Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3073

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
05/720165-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging en verboden wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720165-18

Datum uitspraak : 19 juni 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

6 maart 2020 en 5 juni 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]

en/of [benadeelde 3] dreigend de woorden toe te voegen "en je kinderen gaan er ook aan" en/of "we zijn er al bijna, je kan nu beter jezelf wat aandoen of je kinderen, anders doen wij dat, en geloof me dat je eraan gaat", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan de Rentmeestersveld 11, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten:

- [benadeelde 1] en/of

- [benadeelde 2] , door:

- voornoemde personen dreigend en/of gewapend met één of meerdere messen, knuppels en/of een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen te benaderen,

- met voornoemde nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen op

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] te richten,

- ( vervolgens), tegen voornoemde [benadeelde 2] te zeggen/roepen "als je nu niet teruggaat naar huis, schiet ik je voor je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- een of meerdere malen (met kracht), met de vuisten en/of met voornoemde knuppels, in de richting van, voornoemde personen te slaan en/of te stompen en/of,

- een of meerdere malen, met voornoemde messen, (met kracht) in de richting van, voornoemde personen te steken en/of te prikken en/of te snijden en/of te slaan, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten:

- ( diepe) steekwonden, snijwonden en/of slagwonden op het hoofd en/of het gezicht van [benadeelde 1] ,

- blauwe plekken op het hoofd, het gezicht, de armen en/of de benen van [benadeelde 1] en/of

- een gekneusde, verstuikte en/of een opgezwollen enkel bij [benadeelde 1] , ten gevolge heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, wapens heeft gedragen van:

- categorie IV onder 3, te weten een (houten) wapenstok en/of

- categorie IV onder 7, te weten een (dolk)mes, in elk geval voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier zich meer in het bijzonder op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen. Ter zake van feit 2 is de officier van justitie van mening dat alle ten laste gelegde geweldshandelingen, ook het steken met een mes, kunnen worden bewezen. Volgens de officier heeft [benadeelde 1] als gevolg van het door verdachten gepleegde geweld ernstig letsel opgelopen, maar is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel in juridische zin. Verder heeft de officier zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Ter zake van feit 3, in de tenlastelegging abusievelijk opgenomen als feit 4, acht de officier bewezen dat verdachte zowel een wapenstok als een (dolk)mes heeft gedragen met geen ander doel dan om een ander hiermee letsel toe te brengen of te bedreigen.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de onder 1 ten laste bedreiging heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde 3] niet betrouwbaar zijn en geen enkele ondersteuning vinden in het dossier. Ter zake van feit 2 is primair eveneens gepleit voor vrijspraak. Betwist wordt dat verdachten [benadeelde 1] gewapend en dreigend hebben benaderd. Evenmin is er bewijs dat verdachten [benadeelde 1] met een mes hebben gestoken en dat er geweld is gebruikt tegen [benadeelde 2] dan wel dat hij hiermee is bedreigd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte werd aangevallen door [benadeelde 1] en heeft gehandeld uit noodweer, meer subsidiair noodweerexces, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 3 wordt betwist dat verdachte een (dolk)mes heeft gedragen en dat de knuppel die hij bij zich had, was bestemd om een ander letsel toe te brengen zodat hij ook hiervan moet worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Getuige [benadeelde 3] , de op dat moment zestienjarige dochter van [benadeelde 1] , heeft verklaard dat zij hoorde dat haar vader en verdachte in de avond/nacht van 28 op 29 april 2018 ruzie hadden aan de telefoon. Ook heeft zij verklaard dat verdachte daarbij door de telefoon – die thuis op de luidspreker stond – tegen haar vader schreeuwde: “en je kinderen gaan er ook aan” en even later: “We zijn er al bijna, je kan nu beter jezelf wat aandoen of je kinderen, anders doen wij dat en geloof me dat je eraan gaat”.

Enig ander bewijs dat verdachte letterlijk deze dreigende bewoordingen, opgenomen in de tenlastelegging, of woorden van gelijke dreigende aard en /of strekking gericht tegen het leven van [benadeelde 1] , al dan niet in bewuste en nauwe samenwerking met een ander heeft geuit, ontbreken naar het oordeel van de rechtbank. Ook ontbreekt steunbewijs dat verdachte dreigende woorden heeft geuit tegen de kinderen van [benadeelde 1] , al dan niet in vereniging, zoals ten laste is gelegd. Daarbij merkt de rechtbank op dat het dossier geen aanwijzingen biedt dat de (minderjarige) kinderen van [benadeelde 1] op enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij het al langer bestaande conflict tussen verdachte(n) en hun vader. De rechtbank zal verdachte daarom integraal vrijspreken van feit 1.

