Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3109

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
7796784 \ CV EXPL 19-6802
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vlaamse wet- en regelgeving omtrent verstrekking van (drink)water. Geen algemene waarschuwingsplicht voor Pidpa. Hoog waterverbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7796784 \ CV EXPL 19-6802 \ 25115 \ 40141

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de rechtspersoon naar Belgisch recht opdracht houdende vereniging Pidpa (afkorting van Provinciale Intercommunale Drinkwatermaatschappij der Provincie Antwerpen)

gevestigd te Antwerpen (België)

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde A.E. van Ginkel, Flanderijn & van Eck Gerechtsdeurwaarders

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

procederend in persoon

Partijen worden hierna Pidpa en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 juni 2019 en de daarin genoemde processtukken;

- de brief van de zijde van [gedaagde] met productie d.d. 2 december 2019;

- de brief van de zijde van Pidpa met producties, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, d.d. 4 december 2019;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 13 december 2019;

- de akte van de zijde van [gedaagde] d.d. 26 februari 2020;

- de akte van de zijde van Pidpa met producties d.d. 25 maart 2020;

- de akte van de zijde van [gedaagde] d.d. 15 mei 2020.

2 De feiten

2.1.

Pidpa is producent en distributeur van drinkwater in de provincie Antwerpen te België.

2.2.

[gedaagde] woonde in België, Zoersel, gelegen in de provincie Antwerpen tot 21 oktober 2016. Hij ontving op zijn woonadres water via Pidpa.

2.3.

In artikel 2, § 3 van het Algemeen Waterverkoopreglement staat het volgende:

Als een volgende klant de levering voor de aansluitende periode overneemt, kan die levering worden geregeld via een tegensprekelijke overname. (…)

De tegensprekelijke overname wordt zowel door de vertrekkende klant als door de volgende klant ondertekend, en wordt onverwijld aan de exploitant bezorgd, die de eindfactuur opstelt. (…)

De verplichtingen die inherent zijn aan de waterlevering, houden voor de vertrekkende klant op vanaf de datum van de opname van de watermeterstand. De vertrekkende klant blijft echter verplicht om alle verbintenissen ten opzichte van de exploitant na te leven voor zover die ontstaan zijn voor die datum(…)

In artikel 13, § 1 van het Algemeen Waterverkoopreglement staat het volgende:

De watermeterstand wordt opgenomen door de exploitant of zijn aangestelde, of, in voorkomend geval, door de klant zelf op de wijze die de exploitant vaststelt. De stand van de watermeter is bindend. (…)

In artikel 14 § 1 van het Algemeen Waterverkoopreglement staat: “Het waterverbruik wordt gefactureerd op basis van de opgemeten of door de klant gemelde watermeterstanden. (…)

en in artikel 22: “De klant kan binnen zes maanden na de factuurdatum van de verbruiksfactuur of de eindfactuur een verzoek tot minnelijke schikking indienen bij de exploitant in geval van een afwijkend verbruik.

(…)

De klant heeft recht op een minnelijke schikking voor het abnormaal hoge verbruik als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1° de klant heeft gehandeld als een goede huisvader;

2° het abnormaal hoge verbruik is het gevolg van een verborgen oorzaak. Onder een verborgen oorzaak wordt ten minste verstaan:

a. a) lekken in ondergrondse leidingen;

b) lekken in leidingen die in de vloer zijn ingewerkt;

c) lekken in ontoegankelijke kruipruimtes;

(…)

3° het abnormaal hoge verbruik, herrekend op jaarbasis, moet het gemiddelde jaarverbruik met minstens 100% overschrijden en minimaal 100m3 bedragen. (…)

4° de oorzaak van het abnormaal hoge verbruik moet worden vastgesteld door de exploitant of moet door de klant bewezen worden door de herstellingsfactuur;

5° de oorzaak van het abnormaal hoge verbruik moet hersteld of weggenomen zijn. (…)

2.4.

Op 9 november 2016 heeft Pidpa aan [gedaagde] een eindfactuur gestuurd. Op deze factuur staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

(…)

excl. BTW BTW incl. BTW

Van 14 mei 2016 tot 21 oktober 2016 € 1.606,14 € 96,37 € 1.702,51

Reeds aangerekend € - 549,06 € -32,94 € -582,00

Totaal van de factuur € 1.120,51

(…)

Op de diensten geleverd door Pidpa zijn het Algemeen Waterverkoopreglement en het Bijzonder Waterverkoopreglement van toepassing. (…)

2.5.

[gedaagde] is niet overgegaan tot betaling van de factuur.

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1.

Pidpa vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.165,51, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Het gevorderde bedrag is opgebouwd uit het bedrag van de factuur van 9 november 2016, te weten € 1.120,51, vermeerderd met een bedrag van € 45,00 vanwege aanmanings/incassokosten en kosten van een aangetekende ingebrekestelling.

3.2.

