Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2987

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
05-022451-19, 05-088296-19 feit 2, 05-298048-19, 05-049872-20 en 05-720067-18 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling, bedreigingen, vernieling en winkeldiefstallen: deels voorwaardelijke gevangenisstraf, vrijheidsbeperkende maatregel contact- en locatieverbod, dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05-022451-19, 05-088296-19 feit 2, 05-298048-19, 05-049872-20 en 05-720067-18 (TUL) (gev. ttz.).

Datum uitspraak : 17 juni 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats 1] ,

wonende te [adres 1] , [woonplaats 1] ,

doch thans gedetineerd te P.I. Arnhem.

Raadsvrouw: mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, nadat feit 1 van parketnummer 05-088296-19 is afgesplitst, ten laste gelegd dat:

ten aanzien van parketnummer 05-022451-19:

1.

hij op of omstreeks 2 januari 2019

te Velp, gemeente Rheden

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de

keel / hals vast te pakken en/of vast te houden.

2.

hij op of omstreeks 2 januari 2019

te Velp, gemeente Rheden

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de

woorden toe te voegen "Ik sla je hele kop kapot" en/of "Ik sla al je tanden

uit je smoel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij op of omstreeks 2 januari 2019

te Velp, gemeente Rheden

opzettelijk en wederrechtelijk een (mobiele) telefoon, in elk geval enig

goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1]

toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of

weggemaakt.

ten aanzien van parketnummer 05-088296-19:

2.

hij op of omstreeks 20 maart 2019,

te Velp, gemeente Rheden

een persoon genaamd [slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "jij gaat eraan, jij

bent de volgende" en/of "Ja doe maar lekker bellen kankerwijf, ik ga je

pakken, maar niet alleen jou, je kinderen zijn ook aan de beurt, althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

ten aanzien van parketnummer 05-298048-19:

hij op of omstreeks 13 december 2019 te Arnhem

een of meer winkelgoederen/levensmiddelen, in elk geval enig(e)

goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan de [slachtoffer 2] (gevestigd aan de Kronenburgpassage),

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

ten aanzien van parketnummer 05-049872-20:

hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Arnhem

(in/uit een winkel op/aan het [adres 2] )

één of meer pakken koffie en/of een blikje drinken, in elk geval enig

goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan

[slachtoffer 3] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05-022451-19 1

De feiten 1, 2 en 3

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 2 januari 2019 was verdachte aanwezig in de woning van [getuige 1] in Velp. [slachtoffer 1] en [getuige 2] waren op dat moment op bezoek bij [getuige 1] .2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen verklaart dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, te weten de mishandeling en bedreiging van [slachtoffer 1] en het vernielen van haar telefoon.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle drie de feiten moet worden vrijgesproken, nu de verklaringen over de feiten uiteenlopen en de door verdachte geuite bewoordingen in de richting van [slachtoffer 1] niet als een bedreiging waren bedoeld.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat op het moment dat verdachte de woning binnenkwam ze opstond en bijna neus aan neus stond met verdachte. Ze hoorde dat verdachte tegen haar zei: “Ik sla je hele kop kapot”. Ik sla al je tanden uit je smoel. Ik maak je af. Schijt aan de kinderen, schijt aan alles. Bemoeizuchtig mens.” [slachtoffer 1] voelde zich hierdoor bedreigd. Ze heeft vervolgens haar telefoon gepakt om de politie te bellen. Verdachte sloeg de telefoon uit haar handen. Later zag ze dat het scherm van de telefoon stuk was. Nadat verdachte de telefoon uit haar handen had geslagen, pakte hij haar met zijn rechterhand bij haar keel vast en drukte haar tegen de muur aan. Verbalisant [verbalisant 1] heeft bij het opnemen van de aangifte gezien dat ze een rode uitslag rondom haar hals had.3

Verdachte heeft verklaard dat hij tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd “Ik sla je tanden eruit” en haar bij de kraag heeft gepakt.4

