Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3120

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
05/051290-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor dader van brandstichting en poging zware mishandeling aan de Kerkenbos in Nijmegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/051290-20

Datum uitspraak : 25 juni 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

Raadsman: mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Nijmegen, althans in Nederland,

opzettelijk brand heeft gesticht in een loods en/of pand aan de Kerkenbos 1329a, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlammen en/of vonken van een aansteker en/of een vlammen en/of vonken van enige brandbare voorwerpen, een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen, aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of brand versnellende middelen, althans brandbare stoffen, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde loods en/of pand en/of de in voornoemde loods/pand aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor (een) goed(eren), en/of levensgevaar voor de in de loods/het pand aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor anderen, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de loods/het pand aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem/haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een loods en/of pand aan de Kerkenbos 1329a, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- met een (spuit)fles een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen over de vloer gespoten en/of gegoten en/of voornoemde fles op de grond/vloer heeft gegooid, ten gevolge waarvan voornoemde flesgeheel of gedeeltelijk leeg is gelopen,

- met de vlammen en/of vonken van een aansteker en/of een vlammen en/of vonken van enige brandbare voorwerpen, voornoemde hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen, aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of brand versnellende middelen, althans brandbare stoffen, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of

- met een (tweede/andere)(spuit)fles een hoeveelheid benzine en/of

brandstof en/of een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen over de vloer (richting een brandende vlek en/of plek en/of vlam) gespoten en/of gegoten, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde loods en/of pand en/of de in voornoemde loods/pand aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor (een) goed(eren), en/of levensgevaar voor de in de loods/het pand aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor anderen, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel v voor de in de loods/het pand aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te duchten was; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk, van het leven te beroven,

- over die [benadeelde] een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of

een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen heeft gespoten en/of gegoten en/of

- achter hem aan is gerend en hem heeft vastgegrepen, terwijl hij een aansteker vast had,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan om [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- over die [benadeelde] een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen heeft gespoten en/of gegoten en/of

- achter hem aan is gerend en hem heeft vastgegrepen, terwijl hij een aansteker vast had,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Nijmegen, althans in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door

- over die [benadeelde] een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen te spuiten en/of te gieten en/of

- achter hem aan te rennen en hem vast te grijpen, terwijl hij een aansteker vast had, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [benadeelde] teweeg heeft gebracht;

3.

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Nijmegen, althans in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] , met zijn rechterhand, (met kracht) een klap op het linkeroor te geven.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Aangever [benadeelde] was op 26 februari 2020 als gerechtsdeurwaarder, samen met een aantal medewerkers van een ontruimingsploeg, aan het werk op het adres Kerkenbos 1329a in Nijmegen in verband met de ontruiming van dat pand. Aangever zag verdachte, huurder van het bedrijfspand, in de richting van het pand komen lopen. Verdachte liep een paar passen het magazijn in met in zijn handen een klein plastic flesje.2 Verdachte gooide de vloeistof uit het flesje leeg op de grond en stak de vloeistof aan met een aansteker.3 De brand die vervolgens ontstond was ongeveer 2 à 3 meter bij 1 meter breed en 1 meter hoog.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 1 ten laste gelegde feit en aan het subsidiair onder 2 ten laste gelegde feit. Voor feit 3 acht hij onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig en heeft hij vrijspraak gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het stichten van de brand. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat er geen gemeen gevaar voor het pand en/of in het pand aanwezige goederen of personen te duchten was.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte het feit ontkent en dat niet is komen vast te staan dat verdachte de aangever vast had en/of verdachte een aansteker in zijn hand had.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van aangever geen bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De rechtbank overweegt als volgt.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte een flesje leeggooide in de ruimte waar zij (de rechtbank begrijpt: de ontruimingsploeg) binnen aan het werk waren. Verdachte stak deze vloeistof aan met een aansteker, waardoor een grote steekvlam ontstond die bleef branden. Verdachte gooide vervolgens meer vloeistof naar binnen.5