Aan haar vordering legt Pidpa ten grondslag dat zij de wettelijke taak heeft te zorgen voor integraliteit van de watervoorziening en -behandeling. De relatie tussen Pidpa en haar klanten is reglementair. Op grond van artikel 2.5.3.1. van het Waterwetboek (Decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending – thans genaamd het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 en gecoördineerd op 15 juni 2018) wordt de verhouding tussen watermaatschappijen en hun klanten geregeld in het Algemeen Waterverkoopreglement (hierna: “AWVR”). Dit reglement werd vastgelegd door de Vlaamse regering en geldt uniform voor heel Vlaanderen. Sinds de invoering van dit reglement verwijst Pidpa haar klanten ook in al haar facturen expliciet naar het AWVR en naar het Bijzonder Waterverkoopregelement (hierna: “BWVR”) dat ook geldt op grond van artikel 2.5.3.1. van het Waterwetboek. Omdat Pidpa het huishouden van [gedaagde] van water heeft voorzien en [gedaagde] water heeft verbruikt, is [gedaagde] gehouden voor het waterverbruik, zoals geregistreerd door de watermeter en weergegeven in de eindfactuur, te betalen. Het bedrag van € 45,00 is verschuldigd, omdat [gedaagde], na aanmaningen en ingebrekestelling, nog altijd niet tot betaling is overgegaan, aldus Pidpa.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4 De vordering en het verweer in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van Pidpa tot kwijtschelding van het bedrag van € 1.165,51 en betaling van de schade van [gedaagde], ter hoogte van € 17.615,58.

4.2.

Aan zijn vorderingen legt [gedaagde] ten grondslag dat Pidpa gedurende vele jaren (circa 12) te hoge kosten bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. Er was sprake van een ondergrondse lekkage, die door [gedaagde] niet ontdekt was, maar door de nieuwe bewoners wel. Pidpa had [gedaagde] in kennis moeten stellen van overmatig watergebruik/waterverlies, want Pidpa had daartoe ook de middelen. Door dit nalaten van Pidpa heeft [gedaagde] schade geleden. Hij heeft feitelijk geen gebruik gemaakt van het water, terwijl het wel bij hem in rekening is gebracht. Het bedrag van € 17.615,58 aan schadevergoeding is als volgt tot stand gekomen:

€ €

Vordering op Pidpa a.g.v. te hoge aanrekeningen,

waterverbruik, incl. rentevergoeding en B.T.W. 17.828,72

Af: vordering Pidpa, factuur 3000686202 1.120,51

d.d. 9 november 2016, incl. B.T.W.

------------------------------------------

16.708,21

Bij: hoogte verrekening factuur 2003 o.b.v.

berekening boekjaar 2004 (-/10%) is 575,37

-/- 57,37 517,37

Bij: rente boekjaar 2003 0,00

Af: geschat daadwerkelijke kosten water-

gebruik periode 14-05-2015 – 21-10-2015 600,00

Bij: cumm. Rente boekjaar 05/2015 – 10/2015 390,00

--------------------------------------------

TOTAAL 17.615,58

4.3.

Pidpa heeft verweer gevoerd. Ze heeft geen aansprakelijkheid erkend en de schadeclaim afgewezen.

5 De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

5.1.

Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.

Welke rechter is bevoegd en welk recht is van toepassing?

5.2.

Omdat één van partijen in het buitenland is gevestigd, zal ambtshalve worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is.

5.3.

[gedaagde] heeft zijn woonplaats in Nederland. Nederland is lidstaat van de Europese Unie. Op grond van de EEX Verordening (EU) Nr. 1215/2012 wordt de gedaagde partij opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waarin hij woont. Dat betekent dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Gelet op de woonplaats van de gedaagde partij is de Rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem bevoegd van de vordering kennis te nemen.

5.4.

Niet gesteld of gebleken is dat een rechtskeuze is gedaan. Pidpa heeft onderbouwd gesteld dat Pidpa een vereniging is die met [gedaagde] een waterleveringsovereenkomst heeft gesloten. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Of op [gedaagde] als consument een contractuele betalingsverbintenis rust, moet worden beoordeeld naar Belgisch recht (artikel 6 van de Verordening (EG) Nr. 593/2008 (Rome I)). [gedaagde] woonde ten tijde van de dienstlevering immers in België, waar Pidpa haar activiteiten ook ontplooit.

Gelden de reglementen waarop Pidpa zich beroept?

5.5.

[gedaagde] betwist dat de voorwaarden waarop Pidpa zich beroept, onder andere het Waterwetboek, het AWVR en het BWVR van toepassing zijn. Volgens hem is hij er nooit mee akkoord gegaan. Pidpa stelt dat [gedaagde] akkoord is gegaan met de voorwaarden omdat hij daarvoor getekend heeft op het overnameformulier (het formulier waarop de meterstand is aangegeven, zoals die was bij zijn vertrek), maar zijn handtekening zag enkel op het feit dat hij akkoord was met de meterstand en nergens anders op, aldus [gedaagde].

5.6.

