Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3037

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
05/720164-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging, verboden wapenbezit en medeplegen van mondelinge bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/720164-18

Datum uitspraak : 19 juni 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

wonende aan [adres verdachte] .

Raadsvrouw: mr. S.H.O. Schaapherder, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

6 maart 2020 en 5 juni 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "jo we komen eraan en maken je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan [adres 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten:

- [slachtoffer 1] en/of

- [slachtoffer 2] , door:

- voornoemde personen dreigend en/of gewapend met één of meerdere messen, knuppels en/of een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen te benaderen,

- met voornoemde nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen op

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richten,

- ( vervolgens), tegen voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen/roepen "als je nu niet teruggaat naar huis, schiet ik je voor je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- een of meerdere malen (met kracht), met de vuisten en/of met voornoemde knuppels, in de richting van, voornoemde personen te slaan en/of te stompen en/of,

- een of meerdere malen, met voornoemde messen, (met kracht) in de richting van, voornoemde personen te steken en/of te prikken en/of te snijden en/of te slaan, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten:

- ( diepe) steekwonden, snijwonden en/of slagwonden op het hoofd en/of het gezicht van

[slachtoffer 1] ,

- blauwe plekken op het hoofd, het gezicht, de armen en/of de benen van [slachtoffer 1] en/of

- een gekneusde, verstuikte en/of een opgezwollen enkel bij [slachtoffer 1] , ten gevolge heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 7, te weten een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen, te weten een Sig Sauer P228, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen dat het voor bedreiging en afdreiging geschikt is, voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

5.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, wapens van categorie IV onder 7 heeft gedragen, te weten (dolk)messen en/of een vouwmes, in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier zich meer in het bijzonder op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen. Ter zake van feit 2 is de officier van justitie van mening dat alle ten laste gelegde geweldshandelingen, ook het steken met een mes, kunnen worden bewezen. Volgens de officier heeft [slachtoffer 1] als gevolg van het door verdachten gepleegde geweld ernstig letsel opgelopen, maar is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel in juridische zin. Verder heeft de officier zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen beroep op noodweer(exces) toekomt.

Het standpunt van de verdediging

Voor wat betreft de onder 1 ten laste gelegde bedreiging en de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging, heeft de raadsvrouw primair vrijspraak bepleit. Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd. Verder is de raadsvrouw van mening dat met de verklaringen van [getuige 1] zeer terughoudend moet worden omgegaan. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat [slachtoffer 1] niet dreigend is benaderd. Betwist wordt dat er geweld is gebruikt tegen [slachtoffer 2] en dat hij hiermee is bedreigd. Volgens de raadsvrouw is er geen bewijs dat [slachtoffer 1] met een mes is gestoken en zijn diens verwondingen juridisch gezien niet aan te merken als ‘zwaar lichamelijk letsel’. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte voor feit 1 en feit 2 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces.

Ten aanzien van feit 3 en feit 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ter zake van feit 5 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte het mes alleen bij zich had uit zelfverdediging zodat vrijspraak moet volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op de samenhang tussen de feiten 1, 2 en 5 zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken. Daarbij geldt dat elk bewijsmiddel slechts is gebruikt voor het feit waarop het volgens zijn inhoud betrekking heeft.

Feit 1

Bewijsmiddelen

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij door de telefoon is bedreigd door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zei tegen hem dat hij hem iets aan zou doen, dat hij, [slachtoffer 1] , het allemaal wel zou zien en meemaken, dat zij eraan kwamen.2

[getuige 1] , de op dat moment zestienjarige dochter van [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat haar vader in de avond/nacht van 28/29 april 2018 een conflict had met [medeverdachte 1] . [verdachte] bemoeide zich met het gesprek. Zij hoorde [verdachte] door de telefoon, die op de luidspreker stond, zeggen: “Jo, wij komen eraan en maken je af”. 3

[slachtoffer 2] , de op dat moment zeventienjarige zoon van [slachtoffer 1] , heeft verklaard dat hij samen met zijn zus, zijn twee broertjes en zijn vader in de woning in [woonplaats slachtoffers] was en hoorde dat [medeverdachte 1] en [verdachte] , door de telefoon riepen dat zij naar het huis kwamen en zijn vader dood kwamen maken.4

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij aan de telefoon was met [slachtoffer 1] en boos op hem was. Als je boos bent, zeg je wel eens rare dingen, aldus