Door de politie is een forensisch onderzoek ingesteld op de Kerkenbos 1329 in Nijmegen. In het pand stonden diverse machines, stellingen en een heftruck. Inpandig, direct links van de roldeur, bevond zich de houten deur van een meterkast. In de meterkast bevond zich een gasmeter. De afsluiter/kraan van de gasmeter stond in de stand open. Onder de deur van de meterkast was een kier. Op een afstand van ongeveer 1 meter voor de meterkast lag op de vloer een hoeveelheid blusschuim. Verbalisanten troffen drie plastic flesjes met restinhoud aan. De inhoud van deze flesjes rook sterk naar motorbenzine. Door verbalisanten zijn metingen verricht naar de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. De gemeten waarden van de drie flesjes gaven een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een brandbare vloeistof.6 Op foto’s is te zien dat één van de flesjes is aangetroffen onder een stellingkast. In de directe nabijheid van die stellingkast stond een doos. Ook is op de foto’s te zien dat er houten pallets in de loods zijn.7

Verdachte heeft verklaard dat hij drie tot zes flesjes bij zich had die waren gevuld met een mengsel van benzine en olie. Hij heeft vervolgens één van de flesje gepakt en de inhoud op de grond gegooid ter hoogte van de ingang van het pand aan de Kerkenbos 1329a te Nijmegen. Hij wist dat dit de enige uitgang was van het pand. Hij heeft de vloeistof vervolgens aangestoken met een aansteker. Er waren volgens verdachte vijf mensen in het pand binnen. Verdachte heeft vervolgens weer een flesje gepakt. Hij zag dat het eerste vuur dat hij had gesticht werd geblust. Hij heeft vervolgens het tweede flesje op de grond leeggegooid.8

De rechtbank acht op basis van de vaststaande feiten en voornoemde bewijsmiddelen de primair onder 1 ten laste gelegde brandstichting bewezen. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte na het gesprek met de deurwaarder is weggelopen en kort daarna terugkwam met een aantal flesjes waarin een brandbare vloeistof zat. Hij heeft in de ingang van het pand brandbare vloeistof op de grond heeft gegooid en deze vloeistof met een aansteker heeft aangestoken waardoor brand is ontstaan. Vervolgens heeft hij een tweede flesje gepakt en ook dit flesje bij de ingang van het pand leeggegooid. Gelet op het voorgaande kan niet anders dan worden geconcludeerd dat verdachte, die ook wist wat er in de flesjes zat, opzet had op de brandstichting. Verdachte heeft een brandend flesje het pand ingegooid waar op dat moment personen en brandbare goederen aanwezig waren. Verdachte wist ook dat die personen in het pand waren. Verdachte heeft brand gesticht op een plek waarvan hij wist dat het de enige in- en uitgang van het pand was. De brand was gesticht in de directe nabijheid van de meterkast waarin zich op dat moment een open gaskraan bevond. Ook was er brandbaar materiaal in de loods aanwezig, onder meer een doos en houten pallets. Gelet op bovenstaande staat voor de rechtbank vast dat gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van personen was te duchten.

Feit 2

Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat verdachte, nadat verdachte de vloeistof die hij op de grond in brand had gestoken, op iets meer dan een meter afstand vloeistof uit een plastic flesje over zijn buik, borst en gezicht gooide. Aangever rook direct een benzinelucht en is weggerend. Verdachte rende ongeveer 25 meter achter hem aan en pakte hem vast bij zijn schouder of aan zijn arm.9

Getuige [getuige 2] heeft eveneens verklaard dat verdachte een ander flesje pakte en de inhoud van het flesje in de richting van aangever gooide. Hij zag dat verdachte in gevecht was met aangever en hoorde aangever om hulp roepen. Aangever en verdachte waren aan elkaar aan het trekken en duwen.10

Getuige [getuige 3] heeft gezien dat verdachte een derde flesje pakte en de inhoud van het flesje richting aangever gooide die het over zijn jas heen kreeg. [getuige 3] is achter verdachte en aangever aangerend en nadat verdachte op de grond lag heeft hij de aansteker die verdachte nog in zijn hand had afgepakt en weggegooid.11