De lezingen van aangeefster en verdachte over hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld verschillen. In het dossier bevinden zich echter meer stukken.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat op het moment dat verdachte de woning binnenkwam en [slachtoffer 1] zag zitten, hij direct op haar afliep. Ze hoorde dat verdachte tegen [slachtoffer 1] begon te schelden en haar begon te bedreigen. Ze zag dat verdachte erg dicht tegen [slachtoffer 1] aan ging staan met gebalde vuisten. Toen hij bleef wijzen is [slachtoffer 1] opgestaan en sloeg hij haar telefoon uit haar handen waardoor deze op de grond viel en kapot is gegaan. Direct daaropvolgend duwde hij [slachtoffer 1] tegen de muur en pakte hij haar stevig bij haar nek vast. Hierbij riep hij dat [slachtoffer 1] zich niet moest bemoeien met hem en [getuige 1] en dat hij anders haar tanden uit haar smoel zou slaan, of woorden van gelijke strekking.5

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij een hoop herrie hoorde en zag dat verdachte de woning binnenliep. Ze zag dat verdachte boos was en naar [slachtoffer 1] schreeuwde. Ze weet niet meer precies wat er is gezegd, maar ze voelde dat de situatie niet veilig was. Ze zag dat verdachte lichamelijk werd tegen [slachtoffer 1] . Wat hij deed weet ze niet meer.6

De rechtbank stelt voorop dat zij geen redenen heeft om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 1] nu deze wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] en [getuige 2] en door de waarneming van verbalisant [verbalisant 1] . Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] bij de hals heeft vastgepakt.

Getuige [getuige 1] heeft gehoord dat verdachte in ieder geval heeft geroepen dat hij anders haar tanden uit haar smoel zou slaan. De rechtbank gaat uit van de bedreigingen zoals die in de tenlastelegging zijn genoemd, nu ook door getuige [getuige 2] is verklaard dat verdachte boos was op [slachtoffer 1] en naar haar schreeuwde. Gelet op de aard en inhoud van deze bewoordingen en de omstandigheden waaronder deze bewoordingen zijn geuit, kon bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de woorden rechtstreeks tegen [slachtoffer 1] zijn geuit, terwijl verdachte zich tegenover haar fysiek agressief gedroeg en naar haar schreeuwde. Dat verdachte geen opzet heeft gehad op de bedreiging, acht de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk.

Ook wordt de verklaring van [slachtoffer 1] dat de telefoon is vernield doordat verdachte deze uit haar handen heeft geslagen bevestigd door de verklaring van getuige [getuige 1] .

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 1] door haar bij de keel vast te pakken, haar te bedreigen en haar telefoon te vernielen.

Ten aanzien van parketnummer 05-088296-19 (feit 2) 7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 20 maart 2019 in Velp verdachte tegen haar heeft horen roepen: "je kankerkop gaat eraf, je kinderen gaan met je mee". Ze is vervolgens naar verdachte toegelopen, maar op het moment dat ze besefte dat ze zich niet tegen verdachte kon verweren is ze terug naar huis gelopen. Ze zag vervolgens dat verdachte tegen haar deur stond te trappen. Uit woede heeft ze toen een stofzuigerslang gepakt en is ze naar de voordeur toe gelopen. Verdachte was ondertussen weer naar zijn auto gelopen. Ze hoorde hem roepen: "kankerhoer, jij bent fout, de vader van jouw kinderen kijkt niet naar zijn kinderen om en daarom mag ik mijn kinderen niet zien, ik heb Marokkaantjes geregeld die ik op jullie heb gezet" of woorden van gelijke strekking.8 Ook heeft verdachte tegen haar geroepen: “Ja doe maar lekker bellen kankerwijf, ik ga je pakken, maar niet alleen jou, je kinderen zijn ook aan de beurt”.9

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd. Hij heeft [slachtoffer 1] wel met een stofzuigerslang naar buiten zien komen.

De lezingen van aangeefster en verdachte over hetgeen zich op 20 maart 2019 heeft afgespeeld verschillen. In het dossier bevinden zich echter meer stukken.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat ze verdachte tegen haar moeder (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) hoorde schreeuwen: “Jij gaat er aan, jij bent de volgende”. Ze zag dat verdachte op dat moment bij de voordeur stond. Ze hoorde verdachte schreeuwen en dacht dat verdachte boos was. Ze zag dat verdachte de woning binnen wilde komen, maar dat [slachtoffer 1] net op tijd de voordeur dicht kon doen.10

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat ze verdachte uit een auto zag stappen en naar de voordeur van [slachtoffer 1] zag lopen. Ze zag dat hij een keer tegen de voordeur schopte en daarna weer in zijn auto stapte en hard wegreed.11

De rechtbank acht de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen, nu getuige [getuige 3] een deel van de bedreigingen heeft gehoord en de rechtbank daarnaast uit de verklaring van [getuige 4] afleidt dat verdachte op dat moment erg agressief was.

