Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2915

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2271
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor een zonnepark. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat afdoende is geborgd dat beplanting rondom het zonnepark wordt gerealiseerd. Het college kon echter voor wat betreft de invulling van deze beplanting niet volstaan met een verwijzing naar een later op te stellen beplantings- en groenbeheerplan. Dit had in de vergunning moeten worden geregeld.

Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een inrichtings- en natuurbeheersplan ingebracht waarin is aangegeven hoe invulling wordt gegeven aan landschappelijke inpassing en wintergroene beplanting.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze aanvullende motivering het motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door een nieuw voorschrift met betrekking tot de landschappelijke inpassing aan de omgevingsvergunning te verbinden.

Dit betekent dat de omgevingsvergunning, met het gewijzigde voorschrift, in stand blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2271

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , [eiser] en [eiser] , eisers,

(gemachtigde: mr. J.J. Paalman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats], vergunninghouder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 14 oktober 2019 heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de geconstateerde gebreken te herstellen.

Verweerder heeft bij brief van 8 november 2019 gebruik gemaakt van deze gelegenheid en een aangepast inrichtings- en natuurbeheerplan en een voorstel voor een vergunningvoorschrift opgestuurd naar de rechtbank.

Eisers hebben op 10 december 2019 gereageerd.

Bij brief van 24 januari 2020 heeft verweerder naar aanleiding van deze reactie en in overleg met vergunninghouder aangegeven dat het inrichtings- en natuurbeheerplan is aangepast voor wat betreft de wintergroene beplanting.

Eisers hebben op 11 februari 2020 een aanvullende reactie op het gewijzigde inrichtings- en natuurbeheerplan ingediend. In deze reactie wordt verwezen naar een notitie van hovenier W.J.M. Klunder.

Bij brief van 27 februari 2020 heeft verweerder naar aanleiding van deze reactie en in overleg met vergunninghouder besloten om het inrichtings- en natuurbeheerplan nogmaals aan te passen.

Eisers hebben op 23 april 2020 een reactie ingediend.

De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 26 mei 2020 bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en met toepassing van het derde lid van dat artikel het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat in de omgevingsvergunning weliswaar is geborgd dat een 9 meter brede strook wordt voorzien van beplanting, maar dat niet is geborgd op welke wijze invulling wordt gegeven aan deze beplantingsstrook. Het nog op te stellen beplantingsplan maakt geen onderdeel uit van de vergunning. Daardoor kan ook niet worden beoordeeld of sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

De rechtbank heeft overwogen dat dit gebrek kan worden hersteld door aan te geven welke beplanting in de 9 meter brede strook zal worden ingeplant. Daarbij dient te worden ingegaan op het wintergroene karakter van deze beplanting.

De aanleg van deze beplanting en de instandhouding hiervan dient ook op een rechtszekere wijze te worden geborgd in één of meerdere vergunningvoorschriften. De rechtbank heeft aangegeven dat verweerder er voor kan kiezen om in haar reactie naar de rechtbank de aanvullende motivering op te nemen en een voorstel voor vergunningvoorschriften te doen. In dat geval kan de rechtbank in de einduitspraak het nieuwe voorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden, aangenomen dat dit voorschrift rechtmatig wordt geacht, zo staat in de tussenuitspraak.

Landschappelijke inpassing

2.1.

Het inrichtings- en natuurbeheerplan is naar aanleiding van aanmerkingen van eisers diverse malen gewijzigd. De meest recente versie van het “Inrichtings- en natuurbeheerplan voor Zonnepark Oude Zutphenseweg, gemeente Voorst” is die van 22 februari 2020. In het vervolg van deze uitspraak wordt van deze versie uitgegaan.

