Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3083

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
05/720167-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor openlijke geweldpleging en verboden wapenbezit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720167-18

Datum uitspraak : 19 juni 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

Raadsman: mr. J.C.C.M. Brand, advocaat te Westervoort.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 maart 2020 en 5 juni 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten:

- [slachtoffer 1] en/of

- [slachtoffer 2] , door:

- voornoemde personen dreigend en/of gewapend met één of meerdere messen, knuppels en/of een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen te benaderen,

- met voornoemde nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen op

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richten,

- ( vervolgens), tegen voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen/roepen "als je nu niet teruggaat naar huis, schiet ik je voor je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- een of meerdere malen (met kracht), met de vuisten en/of met voornoemde knuppels, in de richting van, voornoemde personen te slaan en/of te stompen en/of,

- een of meerdere malen, met voornoemde messen, (met kracht) in de richting van, voornoemde personen te steken en/of te prikken en/of te snijden en/of te slaan, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten:

- ( diepe) steekwonden, snijwonden en/of slagwonden op het hoofd en/of het gezicht van [slachtoffer 1] ,

- blauwe plekken op het hoofd, het gezicht, de armen en/of de benen van [slachtoffer 1] en/of

- een gekneusde, verstuikte en/of een opgezwollen enkel bij [slachtoffer 1] , ten gevolge heeft gehad;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van geweld tegen personen, te weten:

- [slachtoffer 1] en/of

- [slachtoffer 2] , door:

- via WhatsApp instemmend te reageren, met de woorden "ok", op een bericht van [medeverdachte 2] met de woorden "we gaan er zo een helemaal verrot slaan",

- via WhatsApp te sturen "hij gaat eraan", - zich te bewapenen met een mes,

- zich (vervolgens), met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te begeven naar de verblijfplaats van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

- ( hierna) voornoemde personen dreigend en/of gewapend met één of meerdere messen en/of knuppels en/of een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen te benaderen,

- gedurende voornoemde gang van zaken, geweld te stimuleren en/of niet in te grijpen om geweld te voorkomen, welk geweld bestond uit:

- met vuisten en/of knuppels slaan en/of stompen,

- met messen steken, prikken en/of snijden;

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 1°, te weten een stiletto, voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier zich op het standpunt gesteld dat verdachte een mes heeft getrokken en [slachtoffer 1] met de vuist heeft geslagen. Hiermee heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan het door verdachten gepleegde openlijke geweld. Volgens de officier kunnen alle ten laste gelegde geweldshandelingen, ook het steken met een mes, worden bewezen. De officier is van mening dat [slachtoffer 1] als gevolg van het door verdachten gepleegde geweld ernstig letsel heeft opgelopen, maar dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel in juridische zin. Verder heeft de officier zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen beroep op noodweer(exces) toekomt.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat verdachte een van de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd. Verdachte had een stiletto bij zich, maar die hij heeft niet gebruikt. Verdachte heeft juist een sussende rol gehad. Bovendien werd hij in een vroeg stadium uitgeschakeld doordat hij zwaar gewond raakte aan zijn gezicht. Bij aankomt bij [slachtoffer 1] is verdachte samen met [medeverdachte 1] op afstand gebleven. Alleen [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer 1] benaderd omdat hij met hem wilde praten. Dat de zaak hierna uit de hand is gelopen, komt omdat de medeverdachten direct werden aangevallen door [slachtoffer 1] waartegen noodzakelijke verdediging was geboden. Ter zake van feit 2 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Bewijsmiddelen

Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de nacht van 29 april 2018 via de telefoon een - hoogopgelopen - ruzie hadden met [slachtoffer 1] . Daarbij hebben zij telefonisch (doods)bedreigingen geuit naar [slachtoffer 1] .2 Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vanuit Arnhem eerst naar de woning van [medeverdachte 2] in Apeldoorn gereden. Onderweg daarheen heeft [medeverdachte 2] tussen 01.46 uur en 01.57 uur appcontact gehad met verdachte. [medeverdachte 2] heeft verdachte geappt dat hij “hem zo op komt halen”, dat “hij nog even bij [medeverdachte 1] was [de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ] en zij er zo een helemaal verrot slaan”, dat “ [slachtoffer 1] dacht een grote bek te hebben”.3Hierop heeft verdachte aan [medeverdachte 2] geappt dat “hij [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ] eraan gaat”. Verdachte is naar de woning van [medeverdachte 2] gegaan, waar zij een aantal wapens waaronder een knuppel, messen en een balletjespistool hebben meegenomen.4 [medeverdachte 2] heeft die wapens later ter plaatse uitgedeeld aan de medeverdachten.5 Vervolgens zijn de drie verdachten gezamenlijk naar de verblijfplaats van [slachtoffer 1] in Apeldoorn gereden. Onderweg zei [medeverdachte 1] dat hij [slachtoffer 1] direct op zijn hoofd zou stompen.6Aangekomen bij [slachtoffer 1] , ontstond er buiten bij een speeltuin ter hoogte van de verblijfplaats van [slachtoffer 1] aan de [adres 2] een vechtpartij tussen aan de ene kant (in ieder geval) [medeverdachte 1] ,