[medeverdachte 1] . Hij heeft toen (onder meer) tegen [slachtoffer 1] gezegd dat als deze hem wat aan wilde doen, hij zich niet op zijn kop zou laten zitten. [verdachte] heeft de telefoon van hem overgenomen en met [slachtoffer 1] gesproken. Dat gesprek verliep heel slecht. Het was ruzie, aldus [medeverdachte 1] .5

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij er klaar mee was dat [slachtoffer 1] verwijten bleef maken. Hij heeft toen door de telefoon tegen [slachtoffer 1] gezegd dat deze nu met [naam verdachte] sprak. Ook heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij hoorde dat [medeverdachte 1] door de telefoon tegen [slachtoffer 1] zei, dat zij [de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] en [verdachte] ] eraan kwamen. Er knapte toen naar eigen zeggen iets in verdachtes hoofd.6 Ter zitting van 5 juni 2020 heeft verdachte verklaard dat hij heel boos was op [slachtoffer 1] , hij heeft herhaald dat er toen iets knapte in zijn hoofd en hij heeft verklaard dat hij door de telefoon tegen hem heeft gezegd: “Ik kom naar je toe”.7

Bewijsoverwegingen

De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van bovengenoemde verklaring van [getuige 1] te twijfelen, dat verdachte de ten laste gelegde woorden heeft geuit, nu haar verklaring nauw aansluit bij hetgeen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard over de inhoud van de bedreigingen. Dat zij de dochter is van [slachtoffer 1] doet daar niet aan af. Bovendien worden bovenstaande verklaringen van de familie [achternaam slachtoffer 1 en 2] ondersteund door hetgeen [medeverdachte 1] en verdachte zelf hebben verklaard. Uit hun verklaringen volgt immers dat op het moment dat verdachte de telefoon overnam, al enige tijd sprake was van een agressieve sfeer tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] en dat het telefooncontact tussen verdachte en [slachtoffer 1] (eveneens) uitliep op ruzie.

Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte de ten laste legde bedreiging in nauwe en bewuste samenwerking heeft gepleegd. Daarbij acht zij van belang dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] samen hebben gebeld met [slachtoffer 1] en daarbij beiden (soort)gelijke dreigende uitlatingen hebben gedaan, zoals beschreven in deze tenlastelegging. Verder is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen van dien aard en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen redelijke vrees kunnen opwekken. De rechtkomt acht het feit dan ook bewezen.

Feit 2

Bewijsmiddelen

Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat [medeverdachte 1] en

[verdachte] in de nacht van 29 april 2018 na bovenstaande - hoogopgelopen - telefonische ruzie met [slachtoffer 1] , vanuit Arnhem eerst naar de woning van [verdachte] in [woonplaats slachtoffers] zijn gereden. Onderweg daarheen heeft [verdachte] tussen 01.46 uur en 01.57 uur appcontact gehad met [medeverdachte 2] . [verdachte] heeft [medeverdachte 2] geappt dat hij “hem zo op komt halen”, dat “hij nog even bij [naam] was [de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ] en zij er zo een helemaal verrot slaan”, dat “ [slachtoffer 1] dacht een grote bek te hebben”. Hierop heeft [medeverdachte 2] aan [verdachte] geappt dat “hij [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ] eraan gaat”. Bij de woning van [verdachte] hebben zij [medeverdachte 2] opgehaald en uit de woning van [verdachte] een aantal wapens waaronder een knuppel, messen en een balletjespistool meegenomen. [verdachte] heeft die wapens uitgedeeld aan de medeverdachten.8 Vervolgens zijn de drie verdachten gezamenlijk naar de woning van [slachtoffer 1] in [woonplaats slachtoffers] gereden. Onderweg zei [medeverdachte 1] dat hij [slachtoffer 1] direct op zijn hoofd zou stompen.9Aangekomen bij [slachtoffer 1] , ontstond er buiten bij een speeltuin ter hoogte van de woning van [slachtoffer 1] een vechtpartij tussen aan de ene kant (in ieder geval) [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] en aan de andere kant [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .10

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft geslagen tegen zijn ribben. Verder heeft [medeverdachte 1] zijn vader meerdere malen geslagen met een houten uitschuifbaar voorwerp. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben zijn vader in de maag en het gezicht geslagen. Zij sloegen met de vuist. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] verklaard dat [verdachte] een pistool tegen zijn hoofd heeft gezet en daarbij tegen hem heeft gezegd: “Als je nu niet snel naar huis gaat, schiet ik je door je kop”. Hij, [slachtoffer 2] , was op dat moment tussen zijn vader en de verdachten gesprongen.11

