Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:3016

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
8460501
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

ontbinding huurovereenkomst, huurder staat onder bewind, ontruimingstermijn ivm corona, borgstellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8460501 \ VV EXPL 20-49 \ 512 \ 918

uitspraak van

vonnis in kort geding

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AVB Vastgoed B.V.

gevestigd te Arnhem

gemachtigde mr. A.H.C. Bleijerveld

eisende partij

tegen

1. [Gedaagde 1] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[Gedaagde 2]

gemachtigde mr. T.P. Boer

2. [Gedaagde 2]

wonende te [woonplaats]

gemachtigde mr. T.P. Boer

3.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Syst B.V.

gevestigd te Arnhem

vertegenwoordigd door [bestuurder]

gedaagde partijen

Partijen worden hierna AVB, [Gedaagde 1] , [Gedaagde 2] en Syst genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 april 2020 met producties

- het verweerschrift met producties van de zijde van Syst

- de in verband met de coronacrisis via Skype for Business gehouden mondelinge behandeling van 22 mei 2020 mede inhoudende de op voorhand toegezonden pleitnotities met producties van de gemachtigde van AVB en de gemachtigde van
[Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] .

2 De feiten

2.1.

Tussen [Gedaagde 2] als huurder en AVB als verhuurder is per 1 oktober 2017 een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de woning aan [adres] te [postcode] [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde) tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 722,10 per maand en € 25,00 per maand aan servicekosten.

2.2.

De huurovereenkomst is namens Syst mede ondertekend door haar bestuurder, de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ). Aan de huurovereenkomst is een eveneens door [bestuurder] namens Syst als borgsteller ondertekende ‘particuliere borgstelling allonge’ gehecht. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

De mede-ondertekende(n) borg:

Verkla(a)r(en)t met de voorwaarden en bepalingen, waaronder bovenomschreven overeenkomst van verhuur en huur is aangegaan, volkomen bekend te zijn en zich hiermede te stellen tot borg jegens de verhuurder voor alle verplichtingen voor de huurder nu of later uit deze overeenkomst van verhuur en huur voortvloeiende, ook na eventuele verlenging of wijziging van de voorwaarden, met dien verstande dat het bedrag waarvoor de borg (hoofdelijk) uit hoofde van deze borgstelling kan worden aangesproken nimmer meer bedraagt dan € 8.640,- (…) (voor eventuele woonschade en/of huurachterstand).

(…)

ALGEMENE BEPALINGEN

(…)

4. Alle kosten, welke door de verhuurder gemaakt dienen te worden terzake enige tekortkomingen door de borg in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van deze borgstelling, komen ten laste van de borg.

5. Verhuurder zal –indien zij de huurder in gebreke stelt dan wel aan huurder meedeelt dat hij voor het uitblijven van de nakoming van zijn verplichtingen aansprakelijk wordt gesteld- daarvan mededeling doen aan de borg.

6. Verhuurder zal de borg tijdig van enig voornemen tot rechtsvervolging op de hoogte stellen. De borg is gehouden aan verhuurder de kosten te vergoeden die deze heeft gemaakt bij de rechtsvervolging van de huurder.

(…)”

2.3.

Vanaf december 2018 is er een huurachterstand ontstaan. AVB en haar gemachtigde hebben [Gedaagde 2] in verband hiermee diverse herinneringen en aanmaningen verzonden.

2.4.

Bij brief van 8 oktober 2019 heeft de gemachtigde van AVB Syst onder meer als volgt bericht:

“(…) U heeft zich borg gesteld voor de huurder [Gedaagde 2] (…), voor eventuele woonschade en/of huurachterstand tot een bedrag van € 8.640,00. (…)

Huurder is haar verplichtingen niet nagekomen en in gebreke gesteld. Hier is geen betaling op gevolgd. Opdrachtgever is voornemens een procedure tegen haar te starten waarin betaling van de achterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zal worden geëist.

Conform artikel 5 en 6 van de borgstelling breng ik u middels dit schrijven op de hoogte van een en ander en stel u hierbij mede aansprakelijk voor de vordering. Bij het starten van een procedure zal u als borg ook gedagvaard worden. Er is op dit moment verschuldigd:

Hoofdsom (achterstand tot en met juni 2019)

2886,88

Rente tot heden

18,67

Rente vanaf heden 08-10-2019

P.M.

Incassokosten

413,69

Vervallen termijnen tot en met oktober 2019

2988,44

Saldo

6.307,68

Ik stel u in de gelegenheid het verschuldigde binnen 10 dagen na vandaag aan mij te voldoen bij gebreke waarvan wij tot het nemen van rechtsmaatregelen zullen overgaan. (…)”

2.5.