Het betoog van [gedaagde] faalt. De toepasselijkheid van het AWVR en BWVR op de tussen partijen gesloten waterleveringsovereenkomst vloeit rechtstreeks voort uit Vlaamse wetgeving. Of [gedaagde] er al dan niet mee bekend was of uitdrukkelijk mee heeft ingestemd, doet dan niet ter zake. Iedereen wordt verondersteld de wet te kennen en op te volgen. Derhalve zullen de vorderingen aan die wet- en regelgeving worden getoetst.

Had Pidpa een waarschuwingsplicht bij hoogverbruik?

5.7.

[gedaagde] heeft niet betwist dat het water dat door de watermeter is geregistreerd verbruikt is (de meterstand klopt) en dat de tarieven die Pidpa voor het waterverbruik in rekening heeft gebracht juist zijn. Zijn stelling is dat hij dat water niet zelf verbruikt heeft, maar dat er een (verborgen) lekkage was in of onder de woning al voordat hij de woning is gaan bewonen, die de bewoner die na hem in de woning kwam wonen heeft ontdekt. Pidpa had, zo stelt hij, de plicht om hem te waarschuwen dat hij, in verhouding tot andere huishoudens die met de zijne te vergelijken zijn, een abnormaal hoog waterverbruik had. Deze waarschuwingsplicht had Pidpa volgens [gedaagde], omdat zij de enige is die de lekkage/het hoog verbruik had kunnen ontdekken en op die manier de schade voor [gedaagde] had kunnen beperken.

5.8.

De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn betoog. Een algemene waarschuwingsplicht van Pidpa aangaande de omvang van het waterverbruik kan niet worden aangenomen. [gedaagde], als bewoner, heeft de toegang tot de woning en de watermeter en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom Pidpa en niet hij controle moet uitoefenen op de omvang van het waterverbruik. [gedaagde] heeft tijdens de jaren dat hij de woning bewoonde nooit over het hoge verbruik geklaagd en er zouden diverse andere oorzaken, anders dan een lekkage, kunnen zijn voor het hoge verbruik (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een zwembad). Ook dat leidt ertoe dat het meer op de weg van een bewoner ligt dan op de weg van een watermaatschappij om het waterverbruik in de gaten te houden en aan de bel te trekken als er iets mis lijkt. Dat is alleen anders wanneer de omvang van het waterverbruik plots exponentieel toeneemt.

5.9.

Daarop ziet de specifieke waarschuwingsplicht die is vastgelegd in artikel 22 van het AWVR. Naar het oordeel van de kantonrechter was er voor Pidpa in de gegeven omstandigheden ook op die grond geen plicht om [gedaagde] te waarschuwen. Zoals Pidpa onbetwist heeft gesteld was er bij [gedaagde] geen sprake van verbruik dat, herrekend op jaarbasis, het gemiddelde jaarverbruik met minstens 100% overschreed en minimaal 100m3 bedroeg. Het verbruik van [gedaagde] was al jaren (ook bij de vorige bewoner) aan de hoge kant. Verder heeft [gedaagde], ook nadat hij daartoe door de kantonrechter bij akte in de gelegenheid is gesteld, zijn stelling dat sprake was van een verborgen lekkage, niet onderbouwd. Hij heeft geen herstellingsfactuur kunnen overleggen.

5.10.

Pidpa heeft toegelicht dat vóór het AWVR in 2011 tot stand kwam met daarin de waarschuwingsplicht, een eigen gunstregeling bij abnormaal hoog verbruik gold die min of meer vergelijkbaar was met de bepalingen in het AWVR. Ook toen kon om de gunst van een minnelijke schikking worden gevraagd (gunsttarief) onder soortgelijke voorwaarden. Ook over die periode heeft Pidpa dus aan haar waarschuwingsplicht voldaan, omdat [gedaagde] niet aan de voorwaarden voldeed.

5.11.

Ook al zou juist zijn dat Pidpa, zoals door [gedaagde] is gesteld, in 2003 schade aan een toevoerleiding naar de woning van [gedaagde] uit eigen beweging (zonder voorafgaande melding van [gedaagde]) heeft hersteld, dan kan dat aan het voorgaande niet afdoen. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat die situatie vergelijkbaar was met de situatie van de nu gestelde verborgen lekkage en dat Pidpa dus over opsporende middelen beschikte om lekkages te ontdekken.

Wat betekent dit voor de vorderingen die zijn ingesteld door Pidpa en [gedaagde]?

5.12.

Het voorgaande betekent dat de vordering in conventie tot betaling van € 1.120,51 (hoofdsom) zal worden toegewezen en de vordering in reconventie (die gebaseerd is op een zorgplicht van Pidpa, die niet is komen vast te staan) zal worden afgewezen.

5.13.

De door Pidpa gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, nu Pidpa geen grondslag naar Belgisch recht heeft gesteld voor vergoeding van die kosten.

5.14.

[gedaagde] wordt in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.120,51;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Pidpa begroot op € 85,18 aan dagvaardingskosten, € 486,00 aan griffierecht en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde;

6.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

6.5.

wijst de vordering af;

6.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Pidpa begroot op € 120,00 aan salaris voor de gemachtigde;

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op