Verdachte heeft verklaard dat hij gewapend met een mes en een balletjespistool, lijkend op een echt vuurwapen, naar [slachtoffer 1] is gegaan en dat hij het pistool vervolgens op hem heeft gericht.12

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij een knuppel bij zich droeg en dat hij [slachtoffer 1] hiermee heeft verwond.13

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij een stilettomes bij zich droeg en in de eerste instantie

mee is gegaan naar [slachtoffer 1] om te vechten. Ook heeft hij verklaard dat [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] met een stok tegen het gezicht heeft geslagen. [medeverdachte 1] gaf [slachtoffer 1] klappen op zijn hoofd met het knuppeltje. Hij sloeg [slachtoffer 1] omdat [slachtoffer 1] wat zei over de vriendin van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] was degene die de eerste klap uitdeelde.14

Uit een letselrapportage van de Forensische Geneeskunde van de GGD van 1 mei 2018 betreffende [slachtoffer 1] , komt onder meer naar voren dat hij verwondingen heeft op zijn voorhoofd. Daarnaast heeft hij blauwe plekken op zijn voorhoofd, kin, onderarm en onderbeen.15

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigen bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezamenlijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend en gewapend met messen en een (balletjes)pistool hebben benaderd. De stelling van de raadsvrouw, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij aankomst bij [slachtoffer 1] op enige afstand achter

[verdachte] liepen, maakt dit niet anders. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte het namaakpistool zowel op [slachtoffer 1] als op [slachtoffer 2] heeft gericht en daarbij tegen [slachtoffer 2] de ten laste gelegde dreigende woorden heeft geroepen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 2] op dat moment tussen zijn vader en de verdachten was gesprongen en dat de vechtpartij nog gaande was. Verder stelt de rechtbank vast dat verdachten [slachtoffer 1] met de vuist en/of een houten knuppel/uitschuifbare stok meerdere malen hebben geslagen, onder meer in het gezicht. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] (met de hand) geslagen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of tevens wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachten [slachtoffer 1] hebben gestoken met een mes. De verdachten ontkennen deze geweldshandeling. Door verschillende medische instanties, ziekenhuis, GGD en het NFI, is onderzoek gedaan naar het letsel van [slachtoffer 1] . In een van de medische verklaringen is opgenomen dat sprake is van enkele snijwonden op het hoofd. De GGD spreekt op haar beurt van barstwonden en bloeduitstortingen, die volgens haar goed kunnen passen bij een harde aanraking met een middelhard voorwerp, zoals een houten stok. Het NFI, dat de verschillende medische verklaringen naast elkaar heeft gezet, heeft geconcludeerd dat de verwondingen aan het (voor)hoofd zowel passen bij botsend als bij schavend dan wel scherprandig geweld. Gezien het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende objectief bewijs is dat een of meer aan [slachtoffer 1] toegebrachte (hoofd)verwondingen zijn veroorzaakt door het steken met een mes. De omstandigheid dat de verdachten gewapend waren met messen, maakt dit niet anders. De rechtbank zal verdachten daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ook zonder bewezenverklaring van het steken met messen, is de rechtbank van oordeel dat zowel verdachte als de medeverdachten een significante en wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van het geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Alle drie zijn gewapend de confrontatie aangegaan en alle drie hebben zich blijkens voornoemde bewijsmiddelen bij het geweld niet onbetuigd gelaten. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door verdachten uitgeoefende geweld, maar acht zij niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van ‘zwaar lichamelijk letsel’, in de zin van artikel 141, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit het forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI valt op te maken dat de aan [slachtoffer 1] toegebrachte huidverwoningen, behoudens eventuele littekens, doorgaans binnen enkele weken genezen.16 Dat de genezing anders is verlopen dan verwacht of complicaties zijn opgetreden is niet gebleken. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook aan de overige voor openlijk geweld geldende wettelijke criteria is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. De rechtbank komt daarom ook ten aanzien van feit 2 tot een bewezenverklaring.

Feit 3

Er is sprake van bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van

5 juni 2020;

- het proces-verbaal onderzoek wapen p. 283-284.

