Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2866

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
0501358819
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 5 en 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De meervoudige militaire kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis wegens het aan zijn schuld te wijten plaatsvinden van een verkeersongeval waardoor aan een ander lichamelijk letsel is toegebracht. Verdachte was werkzaam bij de BSB (Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten) van de Koninklijke Marechaussee en was op weg naar Schiphol ten behoeve van hem opgedragen werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/013588-19

Datum uitspraak : 8 juni 2020

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsvrouw: mr. C. de Sitter, advocaat te ’s-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 mei 2020 en 25 mei 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Ingevolge de tenlastelegging, die integraal is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, wordt verdachte, kort weergegeven, ten laste gelegd dat hij:

als bestuurder van een auto op 16 juli 2018 op het [adres 2] zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, ten gevolge waarvan een verkeersongeval met een fietser heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan (artikel 6 Wegenverkeerswet 1994);

subsidiair, dat hij:

als bestuurder van een auto op 16 juli 2018 op het [adres 2] gevaar op die weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op die weg heeft gehinderd (artikel 5 Wegenverkeerswet 1994).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 16 juli 2018 reed verdachte als bestuurder van een personenauto in Utrecht op het [naam plein] , zijnde een rotonde die een kruising vormt van de wegen [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] . Verdachte was komen aanrijden vanaf de [straatnaam 1] en reed over de rechter rijstrook bestemd voor het rechts afslaande verkeer richting de [straatnaam 2] .2

Verdachte, die werkzaam was bij de BSB (‘Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten’) van de Koninklijke Marechaussee, was op dat moment op weg naar Schiphol ten behoeve van hem opgedragen werkzaamheden.3 Hij bestuurde daartoe een onopvallende dienstauto, merk [merk] .

Nadat verdachte het [naam plein] was opgereden, zag hij dat de verkeerslichten voor het verkeer dat vanaf het [naam plein] de [straatnaam 2] op wilde rijden op rood stonden. Op dat punt wordt de [straatnaam 2] gekruist door een fietspad, waarover fietsverkeer komend van links en van rechts dient te rijden.4 Toen die verkeerslichten voor verdachte rood licht uitstraalden, straalde het verkeerslicht voor de op het fietspad rijdende fietser [slachtoffer] groen licht uit. Verdachte passeerde de stopstreep, op het moment dat de verkeerslichten al 12 seconden rood licht uitstraalden, met een gemiddelde indicatieve snelheid, gelegen tussen 38 km/uur en 66 km/uur de [straatnaam 2] op.5 De auto van verdachte en fietser [slachtoffer] kwamen vervolgens op de fietsersoversteekplaats op de kruising [naam plein] - [straatnaam 2] met elkaar in aanrijding.6

[slachtoffer] is ten gevolge van de aanrijding ten val gekomen. Zij heeft daarbij letsel opgelopen, waardoor zij drie weken haar rechterhand niet heeft kunnen gebruiken en zij een aantal weken niet heeft kunnen werken.7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat bij verdachte sprake was van aanmerkelijke schuld aan de aanrijding en dat bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het primaire feit op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Verdachte hoefde zich vanwege zijn werkzaamheden niet te houden aan het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV). Verdachte kon ook naar eigen inzicht en wens afwijken van de Brancherichtlijn optische en geluidssignalen van het Ministerie van Defensie (hierna: de Brancherichtlijn). Verdachte heeft volgens de verdediging op proportionele wijze gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden. Indien niettemin wordt geoordeeld dat sprake is van een normoverschrijding, is deze te gering om te kwalificeren als aanmerkelijke schuld. Een normoverschrijding kan verdachte voorts niet worden verweten, omdat in dat geval volgens de verdediging sprake is van dwaling. Immers, verdachte heeft slechts gehandeld zoals hem is aangeleerd tijdens zijn opleiding en training, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging primair aangevoerd dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken vanwege de afwezigheid van alle schuld. Subsidiair heeft zij verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Er is volgens de verdediging immers sprake van verontschuldigbare dwaling, nu verdachte slechts heeft gehandeld zoals hem is aangeleerd.

