte onbevoegd gebruik gemaakt van de servers van de politie. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte daarmee opzettelijk en wederrechtelijk binnengedrongen in een geautomatiseerd werk in de zin van artikel 138ab Sr. Daarnaast heeft verdachte aldus, door de toegang te verwerven met behulp van haar inloggegevens, gebruik gemaakt van een valse sleutel in de zin van artikel 138ab, eerste lid, Sr.

Aldus heeft verdachte zich hiermee schuldig gemaakt aan de onder feit 2 ten laste gelegde computervredebreuk. Met betrekking tot de deels samenvallende gedragingen die zowel tot bewezenverklaring van feit 1 als feit 2 hebben geleid, is sprake van samenloop.

Daarnaast stelt de rechtbank het volgende vast. Bij het onderzoek naar de bevragingen met de account van verdachte is onder meer ook vastgesteld dat er (buiten diensttijd) bevragingen zijn gedaan met betrekking tot familieleden (haar zussen, broer [naam 8] , zwager [naam 7] , achterneef [naam 11] ) en ex-vriend [naam 9] .12 Verdachte heeft samengevat erkend dat deze bevragingen niet werkgerelateerd waren, maar voor privédoeleinden.13 Hiermee is het wettig en overtuigend bewijs gegeven dat zij zich ook met betrekking tot deze bevragingen schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk.

In het proces-verbaal van onderzoek zijn ook de zogenoemde kentekenbevragingen benoemd die buiten diensttijd (bijvoorbeeld tussen twee diensten in) hebben plaatsgevonden.14 Verdachte is in haar politieverhoor geconfronteerd met deze bevragingen en heeft gesteld dat ze denkt dat het gaat om kentekens waarvan ze overtredingen had geconstateerd en dat ze de raadplegingen heeft gedaan als ze bijvoorbeeld een bekeuring wilde uitschrijven. De politie heeft naar aanleiding van deze verklaring de kentekenbevragingen vergeleken met CJIB informatie over mogelijke bekeuringen op die kentekens op en rondom de datum van de bevragingen. Op een enkel kenteken na (3 van de 23 bevraagde kentekens) is komen vast te staan dat deze kentekens toen niet zijn geverbaliseerd. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat verdachte in haar vrije tijd maar wel uit dienstbelang het gros van de onderzochte kentekens heeft bevraagd. Ook ten aanzien van die bevragingen is gezien al het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van computervredebreuk.

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde computervredebreuk dan ook bewezen kan worden verklaard.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 februari 2014 tot en met 28 juli 2016 te Apeldoorn, Rotterdam, Zutphen en/of Ridderkerk, althans in Nederland,

een geheim waarvan zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij uit hoofde van ambt, beroep en/of wettelijk voorschrift (te weten artikel 7 van de Wet Politieregisters), te weten politieambtenaar, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door in het (geautomatiseerd) bedrijfsprocessensysteem van de politie en/of BVI-IB, met gebruikmaking van een KENO-sleutel en/of het invoeren van persoonsgegevens, althans het invoeren van één of meerdere zoekslag(en), informatie over strafrechtelijke onderzoeken en/of informatie en/of persoonsgegevens en/of contactgegevens en/of kentekengegevens van één of meerdere perso(o)n(en) heeft bevraagd en/of opgezocht en/of uit dat systeem gehaald voor eigen privégebruik en/of gegeven aan [naam 1] (geboren [geboortedatum] ) en/of [naam 2] en/of [naam 3] ;

2.

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 februari 2014 tot en met 28 juli 2016 te Apeldoorn, Rotterdam, Zutphen en/of Ridderkerk, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten het (geautomatiseerd) bedrijfsprocessensysteem van de politie en/of BVI-IB,

is binnengedrongen met behulp van valse signalen of een valse sleutel,

te weten het (onbevoegd) gebruik maken van haar, verdachtes, gebruikersnaam en/of wachtwoord, en zij vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk, waarin zij zich wederrechtelijk bevond voor haarzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of

