Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2969

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
359705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Nakoming, wanprestatie, opschorting. Partijen twisten over de omvang van de overeengekomen werkzaamheden en of een vaste prijs, dan wel regie is overeengekomen. Gedaagde moet voor de verrichte werkzaamheden betalen voor zover opdrachtnemer aan waarschuwingsplicht ten aanzien van de kosten heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/359705 / HA ZA 19-50 / 1291 / 560

Vonnis van 1 april 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HISTORALIS B.V.

gevestigd te Almere

eiseres

advocaat mr. H.A.J. Wessel-Krijger te Nijmegen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CRV B.V.

gevestigd te Arnhem

gedaagde

advocaat mr. C. Snelders-van de Kamp te Arnhem

Partijen zullen hierna Historalis en CRV worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 november 2019

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 februari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Archeodienst Noord B.V. (verder: Archeodienst) was een archeologisch opgravingsbedrijf. Zij is een dochter van WSG Holding B.V. De directeur van Archeodienst was [naam 1]

2.2.

CRV houdt zich bezig met veeverbetering. Zij heeft het plan opgevat een onderzoekscentrum (‘Dairy Breeding Center’) te realiseren in het buitengebied van Leeuwarden. Daartoe heeft zij eind 2014 een agrarische locatie aan de Brédyk 32 te Wirdum van de provincie Friesland gekocht.

2.3.

De locatie te Wirdum is gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Omdat CRV van plan was de bodem te verstoren tot dieper dan een halve meter onder het maaiveld, moest daarom archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

2.4.

Op 9 april 2015 heeft Archeodienst een offerte aan CRV uitgebracht voor het verrichten van archeologisch onderzoek op de locatie. In de begeleidende brief staat onder meer:

Op aanwijzing van de gemeente dient ter hoogte van de nieuwe ligboxstallen een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd met een mogelijke doorstart naar een definitieve opgraving.

Indien de resultaten van het proefsleuvenonderzoek daar voldoende aanleiding toe geven, wordt na overleg met u en de bevoegde overheid een doorstart gemaakt naar een definitieve opgraving, met als doel alle archeologische sporen binnen de te verstoren zone te documenteren en het vondstmateriaal veilig te stellen.

In deze offerte heb ik een vaste prijs opgenomen voor het proefsleuven onderzoek, indien er een doorstart naar een opgraving noodzakelijk is, zullen we dit per m² afrekenen. De prijs per m² heb ik ook in de offerte opgenomen.

In de offerte staat:

2.5.

Bij de offerte is als bijlage 3 gevoegd een ‘Toelichting op door Archeodienst uitgebrachte offertes voor gravend onderzoek’. Daarin staat onder meer:

(...)

Uitwerking van de onderzoeksgegevens

Het veldwerk is slechts een onderdeel van het gehele onderzoek. De uitwerking van de onderzoeksgegevens en het opstellen van een rapportage nemen eveneens veel tijd in beslag. (...) Tot de uitwerking hoort het opstellen van een evaluatierapport, waarin een concreet voorstel voor de verschillende onderdelen van de uitwerking gedaan wordt, waaronder een selectie van de vondsten die geconserveerd moeten worden en van de grondmonsters die door specialisten natuurwetenschappelijk onderzocht moeten worden. (...)

Prijsstelling

(...)

In vrijwel alle gevallen worden stelposten apart afgerekend. Het gaat dan om werkzaamheden waarvan de noodzaak of omvang van te voren niet in te schatten is, bijvoorbeeld (...) werkzaamheden in het uitwerkingstraject, waarover pas na het veldwerk beslist kan worden, zoals het determineren, uitwerken en eventueel conserveren van vondsten en/of het uitvoeren van natuurwetenschappelijk onderzoek.

Er kan sprake zijn van meerwerk als er werkzaamheden uitgevoerd moeten worden waarin niet voorzien was in het Programma van Eisen. (...) Ook kan meerwerk ontstaan als het onderzoek niet volgens plan uitgevoerd kan worden omdat niet voldaan is aan de voorwaarden waaronder de offerte opgesteld is (zie hieronder: verplichtingen van de opdrachtgever).

Ingeval van meerwerk of stelposten zal voorafgaand aan de werkzaamheden contact met u worden opgenomen.

Verplichtingen van de opdrachtgever

(...)

Voor de start van het veldwerk dient de opdrachtgever tevens te regelen dat:

(...)

 het terrein toegankelijk is voor de graafmachine, het opgravingsteam en een bouwkeet;

 er geen functionerende kabels en leidingen, geen opstallen, bestrating, begroeiing of vervuilde grond aanwezig zijn;

(...)

2.6.

Op 4 mei 2015 heeft CRV Archeodienst bericht dat zij akkoord is met de aanbieding. Het opdrachtformulier heeft zij ondertekend op 21 maart 2016.

2.7.

Transect B.V. heeft een Programma van Eisen voor het inventariserende proefsleuvenonderzoek opgesteld. Dat dateert van 11 mei 2015. In hoofdstuk 8 staat:

8.1

Selectie materiaal voor uitwerking

• Na afloop van het veldwerk wordt een evaluatie- en selectierapport opgesteld. Het evaluatierapport bevat een compleet overzicht van de gedane vondsten, per vondstcategorie. In het evaluatierapport wordt een overzicht en karakterisering van aangetroffen sporen en structuren, vondsten en monsters opgenomen, alsmede een selectievoorstel tot uitwerking en rapportage op basis van dit PvE (een bijbehorende kostenraming dient enkel aan de opdrachtgever kenbaar gemaakt te worden en maakt geen onderdeel uit van het document dat aan bevoegde overheid en depothouder wordt voorgelegd). In dit voorstel wordt opgenomen welke vondsten en monsters belangrijk zijn ter beantwoording van de onderzoeksvragen, hoeveel objecttekeningen en foto's daarbij nodig zijn en welke uitgewerkte monsters en laboratoriumdateringen. Het evaluatie- en selectierapport wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde overheid (...). De bevoegde overheid beslist over alle zaken die de uitwerking en rapportage betreffen. De opdrachtgever heeft hier geen rol in.

• Op basis van het evaluatie- en selectierapport vindt een evaluatie plaats tussen de opdrachtgever, de bevoegde overheid en de archeologisch uitvoerder. Wanneer het evaluatie- en selectierapport is goedgekeurd, kan de verdere uitwerking in gang worden gezet.

2.8.

Archeodienst heeft het proefsleuvenonderzoek verricht in de periode van 10 tot en met 15 juni 2015. Daarbij is een woonterp aangetroffen uit de IJzertijd en/of de Romeinse tijd.

2.9.

Op 7 juli 2015 heeft de gemeente Leeuwarden een Nota van Wijziging opgesteld met een aanvulling op het Programma van Eisen van 11 mei 2015.

