Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2930

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
7886030 \ CV EXPL 19-8120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Small claim. EPGV-Verordening. Cessieverbod in de algemene voorwaarden van Ryanair valt aan te merken als een onredelijk bezwarend beding als bedoeld onder punt 1 sub q van de “blauwe lijst”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7886030 \ CV EXPL 19-8120 \ 693 \ 636

uitspraak van 20 februari 2020

beschikking

in de zaak van

de stichting

Stichting Achmea Rechtsbijstand

gevestigd te Tilburg

verzoekende partij

gemachtigde mr. M.J.R. Hannink (EUclaim B.V.)

en

de vennootschap naar Iers recht

Ryanair DAC

gevestigd te Swords, Co Dublin, Ierland

verwerende partij

gemachtigde mr. A.C.J. Houwers

Partijen worden hierna Achmea en Ryanair genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de (tussen)beschikking van 7 oktober 2019

- de akte van Ryanair van 21 oktober 2019

- de akte van Achmea van 15 januari 2020

2 De verdere beoordeling

2.1.

In de (tussen)beschikking van 7 oktober 2019 heeft de kantonrechter voorlopig geoordeeld dat het in de algemene voorwaarden van Ryanair opgenomen cessieverbod als oneerlijk in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) en daarom als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over dit in deze tussenbeschikking gegeven voorlopig oordeel.

Aanhouding

2.2.

Ryanair heeft in haar akte allereerst verzocht om aanhouding van de eindbeschikking totdat het Gerechtshof te Den Bosch heeft beslist op het door Claimingo ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2018 (Claimingo / Ryanair ECLI:NL:RBOBR:2018:3169), omdat in dat hoger beroep dezelfde vraag speelt als in de onderhavige procedure. Zo wordt voorkomen dat rechtbanken tegenstrijdige beslissingen nemen, aldus Ryanair. Achmea heeft verzocht dit verzoek tot aanhouding af te wijzen, omdat dit volgens haar niet pas nu, bij ‘akte naar aanleiding van voorlopig oordeel’, kan worden ingediend. Achmea baseert zicht daarbij op artikel 128 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 208 Rv.

2.3.

De kantonrechter ziet onvoldoende aanleiding om de eindbeschikking in deze zaak aan te houden. Hoewel in verzoekschriftprocedures, anders dan in dagvaardingsprocedures, minder grenzen worden gesteld aan het moment waarop partijen nieuwe stellingen kunnen inbrengen, gelden ook hier de eisen van een goede procesorde. Vast staat dat de partijen in de procedure tussen Claimingo en Ryanair in de gelegenheid zijn gesteld verhinderdata op te geven in de periode januari 2020 tot en met juni 2020 voor een pleidooi. Dit betekent dat er in die procedure nog lange tijd geen arrest zal worden gewezen. Toewijzing van het verzoek zal naar verwachting leiden tot forse - en naar het oordeel van de kantonrechter onredelijke en niet met de eisen van de goede procesorde te verenigen - vertraging van de onderhavige procedure.

2.4.

Voor het geval dat de kantonrechter zou besluiten de beschikking in deze zaak niet aan te houden, voert Ryanair aan dat Achmea geen partij is bij de vervoerovereenkomst, niet kan worden aangemerkt als consument en dus geen beroep kan doen op de consumentenbeschermende bepalingen van afdeling 6.5.3 BW en de Richtlijn. De kantonrechter overweegt dat op dit punt in de tussenbeschikking geen voorlopig oordeel maar een eindbeslissing is gegeven (zie overweging 3.5. van de tussenbeschikking), zodat dit verweer zal worden gepasseerd. De kantonrechter blijft bij wat in de tussenbeschikking hierover is overwogen. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat op dat eindoordeel moet worden teruggekomen.

2.5.

Ook voert Ryanair aan dat de bevoegdheid om zich op de vernietigingsgrond van artikel 6:233 aanhef en sub a BW te beroepen niet als nevenrecht ex artikel 6:142 BW op Achmea is overgegaan. De kantonrechter overweegt dat uit overweging 3.5. van de tussenbeschikking (impliciet) volgt dat de kantonrechter al een eindbeslissing heeft genomen op dit punt door te overwegen dat ten aanzien van Achmea op dezelfde wijze waarop dat bij de vordering van de passagiers aan de orde zou zijn, ambtshalve moet worden getoetst of het beding in de algemene voorwaarden van Ryanair onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233 aanhef en sub a BW. De kantonrechter blijft bij wat in de tussenbeschikking hierover is overwogen, nu ook op dit punt geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat op dat eindoordeel moet worden teruggekomen.