[medeverdachte 2] en verdachte en aan de andere kant [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .7

[slachtoffer 2] , de op dat moment zeventienjarige zoon van [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft geslagen tegen zijn ribben. Verder heeft [medeverdachte 1] zijn vader meerdere malen geslagen met een houten uitschuifbaar voorwerp. Verdachte en

[medeverdachte 2] hebben zijn vader in de maag en het gezicht geslagen. Zij sloegen met de vuist. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] verklaard dat [medeverdachte 2] een pistool tegen zijn hoofd heeft gezet en daarbij tegen hem heeft gezegd: “Als je nu niet snel naar huis gaat, schiet ik je door je kop”. Hij, [slachtoffer 2] , was op dat moment tussen zijn vader en de verdachten gesprongen.8

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij gewapend met een mes en een balletjespistool, lijkend op een echt vuurwapen, naar [slachtoffer 1] is gegaan en dat hij het pistool vervolgens op hem heeft gericht.9

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij een knuppel bij zich droeg en dat hij [slachtoffer 1] hiermee heeft verwond.10

Verdachte heeft verklaard dat hij een mes, dat eruit schiet als je op een knopje drukt, bij zich droeg en dat hij in eerste instantie mee is gegaan naar [slachtoffer 1] om te vechten.

[medeverdachte 1] gaf [slachtoffer 1] klappen op zijn hoofd met de knuppel. Hij sloeg [slachtoffer 1] omdat [slachtoffer 1] wat zei over de vriendin van [medeverdachte 1] was degene die de eerste klap uitdeelde.11

Uit een letselrapportage van de Forensische Geneeskunde van de GGD van 1 mei 2018 betreffende [slachtoffer 1] , komt onder meer naar voren dat hij verwondingen heeft op zijn voorhoofd. Daarnaast heeft hij blauwe plekken op zijn voorhoofd, kin, onderarm en onderbeen.12

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigen bewezen dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en verdachte gezamenlijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend en gewapend met messen en een (balletjes)pistool hebben benaderd. De stelling van de raadsman, dat verdachte en [medeverdachte 1] bij aankomst bij [slachtoffer 1] op enige afstand achter

[medeverdachte 2] liepen, maakt dit niet anders. Ook acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 2] het namaakpistool zowel op [slachtoffer 1] als op [slachtoffer 2] heeft gericht en daarbij tegen [slachtoffer 2] de ten laste gelegde dreigende woorden heeft geroepen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 2] op dat moment tussen zijn vader en de verdachten was gesprongen en dat de vechtpartij nog gaande was. Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte 2] [slachtoffer 1] met de hand/vuist hebben geslagen en dat [medeverdachte 1] hem met een houten knuppel/uitschuifbare stok meerdere malen heeft geslagen, onder meer in het gezicht. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] met de hand/vuist geslagen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of tevens wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachten [slachtoffer 1] hebben gestoken met een mes. De verdachten ontkennen deze geweldshandeling. Door verschillende medische instanties, ziekenhuis, GGD en het NFI, is onderzoek gedaan naar het letsel van [slachtoffer 1] . In een van de medische verklaringen is opgenomen dat sprake is van enkele snijwonden op het hoofd. De GGD spreekt op haar beurt van barstwonden en bloeduitstortingen, die volgens haar goed kunnen passen bij een harde aanraking met een middelhard voorwerp, zoals een houten stok. Het NFI, dat de verschillende medische verklaringen naast elkaar heeft gezet, heeft geconcludeerd dat de verwondingen aan het (voor)hoofd zowel passen bij botsend als bij schavend dan wel scherprandig geweld. Gezien het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende objectief bewijs is dat een of meer aan [slachtoffer 1] toegebrachte (hoofd)verwondingen zijn veroorzaakt door het steken met een mes. De omstandigheid dat de verdachten gewapend waren met messen, maakt dit niet anders. De rechtbank zal verdachten daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ook zonder bewezenverklaring van het steken met messen, is de rechtbank van oordeel dat zowel verdachte als de medeverdachten een significante en wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van het geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Alle drie zijn gewapend de confrontatie aangegaan en alle drie hebben zich blijkens voornoemde bewijsmiddelen bij het geweld niet onbetuigd gelaten. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door verdachten uitgeoefende geweld, maar acht zij niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van ‘zwaar lichamelijk letsel’, in de zin van artikel 141, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit het forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI valt op te maken dat de aan [slachtoffer 1] toegebrachte huidverwoningen, behoudens eventuele littekens, doorgaans binnen enkele weken genezen.13 Dat de genezing anders is verlopen dan verwacht of complicaties zijn opgetreden is niet gebleken. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook aan de overige voor openlijk geweld geldende wettelijke criteria is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2020 gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 407;

