Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3196

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
05-059386-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging en vernieling gebouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/059386-20

Datum uitspraak : 30 juni 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

thans gedetineerd te Justitieel Complex Zaanstad te Zaandam

raadsman: mr. C.C.W. Plaat, advocaat te Ede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Nijkerk

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer andere personen

opzettelijk,

van het leven te beroven,

- meerdere malen met een auto tegen/door de glazen pui van het gemeentehuis is ingereden en/of (zodoende) de (centrale) hal van het gemeentehuis is ingereden (waar voornoemde slachtoffers achter een balie zaten),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Nijkerk

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer andere personen

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- meerdere malen met een auto tegen/door de glazen pui van het gemeentehuis is ingereden en/of (zodoende) de (centrale) hal van het gemeentehuis is ingereden (waar voornoemde slachtoffers achter een balie zaten),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Nijkerk

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door:

- meerdere malen met een auto tegen/door de glazen pui van het gemeentehuis is ingereden en/of (zodoende) de (centrale) hal van het gemeentehuis is ingereden (waar voornoemde slachtoffers achter een balie zaten);

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2.

hij op of omstreeks 06 maart 2020 te Nijkerk

een gebouw en/of een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten een/het gemeentehuis aan de Kolkstraat 27 te Nijkerk,

opzettelijk heeft vernield en/of beschadigd, door meermalen, althans eenmaal, met een auto tegen/door de glazen pui van het gemeentehuis te rijden en/of (zodoende) de (centrale) hal van het gemeentehuis in te rijden,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw en/of voor voornoemde publiek toegankelijke plaats en/of voor de in dat gebouw en/of voor de in die publiek toegankelijke plaats aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig in voornoemd gebouw en/of aanwezig in voornoemde publiek toegankelijke plaats, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

(art 170 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 170 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Nijkerk

opzettelijk en wederrechtelijk

een (overheids)gebouw (gemeentehuis), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten

aan gemeente Nijkerk, toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;

( art 352 Wetboek van Strafrecht )

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Feit 1

Ten aanzien van het primair en het subsidiair tenlastegelegde

Verdachte heeft samengevat verklaard dat hij zelfmoord wilde plegen door met zijn auto tegen de paal in de hal van het gemeentehuis te rijden althans daardoor dan in ieder geval aandacht te vragen voor zijn problematiek, dat hij pas naar binnen is gereden nadat hij zich ervan had vergewist dat geen personen in de hal van het gemeentehuis aanwezig waren, en dat hij niemand anders dan zichzelf wilde verwonden.

In het dossier bevindt zich geen bewijsmiddel waaruit iets anders blijkt dan hetgeen verdachte heeft verklaard. Daarom kan niet worden bewezen dat verdachte het volle opzet heeft gehad om personen te doden of zwaar te verwonden die in of bij het gemeentehuis aanwezig waren.

Vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of door de gedragingen van verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het doden of ernstig verwonden van anderen. Daarvoor moet sprake zijn geweest van een situatie waarin verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het doden of ernstig verwonden van anderen heeft aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen bewijs aanwezig op grond waarvan kan worden vastgesteld dat door de gedragingen van verdachte een aanmerkelijke kans bestond op het doden of zwaar verwonden van aanwezigen in of bij het gemeentehuis. Uit het forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat mede gezien de posities van de pilaren in de hal van het gemeentehuis het niet mogelijk was om met de gevolgde route van de door verdachte bestuurde auto, schade aan de balie in de hal van het gemeentehuis aan te brengen. Alleen achter deze balie van het gemeentehuis stonden twee medewerkers. In de hal zelf bevonden zich op dat moment verder geen personen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat vrijspraak moet volgen voor de onder feit 1 primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht het meer subsidiair tenlastegelegde feit, de bedreiging, wel bewezen.