Voor het geval de militaire kamer toch tot enige bewezenverklaring zou willen komen, heeft de raadsvrouw voorwaardelijk verzocht om een rijinstructeur als deskundige te horen. Hij kan op basis van het dossier verklaren omtrent het rijgedrag van verdachte en de militaire kamer vanuit zijn expertise hierover informeren.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer stelt het volgende voorop. Om tot een veroordeling wegens overtreding van artikel 6 WVW te komen, is vereist dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Hiervoor geldt dat ten minste sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid.

Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij wordt opgemerkt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het ongeval kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Uit de enkele omstandigheid dat is gehandeld in strijd met één of meer wettelijke verkeersregels kan niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van schuld in even bedoelde zin. Ook een enkele onoplettendheid zonder bijkomende omstandigheden kan niet zonder meer leiden tot het oordeel dat – ten minste – aanmerkelijk onoplettend is gehandeld.

De militaire kamer betrekt bij de beoordeling van de vraag of sprake was van – ten minste – een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid en bij de beschouwing van alle omstandigheden, dat verdachte bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse. In het bijzonder weegt de militaire kamer mee dat verdachte bekend was met de gevaarzettende omstandigheid dat op de kruising [naam plein] - [straatnaam 2] , fietsverkeer gelijktijdig van zowel rechts als links kan oversteken.8

Ondanks het feit dat verdachte op de hoogte was van deze gevaarlijke verkeerssituatie - hetgeen naar het oordeel van de militaire kamer extra voorzichtigheid van hem vereiste - heeft verdachte bewust de keuze gemaakt aldaar door het rode licht te rijden en daarbij zijn snelheid zelfs te verhogen tot minimaal 44 km/uur.9

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte door aldus te handelen zichzelf ook de mogelijkheid heeft ontnomen om goed te kunnen kijken, zowel naar links als naar rechts, of er wel of niet fietsverkeer naderde. Het verweer dat verdachte de fietser mogelijk niet zou hebben kunnen zien omdat deze wellicht gedeeltelijk achter een paal verscholen was, verwerpt de militaire kamer derhalve.

Bij het vorenstaande betrekt de militaire kamer voorts dat verdachte op de [straatnaam 1] met (veel) te hoge snelheid heeft gereden10 en ook op de kruising [straatnaam 1] - [naam plein] door rood licht is gereden, welk verkeerslicht op dat moment reeds 56 seconden rood licht uitstraalde.11 Dit betekent naar het oordeel van de militaire kamer dat verdachte min of meer in een vloeiende beweging en met te hoge snelheid van de [straatnaam 1] via het [naam plein] de [straatnaam 2] wilde oprijden, zonder zich voldoende te kunnen vergewissen dat de situatie veilig was en zonder voorrang te verlenen aan kruisend fietsverkeer. Niet alleen heeft verdachte zichzelf hierdoor in een positie gebracht dat hij de veiligheid ter plaatste onvoldoende kon overzien, maar ook heeft de fietser hierdoor geen schijn van kans gehad om de aanrijding te voorkomen.

Reeds door dergelijk verkeersgedrag, onder de geschetste omstandigheden, is naar het oordeel van de militaire kamer sprake van – ten minste – aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

Daar komt in dit geval nog bij dat verdachte in de uitzonderlijke omstandigheid verkeerde dat hij het overige wegverkeer kon waarschuwen dat hij (met hoge snelheid) naderde en zich niet aan de voorrangsregels zou gaan storen. Immers, zijn dienstauto was uitgerust met een zwaailicht en een sirene, terwijl verdachte was vrijgesteld van de verplichting om tevoren toestemming voor gebruik daarvan te vragen aan de meldkamer. Desondanks en terwijl verdachte wist, kort samengevat:

 dat hij een gevaarlijke kruising naderde;

 dat hij rood licht had en dus dat het fietsverkeer groen licht had;

 dat hij voorrang diende te verlenen,

heeft verdachte er bewust voor gekozen12 zijn zwaailicht en/of sirene niet aan te zetten.

Van enige noodzaak op dat moment om af te zien van gebruik van zwaailicht en/of sirene is naar het oordeel van de militaire kamer niet gebleken. Verdachte was op dat moment immers nog slechts onderweg naar Schiphol, waar zijn klus zou beginnen.

Voormelde gedragingen van verdachte brengen de militaire kamer tot het oordeel dat verdachte in beginsel een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid kan worden verweten en dat de gedragingen van verdachte zijn aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig. Dat oordeel kan in concreto anders luiden indien bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.