Ten aanzien van parketnummer 05-298048-19 12

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde winkeldiefstal.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 13 december 2019 in de [slachtoffer 2] in Arnhem heeft gezien dat verdachte vijf stukken vlees in zijn winkelmandje legde en verder de winkel in liep. Hij zag dat verdachte naar de diepvries liep en naar de gang met koffie. [aangever 1] zag dat verdachte op enig moment de winkel verliet zonder te betalen. Hij sprak verdachte aan en vroeg of hij de inhoud van zijn tas mocht zien. Verdachte verklaarde dat hij de spullen bij een andere winkel had gekocht. [aangever 1] hoorde van de beveiliger dat hij had gezien dat verdachte met een lege tas de winkel binnenkwam. Na een controle bleek dat verdachte vier pakken koffie, een pak ossenhaas en een rib-eye met een totale waarde van 67,82 euro had gestolen.13

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij verdachte op 13 december 2019 in de winkel ( [slachtoffer 2] in Arnhem) heeft gesproken en hij op dat moment een lege tas bij zich droeg. Hij zag dat verdachte de kassa passeerde zonder iets af te rekenen. Hij zag dat de tas nu wel gevuld was. Hij heeft verdachte aangesproken en zag dat er pakken koffie in de tas zaten.14

Verbalisant [verbalisant 2] heeft de camerabeelden van 13 december 2019 van de [slachtoffer 2] in het Kronenburg winkelcentrum in Arnhem bekeken. Hij zag dat verdachte voldoet aan het signalement van de persoon op de beelden. Op de beelden is te zien dat verdachte in de winkel rondloopt, bij de vleeskoeling meerdere vleespakken pakt en weer weglegt. Verdachte is ook te zien bij de koffie. Hij gaat achter een paal staan zodat hij even niet te zien is op de beelden. Hij pakt daarna een rood pak koffie uit zijn winkelmandje en stopt deze in zijn tas.15

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 05-049872-20 16

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • -

    De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2020 en

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] namens [slachtoffer 3] inclusief Landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, p. 15-19.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten onder parketnummers 05-022451-19, 05-088296-19 feit 2, 05-298048-19 en 05-049872-20 heeft begaan, te weten dat:

ten aanzien van parketnummer 05-022451-19:

1.

hij op of omstreeks 2 januari 2019

te Velp, gemeente Rheden

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) bij de

keel/hals vast te pakken en/of vast te houden.

2.

hij op of omstreeks 2 januari 2019

te Velp, gemeente Rheden

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de

woorden toe te voegen "Ik sla je hele kop kapot" en/of "Ik sla al je tanden

uit je smoel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij op of omstreeks 2 januari 2019

te Velp, gemeente Rheden

opzettelijk en wederrechtelijk een (mobiele) telefoon, in elk geval enig

goed, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1]

toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of

weggemaakt.

ten aanzien van parketnummer 05-088296-19 (feit 2)

2.

hij op of omstreeks 20 maart 2019,

te Velp, gemeente Rheden

een persoon genaamd [slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "jij gaat eraan, jij

bent de volgende" en/of "Ja doe maar lekker bellen kankerwijf, ik ga je

pakken, maar niet alleen jou, je kinderen zijn ook aan de beurt”, althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

ten aanzien van parketnummer 05-298048-19

hij op of omstreeks 13 december 2019 te Arnhem

een of meer winkelgoederen/levensmiddelen, in elk geval enig(e)

goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te

weten aan de [slachtoffer 2] (gevestigd aan de Kronenburgpassage),

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

ten aanzien van parketnummer 05-049872-20

hij op of omstreeks 25 februari 2020 te Arnhem

(in/uit een winkel op/aan het [adres 2] )

één of meer pak koffie en/of een blikje drinken, in elk geval enig

goed, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorden, te weten aan

[slachtoffer 3] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van parketnummer 05-022451-19:

ten aanzien van feit 1: mishandeling;

ten aanzien van feit 2: bedreiging met zware mishandeling;

ten aanzien van feit 3: vernieling;

ten aanzien van parketnummer 05-088296-19:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling;

ten aanzien van parketnummers 05-298048-19 en 05-049872-20, telkens:

diefstal.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van alle tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd met uitzondering van de elektronische controle.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt opgelegd een contactverbod met [slachtoffer 1] en locatieverbod voor haar woning en de omgeving binnen een straal van 5 kilometer, in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel (zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) voor de duur van vijf jaren. Voor iedere overtreding van de maatregelen zal twee weken hechtenis worden opgelegd.

