Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3081

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2163
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning zonnepark. De rechtbank is van oordeel dat uit de planregels volgt dat binnen de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw” geen zelfstandige duurzame energievoorzieningen, zoals een zonnepark, zijn toegestaan. Het bouwplan is dus in strijd met het inpassingsplan.

In artikel 30 van het reparatie-inpassingsplan is bepaald dat het college van gedeputeerde staten (GS) in dat geval bevoegd gezag is (artikel 3:26, vierde lid, Wro), zodat het college van GS terecht op de aanvraag heeft beslist in plaats van het college van burgemeester en wethouders.

Ten tijde van de aanvraag had provinciale staten geen aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, Bor vastgesteld. Het college had de aanvraag daarom op grond van artikel 3.11, eerste lid, Wabo onverwijld door moeten zenden aan provinciale staten voor het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb).

Tussen de aanvraag en het weigeringsbesluit is alsnog een aanwijzingsbesluit genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit aanwijzingsbesluit onverbindend te verklaren. Het college heeft terecht afgezien van het vragen van een vvgb aan provinciale staten.

Het beroep is gegrond vanwege strijd met artikel 3.11, eerste lid, Wabo. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand omdat een vvgb door het latere aanwijzingsbesluit niet langer was vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2163

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een zonnepark.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020. Namens eiseres is [eiseres] verschenen, bijgestaan door mr. P.S. Kreupeling en mr. J. van Nuland. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Feber.

Overwegingen

1. De relevante bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor), de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het (reparatie)inpassingsplan “Tuinbouw Bommelerwaard” zijn – voor zover deze niet in de uitspraak zelf staan – opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Eiseres exploiteert op het perceel [locatie] te [woonplaats] een bedrijf in gekoelde opslag voor producten zoals fruit, plantgoed, aardappelen en grondstoffen voor levensmiddelen. Om het bedrijf verder te verduurzamen heeft eiseres op 7 december 2017 een aanvraag ingediend voor het realiseren van een zonnepark met een oppervlakte van 1,8 hectare aan de overzijde van het bedrijf op de kadastrale percelen 84, 2711 en 2712 (hierna: het perceel). Een toegangsweg naar het zonnepark en een ondergrondse kabel naar het bedrijf maken onderdeel uit van het project.

3. Het perceel is in het provinciale inpassingsplan “Tuinbouw Bommelerwaard” bestemd als “Agrarisch – Tuinbouw” met de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 7” en de gebiedsaanduiding “overige zone – intensiveringsgebied”.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het aanleggen van een zonnepark in strijd is met de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw”, zodat naast een omgevingsvergunning voor de activiteiten “bouwen”1 en “uitvoeren van een werk”2 ook een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” is vereist.3

Verweerder heeft geweigerd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo voor dit met het inpassingsplan strijdige gebruik een omgevingsvergunning te verlenen. Volgens verweerder heeft het inpassingsplan als doel de herstructureringsopgave van de tuinbouw en champignonteelt in de Bommelerwaard mogelijk te maken. In het intensiveringsgebied moeten glastuinbouw en paddenstoelenteelt worden geconcentreerd, en daarom worden de meeste ontwikkelingen in het intensiveringsgebied die niet ten dienste staan van de glastuinbouw of paddenstoelenteelt uitgesloten of beperkt. De zonnepanelen dragen volgens verweerder niet bij aan de herstructurering of het oplossen van maatschappelijke knelpunten die verband houden met de herstructureringsopgave.

Provinciale staten hebben op 30 mei 2018 op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor een lijst met categorieën van gevallen aangewezen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is. Volgens verweerder wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn genoemd in dit besluit, zodat een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van provinciale staten niet is vereist.

4. Omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit door zonne-energie, is de Crisis- en herstelwet van toepassing.4

Ingetrokken beroepsgrond

5. Eiseres heeft ter zitting de beroepsgrond met betrekking tot het ten onrechte achterwege laten van een toetsing aan de overige weigeringsgronden uit artikel 2.10 van de Wabo ingetrokken.