2.10.

Op 28 oktober 2015 heeft Archeodienst gerapporteerd over het proefsleuvenonderzoek. Op bladzijde 18 van het rapport staat:

6.2

Aanbeveling

Op basis van de behoudenswaardigheid van de vindplaats adviseert Archeodienst BV binnen deze locatie geen bodemingrepen toe te passen. De bestaande bouwplannen vereisen echter een verstoringsdiepte van ruim 2 m -mv, waardoor de vindplaats verloren dreigt te gaan. Daarom adviseert Archeodienst BV de vindplaats te onderzoeken door middel van een opgraving, tenminste binnen de grenzen van de geplande bouwput. Dit betreft een oppervlakte van ca. 2500 m².

Tijdens de opgraving zal nog goed aandacht besteed moeten worden aan de stratigrafie om uit te maken of sprake is van twee of wellicht meer bewoningsfasen. Hiertoe zal een doorlopend profiel volledig gedocumenteerd moeten worden, dat zowel archeologisch als fysisch geografisch bestudeerd moet worden. Sporen en vondsten kunnen zowel binnen als buiten het veronderstelde podium verwacht worden.

Voor goedkeuring van dit advies kan contact opgenomen worden met de gemeente als bevoegd gezag.

2.11.

Op 25 april 2016 is Archeodienst begonnen met de definitieve opgraving. In het dagrapport van die dag staat onder meer:

Bij aankomst stond er nog een zeecontainer met reclame van het sloopbedrijf op de plek waar we wilden beginnen. Het beton van de paden ligt er ook nog en dat kan pas verwijderd worden als de sloop klaar is en de puinbreker er is. Dat zou donderdag het geval moeten zijn. Ook liggen er nog puinhopen op een deel van de werkput. Deze problemen zouden allemaal donderdag opgelost moeten zijn. Voor donderdag hoeven we op die plekken ook nog niet te werken. Tevens bleek dat er binnen de werkput ook een brede sloot lag, wat uit het kaartmateriaal niet direct duidelijk werd. Hierdoor valt een deel van het onderzoeksgebied af, evenals door de vervuilde plek (onder huidige betonpad) waarvoor nog geen vergunning is om te saneren. Omdat het NZ betonpad nog moest blijven liggen ivm de sloopwerkzaamheden hebben we een 7 m brede sleuf aangelegd ipv de geplande 10 m brede sleuf, omdat anders de stort op het pad zou komen.

2.12.

Op 18 mei 2016 heeft de gemeente Leeuwarden een tweede Nota van Wijziging (genaamd: ‘Nota van wijziging 2’) opgesteld met een aanvulling op het Programma van Eisen van 11 mei 2015.

2.13.

Op dezelfde dag (18 mei 2016) heeft Archeodienst aan CRV een berekening van de aan te leggen vierkante meters en een raming van de kosten toegemaild. Die kostenraming komt op basis van 8100 m² uit op € 162.140,00 met € 16.100,00 aan extra kosten bij een deadline van 6 juni. In dat e-mailbericht staat ook:

(...) Het aantal vondsten moet ik schatten, want er is nog niets geteld. Ik verwacht dat er ca. 25.000 vondsten (vooral aardewerk en bot en een heel klein beetje natuursteen) verzameld zullen worden. Ik heb een schatting gemaakt van het aantal dat gedetermineerd (gedateerd en beschreven) moet worden. Bij de vondsten die niet gedetermineerd hoeven te worden rekenen we een Euro minder. (...)

2.14.

Op 20 mei 2016 heeft CRV Archeodienst per e-mail onder meer bericht:

(...) Donderdagmorgen 19 mei hebben we besloten de archeologie stil te leggen, jullie zouden die dag en vrijdag 20 mei nog afrondende werkzaamheden gaan doen en dan vertrekken. Vrijdagmiddag 20 mei (ong 12.00u) hebben we telefonisch contact gehad. Er wordt gezocht naar een oplossing, en hierbij kan ik toestemming geven om te starten met het stuk wat nog moet gebeuren volgens het oude PvE. (...)

2.15.

Op 25 mei 2016 heeft de gemeente Leeuwarden opnieuw een Nota van Wijziging opgesteld met een aanvulling op het Programma van Eisen van 11 mei 2015 (evenals de Nota van Wijziging van 18 mei 2016 genaamd ‘Nota van wijziging 2’).

2.16.

Op dezelfde dag (25 mei 2016) heeft Archeodienst aan CRV een kostenraming toegemaild uitgaande van 250 m² extra, dus 8350 m². Die komt uit op € 178.640,00 met € 16.100,00 aan extra kosten bij een deadline van 6 juni. In die kostenraming zijn bedragen opgenomen van € 29.500,00 voor 10.000 vondsten inclusief determinatie (derhalve € 2,95 per vondst) en € 48.750,00 voor 25.000 vondsten zonder determinatie (derhalve € 1,95 per vondst).

2.17.

Op 26 mei 2016 heeft de gemeente Leeuwarden Archeodienst per e-mail bericht:

Zoals je weet heb ik je laatste kostenraming via CRV onder ogen gekregen. Zij zijn nog niet akkoord omdat ze het totaalbedrag voor het onderzoek onder de 1,5 ton willen houden.

Ik heb aangegeven dat ik daar op dit moment geen invloed op kan uitoefenen. Jij hebt – neem ik aan naar eer een geweten – je best gedaan een zo strak mogelijke raming te doen.

Wel heb ik aangegeven dat een aantal posten nog niet vast (kunnen) staan. Dit betreft met name de vondst- en monsteraantallen.

Wat de vondsten betreft: je verwacht nu nóg meer dan de geraamde 25000???? Pffffff dat is echt veel! Mag ik je nog ns dringend wijzen op de in het PvE beschreven strategie en die ook echt op te volgen: dus werk sporen alléén volledig af als er na het couperen nog niet voldoende daterend materiaal gevonden is of als er nog andere informatie mist om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden.

Het gaat erom de onderzoeksvragen te beantwoorden en NIET om zoveel mogelijk materiaal te verzamelen. Zo’n sloot als jullie hebben/hadden vól materiaal hoeft dus naar mijn beleving niet volledig leeg geschept te worden, maar maak bijv steeksproefgewijs op enkele plekken een doorsnede om de vulling op meerdere plekken te kunnen bekijken en eventuele verschillen in vondstsoorten en/of datering per deel te kunnen zien (ik roep maar wat als voorbeeld hoor). Kortom: er wordt van jullie gevraagd om zelf productief mee te denken en werken om het aantal vondsten binnen de perken te houden. Doe alleen wat echt nodig is voor het onderzoek.

(...)

2.18.