Feit 4

Verbalisant zag dat verdachte op 29 april 2018 in Apeldoorn een zwart dun voorwerp in handen had en dit in het gras gooide bij de andere messen.17

Uit wapenonderzoek door de afdeling Forensische opsporing van de politie volgt dat bovenstaand door de politie in beslag genomen zwart voorwerp een ploertendoder is, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I onder 3 WWM.18

Ter terechtzitting van 5 juni 2020 heeft verdachte verklaard dat hij en zijn medeverdachten dit wapen bij hem thuis hadden opgehaald voordat zij naar [slachtoffer 1] gingen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij de wapens heeft uitgedeeld aan de medeverdachten. 19

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen komt de rechtbank ook ten aanzien van dit feit tot een bewezenverklaring.

Feit 5

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de twee messen op de aan hem getoonde foto’s (pagina 513 en 514) - aangetroffen op de plaats delict - van hem zijn. Een van die messen droeg hij in de nacht van 28 op 29 april 2018 bij zich toen hij in [woonplaats slachtoffers] bij [slachtoffer 1] was.20

Uit onderzoek door de afdeling Forensische opsporing van de politie volgt dat het gaat om dolkmessen, zijnde wapens in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 7 WWM.21

Verdachte heeft ter zitting van 5 juni 2020 verklaard dat hij wapens mee had genomen naar [slachtoffer 1] omdat hij dacht dat de situatie uit de hand kon lopen. Kort daarvoor had verdachte van hem een bericht ontvangen met de tekst dat de messen waren geslepen. Eerder die nacht heeft verdachte [medeverdachte 2] geappt dat “zij er zo een helemaal verrot slaan” dat “ [slachtoffer 1] een grote bek dacht te hebben”.22 De rechtbank concludeert op grond hiervan dat verdachte uit was op een gewelddadige confrontatie. Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte het mes alleen ter verdediging bij zich had en dat dit niet was bedoeld was om een ander letsel toe te brengen, wordt daarom verworpen. De rechtbank komt ten aanzien van één dolkmes tot een bewezenverklaring en zal verdachte van het dragen van de overige ten laste gelegde wapens vrijspreken, omdat onduidelijk is gebleven wie van de verdachten deze wapens feitelijk hebben gedragen en het bestanddeel in deze niet op de tenlastelegging is opgenomen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "jo we komen eraan en maken je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, openlijk, te weten op of aan [adres 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten:

- [slachtoffer 1] en/of

- [slachtoffer 2] , door:

- voornoemde personen dreigend en/of gewapend met één of meerdere messen, een knuppels en/of een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen te benaderen,

- met voornoemde nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen op

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richten,

- ( vervolgens), tegen voornoemde [slachtoffer 2] te zeggen/roepen "als je nu niet teruggaat naar huis, schiet ik je voor je kop", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- een of meerdere malen (met kracht), met de vuisten en/of met voornoemde knuppels, in de richting van, voornoemde personen te slaan en/of te stompen en/of,

- - een of meerdere malen, met voornoemde messen, (met kracht) in de richting van, voornoemde personen te steken en/of te prikken en/of te snijden en/of te slaanterwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten:

- ( diepe) steekwonden, snijwonden en/of slagwonden op het hoofd en/of het gezicht van [slachtoffer 1] ,

- blauwe plekken op het hoofd, het gezicht, de armen en/of de benen van [slachtoffer 1] en/of

- een gekneusde, verstuikte en/of een opgezwollen enkel bij [slachtoffer 1] ,ten gevolge heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 7, te weten een nabootsing/imitatie van een pistool en/of enig ander vuurwapen, te weten een Sig Sauer P228, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen dat het voor bedreiging en afdreiging geschikt is, voorhanden heeft gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, een wapen van categorie I onder 3, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad;

5.

hij in of omstreeks de periode tussen 28 april 2018 tot en met 29 april 2018, te Apeldoorn, althans in Nederland, wapens van categorie IV onder 7 heeft gedragen, te weten een (dolk)messen en/of een vouwmes, in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 2:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 5:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Noodweer en noodweerexces

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte eerder die nacht via de telefoon en social media door [slachtoffer 1] was bedreigd en dat deze bij aankomst van verdachte in de buurt van de woning waar deze verbleef, direct naar buiten op hem afstormde met een mes in zijn hand. De door [slachtoffer 1] geuite bedreigingen en zijn gewelddadige aanval zijn volgens de raadsvrouw aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, waartegen een noodzakelijke verdediging was geboden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer(exces) niet slaagt, reeds omdat verdachte de aanval van [slachtoffer 1] door provocatie heeft uitgelokt en de gewelddadige confrontatie willens en wetens heeft opgezocht.