- het proces-verbaal van onderzoek wapen p. 255.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. Primair

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten:

- [slachtoffer 1] en/of

- [slachtoffer 2] , door:

- voornoemde personen dreigend en/of gewapend met één of meerdere messen, een knuppels en/of een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen te benaderen,

- met voornoemde nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen op

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richten,

- ( vervolgens), tegen voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen/roepen "als je nu niet teruggaat naar huis, schiet ik je voor je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- een of meerdere malen (met kracht), met de vuisten en/of met voornoemde knuppels, in de richting van, voornoemde personen te slaan en/of te stompen en/of,

- - een of meerdere malen, met voornoemde messen, (met kracht) in de richting van, voornoemde personen te steken en/of te prikken en/of te snijden en/of te slaanterwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten:

- ( diepe) steekwonden, snijwonden en/of slagwonden op het hoofd en/of het gezicht van [slachtoffer 1] ,

- blauwe plekken op het hoofd, het gezicht, de armen en/of de benen van [slachtoffer 1] en/of

- een gekneusde, verstuikte en/of een opgezwollen enkel bij [slachtoffer 1] , ten gevolge heeft gehad;

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 1°, te weten een stiletto, voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Noodweer

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman betoogd dat verdachte bij aankomst bij Van Engelen aanvankelijk achterbleef, maar dat hij zijn medeverdachten te hulp is gekomen toen zij vrijwel direct door [slachtoffer 1] met een mes werden aangevallen. De rechtbank begrijpt dit betoog als een beroep op noodweer.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer niet slaagt, reeds omdat verdachte samen met zijn medeverdachten de aanval van [slachtoffer 1] door provocatie heeft uitgelokt en de gewelddadige confrontatie willens en wetens heeft opgezocht.

Feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat er die avond sprake was van een hoog opgelopen (familie)conflict tussen [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] enerzijds en [slachtoffer 1] anderzijds. Daarbij hebben [medeverdachte 1] en

[medeverdachte 2] door de telefoon (doods)bedreigingen geuit richting [slachtoffer 1] en geroepen dat zij eraan kwamen. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vanuit Arnhem naar Apeldoorn gereden, waar [slachtoffer 1] in een woning verbleef met zijn vier minderjarige kinderen. Onderweg hebben verdachten [slachtoffer 1] bericht dat zij eraan kwamen. Hierop ontvingen verdachten bericht terug dat de “messen waren geslepen”.

[medeverdachte 2] heeft [verdachte] die nacht geappt dat hij “hem zo op komt halen”, dat “hij bij [medeverdachte 1] is en zij er zo een helemaal verrot slaan”, dat “ [slachtoffer 1] dacht een grote bek te hebben”. Hierop heeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] geappt dat “hij eraan gaat”. Vervolgens hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [verdachte] opgehaald en wapens, waaronder een knuppel, messen alsmede een balletjes/imitatiepistool meegenomen uit de woning van [medeverdachte 2] omdat zij dachten dat de situatie uit de hand zou kunnen lopen. Hierna zijn de verdachten midden in de nacht samen naar [slachtoffer 1] gereden. Onderweg zei [medeverdachte 1] dat hij [slachtoffer 1] direct op zijn hoofd zou stompen. Verdachten waren woedend op hem. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat er iets was geknapt in zijn hoofd, dat hij niet meer nadacht.

De rechtbank kan op grond van het bovenstaande niet anders dan concluderen dat verdachten midden in de nacht in een opgefokte, agressieve en dreigende sfeer naar [slachtoffer 1] zijn gegaan voor een gewelddadige confrontatie. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de eerste klap heeft uitgedeeld.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad 14 volgt dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich hierop beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als “verdediging” maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien.