Wegens een meningsverschil over de grootte van het aan te leggen vlak heeft Archeodienst de reguliere werkzaamheden op 2 juni 2016 stilgelegd.

2.19.

Op 7 juni 2016 heeft CRV [naam 1] per e-mail bericht:

We willen verder gaan met de opgraving, en daarvoor willen we graag van jou een planning hebben, met per week wat er gedaan gaat worden zodat we weten waar we aan toe zijn, waarbij we eind volgende week de oplevering moeten bewerkstelligen. (En zoveel mogelijk inzet van vrijwilligers om kosten in de hand te houden.) Dat betekent ‘gas op de plank’. Met daarbij houdend aan PvE, waarbij er niet meer dan noodzakelijk opgegraven wordt. (...)

2.20.

Na overleg tussen CRV en Archeodienst op vrijdag 10 juni 2016 heeft Archeodienst de werkzaamheden op maandag 13 juni 2016 hervat.

2.21.

Op 13 juni 2016 heeft [naam 1] aan CRV per e-mail onder meer bericht:

(...)

Ik vond het vrijdag een onaangenaam gesprek, waarbij je een aantal rare, onbegrijpelijke dingen gezegd hebt:

• (...)

• je vond dat we gewoon door hadden moeten werken want we hadden toch immers een opdracht om die opgraving te doen, dus er was geen reden om te stoppen.

• (...)

• je deed alsof de planning door de archeologie steeds maar weer verandert en dat jullie niet weten waar jullie aan toe bent, terwijl ik al ruim een maand geleden precies heb aangegeven wat de planning is, die sindsdien ook niet veranderd is (afgezien van de onderbrekingen uiteraard). (...)

• Toen jij je voorwaarden duidelijk had gemaakt, waarvan de deadline van maandag over een week voor de oostelijke helft en 1,5 week later voor de westelijke helft de belangrijkste waren en ik vervolgens ook mijn voorwaarden op tafel legde (het betalen van facturen, omdat we nog geen cent ontvangen hadden en een vergoeding voor de hernieuwde opstart), reageerde je met de opmerking dat de onderhandelingen voorbij waren en er nu geen eisen meer gesteld konden worden.

• (...)

(...)

2.22.

De opgraving is op 29 juni 2016 afgerond.

2.23.

Op 11 juli 2016 heeft Archeodienst de factuur voor termijn 5 aan CRV gestuurd. Deze bedraagt € 65.857,28. In het begeleidende e-mailbericht staat:

Hierbij stuur ik je (...) de factuur voor het laatste veldwerk toe.

Het aantal vierkante meters komt overeen met het door mij geschatte aantal. De werkzaamheden die we in de andere (zuidelijke) bouwput verricht hebben, hebben we niet in rekening gebracht. Het honderden uren die we op de "huislocatie" gewerkt hebben en die conform de offerte op regiebasis verrekend hadden moeten worden, hebben we ook niet in rekening gebracht.

We gaan in de komende tijd aan de slag met het evaluatierapport. Op basis van dat rapport moet door het bevoegd gezag besloten worden welke werkzaamheden in de uitwerking uitgevoerd moeten worden. Daarbij gaat het met name om de hoeveelheden vondsten die geanalyseerd moeten worden, de monsters die uitgewerkt moeten worden en de vondsten die geconserveerd moeten worden.

2.24.

Ondanks betalingsherinneringen van Archeodienst van 12 en 18 augustus 2016 heeft CRV de factuur voor termijn 5 niet betaald.

2.25.

Op 25 augustus 2016 heeft Archeodienst de factuur voor de uitwerking van de opgraving aan CRV gestuurd. Deze is op 29 september 2016 gecrediteerd in verband met het naderende faillissement van Archeodienst.

2.26.

Op 6 oktober 2016 is Archeodienst failliet verklaard. Als curator is aangesteld mr. [naam 2]

2.27.

Op 9 november 2016 heeft Archeodienst via de curator de factuur voor termijn 7 aan CRV gestuurd (voor archeobotanisch onderzoek). Deze factuur bedraagt € 4.029,30.

2.28.

Bij brief van zijn kantoorgenote [naam 3] van 1 december 2016 heeft de curator CRV aangesproken tot betaling van de factuur voor termijn 5 en de factuur voor termijn 7 toegestuurd met het verzoek ook die te betalen. Toen CRV daartoe niet bereid bleek, heeft de curator met CRV onderhandeld over de betaling voor de werkzaamheden van Archeodienst.

2.29.

Op 8 december 2016 heeft [naam 3] de factuur voor termijn 6 en de voor die termijn gestuurde creditfactuur aan CRV toegestuurd met de mededeling dat de kosten voor uitwerking en rapportage zijn gecrediteerd omdat deze als gevolg van het faillissement van Archeodienst niet zullen worden uitgevoerd.

2.30.

Bij brief van 27 december 2016 aan CRV is [naam 3] ingegaan op de facturering in verband met de offerte en op de voltooiing van het onderzoek vanwege het belang van de opgraving. Zij heeft daarbij opnieuw verzocht om betaling van de facturen voor de termijnen 5 en 7.

opmerking

Zie productie 25. Ik neem deze brief op omdat CRV eruit afleidt dat de curator de overeenkomst geen gestand zal doen, wat ik niet zie staan. Zie conclusie van antwoord 104. De brief komt hieronder terug bij de behandeling van het beroep van CRV op opschorting/verrekening.

2.31.

Op 21 april 2017 heeft [naam 3] aan CRV per e-mail onder meer bericht:

(...)

Wij spraken op 9 februari jl. af dat CRV tegen algehele kwijting een bedrag zou betalen van € 32.500,00 exclusief BTW. Daar alle documentatie nu compleet is, zie ik geen reden om nog enig bedrag hierop in mindering te brengen.

(...)

2.32.

Op 30 mei 2017 heeft de curator de vordering tot betaling van de factuur voor termijn 5 gecedeerd aan WSG Holding (de moedervennootschap van Archeodienst).

2.33.

Bij brief van 3 juli 2017 heeft WSG Holding CRV bericht:

De curator van Archeodienst Noord BV, de heer [naam 2] heeft bijgaande vordering voor uitgevoerd archeologisch onderzoek in Wirdum ad € 65.857,28 gecedeerd aan WSG Holding BV.

U kunt desgewenst de curator vragen te bevestigen dat deze cessie heeft plaatsgevonden.

Ik verzoek u de factuur inclusief de incassokosten en de wettelijke rente binnen vijf werkdagen over te maken (...)

Bij deze brief heeft WSG Holding de factuur voor termijn 5 gevoegd.

2.34.

Bij brief van 12 juli 2017 van haar advocaat (verstuurd per e-mail) heeft CRV de curator bericht:

(...)