Vrijstelling voor verdachte?

Door de verdediging is aangevoerd dat sprake was van dergelijke bijzondere omstandigheden omdat - kort weergegeven - voor verdachte niet de gebruikelijke en voor de veiligheid van andere verkeersdeelnemers geldende gedragsnormen zouden gelden. Immers, verdachte zou als medewerker van de BSB zijn vrijgesteld van de regels en normen die voor ieder ander wel gelden. Dit zou volgen uit de ‘Brancherichtlijn optische en geluidssignalen van het Ministerie van Defensie’ en hetgeen hij tijdens zijn speciale training heeft geleerd.

De militaire kamer stelt voorop dat verdachte en zijn BSB-collega’s niet boven de wet staan. Voor zover hen dat wel zo wordt geleerd, is sprake van een ernstige misstand die de defensie-organisatie dient te herstellen.

Voorts merkt de militaire kamer op dat uit het procesdossier niet is gebleken dat de verdachte de vereiste opleiding, te weten een module Onopvallend en Veilig autorijden (OVR), heeft gevolgd. Immers, nergens staat geregistreerd dat hij deze module heeft gevolgd en evenmin is gebleken dat aan verdachte het hiervoor vereiste certificaat is uitgereikt. De militaire kamer zou het er derhalve voor moeten houden dat verdachte niet bevoegd was het onderhavige dienstvoertuig te besturen.

Nu zich echter in het procesdossier verklaringen van leidinggevenden en van een medewerker van de Politieacademie bevinden, waarin wordt gesteld dat verdachte de OVR-module wel heeft gevolgd, blijft er onduidelijkheid bestaan over de vraag of verdachte de vereiste opleiding wel of niet succesvol heeft gedaan. Omdat de tenlastelegging niets vermeldt over het wel of niet voldoen aan de opleidingsvereisten door verdachte, zal de militaire kamer dit aspect in het midden laten en afzien van dienaangaand nader onderzoek.

De militaire kamer overweegt verder dat de bijzondere positie in het wegverkeer van (onder meer) BSB-functionarissen - zoals verdachte, als bestuurder van een bij het Ministerie van Defensie in gebruik zijnd motorvoertuig - is geregeld in de ‘Brancherichtlijn optische en geluidssignalen van het Ministerie van Defensie’ (verder: de Brancherichtlijn).

Deze richtlijn moet worden gezien als de maximaal toelaatbare grens voor het rijden met de algemene ontheffing van de bepalingen van het RVV (zie paragraaf 1 ‘inleiding’).

Voor alle duidelijkheid benoemt de militaire kamer hieronder de meest relevante onderdelen uit de Brancherichtlijn, waarbij de accentueringen door de militaire kamer zijn aangebracht:

 ‘ ‘Wanneer een motorvoertuig optische en geluidssignalen gebruikt, wordt het automatisch een voorrangsvoertuig.’ (paragraaf 2, Wet- en regelgeving)

 ‘ ‘Het afwijken van algemeen geldende verkeersregels en gedragsnormen gebeurt restrictief en alleen indien daartoe voldoende noodzaak bestaat. Hierbij maakt de bestuurder een afweging tussen te nemen risico en het beoogde doel.’ (paragraaf 8, Gedragscode bestuurder van voorrangsvoertuig).

 ‘ Kruispunten

‘Het naderen en oversteken van kruispunten gebeurt met aangepaste snelheid. Bij het oprijden van het kruisingsvlak dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig ervan uit te gaan dat andere weggebruikers hem niet hebben opgemerkt en hem dus mogelijk niet voor laten gaan. Zonodig dient de bestuurder van het voorrangsvoertuig te stoppen.’ (paragraaf 8, Gedragscode bestuurder van voorrangsvoertuig).

Rood licht

‘Het negeren van een rood verkeerslicht gebeurt met een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur. Bij bruggen en spoorwegovergangen wordt het rode licht niet genegeerd.’ (paragraaf 8, Gedragscode bestuurder van voorrangsvoertuig).