Is het project in strijd met het inpassingsplan?

6.1.

Eiseres betoogt dat het project niet in strijd is met het inpassingsplan, zodat geen omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” was vereist. Volgens eiseres zijn op grond van artikel 4.1, onder o, van de regels van het inpassingsplan duurzame (energie)voorzieningen toegestaan op het perceel. Uit de planregels volgt volgens eiseres niet dat er een relatie moet zijn met een glastuinbouw-, paddenstoelenteelt- dan wel een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Eiseres betoogt voorts dat de zonnepanelen ten dienste komen te staan van haar bedrijfsvoering. Omdat zij een agrogerelateerd bedrijf uitoefent, staan de zonnepanelen ten dienste van een agrarisch bedrijf en daarmee ten dienste van de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw”.

Omdat geen omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo is vereist, en niet binnen 8 weken op de aanvraag is beslist, is volgens eiseres een vergunning van rechtswege ontstaan.

Eiseres betoogt tot slot dat niet het college van gedeputeerde staten, maar het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel bevoegd was om op de aanvraag te beslissen.

6.2.

De rechtbank zal eerst ingaan op de strijd met het inpassingsplan. De bevoegdheid van het college van gedeputeerde staten hangt op grond van artikel 31 van de regels van het reparatie-inpassingsplan immers samen met de vraag of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het inpassingsplan op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo is vereist.

6.3.

In de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw” zijn de (primaire) gebruiksfuncties gekoppeld aan aanduidingen, zoals ‘glastuinbouw’, ‘specifieke vorm van agrarisch – paddenstoelenteeltbedrijf’ en ‘agrarisch bedrijf’. In artikel 4.1, onder l t/m u, van de bestemmingsomschrijving zijn de bij deze gebruiksfuncties toegestane bijbehorende voorzieningen beschreven, waaronder “duurzame (energie)voorzieningen” (onder o).

Dat het bijbehorende voorzieningen betreft volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de zinsnede “inclusief de daarbij behorende” tussen sub k en l.

Omdat voor het perceel geen aanduiding is opgenomen, is geen van de aan een aanduiding gekoppelde gebruiksfuncties uit artikel 4.1 op het perceel toegestaan. Slechts voet- en fietspaden (onder f) en groenvoorzieningen (onder k) zijn toegestaan.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze systematiek in de planregels, waarin voor de functies onder l t/m u voortvloeit dat het bij de primaire gebruiksfuncties behorende voorzieningen betreft, volgt dat op het perceel geen zelfstandige duurzame (energie)voorzieningen zijn toegestaan. Duurzame energievoorzieningen, zoals zonnepanelen, moeten binnen deze bestemming altijd ten dienste staan van een primaire gebruiksfunctie. Ook als – zoals in dit geval – deze primaire gebruiksfuncties niet zijn toegestaan omdat geen aanduiding is opgenomen, dan betekent dit niet dat de onder l t/m u genoemde gebruiksfuncties, zoals duurzame (energie)voorzieningen), zelfstandig zijn toegestaan.

De beroepsgrond slaagt niet.

6.4.

De vervolgvraag is of het gebruik van de zonnepanelen ten dienste staat van één van de primaire gebruiksfuncties binnen de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw”. Eiseres heeft in dat verband gewezen op haar agrogerelateerde bedrijfsvoering.

De rechtbank overweegt allereerst dat het niet van belang is dat het bedrijf van eiseres buiten het plangebied van het inpassingsplan ligt. De rechtbank ziet niet in waarom een bijbehorende gebruiksfunctie, zoals een gietwaterbassin, silo of duurzame (energie)voorziening, niet ten dienste zou kunnen staan van een op grond van de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw” toegestane primaire gebruiksfunctie die buiten het plangebied ligt.

6.5.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de agrogerelateerde bedrijfsvoering van eiseres geen gebruik betreft dat is toegestaan binnen de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw”.