CRV heeft zich op zijn zachtst gezegd verbaasd toen zij op 3 juli jl. een incassobrief van de heer [naam 1] namens WSG Holding B.V. ontving.

Bij de incassobrief was een cessie-akte gevoegd waaruit blijkt dat de vordering door u aan WSG Holding B.V. is overgedragen. Dit terwijl u reeds overeenstemming had met CRV. (...)

Nadat u met CRV overeenstemming had bereikt, en daarbij enkel het voorbehoud maakte om het bod aan de r.c. voor te leggen, stond het u niet langer vrij om met derden in onderhandeling te gaan ten aanzien van de vordering. (...) Hiermee heeft u wanprestatie gepleegd dan wel onrechtmatig gehandeld jegens CRV. CRV houdt u hiervoor aansprakelijk. (...)

2.35.

Op 31 oktober 2017 heeft de curator de vorderingen die hij niet bij de opdrachtgevers van Archeodienst heeft geïncasseerd aan Historalis gecedeerd.

2.36.

Op 30 december 2017 heeft WSG Holding de vordering tot betaling van de factuur voor termijn 5 gecedeerd aan Historalis.

2.37.

Op 9 februari 2018 heeft de curator CRV per e-mail bericht:

(...) De gegevens die u opvraagt, houden verband met de werkzaamheden die gefailleerde voor uw cliënte verricht heeft. Voor die werkzaamheden heeft uw cliënte (nog) niet betaald en de betreffende vordering heb ik overgedragen aan WSG Holding BV. Ik stel voor dat uw cliënte dit punt dan ook opneemt met WSG Holding BV.

2.38.

Bij brief van 20 juli 2018 aan de advocaat van CRV heeft Historalis aansprakelijkheid voor schade van CRV van de hand gewezen en heeft zij bericht dat zij (Historalis) de vordering van Archeodienst op CRV heeft overgenomen op 30 december 2017, waarbij zij heeft verwezen naar een bijgevoegde kopie van de koopovereenkomst (cessie-akte) van die datum.

2.39.

Bij brief van 2 juli 2019 van haar advocaat aan de advocaat van CRV heeft Historalis een oproepingsbericht in concept toegestuurd en aanspraak gemaakt op betaling van de factuur voor termijn 5 en een bedrag van € 96.114,94 voor uitgevoerde maar nog niet betaalde werkzaamheden. CRV is niet tot betaling overgegaan.

3 De vordering

3.1.

Historalis vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, CRV veroordeelt tot betaling aan haar van bedragen van € 65.857,28, € 4.029,30 en € 96.114,94, steeds te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en van € 8.925,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van CRV in de proceskosten waaronder de nakosten.

3.2.

Historalis legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Zij heeft de vordering tot betaling van de factuur voor termijn 5 (€ 65.857,28) overgenomen van WSG Holding (cessie van 30 december 2017, productie 32), die deze vordering op haar beurt heeft gekocht van de curator (cessie van 30 mei 2017, productie 26). De vordering tot betaling van de factuur voor termijn 7 (€ 4.029,30) heeft zij rechtstreeks van de curator overgenomen (cessie van 31 oktober 2017, productie 31). Historalis vordert nakoming door betaling van deze facturen.

3.3.

Historalis stelt dat zij ook de rechten op de onafgeronde projecten en vorderingen van de projecten van Archeodienst van de curator heeft overgenomen (cessie van 31 oktober 2017, productie 31). Zij stelt daarmee het recht te hebben verworven om alle door Archeodienst uitgevoerde maar nog niet gefactureerde werkzaamheden, althans de door Archeodienst geleden schade, in rekening te brengen bij de desbetreffende opdrachtgevers. Zij vordert in dat verband betaling van CRV van € 96.114,94. Historalis vordert dit bedrag primair op grond van nakoming, subsidiair op grond van onrechtmatige daad en meer subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

4 De beoordeling

cessies

4.1.

CRV heeft bij conclusie van antwoord betwist dat de vorderingen rechtsgeldig aan Historalis zijn gecedeerd (zie in het bijzonder 89 – 102). Na weerspreking daarvan door Historalis heeft CRV ter zitting het verweer dat ziet op de cessies prijsgegeven.

opschorting met het oog op verrekening met geleden schade

4.2.

CRV stelt dat het haar nog niet is gelukt de archeologische onderzoeksvragen van de gemeente Leeuwarden te beantwoorden en dat zij daarom het risico loopt dat haar omgevingsvergunning wordt ingetrokken. Daardoor lijdt zij schade, die volgens CRV het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van Archeodienst. Ter zake daarvan is het verzuim ingetreden omdat de curator heeft erkend dat niet alle werkzaamheden zijn uitgevoerd terwijl mede uit de brief van 27 december 2016 van zijn kantoorgenote blijkt dat hij (de curator) de overeenkomst geen gestand zou doen. Hoe hoog de schade is, staat volgens CRV nog niet vast. Voor zover CRV een betalingsverplichting heeft, schort zij de nakoming daarvan op met het oog op verrekening met haar schade. Ter zitting heeft CRV voorts betoogd dat het dispuut met de curator reeds was opgelost, waarbij de werkzaamheden van Archeodienst zijn gewaardeerd op € 30.302,50. WSG Holding en Historalis hebben de curator bewogen tot wanprestatie en daarvan geprofiteerd. Daardoor lijdt CRV schade, die zij met haar schuld aan Historalis wil verrekenen.

4.3.

Volgens Historalis is CRV niet bevoegd tot opschorting en verrekening. Zij stelt daartoe dat zij de nakoming van haar verplichtingen had opgeschort omdat CRV van haar kant niet voldeed aan haar betalingsverplichting. Voorts betwist zij dat het verzuim is ingetreden, waartoe zij aanvoert dat CRV de curator niet schriftelijk een termijn heeft gesteld om de overeenkomst gestand te doen en dat CRV bovendien zelf niet bereid was tot nakoming. Verder betwist Historalis dat CRV schade heeft geleden. Daartoe stelt zij dat de gemeente Leeuwarden zou bijdragen aan de kosten voor het archeologische onderzoek. Zij wijst er verder op dat CRV geen stukken heeft overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat intrekking van de omgevingsvergunning dreigt en dat de schade verder niet is onderbouwd.

4.4.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De gegrondheid van het verweer dat CRV schade heeft geleden door een toerekenbare tekortkoming van de zijde van Archeodienst en dat zij deze schade wil verrekenen met een mogelijke betalingsverplichting van haar kant is gezien hetgeen Historalis daartegen heeft ingebracht niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Voor zover de vordering van Historalis overigens voor toewijzing vatbaar is, zal deze daarom ondanks dat verweer worden toegewezen (artikel 6:136 BW).

rechtsverwerking

4.5.