opgenomen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

computervredebreuk, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 200 uren werkstraf, te vervangen door 100 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen en haar schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Subsidiair verzoekt zij uitsluitend een voorwaardelijke straf op te legen en meer subsidiair een geldboete.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 1 mei 2020.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan computervredebreuk. Zij heeft een groot aantal bevragingen gedaan in de computersystemen van de politie, zonder dat daartoe vanuit de uitoefening van haar politietaak enige aanleiding bestond. Daarnaast heeft zij in dezelfde periode haar ambtsgeheim geschonden door opgevraagde, vertrouwelijke informatie te delen met derden. Verdachte heeft met haar handelen niet alleen de privacy van burgers geschaad. Het opvragen en delen van vertrouwelijke informatie doet ernstig afbreuk aan de integriteit van politie en justitie. Daarmee heeft verdachte ook het vertrouwen van burgers in de politie geschaad. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Niet gebleken is dat verdachte criminele intenties heeft gehad met de bevragingen, in de zin dat zij informatie doorverkocht aan derden en/of dat zij derden heeft willen helpen bij criminele activiteiten. Het lijkt er eerder op dat sprake is geweest van een ernstige normvervaging door een politieambtenaar en van een (ook strafrechtelijk) ontoelaatbare vermenging van het werkdomein met de privésfeer. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte gebukt is gegaan onder het strafrechtelijke onderzoek en dat zij is ontslagen. Verdachte is tot slot niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. Daar houdt de rechtbank rekening mee.

De rechtbank heeft voor de bepaling van de strafmaat ook acht geslagen op de omstandigheid dat het strafmaximum voor computervredebreuk op 1 juli 2015, derhalve gedurende de bewezen verklaarde periode, is verhoogd van één naar twee jaar. De rechtbank gaat in het voordeel van de verdachte en gelet op artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, bij de oplegging van straf uit van het oude strafmaximum.

Gelet op de hiervoor benoemde ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met de toepassing van artikel 9a Sr. Daarentegen is de rechtbank – gelet op de strafverminderende omstandigheden en het hanteren van het oude strafmaximum – van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf te zwaar is.

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 138ab, 272oud en 272 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.C. Cremers (voorzitter), mr. D.R. Sonneveldt en
mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2020.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, team Veiligheid, Integriteit & Klachten, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer C5-09-17 IOZON17167, gesloten op 30 augustus 2018, inclusief aanvullende processen-verbaal gesloten op 23 mei 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van onderzoek van [naam 12] van 28 mei 2019, p. 60 e.v. (aanvullend proces-verbaal)

3 Het proces-verbaal van onderzoek van [naam 12] van 28 mei 2019, p. 70 en 71 (aanvullend proces-verbaal)

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 128 e.v. (aanvullend proces-verbaal)

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige van [naam 1] , d.d. 25 september 2017, p. 10 e.v. en het proces-verbaal van verhoor getuige van [naam 1] , d.d. 6 maart 2018, p. 30 e.v.

6 Het proces-verbaal getuigenverhoor kabinet rechter-commissaris van [naam 1] , d.d. 4 februari 2019.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige van [naam 1] , d.d. 27 september 2017, p. 18 e.v. en het proces-verbaal van verhoor getuige van [naam 1] , d.d. 8 maart 2018, p. 33 e.v.

8 Het proces-verbaal getuigenverhoor kabinet rechter-commissaris van [naam 2] , d.d. 4 februari 2019.

9 Het proces-verbaal van onderzoek van [naam 12] van 28 mei 2019, p. 70 onderaan en p. 71 en gegevens m.b.t. kentekens op p. 73.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] , p. 37 e.v.

11 Het aanvullend proces-verbaal van 1 november 2018 opgemaakt door [naam 13] ..

12 Het proces-verbaal van onderzoek van [naam 12] , zie m.n. onder item 4 voor bevragingen die betrekking hebben op familierelaties en item 2 voor zover het specifiek gaat om [naam 11] ).

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 128 e.v. , zie met name p. 133 ( [naam 11] ), 138-140 (ex-zwager, broer en zussen) en p. 141 ( [naam 9] ).

14 Het proces-verbaal van onderzoek van [naam 12] van 28 mei 2019, p. 73e.v.