Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2961

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2844
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving tegen het volgens eisers in strijd met het bestemmingsplan gebruikte perceel achter hun woning is afgewezen. Op het perceel staat een paardenstal met vijf paardenboxen, waarin vijf paarden worden gehouden. Eisers ondervinden overlast van het gebruik van het pad langs hun woning.De rechtbank oordeelt dat in dit geval geen sprake is van het hobbymatig houden van vee als bedoeld in artikel 1.1., onder 30, van de planvoorschriften. Dit artikel vereist dat sprake is van (onder meer) eigen gebruik. Omdat de eigenaar van het perceel het perceel verhuurt aan een derde is geen sprake van eigen gebruik van het perceel door de eigenaar zelf. Reeds daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor het hobbymatig houden van vee en is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft het verzoek om handhaving reeds daarom ten onrechte afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2844

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M.R. Prins),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden te De Steeg, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

R.A.T. [derde-partij 1], te [woonplaats],

en

A.W. [derde-partij 1] en C.P.V. Palfenier, te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om handhaving van eisers afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard met aanvulling van de motivering.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2020 via videoverbinding. Eisers zijn verschenen met hun gemachtigde. Namens verweerder is M. van Meegdenburg verschenen. De derde-partijen zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Eisers hebben op 30 augustus 2018 verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel [perceel] dat achter hun woning aan de [perceel eisers] ligt. Er staat op dat perceel een paardenstal met vijf paardenboxen, waarin vijf paarden worden gehouden. Eisers vinden het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast ervaren eisers overlast van het gebruik van het pad langs hun woning. De gebruikers en bezoekers van de paardenstallen gebruiken dit pad om bij de stallen te komen.

Verweerder heeft het verzoek van eisers afgewezen omdat volgens verweerder sprake is van het hobbymatig houden van paarden. Dat gebruik is volgens verweerder niet in strijd met het bestemmingsplan.

Omvang van het geding

2. Het betoog van eisers dat verweerder naar aanleiding van hun verzoek om handhaving had moeten handhaven op grond van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit volgt de rechtbank niet. Dit betoog valt buiten de omvang van het geding omdat het handhavingsverzoek hier niet op zag en de reikwijdte van het handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid1. De beroepsgronden die hierover zijn aangevoerd zal de rechtbank dan ook onbesproken laten.

Bestemmingsplan

3. Het perceel ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Landelijk Gebied, 1e herziening aanpassingen plankaart en regels.” Het perceel heeft de bestemming “Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden” met de aanduiding “paardenstal”.

Artikel 2.1., lid A, onder 1, onder e, van de planvoorschriften bepaalt dat de op de plankaart aangegeven gronden met “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarde” bestemd zijn voor het hobbymatig houden van dieren.

In artikel 1.1., onder 30, van de planvoorschriften staat dat onder hobbymatig houden van vee verstaan wordt het niet bedrijfsmatig en voor eigen particulier en hobbymatig gebruik houden van geringe aantallen vee zoals koeien, paarden en schapen.

Is sprake van strijd met het bestemmingsplan?

4. Eisers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de definitie van het hobbymatig houden van vee in het bestemmingsplan. Ten eerste omdat geen sprake is van eigen particulier gebruik. De voorwaarde dat sprake is van eigen particulier gebruik wijst er volgens eisers op dat sprake moet zijn van een privéstal. De ruimtelijke uitstraling van het houden van vijf paarden door één eigenaar is minder intensief dan het houden van vijf paarden door vijf verschillende eigenaren zoals nu het geval is. Ten tweede wordt niet voldaan aan de definitie van het hobbymatig houden van vee omdat sprake is van bedrijfsmatig gebruik. Het huurbedrag van € 185 voor een paardenbox is volgens eisers winstgevend althans meer dan kostendekkend.

4.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het woord “eigen” in artikel 1.1., onder 30, van de planvoorschriften niet zo streng hoeft te worden uitgelegd als eisers dat doen. In dat geval zou alleen de eigenaar van het perceel ter plaatse paarden mogen stallen. Volgens verweerder wordt wel voldaan aan het criteria “eigen” doordat de paarden die de huurders en eigenaren van de paarden stallen, hun eigen paarden zijn. De paarden worden ook niet bedrijfsmatig gehouden of op een andere manier commercieel aangeboden. De paarden worden door de eigenaren zelf bereden en verzorgd op een wijze die hobbymatig van karakter is. Daarom past het gebruik volgens verweerder binnen het bestemmingsplan.

4.2.

Uit de gedingstukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat derde-partij [derde-partij 1] het perceel met de paardenstal huurt van de eigenaar van het perceel, derde-partij [derde-partij 1] voor € 420 per maand. [derde-partij 1] gebruikt zelf één box voor het stallen van een paard en verhuurt twee boxen aan vrienden en twee boxen aan derden.

4.3.

De rechtbank oordeelt dat in dit geval geen sprake is van het hobbymatig houden van vee als bedoeld in artikel 1.1., onder 30, van de planvoorschriften. Dit artikel vereist dat sprake is van (onder meer) eigen gebruik. Omdat de eigenaar van het perceel, [derde-partij 1] , het perceel verhuurt aan [derde-partij 1] is geen sprake van eigen gebruik van het perceel door de eigenaar zelf. Reeds daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor het hobbymatig houden van vee en is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Verweerder heeft het verzoek om handhaving reeds daarom ten onrechte afgewezen. De beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep is reeds hierom gegrond. Aan bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.

6. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 174 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, rechter, in tegenwoordigheid

van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier en de rechter zijn in

verband met de maatregelen rond het coronavirus verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 7 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:788.