Dat de rechtbank in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] bewezen heeft verklaard dat hij zich samen met verdachte schuldig heeft gemaakt aan mondelinge bedreiging van [benadeelde 1] , doet hieraan niet af nu de in die zaak ten laste gelegde en bewezenverklaarde dreigende bewoordingen anders zijn geformuleerd dan in de zaak van verdachte en naar het oordeel van de rechtbank een andere strekking hebben.

Feit 2

Bewijsmiddelen

Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] in de nacht van 29 april 2018 via de telefoon een - hoogopgelopen - ruzie hadden met [benadeelde 1] . Daarbij hebben zij telefonisch (doods)bedreigingen geuit naar [benadeelde 1] .2 Vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte 1] vanuit Arnhem eerst naar de woning van [medeverdachte 1] in Apeldoorn gereden. Onderweg daarheen heeft [medeverdachte 1] tussen 01.46 uur en 01.57 uur appcontact gehad met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] geappt dat hij “hem zo op komt halen”, dat “hij nog even bij [verdachte] was [de rechtbank begrijpt verdachte] en zij er zo een helemaal verrot slaan”, dat “ [benadeelde 1] dacht een grote bek te hebben”.3Hierop heeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] geappt dat hij [de rechtbank begrijpt: [benadeelde 1] ] eraan gaat”. [medeverdachte 2] is naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan, waar zij een aantal wapens waaronder een knuppel, messen en een balletjespistool hebben meegenomen.4 [medeverdachte 1] heeft die wapens later ter plaatse uitgedeeld aan de medeverdachten.5 Vervolgens zijn de drie verdachten gezamenlijk naar de woning waar [benadeelde 1] verbleef in Apeldoorn gereden. Onderweg zei verdachte dat hij [benadeelde 1] direct op zijn hoofd zou stompen.6Aangekomen bij [benadeelde 1] , ontstond er buiten bij een speeltuin ter hoogte van de woning waar [benadeelde 1] verbleef aan de Rentmeestersveld 11 een vechtpartij tussen aan de ene kant (in ieder geval) verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en aan de andere kant [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .7

[benadeelde 2] , de op dat moment zeventienjarige zoon van [benadeelde 1] , heeft verklaard dat verdachte hem heeft geslagen tegen zijn ribben. Verder heeft verdachte zijn vader meerdere malen geslagen met een houten uitschuifbaar voorwerp. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben zijn vader in de maag en het gezicht geslagen. Zij sloegen met de vuist. Daarnaast heeft [benadeelde 2] verklaard dat [medeverdachte 1] een pistool tegen zijn hoofd heeft gezet en daarbij tegen hem heeft gezegd: “Als je nu niet snel naar huis gaat, schiet ik je door je kop”. Hij, [benadeelde 2] , was op dat moment tussen zijn vader en de verdachten gesprongen.8

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij gewapend met een mes en een balletjespistool, lijkend op een echt vuurwapen, naar [benadeelde 1] is gegaan en dat hij het pistool vervolgens op hem heeft gericht.9

Verdachte heeft verklaard dat hij een knuppel bij zich droeg en dat hij [benadeelde 1] hiermee heeft verwond.10

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij een mes, dat eruit schiet als je op een knopje drukt, bij zich droeg en dat hij in eerste instantie mee is gegaan naar [benadeelde 1] om te vechten.

[verdachte] gaf [benadeelde 1] klappen op zijn hoofd met de knuppel. Hij sloeg [benadeelde 1] omdat [benadeelde 1] wat zei over de vriendin van [verdachte] was degene die de eerste klap uitdeelde.11

Uit een letselrapportage van de Forensische Geneeskunde van de GGD van 1 mei 2018 betreffende [benadeelde 1] , komt onder meer naar voren dat hij verwondingen heeft op zijn voorhoofd. Daarnaast heeft hij blauwe plekken op zijn voorhoofd, kin, onderarm en onderbeen.12