CRV wijst erop dat in de considerans van de akte van cessie van 30 mei 2017 onder A staat dat Archeodienst volgens opgave [naam 1] in totaal een bedrag van CRV te vorderen heeft van € 65.857,00 (het bedrag van de factuur voor termijn 5) en voorts dat tot 2 juli 2019 noch WSG Holding noch Historalis een ander bedrag heeft gevorderd dan dat bedrag. Zij wijst er verder op dat Archeodienst op 11 juli 2016 bij de toezending van de factuur voor termijn 5 heeft verklaard bepaalde werkzaamheden niet in rekening te hebben gebracht. CRV meent dat zij er daarom op heeft mogen vertrouwen dat WSG Holding en later Historalis nooit meer zouden incasseren dan de factuur voor termijn 5. Op deze gronden betoogt zij dat Historalis haar rechten op betaling van andere bedragen heeft verwerkt dan wel dat Archeodienst die rechten al had verwerkt zodat zij die ook niet heeft kunnen overdragen (conclusie van antwoord 106 – 110).

4.6.

Historalis brengt hier het volgende tegen in. Alle vorderingen ter zake het project Wirdum zijn op 31 oktober 2017 door de curator aan Historalis gecedeerd. Historalis heeft haar rechten ter zake niet verwerkt. In een e-mailbericht van 9 februari 2018 heeft de curator CRV bericht dat nog niet voor alle verrichte werkzaamheden is betaald en dat hij de vorderingen tot betaling aan WSG Holding heeft verkocht. Ook heeft de curator verzocht om betaling van de factuur voor termijn 7. Historalis erkent dat [naam 1] op 11 juli 2016 heeft laten weten dat hij bepaalde verrichte werkzaamheden niet in rekening heeft gebracht. Zij stelt echter dat hij op geen enkel moment ondubbelzinnig of concreet heeft toegezegd dat hij de kosten voor verricht werk of geleden schade niet op een later moment alsnog in rekening zou brengen. Volgens Historalis heeft CRV er niet op mogen vertrouwen dat Archeodienst zonder meer een hoge korting zou geven op het arbeidsintensieve onderzoek van de complexe archeologische sporen, zeker niet gezien de financiële situatie van Archeodienst.

4.7.

Uit de vermelding in de considerans van de akte van cessie van 30 mei 2017 dat Archeodienst volgens opgave [naam 1] in totaal € 65.857,00 te vorderen zou hebben, heeft CRV naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer mogen opmaken dat Archeodienst dan wel de curator afzag van mogelijke andere vorderingen op CRV. Die vermelding, opgenomen in een overeenkomst tussen de curator en WSG Holding, is geen aan WSG Holding gerichte mededeling en is bovendien te terloops gedaan en voor de interpretatie van CRV te impliciet. Ook als Archeodienst met haar brief van 11 juli 2016 de indruk heeft gewekt dat bepaalde uren die niet in rekening zijn gebracht ook niet meer in rekening gebracht zouden worden, rechtvaardigt dat toch niet het vertrouwen dat Archeodienst haar aanspraak op verdere betaling niet meer geldend zal maken. In die brief is immers niet zo duidelijk afstand gedaan van aanspraken op betaling voor die werkzaamheden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ermee onverenigbaar is dat Archeodienst dan wel de curator of Historalis die aanspraken vervolgens alsnog geldend maakt. Dit oordeel wordt niet anders door het tijdsverloop tussen 29 juli 2016 en 2 juli 2019 (respectievelijk de data waarop de opgraving werd afgerond en waarop Historalis CRV liet sommeren tot betaling van de factuur voor termijn 5 en van € 96.114,94 ter zake van verrichte maar onbetaalde werkzaamheden). Reeds uit de contacten met de curator in december 2016 had het CRV immers duidelijk kunnen zijn dat de aanspraken in verband met de door Archeodienst uitgevoerde werkzaamheden niet beperkt waren tot de factuur voor termijn 5. De conclusie is dat het beroep op rechtsverwerking wordt verworpen.

factuur termijn 5 (€ 65.857,28)

4.8.

CRV betwist dat zij de factuur voor termijn 5 verschuldigd is. Daartoe voert zij het volgende aan. CRV heeft nooit akkoord gegeven op de kostenraming van Archeodienst en heeft de hoogte van deze factuur steeds betwist. Het is haar nooit duidelijk geworden dat de gefactureerde werkzaamheden noodzakelijk waren voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Zij kan dat ook niet controleren omdat die onderzoeksvragen tot op heden niet zijn beantwoord. Ook is het voor haar niet duidelijk of de gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Zij heeft Archeodienst en de curator daarop aangesproken, maar zonder gevolg. CRV beschikt nog steeds niet over voldoende gegevens om te kunnen voldoen aan de vereisten van de omgevingsvergunning.

4.9.

Historalis brengt hier het volgende tegen in. De werkzaamheden die Archeodienst met de factuur voor termijn 5 in rekening heeft gebracht, vloeien direct voort uit de opdracht. Die werkzaamheden zijn immers uitgevoerd conform de offerte, het Programma van Eisen en de Nota’s van Wijziging. Deze opdracht is niet opgezegd of ontbonden. De overeenkomst staat dat ook niet toe. De factuur voor termijn 5 is in overeenstemming met de kostenraming van 25 mei 2016, die is opgesteld na de tweede Nota van Wijziging. De factuur is uitgebreid toegelicht. Op instigatie van CRV heeft [naam 4] , wetenschappelijk projectleider en archeologisch inhoudelijk specialist, op 3 juni 2016 een second opinion over de kosten gegeven. Volgens [naam 4] zouden de kosten in ieder geval € 190.000,00 bedragen, dat is dus meer dan de kostenraming van Archeodienst, die € 178.640,00 bedroeg. Op 7 juni 2016 heeft CRV per e-mail bij Archeodienst erop aangedrongen dat zij ‘gas op de plank’ zou geven zodat op 17 juni 2016 (‘eind volgende week’) zou kunnen worden opgeleverd. Aangezien CRV toen bekend was met al het voorgaande, heeft zij daarmee dus ook ingestemd met de kostenraming. In een gesprek op 10 juni 2016 heeft CRV Archeodienst verder verweten dat zij de werkzaamheden had gestaakt, terwijl zij die op grond van de opdracht had moeten voortzetten. Het gehele traject is begeleid door de gemeentelijke archeoloog, die nooit heeft gezegd dat Archeodienst het werk niet of niet goed heeft uitgevoerd. CRV is pas na het faillissement van Archeodienst begonnen bezwaar te maken tegen de factuur voor termijn 5.

4.10.

