Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2968

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
C/05/370864 / ZJ RK 20-548
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing afgewezen. In een dergelijk situatie, waarbij ook een ondertoezichtstelling is uitgesproken, is het aan de gezinsvoogd om knopen door te hakken en hierin de regie te voeren. De rol van de kinderrechter is in een dergelijke conflictbehandeling marginaler dan bij de situatie waarin ouders zelf, op grond van artikel 1:253a BW, een geschil aan de rechtbank voorleggen. In de huidige zaak zal de kinderrechter daarom niet zelf de over en weer door de ouders genoemde argumenten inhoudelijk beoordelen. De kinderrechter toetst of de gezinsvoogd in zijn rol als regisseur het voorstel, zoals opgenomen in de schriftelijke aanwijzing, redelijkerwijs als optie heeft kunnen opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/137 met annotatie van Graaf, J.H. de
FJR 2021/24.33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Zutphen

Zaakgegevens: C/05/370864 / ZJ RK 20-548

Datum uitspraak: 16 juni 2020

beschikking conflictbehandeling schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[verzoekster] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. D. van Bloemendaal te Ermelo,

betreffende de minderjarigen:

  • -

    [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
    hierna te noemen [kind 1] ,

  • -

    [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
    hierna te noemen [kind 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

  • -

    [naam] , hierna te noemen de vader,
    wonende te [woonplaats] ,
    advocaat: mr. S.C. Koolmees te Groningen,

  • -

    Jeugdbescherming Gelderland, regio noord, de gecertificeerde instelling,
    hierna te noemen de GI,
    locatie Harderwijk.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 19 mei 2020, ingekomen bij de griffie op
19 mei 2020.

Op 16 juni 2020 heeft de kinderrechter de zaak behandeld. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 middels een Skype for Business-verbinding plaatsgevonden.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van Bloemendaal,

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Koolmees,

  • -

    twee vertegenwoordigers van de GI.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [kind 1] en [kind 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 18 februari 2020 is de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] verlengd tot 20 november 2020.

Bij deze beschikking is een zorgregeling vastgesteld waarbij er sprake is van een gelijkwaardige verdeling waarbij de ouders elkaar wekelijks afwisselen en [kind 1] en [kind 2] op de maandag uit school worden opgehaald door een onafhankelijke professional zolang als de GI dat nodig acht.

De GI heeft op 11 mei 2020 een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] . Hierin is het volgende opgenomen:

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland geeft de volgende aanwijzing(en):

Moeder draagt er zorg voor dat er structureel voldoende kleren aanwezig zijn in het huishouden bij vader, zonder dat de kinderen hiervoor elk week een grote tas mee moeten nemen. De kinderen kunnen daardoor bij beide ouders de kleren uitkiezen die ze aan willen trekken.

Indien u besluit zich niet aan deze aanwijzing(en) te houden, zijn wij genoodzaakt om de aanwijzing aan de rechtbank voor te laten leggen en om de kinderrechter te verzoeken een dwangsom op te leggen.

Het verzoek


De moeder heeft verzocht de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren, met een veroordeling van de GI in de kosten van de procedure.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de moeder – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. De GI vindt dat de moeder moet zorgen voor het structureel voldoende aanwezig zijn van kleding voor [kind 1] en [kind 2] in het huishouden van de vader, zodat de kleding niet telkens met [kind 1] en [kind 2] heen en weer gaat. Dit betekent dus dat de moeder zowel de kledingkast bij haar thuis, als de kledingkast bij de vader volledig dient te vullen. Gezien de gang van zaken en het feit dat de vader heeft aangegeven dat de door de moeder meegegeven onderkleding (sokken/ondergoed/joggingbroek) niet goed zijn, moet de kleding ook nog eens aansluiten bij hetgeen de vader wenselijk vindt als kleding voor [kind 1] en [kind 2] . Dit is voor de moeder een onhaalbare situatie. Zij kan van de bedragen die daarvoor beschikbaar zijn voldoende kleding voor [kind 1] en [kind 2] kopen die met hen in een weekendtas heen en weer kan gaan. Dit ziet de moeder juist als een overbrugging tussen de huishoudens. De moeder werkt mee aan het zorgen voor voldoende kleding voor [kind 1] en [kind 2] . De moeder merkt daarbij tevens op dat de vader al eerder heeft aangegeven niets van de moeder in zijn woning te willen hebben. De moeder heeft het gevoel dat de GI overal invloed op wenst te hebben en geen enkel voorstel van haar zijde accepteert.

De moeder is van mening dat het volledig ten onrechte is dat zij deze schriftelijk aanwijzing heeft gekregen en hiervoor kosten dient te maken. Zij verzoekt dan ook om een kostenveroordeling van de GI in verband met deze te volgen procedure.

Ter zitting is door de moeder, mede bij monde van haar advocaat, aanvullend naar voren gebracht dat de moeder niet van [kind 1] en [kind 2] terugkrijgt dat zij het vervelend vinden om over en weer met een tas vol spullen naar de vader te gaan. [kind 1] en [kind 2] vinden het juist fijn dat zij zelf de keuze hebben welke kleding ze mee willen nemen naar de vader. De moeder vindt het op deze manier prima werken en het moet niet zo zijn dat de ouders over elk nieuw gegeven een discussie gaan voeren.

