Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3042

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4102
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag vanwege een ten onrechte verrekend verlies waarbij de verliesherzienings-beschikking na de navorderingsaanslag is genomen.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan het opleggen van een navorderingsaanslag vanwege een ten onrechte verrekend verlies, een verliesherzieningsbeschikking vooraf dient te gaan

(Hoge Raad 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6000). Verweerder heeft pas na het opleggen van de navorderingsaanslag een verliesherzieningsbeschikking genomen. Slechts wanneer een belastingplichtige geen bezwaar heeft tegen een verkeerde volgorde, kan daaraan voorbij worden gegaan (Hoge Raad 13 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4267). Dat is in dit geval niet aan de orde. De navorderingsaanslag Vpb 2014 kan dan ook geen standhouden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-07-2020
V-N Vandaag 2020/1801
FutD 2020-2049 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2020/1629 met annotatie van Coen Maas
NTFR 2020/2380 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
V-N 2020/41.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 19/4102

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag (aanslagnummer [XXX] V.46.0112) vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 214.904. Tevens is bij beschikking € 17.292 aan belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft verweerder voor datzelfde jaar een navorderingsaanslag (aanslagnummer [XXX] V.47.0112) opgelegd, eveneens berekend naar een belastbaar bedrag van € 214.904. Bij beschikking is € 1.391 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 3 juli 2019 zowel de aanslag als de navorderingsaanslag als de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij brief ontvangen door de rechtbank op

19 juli 2019, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2020. Namens eiseres is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [persoon A] en [persoon B] . Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om aanvullende informatie van verweerder te krijgen. Bij brief van 28 januari 2020 heeft verweerder de gevraagde informatie verstrekt waarna eiseres daarop bij brief van 24 februari 2020 heeft gereageerd. Partijen hebben vervolgens beiden niet binnen de gestelde termijn gereageerd op de vraag of zij een nadere zitting wensten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 19 juni 2020.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 29 april 2016 aangifte Vpb 2014 gedaan naar een verlies van

€ 265.696.

2. Verweerder heeft eiseres bij brief van 18 juni 2018 bericht de aangifte te zullen corrigeren met een bedrag van € 480.600 naar een belastbaar bedrag van € 214.904

(-/- 265.696 + € 480.600). De correctie ziet op een voorziening wegens vermoedelijke oninbaarheid van een door eiseres verstrekte lening.

3. Verweerder heeft met dagtekening 30 juni 2018 een primitieve aanslag Vpb 2014 aan eiseres opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 214.904.

4. Bij brief ontvangen door verweerder op 4 juli 2018 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

5. Bij beschikking van 28 juli 2018 heeft verweerder de primitieve aanslag Vpb 2014 verminderd door een over het jaar 2015 geleden verlies van eiseres van € 108.512 terug te wentelen. Na de verliesverrekening resteerde een belastbaar bedrag van € 106.392

(€ 214.904 minus € 108.512).

6. Verweerder heeft met dagtekening 23 maart 2019 een navorderingsaanslag Vpb 2015 opgelegd waarbij het door eiseres aangegeven verlies 2015 gecorrigeerd is naar een winst van € 218.505.

7. Verweerder heeft met dagtekening 6 april 2019 een navorderingsaanslag Vpb 2014 aan eiseres opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van € 214.904.

8. Bij brief van 17 april 2019 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.

9. Bij uitspraak op bezwaar van 3 juli 2019 heeft verweerder zowel de aanslag als de navorderingsaanslag gehandhaafd.

10. Verweerder heeft bij verliesherzieningsbeschikking van 28 januari 2020 het verlies over 2015 herzien van € 108.512 naar nihil.

Geschil

11. In geschil is of de primitieve aanslag en of de navorderingsaanslag in stand kunnen blijven zonder (voorafgaande) verliesherzieningsbeschikking.

12. Eiseres is van mening dat voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslag en de navorderingsaanslag eerst een aparte verliesherzieningsbeschikking had dienen te worden genomen en dat zowel de primitieve aanslag als de navorderingsaanslag vernietigd dienen te worden.

13. Verweerder is van mening dat de door hem bij primitieve aanslag aangebrachte correctie in stand kan blijven omdat eiseres ten onrechte een voorziening heeft opgenomen voor de afwaardering van een lening. Daarnaast is verweerder van mening dat de aanvankelijk aan eiseres verleende verliesverrekening met een verlies voor 2015 op de juiste wijze is teruggenomen. Nadat de rechtbank het onderzoek heeft geschorst heeft verweerder op 28 januari 2020 een verliesherzieningsbeschikking vastgesteld voor het verlies over 2015. Dat eerst de navorderingsaanslag is opgelegd en pas daarna de verliesherzieningsbeschikking is gegeven, doet in dit geval niet ter zake nu eiseres geen expliciet beroep heeft gedaan op de verkeerde volgorde, aldus verweerder.

Beoordeling van het geschil

Primitieve aanslag Vpb 2014

14. Eiseres voert geen gronden aan tegen de door verweerder gemaakte winstcorrectie die ertoe leidt dat het belastbaar bedrag 2014 van eiseres op € 214.904 uitkomt. Uit het betoog van eiseres begrijpt de rechtbank dat de primitieve aanslag moet worden vernietigd omdat voor het jaar 2014 geen aparte beschikking herziening verlies op grond van artikel 20b Wet Vpb aan eiseres is opgelegd. Dit is onjuist. Voor dit jaar geldt dat in het geheel geen sprake is van een door verweerder vastgesteld verlies en dus is een (aparte) verliesherzieningsbeschikking voor dit jaar niet nodig. Het beroep is in zoverre ongegrond.

15. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiseres heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

Navorderingsaanslag Vpb 2014

16. Eiseres heeft in beroep gesteld dat verweerder geen aparte beschikking herziening verlies heeft genomen. Dit is vermeld in de brieven van 26 augustus 2019 en

24 februari 2020.

17. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan het opleggen van een navorderingsaanslag vanwege een ten onrechte verrekend verlies, een verliesherzienings-beschikking vooraf dient te gaan.1 Verweerder heeft pas na het opleggen van de navorderingsaanslag een verliesherzieningsbeschikking genomen. De navorderingsaanslag kan dan ook geen standhouden. Verweerder heeft het gebrek niet geheeld met de verliesherzieningsbeschikking van 28 januari 2020 omdat die na de navorderingsaanslag is genomen. Slechts wanneer een belastingplichtige geen bezwaar heeft tegen een verkeerde volgorde, kan daaraan voorbij worden gegaan.2 Dat is in dit geval niet aan de orde.

18. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiseres in zoverre gegrond. Ook de rentebeschikking kan geen standhouden.

19. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.310 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van een nadere reactie, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

20. Omdat de rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de primitieve aanslag Vpb 2014 en de bijbehorende beschikking belastingrente ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag Vpb 2014 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de navorderingsaanslag Vpb 2014;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag Vpb 2014 en de bijbehorende beschikking belastingrente;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.310;

  • -

    gelast verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 345 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Vergelijk Hoge Raad 1 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6000.

2 Vergelijk Hoge Raad 13 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4267.