Bij e-mailbericht van 9 oktober 2019 heeft Syst de gemachtigde van AVB onder meer als volgt bericht:

“Zoals vanmiddag besproken is er gisteren contact geweest met Beschermingsbewind Gelderland. Er wordt sindsdien gewerkt aan vrijwillig bewind en een oplossing. Aansluitend is morgen een afspraak met advocaat Boer van Boer & Van Wees advocaten. De heer Boer zal vervolgens ook contact met uw organisatie opnemen om te bezien welke mogelijkheden bestaan.

Zoals aangegeven ben ik (…) formeel van mening dat uw cliënt in gebreke is gebleven bij het naleven van de gemaakte afspraken. Teneinde niet te verzanden in een juridische discussie op voorhand en te werken aan een oplossing die voor alle partijen gunstig is, stel ik voor dat uw verhuurder de aanspraak op de borg intrekt of opschort tot dat duidelijkheid bestaat of het bewind en de bemiddeling van de heer Boer voor alle partijen kan leiden tot een gunstige oplossing.

Mocht uw cliënt geen uitstel verlenen, dan stel ik uw cliënt bij deze in gebreke ten aanzien van het nakomen van zijn afspraken jegens de borg. Als gevolg hiervan stel ik mij (…) op het standpunt dat Syst (…) onder meer niet aanspreekbaar is tot het eerst moment van melding, zijnde 8 oktober 2019. Ten aanzien van de opgelopen huurachterstand tot dat moment acht Syst (…) zich onrechtmatig aangesproken. Schade die Syst (…) oploopt ten aanzien van onrechtmatig handelen door uw cliënt jegens Syst, zal Syst op uw cliënt verhalen. (…)”

2.6.

In oktober en november 2019 en in januari tot en met mei 2020 heeft [Gedaagde 2] € 42,89 per maand afgelost. Daarnaast heeft [Gedaagde 2] in oktober 2020
€ 200,00 en in november 2019 € 100,00 afgelost. In december 2019 heeft [Gedaagde 2]
€ 46,21 te weinig betaald.

2.7.

De goederen van [Gedaagde 2] zijn per 3 januari 2020 onder bewind gesteld met benoeming van [Gedaagde 1] als bewindvoerder. [Gedaagde 1] heeft op 15 april 2020 een bedrag van € 300,00 afgelost.

3 De vordering en het verweer

3.1.

AVB vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

i. de veroordeling van huurder

a. om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, het gehuurde met al de zijnen te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van AVB te stellen;

b. om aan AVB een bedrag van € 5.407,08 aan huurachterstand te betalen;

c. om aan AVB tot de dag waarop het gehuurde geheel zal zijn ontruimd de huur te betalen en wel op het tijdstip dat tussen partijen is overeengekomen;

d. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 413,69, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

e. in de proceskosten;

f. in de nakosten van € 131,00, te vermeerderen onder voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en huurder niet binnen veertien dagen na aanschrijving van het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

de veroordeling van Syst

a. om – indien huurder niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis (volledig) aan haar veroordeling onder 3.1. sub i. onder b. en/of c. voldoet – aan AVB te betalen het bedrag dat huurder niet heeft betaald, tot een maximum van € 8.640,00;

b. om – indien huurder niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis (volledig) aan haar veroordeling onder 3.1. sub i. onder d. en/of e. en/of f. voldoet – aan AVB te betalen het bedrag dat huurder niet heeft betaald;

c. in de proceskosten;

d. in de nakosten van € 131,00, te vermeerderen onder voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en huurder niet binnen veertien dagen na aanschrijving van het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

3.2.

AVB legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

[Gedaagde 2] is sinds de eerste huurperiode in 2017 stelselmatig in gebreke gebleven met de tijdige betaling van de huursommen. Hierbij is de achterstand geregeld opgelopen tot meer dan drie maanden. Inmiddels is sprake van een huurachterstand van € 5.407,08. Dit is een achterstand van ruim zeven maanden. De aflossingen die zijn gedaan zijn zodanig gering dat de huurachterstand onvoldoende is ingelopen. Daarnaast gedraagt [Gedaagde 2] zich niet als goed huurder doordat zij en/of haar bezoek overlast veroorzaakt. Aldus is sprake van één of meerdere tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst. Deze tekortkoming is zodanig dat ontruiming op korte termijn noodzakelijk is en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht, terwijl de bodemrechter met grote mate van waarschijnlijkheid de huurovereenkomst zal ontbinden en de ontruiming van het gehuurde zal bevelen. AVB heeft op enig moment wel vernomen dat de goederen van [Gedaagde 2] onder bewind zijn gesteld, maar [Gedaagde 1] heeft geen contact met haar gezocht.