Maximumsnelheid

‘Het overschrijden van de maximumsnelheid moet in zijn algemeenheid een beperking kennen van 40 km per uur boven de ter plaatse toegestane maximumsnelheid op lokale en provinciale wegen en op auto(snel)wegen voor motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 4500 kg. Voor overige motorrijtuigen ligt de beperking op 20 km/uur boven de maximumsnelheid op lokale en provinciale wegen en op auto(snel)wegen. De bestuurder mag hiervan - in overleg met de meldkamer - in uitzonderlijke gevallen afwijken.’ (paragraaf 8, Gedragscode bestuurder van voorrangsvoertuig).

Afwijken van de richtlijn

‘In het kader van de uitoefening van de politietaak is het de individuele KMar-ambtenaar in bijzondere situaties toegestaan om af te wijken van de normen gesteld in de Brancherichtlijn. De KMar-ambtenaar stelt altijd vooraf de meldkamer op de hoogte van zijn of haar beslissing tot afwijking van de Brancherichtlijn. Van deze melding wordt door de meldkamer een registratie opgemaakt. De meldkamer, in zijn rol als professionele ondersteuner, bevraagt en adviseert de betrokken KMar-ambtenaar over proportionaliteit en subsidiariteit van zijn of haar voorgenomen beslissing. De KMar-ambtenaar blijft eindverantwoordelijk voor afwijking van de Brancherichtlijn. Van de verplichting tot melding vooraf aan de meldkamer zijn vrijgesteld: arrestatieteams, observatieteams, beveiligd transport BSB, MTV motorrijders en eenheden belast met persoonsbeveiliging. Genoemde specialistische eenheden zijn verplicht tot registratie achteraf van de afwijkingen van de Brancherichtlijn.’ (paragraaf 11, Afwijken van de richtlijn).

Opleiding en instructies

‘[..] bestuurders van voorrangsvoertuigen krijgen een speciale instructie, waarin gewezen wordt op onder andere de strafrechtelijke en civielrechtelijke consequenties van het direct of indirect veroorzaken van schade of letsel tijdens de rit [..] en het gewenste gedrag van de betrokken bestuurder.’ (paragraaf 10, Opleiding, herhalingsinstructies en aanwijzing).

Verondersteld dat verdachte wel de desbetreffende opleiding heeft gevolgd en hij bevoegd was om op 16 juli 2018 het onderhavige dienstvoertuig te besturen, komt de militaire kamer tot het oordeel dat verdachte zich niet op juiste wijze heeft gehouden aan de in het algemeen geldende gedragsnormen en de ook voor hem geldende voorschriften uit de Brancherichtlijn.

Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, was het verdachte weliswaar toegestaan om, in beperkte mate en op de voorgeschreven wijze, af te wijken van de normen gesteld in het RVV en de Brancherichtlijn. Maar dit neemt niet weg dat verdachte, ondanks de voor hem geldende afwijkingsbevoegdheid, steeds strafrechtelijk verantwoordelijk bleef en blijft voor zijn eigen beslissingen en rijgedrag, een en ander zoals ook geregeld in de Brancherichtlijn. De verkeersveiligheid dient boven alles in acht te worden genomen en dit is ook voor medewerkers van de BSB de primaire verantwoordelijkheid van de desbetreffende bestuurder.13

Verdachte heeft, zonder gebruik te maken van optische en geluidssignalen, een rood licht genegeerd terwijl hij reed met een beduidend hogere snelheid dan de Brancherichtlijn maximaal toestaat, indien wél van dergelijke signalen gebruik wordt gemaakt. In aanmerking genomen dat er op dat moment het nodige verkeer op de weg aanwezig was, is de wijze waarop verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om van de verkeersregels en de Brancherichtlijn af te wijken naar het oordeel van de militaire kamer niet proportioneel geweest.

De militaire kamer verwerpt het beroep op dwaling. Verondersteld dat verdachte de vereiste rijopleiding heeft gevolgd, is onvoldoende onderbouwd dat het onderhavige gedrag van verdachte op 16 juli 2018 overeenkomt met hetgeen hem in zijn opleiding is aangeleerd en dat hem derhalve verkeerd rijgedrag zou zijn aangeleerd.

Daarbij merkt de militaire kamer op dat uit de ter terechtzitting door de verdediging overgelegde schriftelijke beantwoording van vragen door rijinstructeur “ [naam 1] ” volgt dat elke afwijking van de Brancherichtlijn wordt beperkt door de door de desbetreffende bestuurder in te schatten verkeerssituatie. Hieruit leidt de militaire kamer af dat - overeenkomstig paragraaf 11 van de Brancherichtlijn - ook in de opleiding de eigen verantwoordelijkheid van de bestuurder bij het wel of niet afwijken van de Brancherichtlijn centraal staat.