Feiten en omstandigheden

Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat er die avond sprake was van een hoog opgelopen (familie)conflict tussen [medeverdachte 1] en

[verdachte] enerzijds en [slachtoffer 1] anderzijds. Daarbij hebben [medeverdachte 1] en

[verdachte] door de telefoon (doods)bedreigingen geuit richting [slachtoffer 1] en geroepen dat zij eraan kwamen. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] vanuit Arnhem naar [woonplaats slachtoffers] gereden, waar [slachtoffer 1] in een woning verbleef met zijn vier minderjarige kinderen. Onderweg hebben verdachten [slachtoffer 1] bericht dat zij eraan kwamen. Hierop ontvingen verdachten bericht terug dat de “messen waren geslepen”.

[verdachte] heeft [medeverdachte 2] die nacht geappt dat hij “hem zo op komt halen”, dat “hij bij [naam] is en zij er zo een helemaal verrot slaan”, dat “ [slachtoffer 1] dacht een grote bek te hebben”. Hierop heeft [medeverdachte 2] aan [verdachte] geappt dat “hij eraan gaat”. Vervolgens hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] [medeverdachte 2] opgehaald en wapens, waaronder messen, een knuppel alsmede een balletjes/imitatiepistool meegenomen uit de woning van [verdachte] omdat zij dachten dat de situatie uit de hand zou kunnen lopen. Hierna zijn de verdachten midden in de nacht samen naar [achternaam slachtoffer 1 en 2] gereden. Onderweg zei [medeverdachte 1] dat hij [slachtoffer 1] direct op zijn hoofd zou stompen. Verdachten waren woedend op hem. [verdachte] heeft verklaard dat er iets was geknapt in zijn hoofd, dat hij niet meer nadacht.

De rechtbank kan op grond van het bovenstaande niet anders dan concluderen dat verdachten midden in de nacht in een opgefokte, agressieve en dreigende sfeer naar [slachtoffer 1] zijn gegaan voor een gewelddadige confrontatie. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de eerste klap heeft uitgedeeld. Dat verdachte naar [achternaam slachtoffer 1 en 2] is gegaan met de bedoeling om de ruzie rustig uit te praten, zoals hij heeft verklaard, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad 23 volgt dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich hierop beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als “verdediging” maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien.

Verdachten hebben [slachtoffer 1] met zijn drieën midden in de in de nacht gewapend en op agressieve en dreigende wijze benaderd met de bedoeling een gewelddadige confrontatie met hem aan te gaan, te vechten. Verdachten hebben zodoende een grote en initiërende rol gespeeld in de uiteindelijke escalatie. Naar het oordeel van de rechtbank moet zowel de bedoeling als de uiterlijke verschijningsvorm van voornoemde gedragingen van verdachten als aanvallend worden gezien. Door zo te handelen hebben zij zichzelf in de situatie gebracht waarbij uiteindelijk ook geweld tegen hen is gebruikt. Het beroep op een noodweersituatie als rechtvaardigings- of strafuitsluitingsgrond met betrekking tot het eigen gezamenlijke gewelddadige handelen wordt daarom verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een taakstraf voor de duur van 150 uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzet zich tegen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest en wijst erop dat verdachte dan zijn baan zal (kunnen) verliezen. De financiële gevolgen voor het gezin zijn dan niet te overzien. De tijd die verdachte heeft vastgezeten is hem en zijn gezin zwaar gevallen. De raadsvrouw heeft gepleit voor een voorwaardelijke straf.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gezien de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank onder meer gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 17 april 2020;

- een psychologisch onderzoek Pro Justitia van 28 juli 2018;

- reclasseringsadviezen van 1 oktober 2010 en 6 februari 2020;