Een agrogerelateerd bedrijf is niet toegestaan binnen deze bestemming. Dat op grond van artikel 4.1, onder b, een agrogerelateerd bedrijf is toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf’ maakt het voorgaande niet anders. Dit betreft een specifieke bestemmingsregeling voor één agrogerelateerd bedrijf dat tevens tuinbouwactiviteiten onderneemt. Hieruit kan niet worden afgeleid dat binnen de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw” agrogerelateerde bedrijvigheid is toegestaan wanneer de aanduiding ‘bedrijf’ ontbreekt. Voor agrogerelateerde bedrijvigheid is in het inpassingsplan – conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen – ook een aparte bestemming “Bedrijf” opgenomen.

Anders dan eiseres heeft betoogd is zij ook geen “agrarisch bedrijf” omdat de bedrijfsvoering van eiseres niet is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of het telen van gewassen.

Naar het oordeel van de rechtbank staan de zonnepanelen daarom niet ten dienste van een op het perceel op grond van de bestemming toegestaan glastuinbouw-, paddenstoelenteelt- of agrarisch bedrijf, en is het zonnepark ook in zoverre in strijd met de bestemming.

De beroepsgrond slaagt niet.

Tussenconclusie

7. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met het inpassingsplan, waarvoor alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder 3o, van de Wabo een omgevingsvergunning kan worden verleend. Van een vergunning van rechtswege is daarom geen sprake.

De beroepsgrond slaagt niet.

Welk bestuursorgaan is het bevoegd gezag?

8. De hoofdregel uit artikel 2.4 van de Wabo is dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om op een aanvraag voor een omgevingsvergunning te beslissen. Op grond van artikel 3.1 van het Bor en artikel 3.26, vierde lid, van de Wro kan echter in een inpassingsplan worden bepaald dat het college van gedeputeerde staten bevoegd is om op aanvragen voor omgevingsvergunningen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c en g, van de Wabo te beslissen.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 30, tweede lid, en artikel 31, derde lid, van de regels van het reparatie-inpassingsplan staat dat het college van gedeputeerde staten bevoegd gezag is als een project in strijd is met het inpassingsplan. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is het project in strijd met het inpassingsplan, zodat het college van gedeputeerde staten bevoegd was om op de aanvraag te beslissen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Doorzending aanvraag naar provinciale staten

9.1.

Eiseres betoogt dat verweerder op grond van artikel 3.11, eerste lid, van de Wabo de aanvraag onverwijld door had moeten zenden naar provinciale staten ten behoeve van het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen. Eiseres verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1511).

9.2.

De aanvraag voor de omgevingsvergunning is op 7 december 2017 ingediend. Ten tijde van deze aanvraag hadden provinciale staten geen aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Bor genomen. Dit gebeurde pas op 30 mei 2018.

Omdat provinciale staten ten tijde van de aanvraag een vvgb moesten verlenen, had verweerder de aanvraag onverwijld door moeten zenden. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat de aanvraag niet is doorgezonden naar provinciale staten, zodat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3.11, eerste lid, van de Wabo.

De beroepsgrond slaagt.

De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak ingaan op de gevolgen van dit gebrek.

Verklaring van geen bedenkingen

10. Bij besluit van 30 mei 2018 hebben provinciale staten op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor categorieën gevallen aangewezen waarin een vvgb niet is vereist. In dit besluit staat het volgende:

“Aan te wijzen als een categorie gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen, als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, niet is vereist:

(…)

Tuinbouw Bommelerwaard

Projecten die worden uitgevoerd op gronden die in het inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard (planidentificatie NL.IMRO.9925.lPBommelerwaard-VST2), met inbegrip van het inpassingsplan Reparatie inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard (planidentificatie NL.IMRO.9925.ReplPBommelerwaard-VSTO1), zijn bestemd als ‘Agrarisch —Tuinbouw’ en zijn aangeduid als overige zone - intensiveringsgebied:

1. voor zover het betreft een project dat bijdraagt aan de herstructureringsopgave tuinbouw Bommelerwaard, zoals omschreven in artikel 1.36 van de planregels van het inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard, en aan de intensivering van de tuinbouw Bommelerwaard, zoals wordt beoogd met het inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard, met inbegrip van het inpassingsplan Reparatie inpassingsplan Tuinbouw Bommelerwaard;

2. voor zover het betreft een weigering van de aanvraag om omgevingsvergunning omdat niet wordt voldaan aan het bepaalde onder 1.”