In dit inrichtings- en natuurbeheerplan is de volgende tabel opgenomen:

De strook met beplanting tegenover de woning van eisers heeft in het inrichtings- en natuurbeheerplan de aanduiding NZ1. In de strook zijn vier rijen met beplanting voorzien, met een onderverdeling in 20 % crataegus (meidoorn), 20 % frangula (sporkehout), 10 % prunus padus (vogelkers), 10 % salix cinerea (grauwe wilg), 5 % prunus spinosa (sleedoorn), 5 % corylus avellana (hazelaar), 15 % liguster ovalifolium atrovirens (haagliguster) en 15 % ilex aquifolium (gewone hulst).

Naar aanleiding van de opmerkingen van eisers over wintergroene beplanting zijn de percentages voor de liguster en gewone hulst in de beplantingszone ten opzichte van het eerste inrichtings- en natuurbeheerplan verhoogd van 5 % naar 15 %. Tevens is aangegeven dat deze beplanting in maat 160-180 cm wordt aangeplant, en dat deze wintergroene beplanting wordt geclusterd bij woningen (70 %).

Bij de onderverdeling in beplantingssoorten is naast de landschappelijke inpassing ook gekeken naar de ecologische betekenis van flora en fauna, in de vorm van schuilgelegenheid, nestgelegenheid en eetbare vruchten.

2.2.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of met het inrichtings- en natuurbeheerplan sprake is van een goede landschappelijke inpassing ter hoogte van de woning van eisers. Volgens eisers is dit niet het geval, en zij verwijzen daarvoor naar de notitie van Klunder. Klunder geeft aan dat de groenstrook voor 70 à 80 % uit bladverliezende beplanting bestaat. De haagliguster is volgens Klunder een struik die met een beetje winter grotendeels zijn blad verliest. De gewone hulst groeit, zeker in het begin, erg langzaam waardoor het jaren gaat duren voordat de plant iets voorstelt. Het duurt volgens Klunder nog jaren voordat de groenblijvende beplanting zo groot en dicht is dat ook in de winter de zonnepanelen niet zichtbaar zijn.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat, ook als omwonenden enig zicht op het zonnepark hebben, sprake kan zijn van een goede landschappelijke inpassing. Dat onder bepaalde omstandigheden – bijvoorbeeld in een (strenge) winter of in de periode na aanplant – (enig) zicht bestaat op de zonnepanelen betekent daarom niet dat de landschappelijke inpassing onvoldoende is.

Het door eisers voorgestelde alternatief – een aarden wal met beplanting – heeft verweerder daarom in redelijkheid buiten beschouwing kunnen laten.

2.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met een 9 meter brede zone met daarin een mix van de in het inrichtings- en natuurbeheerplan voorgeschreven planten en bomen sprake is van een goede landschappelijke inpassing. In het inrichtings- en natuurbeheerplan is rekening gehouden met het zicht op het zonnepark in de winterperiode door extra wintergroene beplanting voor te schrijven (de haagliguster en gewone hulst). Deze wintergroene beplanting wordt bovendien geclusterd ter hoogte van woningen. Dat de haagliguster in een strenge winter extra blad verliest, zoals de deskundige van eisers heeft aangegeven, betekent niet dat niet langer sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Eisers hebben niet betwist dat de gewone hulst wintergroen is, zodat ook bij bladverlies van de ligusterhaag in een strenge winter door de aanwezigheid van hulst, welke minimaal 15 % van de beplanting uitmaakt, nog steeds verminderd zicht op het zonnepark zal bestaan.

In het inrichtings- en natuurbeheerplan is daarnaast een planthoogte van 160 – 180 cm aangegeven voor de wintergroene beplanting zodat, mede gelet op de hoogte van de zonnepanelen, ook in zoverre geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de landschappelijke inpassing in de winterperiode onvoldoende is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering in het inrichtings- en natuurbeheerplan het motiveringsgebrek heeft hersteld.

Voorschrift landschappelijke inpassing

3.1.