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigen bewezen dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezamenlijk [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dreigend en gewapend met messen en een (balletjes)pistool hebben benaderd. De stelling van de raadsman, dat verdachte en [medeverdachte 2] bij aankomst bij [benadeelde 1] op enige afstand achter [medeverdachte 1] liepen, maakt dit niet anders. Ook acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1] het namaakpistool zowel op [benadeelde 1] als op [benadeelde 2] heeft gericht en daarbij tegen [benadeelde 2] de ten laste gelegde dreigende woorden heeft geroepen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [benadeelde 2] op dat moment tussen zijn vader en de verdachten was gesprongen en dat de vechtpartij nog gaande was. Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte 1] [benadeelde 1] met de hand/vuist hebben geslagen en dat verdachte hem met een houten knuppel/uitschuifbare stok meerdere malen heeft geslagen, onder meer in het gezicht. Daarnaast heeft verdachte [benadeelde 2] met de hand/vuist geslagen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of tevens wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachten [benadeelde 1] hebben gestoken met een mes. De verdachten ontkennen deze geweldshandeling. Door verschillende medische instanties, ziekenhuis, GGD en het NFI, is onderzoek gedaan naar het letsel van [benadeelde 1] . In een van de medische verklaringen is opgenomen dat sprake is van enkele snijwonden op het hoofd. De GGD spreekt op haar beurt van barstwonden en bloeduitstortingen, die volgens haar goed kunnen passen bij een harde aanraking met een middelhard voorwerp, zoals een houten stok. Het NFI, dat de verschillende medische verklaringen naast elkaar heeft gezet, heeft geconcludeerd dat de verwondingen aan het (voor)hoofd zowel passen bij botsend als bij schavend dan wel scherprandig geweld. Gezien het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende objectief bewijs is dat een of meer aan [benadeelde 1] toegebrachte (hoofd)verwondingen zijn veroorzaakt door het steken met een mes. De omstandigheid dat de verdachten gewapend waren met messen, maakt dit niet anders. De rechtbank zal verdachten daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ook zonder bewezenverklaring van het steken met messen, is de rechtbank van oordeel dat zowel verdachte als de medeverdachten een significante en wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van het geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Alle drie zijn gewapend de confrontatie aangegaan en alle drie hebben zich blijkens voornoemde bewijsmiddelen bij het geweld niet onbetuigd gelaten. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [benadeelde 1] lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door verdachten uitgeoefende geweld, maar acht zij niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van ‘zwaar lichamelijk letsel’, in de zin van artikel 141, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit het forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI valt op te maken dat de aan [benadeelde 1] toegebrachte huidverwoningen, behoudens eventuele littekens, doorgaans binnen enkele weken genezen.13 Dat de genezing anders is verlopen dan verwacht of complicaties zijn opgetreden is niet gebleken. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook aan de overige voor openlijk geweld geldende wettelijke criteria is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

Feit 3

Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 28 op 29 april 2018 in Apeldoorn een knuppel bij zich droeg.14

Uit wapenonderzoek van het team Forensische opsporing van de politie volgt dat het gaat om een (houten) wapenstok, zijnde een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 3 WWM.15

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben bij de politie verklaard dat zij alle drie wapens hadden mee genomen naar [benadeelde 1] omdat zij dachten dat de situatie uit de hand kon lopen. Kort daarvoor hadden zij van hem een bericht ontvangen met de tekst dat de messen waren geslepen. Eerder die nacht heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] geappt dat “zij er zo een helemaal verrot slaan” dat “ [benadeelde 1] een grote bek dacht te hebben”. Ook heeft [medeverdachte 1] verklaard dat verdachte onderweg naar [benadeelde 1] heeft gezegd dat hij [benadeelde 1] direct op zijn hoofd zou stompen.16 De rechtbank concludeert op grond hiervan dat verdachte uit was op een gewelddadige confrontatie. Het verweer van de raadsman dat verdachte de knuppel/ wapenstok alleen ter verdediging bij zich had en dat deze niet was bedoeld was om een ander letsel toe te brengen, wordt daarom verworpen. De rechtbank komt ten aanzien van de wapenstok dan ook tot een bewezenverklaring. Zij zal verdachte van het dragen van het (dolk)mes vrijspreken, omdat onduidelijk is gebleven wie van de verdachten het tweede dolkmes dat de politie heeft aangetroffen op de plaats delict, feitelijk heeft gedragen en het bestanddeel in deze niet op de tenlastelegging is opgenomen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan de Rentmeestersveld 11, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten:

- [benadeelde 1] en/of

- [benadeelde 2] , door:

- voornoemde personen dreigend en/of gewapend met één of meerdere messen, een knuppels en/of een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen te benaderen,