2.6.

Verder voert Ryanair aan dat het cessieverbod in haar algemene voorwaarden niet als onredelijk bezwarend voor passagiers moet worden aangemerkt. Ryanair beperkt of ontzegt haar passagiers op geen enkele wijze het recht een vordering tot compensatie bij Ryanair in te dienen. De passagier hoeft geen afstand te doen van enig recht en kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een (juridisch geschoolde) gemachtigde. Ryanair heeft een belang bij het cessieverbod. Zij maakt extra administratieve kosten indien passagiers hun vordering aan derde partijen zoals claimbureaus cederen, omdat Ryanair dan moet bijhouden aan wie zij bevrijdend kan betalen. Voorts maakt Ryanair extra kosten wanneer een claimbureau in eigen naam een gerechtelijke procedure start, omdat het griffierecht voor een claimbureau hoger is dan de griffierechten die een passagier moet betalen. Ryanair wijst erop dat zij een systeem heeft ontwikkeld waardoor vorderingen op dezelfde wijze bij haar binnenkomen en voortvarend afgehandeld kunnen worden.

2.7.

De kantonrechter overweegt als volgt. Het is juist dat de passagier zelf een vordering tot compensatie bij Ryanair kan indienen (al dan niet bijgestaan door een gemachtigde). Toch wordt de passagier naar het oordeel van de kantonrechter door dit cessieverbod belemmerd of beperkt bij het instellen van een rechtsvordering, oftewel bij het betrekken van Ryanair in rechte. Het cessieverbod heeft immers tot gevolg dat de passagier niet het alternatief heeft om de vordering op een gemakkelijke manier te gelde te maken door de vordering aan een derde te verkopen (in dit geval aan Achmea). De kantonrechter is, net als de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland in haar vonnis van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:328), van oordeel dat Ryanair onvoldoende heeft ontkracht dat het cessieverbod valt aan te merken als een beding als bedoeld in de bij de Richtlijn gevoegde bijlage (“de blauwe lijst”) onder punt 1 sub q, zoals is overwogen onder 3.6. van de tussenbeschikking.

2.8.

Ook aan de door Ryanair gestelde belangen bij het cessieverbod kan naar het oordeel van de kantonrechter geen of onvoldoende gewicht worden toegekend. Ryanair heeft aangevoerd dat het cessieverbod ertoe leidt dat er enkel nog bevrijdend aan de passagier kan worden betaald en dat daarmee wordt voorkomen dat zij zich bij iedere afzonderlijke claim moet verdiepen in de vraag aan wie zij dient te betalen. De kantonrechter volgt dit niet. Door het cessieverbod hoeft Ryanair weliswaar geen rekening meer te houden met een eventuele cessionaris, maar blijven er nog steeds meerdere partijen over aan wie er bevrijdend kan worden betaald, te weten een gemachtigde, een lasthebber of een passagier. Daarom valt het belang van Ryanair bij het cessieverbod in dit opzicht te verwaarlozen. Ryanair heeft verder aangevoerd dat zij op extra kosten wordt gejaagd indien een claimbureau in eigen naam een gerechtelijke procedure start, omdat het griffierecht voor een claimbureau hoger is dan de griffierechten die een passagier moet betalen en Ryanair gehouden is deze griffierechten te voldoen, indien de vordering wordt toegewezen. De kantonrechter overweegt dat ditzelfde probleem zich ook kan voordoen bij een lastgevingsovereenkomst, met een claimbureau als lasthebber. Hierin kan het belang van Ryanair bij een cessieverbod dus evenmin zijn gelegen.

2.9.

De kantonrechter acht – net als de kantonrechter in de hiervoor genoemde uitspraak – ook van belang dat het vorderingsrecht van de passagier volgens de hoofdregel van het toepasselijke nationale recht zoals neergelegd in artikel 3:83, lid 1 BW overdraagbaar is. Weliswaar kunnen partijen op grond van artikel 3:83 lid 2 BW de overdraagbaarheid van vorderingsrechten door een beding uitsluiten, maar daarbij heeft te gelden dat Ryanair in het onderhavige geval, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het belang van de passagier, er redelijkerwijs vanuit diende te gaan dat de passagier dit beding niet zou hebben aanvaard als zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met de passagier op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk over dit beding had onderhandeld.

2.10.