3.3.

[Gedaagde 1] , [Gedaagde 2] en Syst voeren hiertegen verweer waarop hierna, waar nodig voor de behandeling van de zaak, wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de stellingen van AVB.

4.2.

Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming is slechts plaats indien met een grote mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. Bovendien moet sprake zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat het belang van de verhuurder om over een vrije woning te beschikken moet prevaleren boven het belang van de huurder om in de woning te blijven.

4.3.

In de eerste plaats is de vraag aan de orde of [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] , dan wel alleen [Gedaagde 2] of alleen [Gedaagde 1] als formele procespartij aangemerkt dienen te worden. De kantonrechter oordeelt als volgt.

Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (artikel 1:438 leden 1 en 2 BW). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (artikel 1:441 lid 1 BW). Hiermee strookt dat hij in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken (HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525). Nu aan de in de onderhavige zaak gevorderde ontruiming een huurovereenkomst ten grondslag ligt, is sprake van rechten van [Gedaagde 2] die zijn aan te merken als goederen in de zin van artikel 1:341 lid 1 BW. De kantonrechter is daarom van oordeel dat sprake is van een procedure ten aanzien van een onder bewind staand goed, zodat in deze procedure enkel [Gedaagde 1] als formele procespartij dient te worden aangemerkt. AVB zal dan ook ten aanzien van [Gedaagde 2] niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De kantonrechter begrijpt de stellingen van AVB zo dat waar in de dagvaarding huurder staat zowel [Gedaagde 2] als [Gedaagde 1] is bedoeld.

4.4.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de gevorderde ontruiming toegewezen kan worden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.5.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Onbetwist staat vast dat op het moment van de mondelinge behandeling sprake was van een huurachterstand van € 5.064,19, zijnde een achterstand van ruim zes maanden. De gevorderde huurachterstand zal dan ook worden toegewezen tot dit bedrag.
Gelet op de hoogte van de huurachterstand is sprake van een zodanige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst dat met grote mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde zal worden uitgesproken. Dat er sprake is van een borgstelling en de huurachterstand daarom op de borg verhaald kan worden, maakt -anders dan [Gedaagde 1] heeft aangevoerd- niet dat geen sprake is van een tekortkoming. De tussen AVB en Syst overeengekomen borgstelling ontslaat [Gedaagde 2] immers niet van haar verplichtingen uit de tussen haar en AVB tot stand gekomen huurovereenkomst. De borgstelling dient enkel ter zekerheidstelling voor AVB voor het geval zij dat niet doet.

De door de gemachtigde van [Gedaagde 2] en [Gedaagde 1] aangevoerde persoonlijke omstandigheden van [Gedaagde 2] , het feit dat zij sinds oktober 2019 de lopende huur weer betaalt, er een bewindvoerder is aangesteld en deze heeft toegezegd om de achterstand in te lopen, doen daar niet aan af nu de reeds ontstane tekortkoming niet meer ongedaan gemaakt kan worden. De gevorderde ontruiming wordt derhalve toegewezen.

Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van [Gedaagde 2] , het feit dat de achterstand niet oploopt en zelfs enigszins afneemt en de Coronacrisis, wordt de termijn van ontruiming op veertien dagen na betekening van dit vonnis gesteld, met dien verstande dat de ontruiming in ieder geval niet eerder dan per 1 september 2020 mag plaatsvinden.

Een ontruiming vóór 1 september 2020 zal de in Nederland afgekondigde maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het Corona-virus te zeer doorkruisen en kan daarmee niet aan [Gedaagde 1] worden opgelegd. Anderzijds kan, met het oog op de op dit moment beoogde versoepeling van de maatregelen, na 1 september 2020 in redelijkheid niet meer van AVB worden verlangd dat zij [Gedaagde 2] nog langer huurgenot blijft verstrekken.

De door AVB gestelde en door [Gedaagde 2] betwiste overlast komt voorshands niet vast te staan en maken naar het oordeel van de kantonrechter niet dat per een eerdere datum ontruimd dient te worden. Gesteld noch gebleken is dat [Gedaagde 2] eerder dan bij de brief van 29 november 2019 aan haar gemachtigde op de gestelde overlast en het doen van valse beschuldigingen is aangesproken. Nu hierover kennelijk nooit eerder met haar is gesproken, het gesprek daarover ook daarna niet is aangegaan en zij hiervoor ook geen waarschuwing heeft ontvangen, kunnen hieraan thans geen gevolgen worden verbonden. De elf vermelde registraties bij de politie zien bovendien op de periode tot 1 oktober 2019 en betreffen meldingen van beide partijen in een burenconflict, waarvan voorshands niet aannemelijk is geworden dat hiervan thans nog sprake is. Of de beschuldiging van [Gedaagde 2] over het stelen van poststukken, aansprakelijkheidstelling van AVB en klachten over achterstallig onderhoud al dan niet terecht is, komt gelet op de betwisting hiervan over en weer voorshands evenmin vast te staan en dit speelt daarom geen rol bij de vaststelling van de ontruimingstermijn.