- met voornoemde nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen op

[benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] te richten,

- ( vervolgens), tegen voornoemde [benadeelde 2] te zeggen/roepen "als je nu niet teruggaat naar huis, schiet ik je voor je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- een of meerdere malen (met kracht), met de vuisten en/of met voornoemde knuppels, in de richting van, voornoemde personen te slaan en/of te stompen en/of,

- - een of meerdere malen, met voornoemde messen, (met kracht) in de richting van, voornoemde personen te steken en/of te prikken en/of te snijden en/of te slaanterwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten:

- ( diepe) steekwonden, snijwonden en/of slagwonden op het hoofd en/of het gezicht van [benadeelde 1] ,

- blauwe plekken op het hoofd, het gezicht, de armen en/of de benen van [benadeelde 1] en/of

- een gekneusde, verstuikte en/of een opgezwollen enkel bij [benadeelde 1] ,ten gevolge heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, een wapen heeft gedragen van:

- categorie IV onder 3, te weten een (houten) wapenstok en/of

- categorie IV onder 7, te weten een (dolk)mes, in elk geval voorwerp,waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Noodweer en noodweerexces

De raadsman heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van feit 2 heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij naar [benadeelde 1] is gegaan om de ruzie met praten op te lossen, maar dat [benadeelde 1] in de buurt van zijn woning buiten direct op hem afstormde met een mes in zijn hand zodat noodzakelijke verdediging was geboden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet slaagt, reeds omdat verdachte de aanval van [benadeelde 1] door provocatie heeft uitgelokt en de gewelddadige confrontatie willens en wetens heeft opgezocht.

Feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat er die avond sprake was van een hoog opgelopen (familie)conflict tussen [verdachte] en

[medeverdachte 1] enerzijds en [benadeelde 1] anderzijds. Daarbij zijn door de telefoon (doods)bedreigingen geuit richting [benadeelde 1] en is geroepen dat zij eraan kwamen. Vervolgens zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] vanuit Arnhem naar Apeldoorn gereden, waar [benadeelde 1] in een woning verbleef met zijn vier minderjarige kinderen. Onderweg hebben verdachten [benadeelde 1] bericht dat zij eraan kwamen. Hierop ontvingen verdachten bericht terug dat de “messen waren geslepen”.

[medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] die nacht geappt dat hij “hem zo op komt halen”, dat “hij bij [verdachte] is en zij er zo een helemaal verrot slaan”, dat “ [benadeelde 1] dacht een grote bek te hebben”. Hierop heeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] geappt dat “hij eraan gaat”. Vervolgens hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] opgehaald en wapens, waaronder een knuppel, messen alsmede een balletjes/imitatiepistool meegenomen uit de woning van [medeverdachte 1] omdat zij dachten dat de situatie uit de hand zou kunnen lopen. Hierna zijn de verdachten midden in de nacht samen naar [benadeelde 1] gereden. Onderweg zei [verdachte] dat hij [benadeelde 1] direct op zijn hoofd zou stompen. Verdachten waren woedend op hem. [medeverdachte 1] heeft hierover bij de politie verklaard dat er iets was geknapt in zijn hoofd, dat hij niet meer nadacht.

De rechtbank kan op grond van het bovenstaande niet anders dan concluderen dat verdachten midden in de nacht in een opgefokte, agressieve en dreigende sfeer naar [benadeelde 1] zijn gegaan voor een gewelddadige confrontatie. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] de eerste klap heeft uitgedeeld. Dat verdachte naar [benadeelde 1] is gegaan met de bedoeling om de ruzie met praten op te lossen, zoals hij heeft verklaard, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad 17 volgt dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich hierop beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als “verdediging” maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien.

Verdachten hebben [benadeelde 1] met zijn drieën midden in de in de nacht gewapend en op agressieve en dreigende wijze benaderd met de bedoeling een gewelddadige confrontatie met hem aan te gaan, te vechten. Verdachten hebben zodoende een grote en initiërende rol gespeeld in de uiteindelijke escalatie. Naar het oordeel van de rechtbank moet zowel de bedoeling als de uiterlijke verschijningsvorm van voornoemde gedragingen van verdachten als aanvallend worden gezien. Door zo te handelen hebben zij zichzelf in de situatie gebracht waarbij uiteindelijk ook geweld tegen hen is gebruikt. Het beroep op een noodweersituatie als rechtvaardigings- of strafuitsluitingsgrond met betrekking tot het eigen gezamenlijke gewelddadige handelen wordt daarom verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 150 uren.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij zijn baan zal kwijtraken als hij opnieuw moet vast- zitten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gezien de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank onder meer gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 17 april 2020;