Verdachte is met zijn [voertuig] , een grote pick-up truck, door de glazen pui van het gemeentehuis gereden. Vervolgens is verdachte nog een aantal maal terug en weer naar voren gereden, met veel gas- en motorgeluid, waarbij hij steeds verder het gemeentehuis in kwam. In het gemeentehuis waren onder andere medewerkers van het gemeentehuis aanwezig. Achter de centrale balie respectievelijk in het kantoortje gelegen achter de balie bevonden zich drie medewerkers onder wie de in de tenlastelegging genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens zijn actie oogcontact heeft gehad met [slachtoffer 2] en dat hij zijn actie (heen en weer rijden met de auto) heeft voortgezet.

Op het moment dat de medewerkers van het gemeentehuis verdachte in de pick-up truck naar binnen zagen rijden en vervolgens weer naar achter en weer naar voren zagen rijden, wisten zij niet wat de intentie van verdachte was, namelijk tegen de pilaar aanrijden en zichzelf verwonden of doden en/of aandacht vragen voor zijn problematiek. Uit hun verklaringen volgt dat zij zich bedreigd hebben gevoeld. De situatie en gedragingen van verdachte moeten ook zeer beangstigend zijn geweest.

Gelet op deze feitelijke omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bij de medewerkers de redelijke vrees kon ontstaan dat zij van het leven konden worden beroofd, en aldus dat het misdrijf waarmee werd gedreigd – enig misdrijf tegen het leven gericht – ook daadwerkelijk zou worden gepleegd. Zij wisten immers niet wat de bedoeling was van verdachte en dat zijn handelen niet op hen was gericht. Door zijn handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard (voorwaardelijk opzet) dat hij de medewerkers bedreigde.

Feit 2

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het gemeentehuis heeft vernield. Verdachte is met zijn pick-up truck door de glazen pui de centrale hal van het gemeentehuis ingereden. Hierdoor heeft hij de pui vernield en het gemeentehuis beschadigd. Daarbij is gemeen gevaar voor het gemeentehuis, een voor de publiek toegankelijke plaats, en voor de inboedel, ontstaan. Daarbij is ook levensgevaar te duchten geweest, als bedoeld in artikel 352 Wetboek van Strafrecht. Dat dit gevaar zich niet daadwerkelijk heeft voorgedaan, doet daar niet aan af.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 6 maart 2020 te Nijkerk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, doordat hij:

- meerdere malen met een auto tegen/door de glazen pui van het gemeentehuis is ingereden en/of (zodoende) de (centrale) hal van het gemeentehuis is ingereden (waar voornoemde slachtoffers achter een balie zaten);

2.

hij op of omstreeks 06 maart 2020 te Nijkerk

een gebouw en/of een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten een/het gemeentehuis aan de Kolkstraat 27 te Nijkerk,

opzettelijk heeft vernield en/of beschadigd, door meermalen, althans eenmaal, met een auto tegen/door de glazen pui van het gemeentehuis te rijden en/of (zodoende) de (centrale) hal van het gemeentehuis in te rijden,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw en/of voor voornoemde publiek toegankelijke plaats en/of voor de in dat gebouw en/of voor de in die publiek toegankelijke plaats aanwezige inboedel, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig in voornoemd gebouw en/of aanwezig in voornoemde publiek toegankelijke plaats, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Een gebouw en een voor het publiek toegankelijke plaats opzettelijk beschadigen, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daardoor levensgevaar voor een ander te duchten is

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met alle geadviseerde bijzondere voorwaarden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman van verdachte is primair verzocht om de geëiste 16 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 2 jaar, subsidiair een voorwaardelijk gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de duur van het voorarrest. Ten slotte verzoekt de raadsman van verdachte om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen dan wel te schorsen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 26 mei 2020;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 3 maart 2020;

- een psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van [naam 1] , psychiater in opleiding en [naam 2] , psychiater, gedateerd 5 juni 2020.