Verbalisanten hebben een forensisch onderzoek ingesteld op de Kerkenbos 1329 in Nijmegen. Verbalisanten troffen drie plastic flesjes met restinhoud aan. De inhoud van deze flesjes rook sterk naar motorbenzine. Door verbalisanten zijn metingen verricht naar de aanwezigheid van ontbrandbare vloeistoffen. Verder is bij het forensisch onderzoek vastgesteld dat er waarden zijn gemeten van een brandbare stof op de kleding en het behaarde hoofd van aangever. De gemeten waarden van de drie flesjes gaven een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een brandbare vloeistof.12

Het Nederlands Forensisch Instituut heeft vastgesteld dat op de jas en de broek van aangever vluchtige stoffen zijn aangetoond die afkomstig zijn van (motor)benzine. Benzine is zeer licht ontvlambaar.13

De rechtbank acht evenals de officier van justitie en de raadsman niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen wel de subsidiair onder 2 ten laste gelegde poging zware mishandeling bewezen. Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte de aangever heeft overgoten met een brandbare vloeistof. Vervolgens is verdachte met een aansteker in zijn hand achter aangever aangerend. Op enig moment heeft er tussen aangever en verdachte een gevecht plaatsgevonden, waarbij verdachte aangever heeft vastgehouden terwijl hij de aansteker in zijn hand hield. Als het verdachte was gelukt de zeer licht ontvlambare (motor)benzine op aangever aan te steken en de broek, jas en het haar van aangever hadden vlamgevat, dan was de kans groot dat aangever daarbij ernstige brandwonden, waaronder brandwonden in zijn gelaat, had opgelopen.

Dit handelen onder deze omstandigheden ziet de rechtbank als een begin van uitvoering van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en is naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op de voltooiing van dit misdrijf.

Feit 3

De rechtbank acht dit feit niet bewezen nu de aangifte niet door enig ander bewijsmiddel

wordt ondersteund.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair onder 1 tenlastegelegde en het subsidiair onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Nijmegen, althans in Nederland,

opzettelijk brand heeft gesticht in een loods en/of pand aan de Kerkenbos 1329a, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met de vlammen en/of vonken van een aansteker en/of een vlammen en/of vonken van enige brandbare voorwerpen, een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen, aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of brand versnellende middelen, althans brandbare stoffen, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde loods en/of pand en/of de in voornoemde loods/pand aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor (een) goed(eren), en/of levensgevaar voor de in de loods/het pand aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor anderen, en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de loods/het pand aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2020, te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan om [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- over die [benadeelde] een hoeveelheid benzine en/of brandstof en/of een brand versnellend middel, althans brandbare stoffen heeft gespoten en/of gegoten en/of

- achter hem aan is gerend en hem heeft vastgegrepen, terwijl hij een aansteker vast had,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, primair

opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is

ten aanzien van feit 2, subsidiair

poging zware mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair onder 1 ten laste gelegde feit en het subsidiair onder 2 ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank niet komen tot een vrijspraak, dan heeft de raadsman aan de rechtbank verzocht om bij het opleggen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Verdachte heeft een blanco strafblad en een goede reputatie als journalist/politicus. Hij heeft veel tegenslag in zijn leven gehad en moest om politieke redenen naar Nederland vluchten. Het ontruimingsvonnis heeft verdachte niet ontvangen, waardoor hij de situatie die zich heeft voorgedaan niet begreep. Verder heeft aangever niet verstandig opgetreden, hij had uitleg moeten geven aan verdachte. Tot slot is er geen schade ontstaan aan personen, het pand of aan goederen. Verdachte heeft zichzelf gedupeerd, heeft aanzienlijke schade geleden en zit na het voorval compleet aan de grond.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, van 15 mei 2020;

- de voorlichtingsrapportage van de reclassering van 26 mei 2020.