Het is tussen partijen niet in geschil dat Archeodienst in opdracht van CRV archeologische werkzaamheden heeft verricht. CRV is daarom in beginsel gehouden tot betaling van de facturen die Archeodienst voor die werkzaamheden heeft gestuurd, dat is dus ook de factuur voor termijn 5. Uit hetgeen CRV aanvoert, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat Archeodienst werkzaamheden heeft verricht die niet conform de offerte, het Programma van Eisen en de aanvullingen op de Nota van Wijziging waren. Dat Archeodienst dat heeft gedaan ligt ook niet voor de hand, omdat in dat geval de archeoloog van de gemeente Leeuwarden haar daarop zou hebben aangesproken. De archeoloog van de gemeente Leeuwaren heeft er wel bij Archeodienst op aangedrongen dat zij niet meer zou doen dan nodig was, maar het is gesteld noch gebleken dat zij op enig moment heeft vastgesteld en Archeodienst erop heeft gewezen dat zij haar opdracht te buiten ging. Uit hetgeen CRV aanvoert, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden afgeleid dat Archeodienst werkzaamheden in rekening heeft gebracht die niet zijn verricht. Gezien de toelichting die Archeodienst bij haar factuur heeft gevoegd, heeft CRV er niet mee kunnen volstaan te stellen dat dit uit de aanwezige documentatie niet valt op te maken. Als CRV niet kon instemmen met de kostenraming van 25 mei 2016, dan had zij in juni 2016 er niet op moeten aandringen dat Archeodienst de werkzaamheden voltooide. CRV kan Archeodienst ten slotte niet tegenwerpen dat de onderzoeksvragen nooit zijn beantwoord, omdat zij niet van haar kan verwachten dat zij haar werkzaamheden voortzet zonder daarvoor te worden betaald. De verweren van CRV worden dus verworpen. De conclusie is dat de vordering tot betaling van de factuur voor termijn 5 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als gevorderd.

factuur termijn 7 (€ 4.029,30)

4.11.

CRV betwist voorts dat zij de factuur voor termijn 7 verschuldigd is. Daartoe voert zij het volgende aan. In de offerte staat dat Archeodienst het archeobotanische onderzoek pas zou uitvoeren na het overleggen van een evaluatierapport. Bovendien staat er in de offerte dat Archeodienst in geval van stelposten vooraf contact zou opnemen met CRV. In het Programma van Eisen staat ook dat het archeobotanische onderzoek pas wordt uitgevoerd na goedkeuring van het evaluatie- en selectierapport. Archeodienst heeft echter geen evaluatierapport opgesteld en zij heeft ook geen contact opgenomen in verband met de stelposten. Als het archeobotanische onderzoek is uitgevoerd, wat CRV betwist, dan had dat volgens haar niet zonder haar medeweten en goedkeuring mogen gebeuren. CRV concludeert dat de vordering tot betaling voor de werkzaamheden in het kader van dit onderzoek niet bestaat.

4.12.

Historalis brengt hier het volgende tegen in. Volgens haar hield haar opdracht niet alleen in het uitvoeren van het veldwerk, maar ook de uitwerking, rapportage en stelposten. Zij stelt dat De Vries (bestuurder van CRV) ook tegen De Graaf heeft gezegd dat CRV opdracht had gegeven voor de archeologie. De botanische monsters zijn zoals gebruikelijk na het veldwerk gewaardeerd, maar er is geen evaluatierapport opgesteld omdat CRV niet wilde betalen. Om te voorkomen dat de botanische monsters zouden verrotten waardoor gegevens verloren zouden gaan, heeft Archeodienst de belangrijkste monsters uitgewerkt, zo beperkt mogelijk en zonder een volledige analyse uit te voeren. Historalis betoogt dat Archeodienst hiermee uitvoering heeft gegeven aan de opdracht, die ook de uitwerking van de monsters omvat. Historalis legt een urenstaat over waar op staat dat mevrouw [naam 5] 69 uur aan het onderzoek heeft besteed.

4.13.

Hierover wordt als volgt geoordeeld. CRV heeft de facturen voor de termijnen 1 tot en met 4 betaald. De factuur voor termijn 5, gedateerd 11 juli 2016, heeft zij niet betaald. Omdat CRV niet van Archeodienst kan verwachten dat zij het evaluatierapport opstelt als CRV van haar kant ophoudt met betalen, kan zij het Historalis niet tegenwerpen dat Archeodienst dat niet heeft gedaan en dus geen voorstel heeft kunnen doen over uitwerking van botanische monsters en, daarmee direct samenhangend, geen contact heeft opgenomen over stelposten. CRV heeft niet weersproken dat gegevens verloren zouden gaan als deze monsters niet binnen afzienbare termijn zouden worden uitgewerkt en ook niet dat Archeodienst de uitwerking tot een minimum heeft beperkt. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat de archeobotanische werkzaamheden die Archeodienst heeft verricht binnen de gegeven opdracht vallen. CRV heeft de specificatie die Historalis heeft gegeven van de uren die aan deze werkzaamheden zijn besteed niet betwist. De conclusie is dat de vordering tot betaling van de factuur voor termijn 7 zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als gevorderd.

uitgevoerde maar nog niet gefactureerde werkzaamheden althans schade (€ 96.114,94)

4.14.

Historalis maakt aanspraak op betaling voor werkzaamheden die ten onrechte nog niet waren gefactureerd, althans op vergoeding van schade doordat deze werkzaamheden nog niet waren betaald. Het bedrag dat Historalis in dit verband vordert, is als volgt opgebouwd.

restant vaste prijs per m² € 8.609,15

correctie stukprijs vondsten € 42.350,00

afrekening complexe of zeer diepe sporen op regiebasis € 31.056,66

verlies efficiency wegens beperkte beschikbaarheid locatie € 1.610,01

extra kosten door asbestsanering € 3.617,90

schade door stillegging 19 mei 2016 € 4.161,13

schade door onderbreking 2 tot en met 10 juni 2016 € 4.710,09 +

totaal € 96.114,94

4.15.

CRV brengt hier het volgende tegen in. CRV en Historalis staan niet in een contractuele verhouding tot elkaar. Er is geen sprake van contractsovername in de zin van artikel 6:159 BW. Daarom kan Historalis volgens haar geen nakoming of schadevergoeding op grond van wanprestatie vorderen. CRV voert verder het verweer dat de bedragen en berekeningen die in de procesinleiding zijn opgesomd niet kunnen kwalificeren als vorderingen die onder de cessies zouden vallen. Volgens haar moet Historalis bewijzen dat dit wel zo is.

4.16.

In reactie hierop betoogt Historalis dat de curator ook na het niet gestand doen van een overeenkomst betaling van deelprestaties kan vorderen en dat uit de aard van de overeenkomst van opdracht voortvloeit dat de vordering tot betaling van loon ontstaat nadat de overeengekomen werkzaamheden zijn verricht.