Tot slot heeft de officier van justitie verzocht de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van parketnummer 05-088296-19 feit 2 en de feiten 1, 2 en 3 onder parketnummer 05-022451-19.

Indien de rechtbank voor de overige feiten tot een bewezenverklaring komt heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij moeite heeft met de duur van de proeftijd en de vrijheidsbeperkende maatregel en de grote van de straal van 5 kilometer nu in een civiele zaak al een contact- en locatieverbod voor verdachte geldt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 16 mei 2020 en

- een reclasseringsadvies van IrisZorg, gedateerd 13 mei 2020.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en het meermalen bedreigen van [slachtoffer 1] . Dit zijn ernstige feiten. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Dat deze feiten veel impact op haar hebben gehad blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten in het algemeen ook gevoelens van angst en onveiligheid binnen de samenleving. In dit geval zijn ook telkens mensen onvrijwillig getuige geweest van het agressieve handelen van verdachte. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vernielen van een telefoon en hiermee getoond geen respect te hebben voor andermans spullen. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal winkeldiefstallen. Winkeldiefstallen zijn zeer ergerlijke feiten die naast schade ook veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde supermarkten. De kosten die met winkeldiefstallen gepaard gaan worden bovendien doorberekend naar de betalende consument.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder voor vermogens- en geweldsdelicten tot onherroepelijk straffen is veroordeeld. Bovendien liep verdachte nog in een proeftijd. Dit alles heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijk feiten te begaan.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van IrisZorg. De reclassering schrijft daarin het volgende. In het algemeen word geconcludeerd dat het delictgedrag van verdachte tot stand komt doordat er sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Er is sprake van een conflictueuze relatie met zijn ex-partner, waardoor meerdere justitiecontacten, waaronder onderhavige, zijn ontstaan. Nu hier geen adequate interventies zijn uitgezet, is de verwachting dat deze spanningen weer zullen oplopen zodra verdachte uit detentie komt. Door de gevolgen van zijn huidige detentie en financiële problemen is verdachte zijn woning verloren. Daarnaast heeft hij geen zinvolle dagbesteding. Er is sprake van risico’s waardoor de kans op excessief middelengebruik aanwezig is. Verdachte was in beginsel gemotiveerd voor een klinische behandeling, maar deze motivatie is verdwenen omdat hij tijdens detentie abstinent is geworden van middelen en methadon. Verdachte vindt, in tegenstelling tot de reclassering, een klinische behandeling niet langer noodzakelijk. Hij is echter wel gemotiveerd voor een ambulante behandeling. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling met mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, een locatieverbod met elektronische controle en het meewerken aan schuldhulpverlening. Daarbij adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

Straf

De rechtbank acht de straf zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden. Het gedrag van verdachte laat immers zien dat een stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk is om herhaling in de toekomst te voorkomen. Dit betekent dat de rechtbank een gevangenisstraf oplegt voor de duur van vier maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan een maand voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het meewerken aan schuldhulpverlening. Gelet op de problematiek in de leefgebieden en het hoge recidiverisico, zal de rechtbank aan de bijzondere voorwaarden een proeftijd verbinden van drie jaren. Dit om de kans op een succesvolle behandeling en re-integratie van verdachte te vergroten ten opzichte van de kans bij een kortere proeftijd.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen acht de rechtbank het noodzakelijk om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Deze maatregel zal inhouden dat verdachte zich moet onthouden van contact (op directe en indirecte wijze) met [slachtoffer 1] en zich niet mag ophouden binnen een straal van vijf kilometer rondom het woonadres van [slachtoffer 1] . Voor het geval verdachte niet aan de maatregel zal voldoen, zal de rechtbank bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. In afwijking van de eis van de officier van justitie bepaalt de rechtbank de duur van de vervangende hechtenis op drie dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De duur van deze vrijheidsbeperkende maatregel zal de rechtbank bepalen op vijf jaren.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De bijzondere voorwaarden en de contact- en locatieverboden in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel worden dadelijk uitvoerbaar verklaard omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder de feiten 1 en 2 van parketnummer 05-022451-19 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag aan de hoge kant is en dient te worden gematigd.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder de feiten 1 en 2 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 500,00 immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 2 januari 2019.