4.6.

De niet betwiste en op grond van de huurovereenkomst verschuldigde huurpenningen tot de dag van de ontruiming worden eveneens toegewezen.

4.7.

AVB vordert voorts een bedrag van € 413,69 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt voor toewijzing in aanmerking, omdat voldoende concreet is gesteld en onderbouwd dat aanmaning overeenkomstig de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden en het gevorderde bedrag in overeenstemming is met het in het Besluit genoemde tarief.

4.8.

[Gedaagde 1] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten en de nakosten betalen. De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 120,00 zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 120,00, te vermeerderen, indien betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van dit vonnis.

4.9.

Ten slotte dient de vraag te worden beantwoordt of Syst (volledig) aangesproken kan worden voor de betaling van hetgeen [Gedaagde 1] niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis heeft betaald.

Syst betwist dat zij een bedrag aan AVB dient te voldoen. Volgens Syst heeft AVB onzorgvuldig jegens haar gehandeld, door haar pas op 8 oktober 2019 op de hoogte te stellen van de huurachterstand die op dat moment was opgelopen tot € 5.875,32. Syst voert aan dat als zij eerder op de hoogte was gesteld, zij in overleg met [Gedaagde 2] maatregelen had kunnen treffen zodat de huurachterstand beperkt was gebleven. Nu heeft zij dat eerst na 8 oktober 2019 kunnen doen, waarna de huurachterstand ook is afgenomen. AVB had haar zowel op grond van de borgstellingsovereenkomst, de zorgplicht, de goede trouw en ter beperking van de mogelijke schade moeten informeren toen de achterstand eind 2018 ontstond. Door dit niet te doen, heeft AVB Syst geschaad. Syst meent daarom dat zij slechts aangesproken kan worden voor zover de huurachterstand een bedrag van € 5.875,32, dan wel indien ervan uitgegaan dient te worden dat zij uiterlijk na twee maanden geïnformeerd had moeten worden € 4.381,10, te boven gaat. Daarnaast dient volgens Syst de reeds betaalde waarborgsom van € 2.160,00 op het eventueel door haar verschuldigde bedrag in mindering te worden gebracht.

4.10.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Tussen partijen staat vast dat tussen hen een borgstellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Eveneens staat vast dat sprake is van een forse huurachterstand.

In de borgstellingsovereenkomst is opgenomen AVB Syst dient te informeren indien zij [Gedaagde 2] in gebreke stelt dan wel aansprakelijk stelt voor het niet nakomen van haar verplichtingen (artikel 5). Nu AVB Syst eerst op 8 oktober 2019 over de betalingsachterstand heeft geïnformeerd die eind 2018 is ontstaan en steeds verder is opgelopen, is hier niet aan voldaan. In de borgstellingsovereenkomst zijn daaraan echter geen gevolgen verbonden, laat staan dat in dat geval sprake is van verval van recht, zoals Syst stelt.

Ingevolge artikel 6:2 lid 1 BW moeten schuldeiser en schuldenaar zich jegens elkaar gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dit betekent dat AVB als schuldeiser in redelijke mate ook met de belangen van Syst als borg rekening moet houden. Van een algemene zorgplicht of waarschuwingsplicht is echter geen sprake. Dit kan anders zijn indien de borg bij zo’n waarschuwing een kenbaar groot belang heeft. Die omstandigheden moeten dan wel door de borg gesteld en bewezen worden. Naar het oordeel van de kantonrechter is voorshands onvoldoende gebleken dat hiervan sprake is. Dat, indien Syst eerder was gewaarschuwd over de huurachterstand deze niet zo hoog was opgelopen en eerder maatregelen getroffen hadden kunnen worden, wordt door AVB betwist. Hoewel de huurachterstand nadat Syst werd geïnformeerd niet verder is opgelopen en zelfs ietwat

(met € 811,13 in acht maanden tijd) is afgenomen, is de kantonrechter van oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat geen of in mindere mate sprake was geweest van een huurachterstand indien Syst eerder was geïnformeerd. Syst heeft immers geen invloed op de inkomsten van [Gedaagde 2] , kan zelf geen bewindvoerder aanstellen en kan [Gedaagde 2] noch [Gedaagde 1] verplichten de huur te voldoen.