4.17.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Historalis heeft haar vordering niet gegrond op de stelling dat de curator dan wel Archeodienst haar rechtsverhouding tot CRV aan haar (Historalis) heeft overgedragen (artikel 6:159 BW), maar op de stelling dat de curator de vordering tot betaling voor werkzaamheden die zij heeft verricht maar die nog niet zijn betaald aan haar heeft gecedeerd bij akte van 31 oktober 2017 (artikel 3:94 BW). De verweren die CRV bij conclusie van antwoord tegen de cessie heeft gevoerd, heeft zij ter zitting prijsgegeven, zoals hiervoor overwogen. Voor zover de vordering van Historalis strekt tot betaling voor verrichte werkzaamheden, kan die vordering daarom toewijsbaar zijn. Of dat het geval is, zal hieronder per post worden beoordeeld.

restant vaste prijs per m² (€ 8.609,15)

4.18.

Historalis vordert betaling voor werkzaamheden van Archeodienst waarvoor CRV nog niet heeft betaald op grond van nakoming. Zij licht de hoogte van het gevorderde bedrag als volgt toe. Archeodienst heeft het veldwerk verricht, maar de uitwerking is door een derde partij gedaan. Van de vaste prijs van € 10,00 per m², welke prijs ziet op veldwerk en uitwerking, heeft Archeodienst als voorschot 75% in rekening gebracht, dat is € 62.625,00 exclusief btw (zie de facturen voor de termijnen 2, 3 en 5). Uit gegevens die Historalis via een WOB-verzoek heeft verkregen, leidt zij af dat de totale kosten van de opgraving, dus veldwerk en uitwerking, € 160.000,00 hebben bedragen. Archeodienst heeft in totaal € 134.205,00 in rekening gebracht (zie de facturen voor de termijnen 1 tot en met 5 en 7). Historalis concludeert dat de kosten voor de uitwerking door de derde partij € 25.795,00 hebben bedragen, dat is het verschil tussen € 160.000,00 en € 134.205,00. Het bedrag van € 25.795,00 rekent Historalis voor een deel toe aan stelposten en voor een deel aan de vaste prijs van € 10,00 per m². Aan de stelposten rekent zij € 12.000,00 toe, namelijk € 10.000,00 voor de vondsten, € 1.000,00 voor de conservering en € 1.000,00 voor de botanie. Dan blijft er € 13.795,00 over als het deel van de vaste prijs van € 10,00 per m² dat ziet op de uitwerking. De vaste prijs voor de gehele opgraving bedraagt 8.353,5 m² × € 10,00, dat is € 83.535,00. Daarvan is € 13.795,00 voor de uitwerking en de rest voor het veldwerk, dat is € 69.740,00 (83,49%). Historalis maakt aanspraak op betaling van het verschil tussen dat bedrag en het voorschot van € 62.625,00 dat Archeodienst in rekening heeft gebracht, dat is dus € 7.155,00 exclusief btw ofwel € 8.609,15 inclusief btw (procesinleiding 47, 48 en 57).

4.19.

Bij de bespreking van deze berekening ter zitting heeft CRV betoogd dat er voor het veldwerk niet meer verschuldigd kan zijn dan zij reeds heeft betaald (zittingsaantekeningen bladzijde 22 – 24).

4.20.

Zoals hiervoor overwogen, dient CRV voor verricht veldwerk te betalen voor zover zij dat nog niet heeft gedaan. Historalis heeft de hoogte van het bedrag dat zij in dat verband vordert bepaald door aan de hand van de werkelijke kosten van de opgraving en de werkelijke kosten die de derde partij voor de uitwerking heeft gemaakt vast te stellen welk deel van de vaste prijs van € 10,00 per m² zoals opgenomen in de offerte van 9 april 2015 en in de kostenraming van 25 mei 2016 ziet op het veldwerk en welk deel ziet op de uitwerking. Op basis daarvan heeft zij vastgesteld dat zij met het in rekening gebrachte voorschot niet het deel van de vaste prijs van € 10,00 per m² dat ziet op het veldwerk volledig in rekening heeft gebracht en dat van de werkzaamheden die zien op het veldwerk het gevorderde bedrag nog niet is betaald. Met deze benadering, die door CRV niet inhoudelijk is betwist, heeft Historalis naar het oordeel van de rechtbank afdoende aangetoond dat zij ter zake van verrichte werkzaamheden voor het veldwerk nog aanspraak kan maken op het gevorderde bedrag. Dat zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de rente als gevorderd.

correctie stukprijs vondsten (€ 42.350,00)

4.21.

Historalis stelt dat Archeodienst 35.000 vondsten heeft afgerekend tegen € 1,95 per stuk, terwijl in de offerte van 9 april 2015 is opgenomen dat vondsten worden afgerekend tegen € 2,95 per stuk. Zij maakt aanspraak op het verschil van 35.000 maal € 1,00 te vermeerderen met btw. De grondslag van de vordering is nakoming (procesinleiding 49 en 57)

4.22.

Ter zitting heeft de rechter erop gewezen dat in de kostenraming van 25 mei 2016 onderscheid wordt gemaakt tussen vondsten die worden gedetermineerd, waarvoor € 2,95 per stuk wordt gerekend, en vondsten die niet worden gedetermineerd, waarvoor € 1,95 per stuk wordt gerekend. [naam 1] heeft daarover gesteld dat hij heeft aangeboden een aantal niet te determineren vondsten af te rekenen tegen € 1,95 per stuk maar dat hij is teruggevallen op het overeengekomen bedrag van € 2,95 omdat de kostenraming niet meer klopt. Het in dit verband gevorderde bedrag ziet volgens hem deels op gederfde omzet.

4.23.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Het had op de weg van Historalis gelegen om stellen dat de curator jegens CRV een vordering geldend kon maken tot bijbetaling van € 1,00 voor elke vondst. Het is immers die vordering die dan door cessie op Historalis is overgegaan. Uit de stellingen van Historalis kan echter niet worden afgeleid dat de curator die vordering geldend had kunnen maken. De vordering tot betaling van € 42.350,00 zal daarom worden afgewezen.

afrekening op regiebasis van complexe of zeer diepe sporen op regiebasis (€ 31.056,66)

4.24.

Historalis stelt dat is overeengekomen dat complexe of zeer diepe sporen zouden worden afgerekend op regiebasis. De aangetroffen waterputten en het houten huis met vlechtwerkwanden zijn dergelijke sporen. Archeodienst heeft deze werkzaamheden niet op regiebasis afgerekend maar per m². Volgens Historalis was CRV er echter van op de hoogte dat deze werkzaamheden op regiebasis dienden te worden afgerekend omdat het zo in de offerte staat en omdat het later herhaaldelijk ter sprake is gekomen. Historalis maakt alsnog aanspraak op afrekening op regiebasis. Daarbij baseert zij zich op een overzicht aan bijgehouden uren, en brengt zij in verband met deze werkzaamheden per m² in rekening gebrachte bedragen in mindering (procesinleiding 50, 51 en 57).