Verdachten hebben [slachtoffer 1] met zijn drieën midden in de in de nacht gewapend en op agressieve en dreigende wijze benaderd met de bedoeling een gewelddadige confrontatie met hem aan te gaan, te vechten. Verdachten hebben zodoende een grote en initiërende rol gespeeld in de uiteindelijke escalatie. Naar het oordeel van de rechtbank moet zowel de bedoeling als de uiterlijke verschijningsvorm van voornoemde gedragingen van verdachten als aanvallend worden gezien. Door zo te handelen hebben zij zichzelf in de situatie gebracht waarbij uiteindelijk ook geweld tegen hen is gebruikt. Het beroep op een noodweersituatie als rechtvaardigings- of strafuitsluitingsgrond met betrekking tot het eigen gezamenlijke gewelddadige handelen wordt daarom verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf van 120 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gezien de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank onder meer gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 17 april 2020;

- reclasseringsadviezen van 2 mei 2018, 14 november 2018 en 22 januari 2020;

- trajectconsult van 15 mei 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Na een hoog opgelopen conflict via de telefoon tussen zijn twee medeverdachten en een mannelijk familielid van hen, waarbij de medeverdachten het familielid door de telefoon met de dood hebben bedreigd, is het niet bij woorden gebleven. Toen een van de medeverdachten hierna via de app aan verdachte liet weten dat hij hem zo kwam ophalen om het familielid ‘helemaal verrot te slaan’, antwoordde verdachte ‘hij gaat eraan’. Ter plekke hebben verdachten gezamenlijk daadwerkelijk geweld gebruikt tegen het familielid en diens op dat moment minderjarige zoon, onder andere met behulp van een houten knuppel en het laten zien van een (nep)pistool.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de zoon en zijn vader. Voor de zoon is de gewelddadige confrontatie van verdachten midden in de nacht bij zijn huis zeer heftig en beangstigend geweest. Hij zag hoe zijn vader werd mishandeld. Toen hij zijn vader te hulp kwam, werd hij zelf aangevallen. Nu twee jaar later, heeft de gebeurtenis nog veel impact op zijn leven en kampt hij met psychische problemen. Daarnaast heeft de openlijke geweldpleging gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg gebracht in de naaste omgeving. Niet alleen het familielid, maar ook verdachte en een van zijn medeverdachte zijn na afloop van de vechtpartij naar het ziekenhuis gebracht vanwege ernstige verwondingen. Verdachte had twee diepe snijwonden in zijn gezicht opgelopen. Na afloop van het incident trof de politie bij verdachte een stiletto aan. Verdachte heeft dit mes niet gebruikt maar zich wel schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit.

Gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank mee dat verdachte geen relevant strafblad heeft en dat de kans dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, wordt ingeschat als klein. Verder acht de rechtbank van belang dat verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij de voorafgaande door de medeverdachten geuite (doods)bedreigingen en dat de door hem gepleegde geweldshandelingen zich hebben beperkt tot het slaan met de vuist. Ook betrekt de rechtbank bij de strafmaat dat sprake is van tijdsverloop van ruim twee jaar sinds het bewezenverklaarde en dat verdachte in die tijd niet meer in aanraking is gekomen met de politie wegens het plegen van een strafbaar feit.

Zoals hierboven al uiteen is gezet, komt aan verdachte geen beroep op noodweer(exces) toe. Wel neemt de rechtbank mee dat de man waartegen het geweld van de verdachten was gericht, zelf in enige mate heeft bijgedragen aan het escaleren van het conflict.

Alles afwegend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 33 dagen. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 60 uur op zijn plaats. De straf van de rechtbank wijkt hiermee af van de strafeis van de officier van justitie. Dat komt omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen acht dat verdachten [slachtoffer 1] met messen hebben gestoken.

8. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 ten laste legde. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ziet op lichamelijke en psychische schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde zijn vordering tot schadevergoeding zowel in de zaak van [medeverdachte 2] als in de zaken van de medeverdachten, onder wie verdachte, heeft ingediend. Verder is de officier van justitie van mening dat het, gelet op de ernst en de omstandigheden van het door verdachten gepleegde geweld, zonder meer aannemelijk is dat het bewezenverklaarde psychische gevolgen heeft gehad voor de benadeelde. De ingediende stukken bieden echter onvoldoende duidelijkheid over de psychische toestand van de benadeelde. De officier stelt zich daarom op het standpunt dat de immateriële schade moet worden gematigd en komt uit op een voorschot van € 2.500,- met wettelijke rente, hoofdelijk op te leggen aan alle verdachten. Voor het overige moet de benadeelde niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde zich niet heeft gevoegd in de zaak van verdachte. Daartoe is aangevoerd dat op het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ aanvankelijk alleen het parketnummer van een van de medeverdachte was vermeld. De raadsman is van mening dat het ook niet de bedoeling is/ kan zijn geweest van de benadeelde om ook in de zaak van verdachte een schadeverzoek in te dienen, waarbij hij heeft verwezen naar de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de deskundigheid van [naam 1] van CasesToCase te wensen overlaat zodat nader onderzoek naar de schade is vereist, wat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat op het voegingsformulier van de benadeelde aanvankelijk alleen het parketnummer van een van de medeverdachten was vermeld en niet de parketnummers van de andere twee verdachten. Op de door de officier van justitie ter zitting van 5 juni 2020 overgelegde formulier is dit aangepast. Volgens de officier zijn de parketnummers van de medeverdachten toegevoegd na navraag bij de moeder van de benadeelde over de reikwijdte van de vordering.

Volgens vaste jurisprudentie is het (in eerste instantie) ontbreken van een parketnummer op een voegingsformulier onvoldoende om te concluderen dat het voegingsformulier niet zou zijn gericht op het verkrijgen van schadevergoeding in de strafzaak tegen verdachte nu de officier van justitie is belast met het samenstellen van het procesdossier, de benadeelde partij het voegingsformulier bij de officier van justitie indient en het OM is belast met het invullen van het parketnummer. Bovendien blijkt uit het formulier zelf voldoende dat de vordering ziet op de bij verdachte en zijn medeverdachten identiek tenlastegelegde openlijke geweldpleging en de bewezen verklaarde gezamenlijke gedragingen. Het verweer op dit punt wordt daarom gepasseerd.

Wat het lichamelijk letsel betreft, zoals hierboven is opgenomen, acht de rechtbank bewezen dat benadeelde door een van de verdachten is geslagen tijdens voornoemd geweldsincident. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken volgt dat benadeelde de dag vóór het feit tijdens een botsing in het zwembad pijn/letsel aan zijn lichaam, borstkast heeft opgelopen. Gelet hierop, is naar het oordeel van de rechtbank op basis van de ingebrachte stukken niet vast te stellen dat de pijnklachten van benadeelde van ná het incident rechtstreeks zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde.

Ten aanzien van de psychische schade overweegt de rechtbank als volgt.

Benadeelde, destijds minderjarig, is door toedoen van verdachten midden in de nacht betrokken geraakt bij een zwaar geweldsincident nabij zijn woning. Zijn vader is voor zijn ogen mishandeld. Toen hij zijn vader te hulp kwam, hebben de verdachten ook tegen hem geweld gebruikt. Daarbij heeft verdachte een imitatievuurwapen op hem gericht. Gelet op de heftigheid van de geweldssituatie, de daarmee gepaard gaande inbreuk op zijn lichamelijke integriteit en op zijn recht op veiligheid, de kwetsbaarheid van deze minderjarige benadeelde en gezien de ingebrachte stukken waaruit in ieder geval volgt dat het incident onderwerp van gesprek is bij de begeleiding en behandeling die hij krijgt, stelt rechtbank vast dat de bewezenverklaarde onrechtmatige handelingen rechtstreeks schade hebben veroorzaakt bij de benadeelde.

Naar algemene ervaringsregels en op de persoon en situatie van benadeelde toegesneden, schat de rechtbank de schade op € 1.500,-. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Ook ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien de vordering ook is/moet worden geacht te zijn ingediend in de strafzaken tegen de andere twee verdachten.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57 en 141 en van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

10 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 (drieëndertig) dagen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende

60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht

vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van veertig (30) dagen;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 1.500,-

(vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 25 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Raat (voorzitter), mr. P.J.C. Cremers en H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2020.

Mr. H.C. Leemreize is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost- Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONR3R018050, gesloten op 2 oktober 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 proces-verbaal van verhoor [naam 2] p. 198, proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] p. 552.

3 proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 498 en 503 en proces-verbaal van bevindingen p. 290.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020 en proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 498.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 508.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 498.

7 Verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020 en proces-verbaal van bevindingen p. 33.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] p. 549, 553, 554, 561.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 498 en 503.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 374

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 407,412 en 413.

12 Verklaring Forensisch Geneeskunde p. 347.

13 Verklaring Forensisch Geneeskunde p. 364.

14 Zie onder meer HR 3 april 2018 ECLI:NL:HR:2018:496 en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.