7a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling van 17 april 2019 van de officier van justitie. Deze strekt tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in de zaak met parketnummer 05.720067.18, waarin verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 16 mei 2018 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten twee maanden gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd en dat daarnaast de proeftijd wordt verlengd met 1 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw kan zich vinden in het voorstel van de officier van justitie.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, terwijl hij nog in

een proeftijd liep. Om die reden zal de rechtbank een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten twee maanden gevangenisstraf, ten uitvoer leggen en daarnaast de proeftijd met 1 jaar verlengen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 285, 300, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 1 (een) maand niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarde dat veroordeelde zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

 de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich binnen drie werkdagen aan de balie van Reclassering IrisZorg aan de Weerdjesstraat 10 te Arnhem (telefoonnummer 088-6061171) zal melden. Hierna zal hij zich blijven melden op de afgesproken tijdstippen en locaties zo frequent als en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich ambulant zal laten behandelen voor zijn middelenproblematiek door de ambulante verslavingszorg van IrisZorg of een soortgelijke instelling, ter beoordeling van de reclassering. Ook zal hij zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de instelling zullen worden gegeven. Dit indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Binnen zes maanden na ingaan van de proeftijd kan bij ernstige zorgen over psychiatrische problematiek of ernstig middelengebruik en als een kortdurende klinische opname door de reclassering is geïndiceerd (crisisbehandeling en stabilisatie), zal hij zich laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Deze kortdurende klinische behandeling duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

- zal verblijven in een beschermd- of begeleid wonen voorziening, of soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering. Daarbij zal hij zich houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld, voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Ook zal hij zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding zullen worden gegeven;

- zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Daarbij zal hij inzicht in zijn financiën en schulden geven.

 Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en het begeleiden van de veroordeelde ten behoeve daarvan;

 Stelt als voorwaarde dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    Stelt als voorwaarde dat veroordeelde medewerking zal verlenen aan het door Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

  • -

    Beveelt dat de opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vrijheidsbeperkende maatregel

 Legt op de maatregel dat veroordeelde zich voor de duur van vijf jaren niet zal ophouden binnen een straal van vijf kilometer vanaf het woonadres van [slachtoffer 1] ( [adres 3] te [woonplaats 2] ).

  • -

    Legt op de maatregel dat veroordeelde voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] .

  • -

    Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan een van bovengenoemde maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 (drie) dagen voor iedere keer dat niet aan (één van) de maatregelen wordt voldaan met een maximum van 6 (zes) maanden.

 Beveelt dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

En voorts

 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer

05-022451-19 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen € 500,00 (vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 10 dagen gijzeling zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling 05-720067-18

gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van rechtbank Gelderland van 16 mei 2018, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, en

verlengt de proeftijd als vermeld in voormeld vonnis met een termijn van 1 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.S.M. van Bergen (voorzitter), mr. H.P.M. Kester en mr. R.S. Croll, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Boersma en mr. L.H.M. van Keulen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2020.

mrs. H.P.M. Kester en mr. J.J. Boersma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is ten aanzien van parketnummer 05-022451-19 terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-201900030, gesloten op 22 januari 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 6 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2020.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 6.

4 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2020.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 8-9.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p 10.

7 Het bewijs is ten aanzien van parketnummer 05-088296-19 terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019158559Z, gesloten op 1 mei 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , p. 87.

9 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 91.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 93.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 95.

12 Het bewijs is ten aanzien van parketnummer 05-298048-19 terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019555621, gesloten op 15 december 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

13 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] namens [slachtoffer 2] , p. 14 en 15.

14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 17.

15 Het proces-verbaal van bevindingen (uitkijken beelden), p. 21.

16 Het bewijs is ten aanzien van parketnummer 05-049872-20 terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2020087596, gesloten op 26 februari 2020 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.