- reclasseringsadviezen van 2 mei 2018, 6 november 2018 en 24 februari 2020;

- trajectconsult van 4 juni 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige strafbaar feit. Eerder die avond is het conflict tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] aan de ene kant en [benadeelde 1] aan de andere kant hoog opgelopen en zijn ook bedreigingen geuit. Bij woorden is het niet gebleven, want verdachte en zijn medeverdachte besloten om naar het familielid toe te gaan en hem ‘helemaal verrot te slaan’. Ter plekke hebben verdachten gezamenlijk daadwerkelijk geweld gebruikt tegen het familielid en diens op dat moment minderjarige zoon, onder andere met behulp van een houten knuppel en het laten zien van een (nep)pistool.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het familielid en zijn op dat moment minderjarige zoon. Voor de zoon is de gewelddadige confrontatie van verdachten midden in de nacht bij zijn huis zeer heftig en beangstigend geweest. Hij zag hoe zijn vader werd mishandeld. Toen hij zijn vader te hulp kwam, werd hij zelf aangevallen. Nu twee jaar later, heeft de gebeurtenis nog veel impact op zijn leven en kampt hij met psychische problemen. Daarnaast heeft de openlijke geweldpleging gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg gebracht in de naaste omgeving. Niet alleen het familielid, maar ook verdachte en een medeverdachte zijn na afloop van de vechtpartij naar het ziekenhuis gebracht vanwege ernstige verwondingen. Na afloop van het incident trof de politie bij verdachte een (gebroken) wapenstok aan. De rechtbank rekent het verdachte extra aan dat hij dit - verboden- wapen bij zich had en heeft gebruikt.

Gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank weegt mee dat hij geen relevant strafblad heeft en dat de kans dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, wordt ingeschat als klein. Ook acht de rechtbank van belang dat uit bovenstaande rapporten naar voren komt dat verdachte zijn leven verder op orde heeft. Daarnaast betrekt de rechtbank bij de strafmaat dat sprake is van tijdsverloop van ruim twee jaar sinds het bewezenverklaarde en dat verdachte in die tijd niet meer in aanraking is gekomen met de politie wegens het plegen van een strafbaar feit.

Zoals hierboven al uiteen is gezet, komt aan verdachte geen beroep op noodweer(exces) toe. Wel neemt de rechtbank mee dat de man waartegen het geweld van de verdachten was gericht, zelf in enige mate heeft bijgedragen aan het escaleren van het conflict.

Alles afwegend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 33 dagen. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 80 uur op zijn plaats. Dat de straf van de rechtbank afwijkt van de strafeis van de officier van justitie, komt mede omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen acht dat verdachten [benadeelde 1] met messen hebben gestoken.

8. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 ten laste legde. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde zijn vordering tot schadevergoeding zowel in de zaak van verdachte [medeverdachte 1] als in de zaken van de medeverdachten heeft ingediend. Na de vorige zitting is nog overleg geweest met de moeder van benadeelde en daarna zijn alsnog alle parketnummers op de vordering vermeld. Verder is de officier van justitie van mening dat het, gelet op de ernst en de omstandigheden van het door verdachten gepleegde geweld, zonder meer aannemelijk is dat het bewezenverklaarde psychische gevolgen heeft gehad voor de benadeelde. De ingediende stukken bieden echter onvoldoende duidelijkheid over de psychische toestand van de benadeelde. De officier stelt zich daarom op het standpunt dat de immateriële schade moet worden gematigd en komt uit op een voorschot van € 2.500,- met wettelijke rente, hoofdelijk op te leggen aan alle verdachten. Voor het overige moet de benadeelde niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde zich niet heeft gevoegd in de strafzaak van verdachte. Daartoe is aangevoerd dat op het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ aanvankelijk alleen het parketnummer van een van de medeverdachte was vermeld. Dat het openbaar ministerie later zelf ook het parketnummer van verdachte op de vordering heeft ingevuld is niet bepalend voor de reikwijdte van de vordering. Dat uit recent contact van Slachtofferzorg met de moeder van benadeelde zou blijken dat de vordering zich ook uitstrekt tot de zaak van verdachte is niet nader onderbouwd en doet niet ter zake omdat benadeelde inmiddels meerderjarig is en een ondubbelzinnige verklaring van hem ontbreekt.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, waarbij hij heeft verwezen naar de bepleite vrijspraak. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de causaliteit tussen de door benadeelde gestelde psychische schade en het tenlastegelegde ontbreekt en dat [naam 1] van CasestoCase niet ter zake deskundig is zodat de benadeelde ook om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat op het voegingsformulier van de benadeelde aanvankelijk alleen het parketnummer van een van de medeverdachten was vermeld en niet de parketnummers van de andere twee verdachten. Op de door de officier van justitie ter zitting van 5 juni 2020 overgelegde formulier is dit aangepast. Volgens de officier zijn de parketnummers van de medeverdachten toegevoegd na navraag bij de moeder van de benadeelde over de reikwijdte van de vordering.