Gelet op het vorenstaande, in combinatie met de wezenlijke betekenis die uitgaat van het feit dat artikel 15.4.2. van de algemene voorwaarden valt aan te merken als een beding als bedoeld onder punt 1 sub q van de “blauwe lijst” (vgl. het arrest van het Hof van 26 april 2012, C-472/10), komt de kantonrechter tot het oordeel dat genoemd artikel onredelijk bezwarend is op grond van het bepaalde in artikel 6:233 aanhef en sub a BW. De kantonrechter vernietigt dan ook voormelde bepaling waarin het cessieverbod is opgenomen, zodat deze buiten toepassing moet blijven. Dit betekent dat de vordering van de passagiers rechtsgeldig aan Achmea is gecedeerd, zodat het niet-ontvankelijkheidsverweer van Ryanair strandt en de kantonrechter zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering.

2.11.

Achmea stelt dat Ryanair in haar brief van 18 april 2018 aan haar gemachtigde EUclaim B.V. de vorderingen van de passagiers heeft erkend. Ryanair is echter, ondanks een sommatie daartoe van EUclaim B.V. van 26 april 2018, niet tot betaling overgegaan. Volgens Achmea dient Ryanair, omdat zij bij brief van 18 april 2018 de vordering heeft erkend en betaling aan de passagiers heeft toegezegd, deze overeengekomen toezegging op grond van het bepaalde in artikel 3:296 BW en/of artikel 6:74 BW na te komen.

2.12.

Ryanair voert het verweer dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, namelijk een technisch mankement aan het betreffende vliegtuig. Dit mankement diende zo spoedig mogelijk te worden gerepareerd. Zij heeft een zogenaamde ‘reverse rotation’ uitgevoerd toen het mankement niet snel bleek te kunnen worden verholpen. Zij voert aan dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te vermijden. Bij een dergelijke buitengewone omstandigheid is zij blijkens artikel 5 lid 3 van de Vo. 261/2004 niet verplicht tot het betalen van een compensatievergoeding, aldus Ryanair.

2.13.

Nog daargelaten dat Ryanair de gestelde buitengewone omstandigheid niet heeft onderbouwd kan dit verweer niet slagen omdat zij in haar brief van 18 april 2018 aan EUclaim B.V. (productie 5 bij verzoekschrift) het recht van de passagiers op compensatie heeft erkend. Ten aanzien van deze erkenning heeft zij geen verweer gevoerd. Dit betekent dat de aan Achmea overgedragen vordering tot betaling van een compensatie op grond van artikel 7 van de Vo. 261/2004 van in het totaal € 1.000,00 (€ 250,00 per persoon) zal worden toegewezen. De over deze hoofdsom gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 3 augustus 2017, de dag waarop het recht op compensatie van rechtswege is ontstaan.

2.14.

Achmea heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Nu de onderhavige vordering geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Ryanair heeft betwist dat sprake is van redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW, omdat de gemachtigde van Achmea niet meer werkzaamheden heeft verricht dan het sturen van een enkele sommatiebrief en het voorbereiden van de zaak. Achmea heeft daartegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

2.15.

Ryanair zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat Achmea procedeert met een gemachtigde, is artikel 238 lid 2 Rv van toepassing. Als hoofdregel geldt dan dat de rechter een geschat bedrag toewijst voor salaris van die gemachtigde, waarbij het liquidatietarief van de kantonrechter wordt gevolgd. De kantonrechter wijst, conform dit liquidatietarief, een bedrag van € 240,00 toe. Onder de kosten van de procedure valt ook het door Achmea betaalde griffierecht van € 486,00. De gevorderde nakosten zullen worden afgewezen. Achmea legt daaraan ten grondslag dat deze kosten bestaan uit de vertaalkosten van het D-formulier c.q. certificaat. Deze vertaalkosten zullen echter niet nodig zijn, gelet op de hierna volgende overweging.

2.16.

Op verzoek van Achmea zal een certificaat betreffende een beslissing in de EPGV, als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de EPGV, in het Engels aan deze beschikking worden gehecht (via het standaardformulier D van bijlage IV van de EPGV).

3 De beslissing

De kantonrechter,

3.1.

veroordeelt Ryanair om aan Achmea te betalen een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 augustus 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt Ryanair in de proceskosten van Achmea, tot deze uitspraak aan de kant van Achmea begroot op € 486,00 aan griffierecht en € 240,00 aan salaris voor de gemachtigde;

3.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. A.J. Weerkamp-Beens en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2020.