In artikel 1.36 van het inpassingsplan is de volgende definitie opgenomen van “herstructureringsopgave tuinbouw Bommelerwaard”:

“voor zover het betreft gebieden die krachtens dit plan als 'overige zone - intensiveringsgebied', dan wel 'overige zone - reserveconcentratiegebied' zijn aangewezen:

- het bieden van economische toekomstmogelijkheden aan de glastuinbouw en de paddenstoelenteelt in de vorm van volwaardige bedrijfsvestigingen, dan wel volwaardige glastuinbouwontwikkelingen;

- het versterken van de leefbaarheid;

- het versterken van de bestaande ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten.”

Wijziging inpassingsplan door aanwijzingsbesluit

11.1.

Eiseres betoogt dat door het besluit van 30 mei 2018 het reparatie-inpassingsplan is gewijzigd.

11.2.

Het aanwijzingsbesluit kan geen wijzigingen aanbrengen in de regels van het inpassingsplan. Dit kan slechts door het vaststellen van een (reparatie)inpassingsplan.

De beroepsgrond slaagt niet.

Onverbindendheid aanwijzingsbesluit

12.1.

Eiseres betoogt dat het besluit van 30 mei 2018 onverbindend dient te worden verklaard. Het is volgens eiseres onduidelijk wat in het besluit wordt bedoeld met het niet bijdragen aan de herstructureringsopgave en aan de intensivering van de tuinbouw Bommelerwaard.

12.2.

Een vvgb is op grond van het eerste lid van het aanwijzingsbesluit niet vereist als het project past binnen de herstructureringsopgave én bijdraagt aan de intensivering van de tuinbouw binnen de bestemming “Agrarisch – Tuinbouw” en de aanduiding “overige zone – intensiveringsgebied”.

Naar het oordeel van de rechtbank is het begrip “herstructureringsopgave” niet onduidelijk. Uit de definitie in het inpassingsplan (artikel 1.36) waarnaar wordt verwezen blijkt dat het dient te gaan om projecten die economische toekomstmogelijkheden bieden aan de glastuinbouw- en paddenstoelenteelt in de vorm van volwaardige bedrijfsvestigingen. Deze voorwaarde in samenhang met de voorwaarde van intensivering van tuinbouw betekent dat het dient te gaan om projecten ten behoeve van de (her)vestiging van dit soort tuinbouwbedrijven.

De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het aanwijzingsbesluit wegens strijd met het motiverings- of rechtszekerheidsbeginsel onverbindend te verklaren.

De beroepsgrond slaagt niet.

Was een vvgb vereist?

13.1.

Op grond van het aanwijzingsbesluit is een vvgb niet vereist als het project bijdraagt aan de herstructureringsopgave tuinbouw Bommelerwaard én aan de intensivering van de tuinbouw Bommelerwaard.

Het zonnepark voldoet niet aan deze voorwaarden, reeds omdat deze niet bijdraagt aan intensivering van glastuinbouw in het intensiveringsgebied. Dit betekent dat op grond van het eerste lid een vvgb is vereist. Echter, op grond van het tweede lid is een vvgb ook niet vereist als de omgevingsvergunning wordt geweigerd omdat niet wordt voldaan aan de herstructureringsopgave en de voorwaarde tot intensivering van de tuinbouw.

Aan deze voorwaarde wordt wel voldaan, zodat geen vvgb van provinciale staten was vereist.

13.2.

De omstandigheid dat het aanwijzingsbesluit dateert van na de aanvraag maakt niet dat een vvgb vereist was. Bij het besluit op de aanvraag dient uitgegaan te worden van het recht dat gold ten tijde van het besluit op 12 maart 2019. Toen was het aanwijzingsbesluit van kracht. Het aanwijzingsbesluit is daarom terecht toegepast.

Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2207).

De beroepsgrond slaagt niet.

Goede ruimtelijke ordening

14.1.

Eiseres betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zonnepanelen voor glastuinbouw- en paddenstoelteeltbedrijven wel ruimtelijk inpasbaar zouden zijn en dezelfde zonnepanelen voor een ander bedrijf of functie niet. Volgens eiseres is sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing en een goede ruimtelijke ordening, en is vergunningverlening voor duurzame energie in overeenstemming met de doelstellingen van provincie, maar ook van gemeente en rijk.

14.2.

De omstandigheid dat duurzame energie in algemene zin gewenst is, betekent niet dat duurzame energievoorzieningen overal toegestaan moeten worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan het bestuursorgaan bepaalde gebieden niet geschikt achten voor de vestiging van een zonnepark, bijvoorbeeld omdat in deze gebieden voorrang wordt gegeven aan andere gebruiksfuncties.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gelet op de doelstelling van concentratie van glastuinbouw in het intensiveringsgebied ongewenst is dat de hiervoor gereserveerde ruimte wordt ingenomen door andere gebruiksfuncties.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Wabo.

De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten. Door het aanwijzingsbesluit van 30 mei 2018 was een vvgb van provinciale staten niet langer vereist. Daardoor was doorzending ook niet meer aan de orde.

Dit betekent dat de weigering van de omgevingsvergunning in stand blijft.

Proceskosten

16. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

Voor het door eiseres op eigen naam ingediende beroepschrift kan geen vergoeding worden toegekend, ook niet als dit beroepschrift door mr. J.H. Hartman zou zijn opgesteld zoals volgt uit de bij het formulier proceskosten gevoegde factuur. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, gelezen in samenhang met de Bijlage bij het Bpb, wordt slechts een vergoeding toegekend voor verrichte proceshandelingen. Het opstellen van een beroepschrift vormt als zodanig geen proceshandeling. Vergoeding zou slechts mogelijk zijn geweest als het beroepschrift door of mede door mr. J.H. Hartman in kenbare hoedanigheid van gemachtigde van eiseres zou zijn ingediend. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX5242)

De rechtbank bepaalt verder dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 345 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr. D.J. Post en mr. A.G.A. Nijmeijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1 van de Wabo luidt:

“1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

(…).”

Artikel 2.4 van de Wabo luidt:

“1 Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, op de aanvraag beslissen ten aanzien van projecten die behoren tot een bij de maatregel aangewezen categorie projecten die van provinciaal belang zijn. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën gevallen.

(…).”

Artikel 2.12 van de Wabo luidt:

“1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

(…),

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

(…).

Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo luidt:

“In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. […] Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.”

Artikel 3.11, eerste lid, van de Wabo luidt:

“Het bevoegd gezag zendt het bestuursorgaan dat bevoegd is een verklaring te geven als bedoeld in artikel 2.27, onverwijld een exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken.”

Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 3.1 van het Bor luidt:

“Gedeputeerde staten van de provincie waar het project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag indien het project bestaat uit activiteiten als bedoeld in:

a. artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of g, van de wet in gevallen waarin toepassing is gegeven aan artikel 3.26, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

b. artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet en waarbij ten behoeve van de verwezenlijking van een project van provinciaal belang, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, voor zover het betreft de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen, en onder 3°, van de wet, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.”

Artikel 6.5 van het Bor luidt:

“1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

(…)

3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

4. In gevallen waarin artikel 3.1, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.34 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, wordt in het eerste lid in plaats van «gemeenteraad van de gemeente» gelezen «provinciale staten van de provincie» en wordt in het derde lid in plaats van «De gemeenteraad kan» gelezen: De provinciale staten kunnen.”

Wet ruimtelijke ordening (Wro)

Artikel 3:26, vierde lid, van de Wro luidt:

“Provinciale staten kunnen bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepalen dat:

a. gedeputeerde staten de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, uitoefenen,

b. gedeputeerde staten beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c of g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Gedeputeerde staten zenden terstond een afschrift aan burgemeester en wethouders van beschikkingen die zijn gegeven met toepassing van de bevoegdheden, bedoeld in de eerste volzin.”