De verdachte heeft verklaard dat hij tot zijn actie is gekomen omdat hij geen uitweg meer zag en een suïcidepoging wilde doen. Hij heeft het gemeentehuis uitgekozen omdat hij aandacht wilde voor zijn psychische nood. De verdachte heeft zich door met een grote pick-up truck het gemeentehuis in te rijden schuldig gemaakt aan bedreiging van twee medewerkers van het gemeentehuis. Daarbij is verdachte door de glazen pui van het gemeentehuis gereden en is sprake van vernieling waardoor gevaar te duchten was voor personen en goederen. Dat verdachte niet de hulp kreeg die hij nodig had en hij geen uitweg meer zag, is geen rechtvaardiging voor zijn buitenproportionele, gevaarlijke en voor omstanders beangstigende actie. De betrokken medewerkers van de gemeente zijn enorm geschrokken. Het handelen van de verdachte heeft bij getuigen en de maatschappij in het algemeen gevoelens van onveiligheid opgeroepen. Verdachte heeft ook grote financiële schade veroorzaakt. Dat de verdachte met dit alles geen rekening heeft gehouden, rekent de rechtbank hem aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 26 mei 2020, waaruit naar voren komt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het psychiatrisch rapport over verdachte. De onderzoekers komen tot de diagnose van een bipolaire I stoornis, met meest recent een depressieve episode, gedeeltelijk in remissie. De depressieve episode werd gelaxeerd door het staken van medicatie, psychosociale stress en het beëindigen van de behandeling voor de bipolaire stoornis. Tevens zijn er aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek. Er was ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een ernstig depressief toestandsbeeld met suïcidale ideaties. Het vernauwde bewustzijn beperkte de gedachten, het gevoel en het handelen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Verdachte had hierdoor minder controle over zijn handelen. Geadviseerd wordt verdachte, ten aanzien van de hem ten laste gelegde feiten, verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Verdachte toont ziektebesef, ziekte-inzicht en een goede motivatie voor het meewerken aan behandeling. Daarnaast heeft hij een betrokken steunsysteem. Verdachte is kwetsbaar voor een herhaling van een depressieve of manische episode, zeker bij medicatie-ontrouw of psychosociale stress. Geadviseerd wordt om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden het hervatten van de ambulante behandeling bij GGZ Centraal en het accepteren van reclasseringstoezicht.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies. Hieruit komt naar voren dat verdachte inmiddels goed is ingesteld op medicatie. Van belang is dat hij verdere behandeling krijgt, vooral gericht op het controleren van zijn medicatiespiegel en het herkennen van signalen van decompensatie, om recidive te voorkomen. De kans op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld. Als verdachte zijn medicatie niet volgens afspraak neemt, is dat risico verhogend. Van belang is dan ook dat verdachte zijn medicatie blijft innemen, ook op de langere termijn. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging aan de verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd 3 jaar passend en geboden is. Aan de voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Gelet op de opgelegde straf wordt de voorlopige hechtenis niet met onmiddellijke ingang opgeheven, zoals door de raadsman verzocht, maar met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij gemeente Nijkerk heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 64.090,12.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij gemeente Nijkerk tot betaling van het bedrag van € 64.090,12 toe te wijzen, met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag van € 64.090,12 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 6 maart 2020.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 170 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

- zich op afspraken met de Reclassering Nederland zal melden en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal laten behandelen door GGZ Centraal of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling/deskundige aan te geven, zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling en veroordeelde is verplicht hieraan mee te werken. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, stabilisatie, observatie of diagnostiek indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- gedurende de proeftijd zal meewerken aan het vinden en behouden van een zinvolle en structurele dagbesteding, te bepalen door de reclassering;

- gedurende de proeftijd zal meewerken, indien geïndiceerd, aan een traject gericht op schuldsanering;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 stelt als voorwaarde dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

 stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij Gemeente Nijkerk.

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij Gemeente Nijkerk, van een bedrag van € 64.090,12 (vierenzestig duizend negentig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Sonneveldt (voorzitter), mr. P.J.C. Cremers en
mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juni 2020.