Het voorwaardelijke verzoek om rijinstructeur “ [naam 1] ” te horen als deskundige wijst de militaire kamer af. De militaire kamer acht het niet noodzakelijk om de rijinstructeur te horen voor de beantwoording van de vragen of verdachte proportioneel heeft gehandeld, dan wel of hij conform zijn opleiding heeft gehandeld. Een rijinstructeur kan bovendien niet als deskundige worden beschouwd ten aanzien van de vraag of verdachte proportioneel heeft gehandeld; dat is immers aan het rechterlijk oordeel voorbehouden. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd.

De militaire kamer komt, alles afwegende, tot het oordeel dat de door de verdachte gekozen uitvoering van de desbetreffende instructies niet proportioneel was, zodat geen sprake was van bijzondere omstandigheden waaruit volgt dat van schuld in de zin van artikel 6 WVW niet kan worden gesproken. Het onderhavige verkeersgedrag van verdachte op 16 juli 2018 was, onder de geschetste omstandigheden, naar het oordeel van de militaire kamer aanmerkelijk onvoorzichtig, zodat het primair tenlastegelegde kan worden bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is - gelet op het vorenstaande - overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2018 te Utrecht in de gemeente Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (militair motorrijtuig, personenauto), komende uit

de richting van de [straatnaam 3] en/of gaande in de richting van de kruising (rotonde) van de

wegen, de [straatnaam 1] , het [naam plein] en de [straatnaam 2] , daarmee rijdende op de

rechter rijstrook bestemd voor het rechts afslaande verkeer van de weg, het [naam plein]

zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden,

hierin bestaande dat verdachte, terwijl het voor/op die kruising ( [naam plein] / [straatnaam 2] ) bevindende en in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde verkeerslicht, bestemd voor het rechts afslaande verkeer op die rijstrook rood licht uitstraalde, inhoudende: "Stop",

voor en/of bij het oprijden van laatstgenoemde kruising, in de richting van die [straatnaam 2] , niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken of zich verkeer op het langs dat

[naam plein] gesitueerde fietspad bevond en/of

ter hoogte van voormelde kruising zijn, verdachtes snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast (aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden) en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig

heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (dat [naam plein] ) en/of die kruising

( [naam plein] / [straatnaam 2] ) kon overzien en waarover deze/die vrij was/waren en/of

in strijd met het gestelde onder “8 gedragscode bestuurder van voertuigen” van de

Brancherichtlijn optische en geluidssignalen van het Ministerie van Defensie (in werking

getreden d.d. 01-02-1016, nummer BS/2016000002), voormelde kruising niet met gepaste

snelheid is opgereden en/of niet is gestopt en/of, -terwijl hij dat rode verkeerslicht negeerde, niet

de snelheid heeft teruggebracht tot een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur-, doch met

een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 38 en 66 kilometer per uur of nagenoeg die snelheid,

die kruising ( [naam plein] / [straatnaam 2] ) is op- en/of over gereden en/of

is gebotst tegen althans in aanrijding is gekomen met een over dat fietspad rijdende en/of op die

kruising rijdende, toen voor hem, verdachte dicht van links genaderd zijnde fiets en/of de

bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan de bestuurster van die fiets ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert ten aanzien van het primair tenlastegelegde op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige geen voorrang heeft verleend.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, te vervangen door 15 dagen hechtenis. Daarnaast een voorwaardelijke taakstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar. Tevens dient hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier maanden voorwaardelijk te worden ontzegd met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 24 april 2020.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte was bekend met de situatie ter plaatse en wist dat het een gevaarlijk kruispunt is waar hij voorrang aan fietsverkeer van zowel links als rechts diende te verlenen. Voorts reed verdachte met een voor de situatie ter plaatse te hoge snelheid. Verdachte heeft er bewust voor gekozen, ingegeven door zijn functie en zijn opdracht, om zich niet kenbaar te maken als voorrangsvoertuig door af te zien van het gebruik van zwaailicht en/of sirene. Dat maakt naar het oordeel van de militaire kamer dat verdachte er juist extra waakzaam op had moeten zijn dat andere weggebruikers zijn voertuig niet als voorrangsvoertuig zouden opmerken, zodat het de verantwoordelijkheid van verdachte was zich des te behoedzamer als weggebruiker te gedragen. Onder deze omstandigheden koos verdachte er ten onrechte voor door het (voor hem) rode licht te rijden in plaats van te stoppen en in plaats van voorrang te verlenen aan de hem naderende fietser.