Reparatie-inpassingsplan “Tuinbouw Bommelerwaard”

Artikel 4.1 van de regels luidt:

“De voor 'Agrarisch - Tuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. uitoefening van een glastuinbouwbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw', met dien verstande dat bijbehorende voorzieningen zoals genoemd onder l tot en met v tevens buiten het aanduidingsvlak zijn toegestaan;

  2. uitoefening van een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paddenstoelenteelt', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' tevens agrogerelateerde bedrijvigheid is toegestaan en dat bijbehorende voorzieningen zoals genoemd onder l tot en met v tevens buiten het aanduidingsvlak zijn toegestaan;

  3. grondgebonden agrarisch bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf', met dien verstande dat uitsluitend de bestaande fruitteeltbedrijven en boomgaarden zijn toegestaan ;

  4. één bedrijfswoning ten behoeve van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf danwel een glastuinbouwbedrijf dan wel een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';

  5. wonen, al dan niet in het kader van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, danwel een glastuinbouwbedrijf dan wel een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – voormalige agrarische bedrijfswoning' met dien verstande dat per aanduidingsvlak één woning is toegestaan ;

  6. voet- en fietspaden;

  7. aan huis verbonden beroep;

  8. bed & breakfast, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast';

  9. een schakelstation ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';

1. 1. gasdrukmeet- en regelstations ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - nutsvoorziening 1';

stro-opslag, anders dan ten behoeve van de bedrijfsuitoefening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag'.

groenvoorzieningen, waaronder landschappelijke inpassing;

inclusief de daarbij behorende:

agrarische gronden, met dien verstande dat het gebruik zich beperkt tot grasland en/of eenjarige gewassen, danwel het bestaande agrarische gebruik;

toegangswegen, overige paden en overig verblijfsgebied, niet zijnde ontsluitingswegen;

parkeervoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het laden en lossen;

duurzame (energie)voorzieningen;

voorzieningen van openbaar nut;

gietwaterbassins;

water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden van water, bergen, aan- en afvoeren van water en natuurvriendelijke oeverzones langs watergangen;

een uitbreiding van maximaal 10% van de bedrijfsmatige activiteiten als genoemd onder a en b alsmede opslag ten behoeve van de bedrijfsuitoefening aansluitend aan de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'glastuinbouw' of 'specifieke vorm van agrarisch - paddenstoelenteelt' met dien verstande dat opslag niet is toegestaan vóór (het verlengde van) de voorgevel van bedrijfsgebouwen;

bij het bedrijf behorende voorzieningen zoals silo's en warmteopslagtanks, direct aansluitend aan het aanduidingsvlak glastuinbouw;

teeltondersteunende voorzieningen zoals opgenomen in artikel 4.2.3 onder h;

bermen en taluds.”

Artikel 30, tweede lid, luidt:

“Indien binnen één besluit gebruik wordt gemaakt van meer bevoegdheden, waarvoor deels Gedeputeerde Staten en deels het college van burgemeesters en wethouders het bevoegd gezag vormen, dan zijn Gedeputeerde Staten voor het geheel bevoegd.”

Artikel 31, derde lid, luidt:

“Op grond van artikel 3.26 lid 4 Wet ruimtelijke ordening zijn gedeputeerde staten bevoegd om te beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c jo. artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.”

In artikel 1 zijn de volgende definities opgenomen:

1.9

agrarisch bedrijf:

“een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of het telen van gewassen.”

1.10

agrogerelateerde bedrijvigheid

“bedrijven die hoofdzakelijk zijn gericht op het leveren van diensten en goederen aan de land- en tuinbouwsector.”

1 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

2 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.

3 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

4 Artikel 1.1, eerste lid, onder a, Crisis- en herstelwet in samenhang met bijlage I, onder 1.1 bij de Crisis- en herstelwet.