4.25.

Op grond van de eigen stelling van Historalis heeft Archeodienst de werkzaamheden die Historalis thans op regiebasis wenst af te rekenen, aanvankelijk onder het vaste tarief van € 10,00 per m² gebracht. Historalis heeft ook niet, op het moment dat zij constateerde dat deze werkzaamheden complex waren, CRV gewaarschuwd dat zij deze werkzaamheden op regiebasis zou afrekenen. Onder deze omstandigheden kunnen deze werkzaamheden niet alsnog, achteraf op regiebasis worden afgerekend. De vordering zal daarom worden afgewezen.

verlies efficiency wegens beperkte beschikbaarheid locatie (€ 1.610,01)

extra kosten door asbestsanering (€ 3.617,90)

4.26.

Historalis stelt onder verwijzing naar het dagrapport van de eerste dag van de werkzaamheden (waaruit is geciteerd bij de feiten) dat het terrein bij het begin van het onderzoek niet zonder obstakels beschikbaar was. Daardoor kon Archeodienst niet efficiënt werken. Dit is volledig veroorzaakt door CRV. Voorts stelt Historalis dat de opgraving van 2 tot en met 6 mei moest worden onderbroken omdat er midden in het onderzoeksgebied een asbestsanering moest plaatsvinden, terwijl in de offerte is opgenomen dat het terrein zonder obstakels beschikbaar zou zijn. Aan de vordering tot vergoeding van de schade die Archeodienst hierdoor heeft geleden, legt Historalis ten grondslag dat CRV onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de afspraken heeft veroorzaakt dat de werkzaamheden van Archeodienst voor een deel inefficiënt plaatsvonden en voor een deel zijn vertraagd. Dit is te wijten aan CRV, het is aan haar toe te rekenen en de schade dient daarom voor haar rekening te komen. Historalis schat de hoogte van de schade die Archeodienst hierdoor heeft geleden op de gevorderde bedragen (procesinleiding 52, 53 en 58).

4.27.

Uit het betoog bij dagvaarding wordt niet duidelijk of Historalis deze vorderingen baseert op onrechtmatige daad (‘onrechtmatig handelen’) of op nakoming (‘in strijd met de afspraken’). Ter zitting heeft de rechter daarnaar gevraagd. Historalis heeft daarop eerst geantwoord dat de grondslag in de offerte staat en vervolgens dat de grondslag zowel ongerechtvaardigde verrijking als nakoming is (zittingsaantekeningen bladzijde 7). Deze vorderingen zijn hiermee onvoldoende toegelicht. In de toelichting die Archeodienst als bijlage 3 bij de offerte heeft gevoegd staat weliswaar dat de opdrachtgever verplicht is voor de start van het veldwerk te regelen dat het terrein toegankelijk is en ook dat meerwerk kan ontstaan als het onderzoek niet volgens plan kan worden uitgevoerd omdat de opdrachtgever niet aan die verplichting heeft voldaan, maar daaruit vloeit niet zonder meer voort dat CRV in zo’n geval op grond van de overeenkomst gehouden is tot betaling van een vergoeding voor verlies van efficiency. Op welke wijze CRV hierdoor is verrijkt, wordt niet duidelijk. De vordering tot vergoeding van deze schade zal daarom worden afgewezen.

schade door stillegging 19 mei 2016 (€ 4.161,13)

schade door onderbreking 2 tot en met 10 juni 2016 (€ 4.710,09)

4.28.

Historalis stelt dat de opgraving op 19 mei 2016 is stilgelegd (en op 20 mei 2016 hervat) en voorts dat de opgraving van 2 tot en met 10 juni 2016 opnieuw onderbroken moest worden. Dit heeft voor hoge extra kosten/schade voor Archeodienst geleid, door Historalis begroot op de gevorderde bedragen. De grondslag van deze vordering is dezelfde als de grondslag van de vordering tot vergoeding van schade als gevolg van verlies van efficiency (procesinleiding 54, 55 en 58).

4.29.

Ook voor deze onderbrekingen in de werkzaamheden geldt dat de vergoeding van de schade die Archeodienst daardoor heeft geleden op de door Historalis gestelde grondslag niet toewijsbaar is, zoals hiervoor overwogen. De conclusie is dat ook deze vordering zal worden afgewezen.

buitengerechtelijke incassokosten

4.30.

Historalis stelt dat Archeodienst, WSG Holding en zij zelf zich zeer aanzienlijke moeite en kosten hebben moeten getroosten om buiten rechte betaling te verkrijgen zowel van de door Archeodienst aan CRV gezonden facturen als van door Historalis geleden schade. Op die grond maakt Historalis aanspraak op vergoeding van € 8.925,08 volgens de staffel als vermeld in het rapport BGK integraal van november 2013.

4.31.

CRV heeft deze vordering niet afzonderlijk weersproken.

4.32.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Historalis laat in het midden of haar aanspraak tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten een van Archeodienst dan wel WSG Holding overgenomen aanspraak is, of dat dit een eigen aanspraak van Historalis is. De kosten die Historalis zelf heeft gemaakt voor het verzenden van de brieven van 20 juli 2018 en van 2 juli 2019 (opgenomen bij de feiten) komen echter op zichzelf voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Die vergoeding bedraagt, gezien het toe te wijzen bedrag van in totaal € 78.495,73 (zie hierna onder 4.33), volgens de daarvoor geldende staffel € 1.559,96.

conclusie en proceskosten

4.33.

De conclusie is dat de vordering tot betaling van de facturen voor de termijnen 5 en 7 (respectievelijk € 65.857,28 en € 4.029,30) zal worden toegewezen en dat van de vordering tot betaling van € 96.114,94 een bedrag van € 8.609,15 zal worden toegewezen, telkens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als gevorderd. Voorts zal CRV worden veroordeeld tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het meer gevorderde zal worden afgewezen. De partijen zijn aldus over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd zo dat beide partijen de eigen kosten dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt CRV tot betaling aan Historalis van € 65.857,28, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt CRV tot betaling aan Historalis van € 4.029,30, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 9 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt CRV tot betaling aan Historalis van € 8.609,15, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 12 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.4.

veroordeelt CRV tot betaling aan Historalis van € 1.559,96 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.5.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de proceskosten zo dat beide partijen de eigen kosten dragen,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra en in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Meijer, rolrechter, op 1 april 2020.