- een trajectconsult van 17 mei 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Tijdens een hoog opgelopen conflict via de telefoon met een mannelijk familielid heeft hij de man samen met een medeverdachte, eveneens een familielid, bedreigd. Bij woorden is het niet gebleven, want verdachte en zijn medeverdachte besloten om naar het familielid toe te gaan en hem ‘helemaal verrot te slaan’. Ter plekke hebben verdachten gezamenlijk daadwerkelijk geweld gebruikt tegen het familielid en diens op dat moment minderjarige zoon, onder andere met behulp van een houten knuppel en het laten zien van een (nep)pistool.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het familielid en zijn op dat moment minderjarige zoon. Voor de zoon is de gewelddadige confrontatie van verdachten midden in de nacht bij zijn huis zeer heftig en beangstigend geweest. Hij zag hoe zijn vader werd mishandeld. Toen hij zijn vader te hulp kwam, werd hij zelf aangevallen. Nu twee jaar later, heeft de gebeurtenis nog veel impact op zijn leven en kampt hij met psychische problemen. Daarnaast heeft de openlijke geweldpleging gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg gebracht in de naaste omgeving. Niet alleen het familielid, maar ook twee van de verdachten zijn na afloop van de vechtpartij naar het ziekenhuis gebracht vanwege ernstige verwondingen. Na afloop van het incident trof de politie bij verdachte naast het imitatiewapen ook een dolkmes en een ploertendoder aan. De rechtbank rekent het verdachte extra aan dat hij deze - verboden- wapens bij zich had en deze deels ook heeft gebruikt, ook tegen de minderjarige zoon.

Gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ter zitting van 5 juni 2020 is verdachte nog zichtbaar aangeslagen door de gevolgen van het door hem en zijn medeverdachten gemaakte keuzes en gepleegde geweld. Verdachte erkent (los van het namens hem gevoerde juridische verweer) dat hij verkeerd heeft gehandeld en neemt verantwoordelijkheid voor het daaruit voortgekomen letsel en leed van alle betrokkenen.

Zoals hierboven al uiteen is gezet, komt aan verdachte geen beroep op noodweer(exces) toe. Wel neemt de rechtbank mee dat de man waartegen het geweld van de verdachten was gericht, zelf in enige mate heeft bijgedragen aan het escaleren van het conflict.

Verder weegt de rechtbank bij de strafoplegging mee dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat de kans dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, wordt ingeschat als klein. Ook acht de rechtbank van belang dat uit bovenstaande rapporten naar voren komt dat verdachte zijn leven verder op orde heeft. Daarnaast betrekt de rechtbank bij de strafmaat dat sprake is van tijdsverloop van ruim twee jaar sinds het bewezenverklaarde en dat verdachte in die tijd niet meer in aanraking is gekomen met de politie wegens het plegen van een strafbaar feit.

Alles afwegend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 33 dagen. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 80 uur op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsvrouw bepleite voorwaardelijke straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het door verdachten gepleegde geweld. Dat de straf van de rechtbank afwijkt van de strafeis van de officier van justitie, komt mede omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen acht dat verdachten [slachtoffer 1] met messen hebben gestoken.

8. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 ten laste legde. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering ziet op lichamelijke en psychische schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde zijn vordering tot schadevergoeding zowel in de zaak van verdachte als in de zaken van de medeverdachten heeft ingediend. Verder is de officier van justitie van mening dat het, gelet op de ernst en de omstandigheden van het door verdachten gepleegde geweld, zonder meer aannemelijk is dat het bewezenverklaarde psychische gevolgen heeft gehad voor de benadeelde. De ingediende stukken bieden echter onvoldoende duidelijkheid over de psychische toestand van de benadeelde. De officier stelt zich daarom op het standpunt dat de immateriële schade moet worden gematigd en komt uit op een voorschot van € 2.500,- met wettelijke rente, hoofdelijk op te leggen aan alle verdachten. Voor het overige moet de benadeelde niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard of moet worden afgewezen. Daarbij heeft zij verwezen naar de door haar bepleite vrijspraak dan wel het ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat het schadebedrag fors moet worden gematigd. Daartoe is gesteld dat uit de stukken volgt dat de benadeelde al vóór het bewezenverklaarde pijn aan zijn lichaam, borstkast, had. Ten aanzien van hetgeen [naam 2] heeft beschreven over de (psychische) gesteldheid van benadeelde, heeft de raadsvrouw gesteld dat [naam 2] niet deskundig is op dit terrein. Bovendien volgt uit de stukken dat bij benadeelde sprake is van onderliggende problematiek. De raadsvrouw is daarom van mening dat het vaststellen van een causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de psychische klachten van de benadeelde te complex is voor deze procedure.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat op het voegingsformulier van de benadeelde aanvankelijk alleen het parketnummer van verdachte was vermeld en niet de parketnummers van de andere twee verdachten. Op de door de officier van justitie ter zitting van 5 juni 2020 overgelegde formulier is dit aangepast. Volgens de officier zijn de parketnummers van de medeverdachten toegevoegd na navraag bij de moeder van de benadeelde over de reikwijdte van de vordering.