De militaire kamer weegt hierbij mee dat een fietser als verkeersdeelnemer zwakker is dan verdachte in zijn auto. Verdachte heeft aldus bewust de door hem te eerbiedigen belangen van deze fietser genegeerd en bewust een onaanvaardbaar risico genomen. Hierdoor is de fietser aangereden en dusdanig gewond geraakt, dat zij geruime tijd haar werkzaamheden niet heeft kunnen uitoefenen.

Aan verkeersdeelnemers worden hoge zorgvuldigheidseisen gesteld met betrekking tot de veiligheid van andere weggebruikers. Als automobilist, en zeker als professionele bestuurder, moest verdachte zich bewust zijn van het feit dat hij ten opzichte van de fietser een veel sterkere verkeersdeelnemer was en derhalve een zwaardere verantwoordelijkheid droeg. Verdachte heeft aldus verkeerde afwegingen gemaakt en dat neemt de militaire kamer hem – zeker als professioneel chauffeur – zeer kwalijk.

Bij het bepalen van een passende straf in zaken als de onderhavige, weegt de militaire kamer de aard van de bewezen gedragingen en de mate van schuld mee. Ook de langdurige gevolgen voor het slachtoffer weegt de militaire kamer mee, met dien verstande dat de militaire kamer zich realiseert dat ook verdachte deze aanrijding met alle gevolgen niet heeft gewild.

Verdachte wordt in het bijzonder verweten dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met het overige verkeer, en daarbij zelfs zijn wens om zo snel mogelijk op Schiphol te arriveren heeft gesteld boven de veiligheid van andere verkeersdeelnemers.

In het verlengde hiervan merkt de militaire kamer nog op dat verdachte ter terechtzitting weinig inzicht in zijn foutieve handelen heeft getoond en de schuld buiten zichzelf blijft leggen. Bij de militaire kamer is de indruk ontstaan dat verdachte meent dat hij als lid van de BSB van de Koninklijke Marechaussee boven de maatschappelijk vanzelfsprekende zorgvuldigheidsplicht jegens andere weggebruikers staat. Aldus heeft hij onvoldoende besef getoond van zijn verantwoordelijkheden als verkeersdeelnemer. Dat is onjuist en ook dat neemt de militaire kamer hem zeer kwalijk.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de militaire kamer van oordeel dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een geldboete met daarnaast een voorwaardelijke taakstraf, zoals geëist door de officier van justitie, niet kan volstaan. De militaire kamer is van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke taakstraf passend is. Bij de omvang daarvan heeft de militaire kamer in het voordeel van verdachte nadrukkelijk rekening gehouden met het forse tijdsverloop. Mede om die reden ziet de militaire kamer geen aanleiding om de gevorderde voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De meervoudige militaire kamer:

 wijst af het voorwaardelijke verzoek om rijinstructeur “ [naam 1] ” te horen als deskundige;

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter) en mr. G.W.B. Heijmans, rechters, en kolonel mr. C.E.W. van de Sande, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. S. de Rooij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juni 2020.

Bijlage: tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2018 te Utrecht in de gemeente Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (militair motorrijtuig, personenauto), komende uit de richting van de [straatnaam 3] en/of gaande in de richting van de kruising (rotonde) van de wegen, de [straatnaam 1] , het [naam plein] en de [straatnaam 2] , daarmee rijdende op de rechter rijstrook bestemd voor het rechts afslaande verkeer van de weg, het [naam plein]