Voor wat betreft het gebrek met betrekking tot de voorschriften voor de landschappelijke inpassing heeft verweerder voorgesteld om het volgende voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden:

“De inpassing van het zonneveld vindt plaats door de aanleg en inrichting van landschapsmaatregelen. Het zonneveld wordt niet eerder gebouwd dan dat de landschapsmaatregelen voor de buitenranden (NZ 1, 2 en 3, OW 1, 3, 4, 5, 7, 8 en 9) zijn gerealiseerd volgens het bijgevoegde inrichtings- en natuurbeheerplan, met daarin opgenomen het begrazingsplan en de beplantingslijst, van 28 oktober 2019.

De ingebruikname van het zonneveld is uitsluitend toegestaan indien alle landschapsmaatregelen volgens voornoemd inrichtings- en natuurbeheerplan zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.

Vanaf het moment dat het zonneveld in gebruik wordt genomen bent u gehouden om de gerealiseerde landschapsmaatregelen gedurende 25 jaren te (laten) beheren en in stand te (laten) houden. Wanneer het zonneveld ophoudt te bestaan wordt gehandeld overeenkomstig de afspraken die gemaakt zijn in de Projectovereenkomst.”

3.2.

In het voorschrift wordt geborgd dat de beplantingszones worden ingericht conform het inrichtings- en natuurbeheerplan. Ook is in het voorschrift opgenomen dat de landschappelijke inpassing vóór de aanleg van de zonnepanelen wordt gerealiseerd. Tot slot is geborgd dat de vergunninghouder de landschapsmaatregelen moet laten beheren en instandhouden conform het inrichtings- en natuurbeheerplan.

De rechtbank is van oordeel dat met dit voorschrift de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken worden hersteld.

Conclusie

4. Vanwege de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken is het beroep van eisers gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover het betreft de voorschriften 3 en 16 (voorschriften bouwen van een bouwwerk), voorschriften 2 en 3 (voorschriften afwijken bestemmingsplan) en voorschrift 2 en 8 (voorschriften uitvoeren of aanleggen van een werk). In plaats van deze voorschriften zal de rechtbank het nieuwe voorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden, met dien verstande dat wordt verwezen naar de laatste versie van het inrichtings- en natuurbeheerplan (van 22 februari 2020).

Dit betekent dat de omgevingsvergunning, met het gewijzigde voorschrift, in stand blijft.

Proceskosten

5. Omdat het beroep van eisers gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de zienswijzen na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

6. De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 174 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eisers gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft voorschrift 3 en 16 (voorschriften bouwen van een bouwwerk), voorschrift 2 en 3 (voorschriften afwijken bestemmingsplan) en voorschrift 2 en 8 (voorschriften uitvoeren of aanleggen van een werk);

  • -

    bepaalt dat het volgende voorschrift aan het bestreden besluit wordt verbonden:

“De inpassing van het zonneveld vindt plaats door de aanleg en inrichting van landschapsmaatregelen. Het zonneveld wordt niet eerder gebouwd dan dat de landschapsmaatregelen voor de buitenranden (NZ 1, 2 en 3, OW 1, 3, 4, 5, 7, 8 en 9) zijn gerealiseerd volgens het bijgevoegde inrichtings- en natuurbeheerplan, met daarin opgenomen het begrazingsplan en de beplantingslijst, van 22 februari 2020.

De ingebruikname van het zonneveld is uitsluitend toegestaan indien alle landschapsmaatregelen volgens voornoemd inrichtings- en natuurbeheerplan zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.

Vanaf het moment dat het zonneveld in gebruik wordt genomen bent u gehouden om de gerealiseerde landschapsmaatregelen gedurende 25 jaren te (laten) beheren en in stand te (laten) houden. Wanneer het zonneveld ophoudt te bestaan wordt gehandeld overeenkomstig de afspraken die gemaakt zijn in de Projectovereenkomst.”

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.312,50;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 174 aan eisers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr. M.S.T. Belt en mr. J.H. van Breda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.