Volgens vaste jurisprudentie is het (in eerste instantie) ontbreken van een parketnummer op een voegingsformulier onvoldoende om te concluderen dat het voegingsformulier niet zou zijn gericht op het verkrijgen van schadevergoeding in de strafzaak tegen verdachte nu de officier van justitie is belast met het samenstellen van het procesdossier, de benadeelde partij het voegingsformulier bij de officier van justitie indient en het OM is belast met het invullen van het parketnummer. Bovendien blijkt uit het formulier zelf voldoende dat de vordering ziet op de bij verdachte en zijn medeverdachten identiek tenlastegelegde openlijke geweldpleging en de bewezen verklaarde gezamenlijke gedragingen. De benadeelde partij heeft zich dus in de zaken van alle drie de verdachten gevoegd.

Wat het lichamelijk letsel betreft, zoals hierboven is opgenomen, acht de rechtbank bewezen dat benadeelde door een van de verdachten is geslagen tijdens voornoemd geweldsincident. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat uit het dossier en de bij de vordering gevoegde stukken volgt dat benadeelde de dag vóór het feit tijdens een botsing in het zwembad pijn/letsel aan zijn lichaam, borstkast heeft opgelopen. Gelet hierop, is naar het oordeel van de rechtbank op basis van de ingebrachte stukken niet vast te stellen dat de pijnklachten van benadeelde van ná het incident rechtstreeks zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde.

Ten aanzien van de psychische schade overweegt de rechtbank als volgt.

Benadeelde, destijds minderjarig, is door toedoen van verdachten midden in de nacht betrokken geraakt bij een zwaar geweldsincident nabij zijn woning. Zijn vader is voor zijn ogen mishandeld. Toen hij zijn vader te hulp kwam, hebben de verdachten ook tegen hem geweld gebruikt. Daarbij heeft verdachte een imitatievuurwapen op hem gericht. Gelet op de heftigheid van de geweldssituatie, de daarmee gepaard gaande inbreuk op zijn lichamelijke integriteit en op zijn recht op veiligheid, de kwetsbaarheid van deze minderjarige benadeelde en gezien de ingebrachte stukken waaruit in ieder geval volgt dat het incident onderwerp van gesprek is bij de begeleiding en behandeling die hij krijgt, stelt rechtbank vast dat de bewezenverklaarde onrechtmatige handelingen rechtstreeks schade hebben veroorzaakt bij de benadeelde.

Naar algemene ervaringsregels en op de persoon en situatie van benadeelde toegesneden, schat de rechtbank de schade op € 1.500,-. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Ook ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij hoofdelijk toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien de vordering ook is/moet worden geacht te zijn ingediend in de strafzaken tegen de andere twee verdachten.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 57, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 27, 54 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 (drieëndertig) dagen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende

80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht

vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van veertig (40) dagen;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 1.500,-

(vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 1.500,- (vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 25 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededaders [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Raat (voorzitter), mr. P.J.C. Cremers en H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2020.

Mr. H.C. Leemreize zijn buiten deze buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost- Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONR3R018050, gesloten op 2 oktober 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] p. 614.

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] p. 198.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] p. 51-552.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 373.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] p. 498 en 505.

7 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020.

8 Verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] p. 498.

10 Verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020 en proces-verbaal van bevindingen p. 33.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] p. 549, 553, 554, 561.

12 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] p. 503.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] p. 374.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] p. 407,412 en 413.

15 Verklaring Forensisch Geneeskunde p. 347.

16 Verklaring Forensisch Geneeskunde p. 364.

17 Proces-verbaal van bevindingen p. 45, gelezen in onderlinge samenhang met bijlage 1, pagina 36, van proces-verbaal van bevindingen p. 33.

18 Proces-verbaal onderzoek wapen p. 260-262.

19 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] p. 498, p. 508 met bijlagen 6 en 7 (foto’s p. 513 en 514).

21 Proces-verbaal onderzoek wapen p. 263-264.

22 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2020.

23 Zie onder meer HR 3 april 2018 ECLI:NL:HR:2018:496 en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.