Het standpunt van de vader

De vader heeft ter zitting, mede bij monde van zijn advocaat, aangegeven dat hij merkt dat [kind 1] en [kind 2] duidelijk aangeven dat ze het vervelend vinden om elke keer met een tas kleren te moeten sjouwen. Ze krijgen daardoor het idee dat ze elke keer bij de vader gaan logeren, terwijl dat niet de feitelijke situatie is. [kind 1] en [kind 2] wonen voor 50% procent bij de vader, en voor 50% bij de moeder. Het klopt dat de vader een tas met ondergoed en sokken weer mee heeft terug gegeven, de reden hiervoor was de kwaliteit van deze kleding. De vader is van mening dat de kledingkast bij zowel hem als bij de moeder gevuld moet zijn met kleding van dezelfde kwaliteit zodat [kind 1] en [kind 2] in beide huizen de beschikking hebben over een gevulde kledingkast.

Het standpunt van de GI

De GI heeft ter zitting verklaard dat het goed gaat met de [kind 1] en [kind 2] . De ouders zijn nu drie maanden onderweg met het solo parallel ouderschap en het lijkt er op dat [kind 1] en [kind 2] daar steeds meer gewend aan raken. Ze hebben het goed bij de moeder thuis en ze hebben het goed bij de vader thuis. Het is in het belang van [kind 1] en [kind 2] dat de verdeling van de kleding over de beide huizen goed verdeeld worden, zodat zij niet elke week met een tas kleding over en weer moeten gaan. Het is de ouders niet gelukt dit gezamenlijk af te stemmen waardoor de GI de reden heeft gezien dit middels een schriftelijke aanwijzing op te leggen.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:263 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de GI, ter uitvoering van haar taak, schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3 lid 1 Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing.

Op grond van artikel 1:264 van het BW kan een met het gezag belaste ouder verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.

De kinderrechter stelt allereerst vast dat de moeder het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing op tijd heeft ingediend. De moeder kan daarom in het verzoek worden ontvangen.

De GI is een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 aanhef onder a van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb), zodat de schriftelijke aanwijzing een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Dit betekent dat voldaan moet worden aan de eisen van een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering. Wat de inhoudelijke toets betreft, dient beoordeeld te worden of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen en of de schriftelijke aanwijzing in het belang van de minderjarige kan worden geacht.

De kinderrechter overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is (nogmaals) bevestigd dat de ouders verschillende opvattingen hebben over het voorzien van kleding van [kind 1] en [kind 2] . Ook hebben de ouders verschillende interpretaties over wat hierin de wens is van [kind 1] en [kind 2] zelf. Dit maakt dat de ouders niet zelf tot een afspraken over (onder andere) de kleding zijn gekomen en kunnen komen. Dit bevestigt dat de situatie van het solo parallel ouderschap nog steeds actueel is. In een dergelijk situatie, waarbij ook een ondertoezichtstelling is uitgesproken, is het aan de gezinsvoogd om knopen door te hakken en hierin de regie te voeren. De rol van de kinderrechter is in een dergelijke conflictbehandeling marginaler dan bij de situatie waarin ouders zelf, op grond van artikel 1:253a BW, een geschil aan de rechtbank voorleggen. In de huidige zaak zal de kinderrechter daarom niet zelf de over en weer door de ouders genoemde argumenten inhoudelijk beoordelen. De kinderrechter toetst of de gezinsvoogd in zijn rol als regisseur het voorstel, zoals opgenomen in de schriftelijke aanwijzing van 11 mei 2020 met betrekking tot de kleding van [kind 1] en [kind 2] , redelijkerwijs als optie heeft kunnen opleggen. Naar het oordeel van de kinderrechter is dat het geval. De gezinsvoogd heeft uitvoering gegeven aan zijn rol en hij heeft dat gedaan op basis van een zorgvuldige belangenafwezig en motivering. De moeder dient derhalve de schriftelijke aanwijzing op te volgen en de kleding van [kind 1] en [kind 2] gelijk tussen de ouders te verdelen.

De kinderrechter overweegt daarbij dat het voor [kind 1] en [kind 2] overkomelijk is dat ze bij de vader en bij de moeder ieder minder kleding tot hun beschikking hebben, omdat de moeder niet de financiën heeft om twee kledingkasten volledig te vullen. Het is ook niet aan de vader om in deze situatie de kleding te keuren en terug te zenden, alleen vanwege het feit dat de kleding naar zijn mening niet aan een bepaalde kwaliteitseis voldoet.

De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de GI terecht aan de moeder de schriftelijke aanwijzing heeft gegeven, zodat het verzoek om vervallenverklaring van de aanwijzing wordt afgewezen. Het verzoek tot veroordeling van de GI in de kosten van de procedure wordt eveneens afgewezen.

De beslissing


De kinderrechter:

wijst de verzoeken van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2020 door mr. G.W. Brands-Bottema, kinderrechter, in tegenwoordigheid van L. Stoevenbelt, griffier.