Volgens vaste jurisprudentie is het (in eerste instantie) ontbreken van een parketnummer op een voegingsformulier onvoldoende om te concluderen dat het voegingsformulier niet zou zijn gericht op het verkrijgen van schadevergoeding in de strafzaak tegen verdachte nu de officier van justitie is belast met het samenstellen van het procesdossier, de benadeelde partij het voegingsformulier bij de officier van justitie indient en het OM is belast met het invullen van het parketnummer. Bovendien blijkt uit het formulier zelf voldoende dat de vordering ziet op de bij verdachte en zijn medeverdachten identiek tenlastegelegde openlijke geweldpleging en de bewezen verklaarde gezamenlijke gedragingen. Het verweer op dit punt wordt daarom gepasseerd.

Wat het lichamelijk letsel betreft, acht de rechtbank bewezen dat benadeelde is geslagen tijdens voornoemd geweldsincident. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken volgt dat benadeelde de dag vóór het feit tijdens een botsing in het zwembad pijn/letsel aan zijn lichaam, borstkast heeft opgelopen. Gelet hierop, is naar het oordeel van de rechtbank op basis van de ingebrachte stukken niet vast te stellen dat de pijnklachten van benadeelde van ná het incident rechtstreeks zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde.

Ten aanzien van de psychische schade overweegt de rechtbank als volgt.

Benadeelde, destijds minderjarig, is door toedoen van verdachten midden in de nacht betrokken geraakt bij een zwaar geweldsincident nabij zijn woning. Zijn vader is voor zijn ogen mishandeld. Toen hij zijn vader te hulp kwam, hebben de verdachten ook tegen hem geweld gebruikt. Daarbij heeft verdachte een imitatievuurwapen op hem gericht. Gelet op de heftigheid van de geweldssituatie, de daarmee gepaard gaande inbreuk op zijn lichamelijke integriteit en op zijn recht op veiligheid, de kwetsbaarheid van deze minderjarige benadeelde en gezien de ingebrachte stukken waaruit in ieder geval volgt dat het incident onderwerp van gesprek is bij de begeleiding en behandeling die hij krijgt, stelt rechtbank vast dat de bewezenverklaarde onrechtmatige handelingen rechtstreeks schade hebben veroorzaakt bij de benadeelde.

Naar algemene ervaringsregels en op de persoon en situatie van benadeelde toegesneden, schat de rechtbank de schade op € 1.500,-. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Ook ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien de vordering ook is/moet worden geacht te zijn ingediend in de strafzaken tegen de andere twee verdachten.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57 en 141 en van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet Wapens en Munitie.

11 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 (drieëndertig) dagen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende

80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht

vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van veertig (40) dagen;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van een bedrag van € 1.500,-

(vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 25 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Raat (voorzitter), mr. P.J.C. Cremers en H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2020.

Mr. H.C. Leemreize is buiten deze staat dit vonnis mede te ondertekenen.

.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam 2] van de politie Oost- Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONR3R018050, gesloten op 2 oktober 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 proces-verbaal van verhoor [benadeelde 3] p. 198, proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 2] p. 552.

3 proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 498 en 503 en proces-verbaal van bevindingen p. 290.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 405-406, proces-verbaal van bevindingen p. 290, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 498.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 508.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 498.

7 Verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020 en proces-verbaal van bevindingen p. 33.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde 2] p. 549, 553, 554, 561.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 498 en 503.

10 Verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 407, 412 en 413.

12 Verklaring Forensisch Geneeskunde p. 347.

13 Verklaring Forensisch Geneeskunde p. 364.

14 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020.

15 Proces-verbaal p. 264-265.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 498 en 504, proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 411.

17 Zie onder meer HR 3 april 2018 ECLI:NL:HR:2018:496 en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.