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden,

hierin bestaande dat verdachte, terwijl het voor/op die kruising ( [naam plein] / [straatnaam 2] ) bevindende en in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde verkeerslicht, bestemd voor het rechts afslaande verkeer op die rijstrook rood licht uitstraalde, inhoudende: "Stop",

voor en/of bij het oprijden van laatstgenoemde kruising, in de richting van die [straatnaam 2] , niet of in onvoldoende mate heeft gekeken en/of is blijven kijken of zich verkeer op het langs dat [naam plein] gesitueerde fietspad bevond en/of

ter hoogte van voormelde kruising zijn, verdachtes snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd en/of aangepast(aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden)

en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (dat [naam plein] ) en/of die kruising ( [naam plein] / [straatnaam 2] ) kon overzien en waarover deze/die vrij was/waren

en/of

in strijd met het gestelde onder “8 gedragscode bestuurder” van voertuigen van de

Brancherichtlijn optische en geluidssignalen van het Ministerie van Defensie (inwerking

getreden d.d. 01-02-1016, nummer BS/2016000002), voormelde kruising niet met gepaste

snelheid is opgereden en/of niet is gestopt en/of, -terwijl hij dat rode verkeerslicht negeerde, niet de snelheid heeft teruggebracht tot een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur-, doch met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 38 en 66 kilometer per uur of nagenoeg die snelheid, die kruising ( [naam plein] / [straatnaam 2] ) is op- en/of overgereden

en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over dat fietspad rijdende en/of die

kruising rijdende, toen voor hem, verdachte dicht van links genaderd zijnde fiets en/of de

bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor een ander(genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 16 juli 2018 te Utrecht in de gemeente Utrecht, als bestuurder van een

motorrijtuig, (militair motorrijtuig, personenauto), komende uit de richting van de [straatnaam 3] en/of gaande in de richting van de kruising (rotonde) van de wegen, de [straatnaam 1] , het [naam plein] en de [straatnaam 2] , daarmee heeft gereden op de rechter rijstrook bestemd voor het rechts afslaande verkeer van de weg, het [naam plein] en

terwijl het voor/op die kruising ( [naam plein] / [straatnaam 2] ) bevindende en in zijn, verdachtes rijrichting gekeerde verkeerslicht, bestemd voor het rechts afslaande verkeer op die rijstrook rood licht uitstraalde, inhoudende: "Stop" en/of

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (dat [naam plein] ) en/of die kruising ( [naam plein] / [straatnaam 2] ) kon overzien en waarover deze/die vrij was/waren en/of

in strijd met het gestelde onder “8 gedragscode bestuurder” van voertuigen van de Brancherichtlijn optische en geluidssignalen van het Ministerie van Defensie (inwerking

getreden d.d. 01-02-1016, nummer BS/2016000002) , voormelde kruising niet met gepaste

snelheid is opgereden en/of niet is gestopt en/of, -terwijl hij dat rode verkeerslicht negeerde, niet de snelheid heeft teruggebracht tot een snelheid van maximaal 20 kilometer per uur-, doch met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 38 en 66 kilometer per uur of nagenoeg die snelheid, die kruising ( [naam plein] / [straatnaam 2] ) is op- en/of overgereden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over dat fietspad rijdende en/of die

kruising rijdende, toen voor hem, verdachte dicht van links genaderd zijnde fiets en/of de

bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster ten val is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de Staf Commandant Koninklijke Marechaussee, kabinet/cluster Integriteit, Sectie Interne Onderzoeken, dossiernummer [nummer] , gesloten op 10 januari 2019 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 18 mei 2020, het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 23, alsmede het proces-verbaal van onderzoek plaats delict, p. 35 en 48.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 23, alsmede het proces-verbaal van verhoor getuige nr. 18-400049 d.d. 5 februari 2019 (ongenummerd, separaat in het procesdossier).

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 23, Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict 11 december 2018, alsmede verklaring verdachte ter terechtzitting.

5 Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict 11 december 2018, p. 67, alsmede verklaring verdachte ter terechtzitting.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 17.

7 Het proces-verbaal van aangifte p. 17, alsmede het schriftelijk bescheid, zijnde een brief van medisch adviseur [naam 2] , gedateerd 15 maart 2019.

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

9 Verklaring verdachte ter terechtzitting, alsmede Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict 11 december 2018, p. 67.

10 Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict 11 december 2018, p. 65.

11 Proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict 11 december 2018, p. 67.

12 Verklaring verdachte ter terechtzitting.

13 Brancherichtlijn optische en geluidssignalen van het Ministerie van Defensie, paragraaf 11.