AVB heeft bovendien gesteld dat zij Syst pas in oktober 2019 heeft aangesproken aangezien zij in eerste instantie goede hoop had dat er een betalingsregeling met [Gedaagde 2] tot stand zou komen en zij Syst als borg daarom niet aan zou hoeven spreken.

Aldus is de kantonrechter van oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat Syst in een bodemprocedure met succes een beroep zal kunnen doen op schending van de zorgplicht door AVB. Dat AVB de huurachterstand moedwillig op heeft laten lopen om Syst als borg aan te kunnen spreken en de huurovereenkomst met [Gedaagde 2] te kunnen beëindigen, zoals Syst stelt, is door AVB betwist en komt daarom voorshands niet vast te staan.

Voor wat betreft de waarborgsom heeft te gelden dat deze in beginsel bedoeld is voor het herstel van gebreken na oplevering van het gehuurde. Hoewel uit de huurovereenkomst volgt dat het een waarborg betreft voor de juiste nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst en deze ook tussentijds aangesproken kan worden (artikel 21 huurovereenkomst), bestaat er geen verplichting voor AVB om deze aan te spreken bij een huurachterstand. Sterker nog, indien de waarborgsom door AVB wordt aangesproken, ontstaat voor [Gedaagde 2] de verplichting deze weer aan te vullen, zodat het aan AVB verschuldigde bedrag per saldo gelijk blijft. Het betoog van Syst dat dit bedrag op het door haar verschuldigde bedrag in mindering dient te worden gebracht, gaat daarom niet op.

De vordering tot veroordeling van Syst tot betaling van de huurachterstand van € 5.064,19 voor zover [Gedaagde 1] deze niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis voldoet wordt daarom toegewezen.

4.11.

De vordering tot betaling van de toekomstige huur wordt afgewezen, nu deze ten aanzien van Syst eerst opeisbaar wordt op het moment dat deze niet tijdig wordt betaald en Syst hierover is geïnformeerd, zodat hiervoor thans nog geen grondslag aanwezig is.

4.12.

De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, nu uit de borgstellingsovereenkomst niet volgt dat de borg aansprakelijk voor dergelijke kosten. Deze vallen niet onder de daar genoemde kosten voor rechtsvervolging.

4.13.

De vordering tot betaling van de proceskosten en de nakosten voor zover [Gedaagde 1] deze niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis voldoet wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6 van de borgstellingsovereenkomst, toegewezen.

4.14.

Nog daargelaten dat daartoe geen concreet geformuleerde reconventionele vordering is ingesteld, bestaat gelet op het hierboven overwogene geen aanleiding tot veroordeling van AVB tot betaling van schadevergoeding, zoals door Syst verzocht.

4.15.

Hoewel Syst grotendeels in het ongelijk wordt gesteld ziet de kantonrechter geen aanleiding tot een separate proceskostenveroordeling ten aanzien van Syst, zoals AVB heeft gevorderd. Immers, er is sprake van één gezamenlijke procedure waarbij [Gedaagde 1] reeds wordt veroordeeld in de proceskosten en Syst in de voldoening daarvan indien [Gedaagde 1] deze kosten niet betaald.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

verklaart AVB niet ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van [Gedaagde 2] ;

5.2.

veroordeelt [Gedaagde 1] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde met al de haren te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van AVB te stellen, met dien verstande dat de ontruiming in ieder geval niet eerder dan per 1 september 2020 mag plaatsvinden.

5.3.

veroordeelt [Gedaagde 1] tot betaling aan AVB van een bedrag van € 5.064,19 aan huurachterstand;

5.4.

veroordeelt [Gedaagde 1] tot betaling aan AVB van de huur op het in de huurovereenkomst overeengekomen moment tot de dag van ontruiming;

5.5.

veroordeelt [Gedaagde 1] tot betaling aan AVB van een bedrag van € 413,69 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.6.

veroordeelt [Gedaagde 1] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van AVB begroot op € 91,46 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 120,00 aan nakosten, te vermeerderen, indien betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van dit vonnis;

5.7.

veroordeelt Syst tot betaling aan AVB - indien [Gedaagde 1] niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis volledig aan de onder 5.3. genoemde veroordeling voldoet – van het bedrag dat [Gedaagde 1] niet heeft betaald;

5.8.

veroordeelt Syst tot betaling aan AVB - indien [Gedaagde 1] niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis volledig aan de onder 5.6. genoemde veroordelingen voldoet – van het bedrag dat [Gedaagde 1] niet heeft betaald;

5.9.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op