De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig

heeft gemaakt aan een brandstichting. Terwijl het pand dat hij huurde werd ontruimd, heeft hij bij de enige uitgang van dat pand brand gesticht en daarmee gezorgd voor een levensgevaarlijke situatie voor de deurwaarder en mannen van de ontruimingsploeg die zich in het pand bevonden. De brand was in de buurt van de meterkast, waarin zich ook een gasmeter bevond. Slechts door het adequaat optreden door mannen van de ontruimingsploeg is voorkomen dat de brand zich heeft kunnen uitbreiden. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling door benzine over aangever te gooien en met een aansteker in zijn hand achter hem aan te rennen en hem vast te pakken. Bijzonder kwalijk is dat verdachtes handelen onder meer was gericht tegen een beoefenaars van een openbaar ambt. Aangever heeft als deurwaarder bovendien een zogenoemde ministerieplicht, wat betekent dat hij in beginsel verplicht is zijn werkzaamheden als deurwaarder, indien verzocht, uit te voeren. Naar de ervaring leert zijn deze delicten veelal de oorzaak van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij de directe slachtoffers en dragen zij bovendien bij aan de in de samenleving levende onveiligheidsgevoelens. Met name de poging zware mishandeling van aangever heeft gezorgd voor een zeer angstige situatie, die ernstige gevolgen bij aangever had kunnen veroorzaken. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij geen spijt heeft van zijn handelen en dat hij de schuld voor zijn handelen legt bij aangever en de mannen van de ontruimingsploeg. De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte gelet op zijn blanco justitiële documentatie. Deze omstandigheden tezamen maken dat naar het oordeel van de rechtbank slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

Alle het voorgaande in aanmerking nemend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie, te weten een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden. Zij zal de eis overnemen.

8 De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.523,79, waarvan € 2.500,- voor immateriële schade en € 23,79 voor gemaakte materiële kosten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering vermeerderd met de wettelijke rente toewijsbaar met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, omdat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de benadeelde partij geen letsel heeft opgelopen. Gerechtsdeurwaarder is een risicovol beroep, waardoor degene die dit beroep uitoefent regelmatig in moeilijke situaties terecht komt. Benadeelde partij kan in redelijkheid dan ook niet de geestelijke schade hebben geleden die hij stelt te hebben. Er is ook geen bewijs voor behandeling door een medicus en/of psycholoog. Verder is er sprake van medeschuld. Benadeelde partij heeft slecht gecommuniceerd met verdachte en had uitleg moeten geven over de situatie. De eventuele schade is tot slot moeilijk in de strafprocedure vast te stellen, wat nodeloze vertraging oplevert.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 23,79 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2020, dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

De rechtbank verwerpt het standpunt van de verdediging dat sprake is van medeschuld van de benadeelde partij. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan te nemen dat het handelen van de benadeelde partij, dan wel de ontruimingsploeg die werkte onder leiding van de benadeelde partij, zodanig heeft gehandeld dat dit de schade heeft vergroot. Het handelen van verdachte en de schade die daardoor is ontstaan is enkel aan hem toe te rekenen

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt volgens de regels van het burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van de verdachte. Vereist is dus dat de benadeelde partij daadwerkelijk schade heeft geleden. Voor zover het gaat om de verzochte immateriële schadevergoeding heeft de benadeelde partij niet gesteld dat hij schade heeft geleden. De vaststelling dat het handelen van verdachte voor de benadeelde partij ernstige gevolgen had kunnen hebben is daarvoor onvoldoende. Ook de veronderstelling dat de benadeelde partij in de toekomst mogelijk (psychische) schade zou kunnen leiden, maakt niet dat er ruimte is voor een vergoeding van immateriële schade. Toekomstig nadeel komt immers niet voor vergoeding in aanmerking.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 157, 302, van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en 3 tenlastegelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde], van een bedrag van € 23,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 23,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 dag gijzeling zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Wasmann (voorzitter), mr. G.W.B. Heijmans en mr. T.N. Ritzer, rechters, in tegenwoordigheid mr. C.C.M. Althoff en mr. P. Veenker, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2020.

Mr. C.C.M. Althoff dit buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020097306, gesloten op 16 maart 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] , p. 8-9; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 13.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 juni 2020.

4 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] , p. 9.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 11.

6 Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 46-50.

7 Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 55-58.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 98-99; verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 juni 2020.

9 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] , p. 8-9.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 13.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 16.

12 Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 46-50.

13 Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 46-50; rapportage NFI van 6 maart 2020 door ing. [naam] , p. 78-80.