Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2698

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2979
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning carport. Ter beoordeling ligt slechts de vraag voor of verweerder de aanvraag voor legalisering van de uitbreiding van de bestaande carport heeft kunnen weigeren. Dat is nu eenmaal waar de aangevraagde omgevingsvergunning op ziet. Verweerder wil niet afwijken van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van de carport vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en détournement de pouvoir slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2979

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S.C.M. Suijkerbuijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning geweigerd.

Bij besluit van 11 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In verband met het coronavirus is de zitting van 16 maart 2020 niet doorgegaan.

Eiseres heeft bij brief van 8 april 2020 naar voren gebracht wat zij op zitting had willen zeggen. Verweerder heeft daar bij brief van 14 april 2020 op gereageerd.

Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zonder zitting uitspraak te doen.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres heeft een omgevingsvergunning gevraagd om de uitbreiding van een bestaande carport aan de voorzijde van haar woning aan [perceel] te legaliseren. De uitbreiding is in 2012 aangebracht.

2. Verweerder heeft de omgevingsvergunning geweigerd. Volgens verweerder is de aanvraag in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder is niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken omdat sprake is van planologische en ruimtelijke bezwaren.

Beroepsgronden

3. Eiseres voert aan dat verweerder de omgevingsvergunning niet heeft mogen weigeren. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat de oude carport illegaal zou zijn, zodat, met name met betrekking tot de diepte naar de straatkant, ten onrechte is overwogen dat de door eiseres verrichte uitbreiding hiervan in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. De bestaande diepte was immers legaal. Daarnaast maakt verweerder volgens eiseres misbruik van zijn bevoegdheid om zo de bereikbaarheid van de gemeentelijke inspectieput te waarborgen.

Waar ziet het beroep op?

4. Ter beoordeling ligt slechts de vraag voor of verweerder de aanvraag voor legalisering van de uitbreiding van de bestaande carport heeft kunnen weigeren. Dat is nu eenmaal waar de aangevraagde omgevingsvergunning op ziet. De vraag of de bestaande carport, die in 1984 zou zijn gebouwd, wel of niet legaal aanwezig is kan in deze procedure niet aan de orde komen omdat de aanvraag niet ziet op dat deel van de carport. Het is de bestuursrechter niet toegestaan een oordeel te geven over een kwestie waarop de besluitvorming waartegen het beroep zich richt, niet ziet. De rechtbank begrijpt dat dit een teleurstelling is voor eiseres. Er bestaat al sinds 2016 discussie over de vraag of de oorspronkelijke carport legaal is en er zou inmiddels een handhavingstraject lopen, zo leidt de rechtbank af uit de brief van eiseres van 8 april 2020. Maar daarmee staat het de rechtbank niet vrij zich uit te spreken over de oorspronkelijke carport. Hierna zal het daarom enkel gaan over de aangevraagde uitbreiding van de carport.

Strijd met het bestemmingsplan

5. Het perceel van eiseres valt binnen het bestemmingsplan “Wageningen, 2e herziening” en heeft de bestemming “Wonen”, “Tuin” en “Groen”.

Een deel van de carport ligt op een strook van 0,6 meter breed die onder de bestemming “Groen” valt. Op die strook zijn op grond van artikel 9.1 van de planvoorschriften alleen bouwwerken geen gebouw zijnde toegestaan als die ondergeschikt zijn aan de bestemming “Groen”. Daarvan is geen sprake.

Een strook van twee meter van de carport valt binnen de bestemming “Tuin”. Op grond van artikel 19.2.3 van de planvoorschriften zijn op deze gronden alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde, toegestaan indien deze vergunningsvrij zijn. De carport is niet vergunningsvrij omdat deze niet in het achtererfgebied staat.

Daarnaast is de uitbreiding van de carport ook in strijd met de bestemming “Wonen” omdat de carport in strijd met artikel 23.2.2 van de planvoorschriften niet op minstens drie meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw is gebouwd.

Dit betekent dat de uitbreiding van de carport in strijd is met het bestemmingsplan.

Afwijken van het bestemmingsplan

6. Verweerder heeft beoordeeld of met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 2°, van de Wabo en artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Een omgevingsvergunning kan in zulke gevallen slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

7. Bij zijn beslissing om al dan niet gebruik te maken van deze bevoegdheid heeft verweerder beleidsruimte, reden voor de bestuursrechter om die beslissing terughoudend te toetsen. Deze toets houdt in dat de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om op grond van deze bepaling de omgevingsvergunning te weigeren.

8. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat de aanvraag vanuit het aspect planologische en ruimtelijke kwaliteit niet aanvaardbaar is. Door de uitbreiding van de carport wordt visueel de (openbare) ruimte tussen de kopgevel van huisnummer [huisnummer] aan de overkant van de straat en de carport van huisnummer [ander huisnummer] drastisch verkleind. Verweerder is bij de beoordeling niet gebonden aan de diepte van de bestaande carport. Verweerder vindt een dergelijke ontwikkeling gelet op de beperkte ruimte ter plaatse niet wenselijk. Vanuit het gelijkheidsbeginsel zou het toestaan van de carport ook voor andere woningen in dit blok en vergelijkbare situaties gevraagd kunnen worden. Dat is volgens verweerder niet gewenst. Daarnaast is de carport gebouwd boven een inspectieput van het gemeenteriool. Het stuk grond waarin de inspectieput en het gemeenteriool aanwezig is, is niet van eiseres maar van de gemeente. Het is noodzakelijk dat nutsleidingen toegankelijk zijn, zo stelt verweerder.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich hiermee in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van de carport vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is.

9. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar woningen in de wijk met de voorgevel naar het zuiden georiënteerd, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Verweerder kan worden gevolgd dat de situatie bij die woningen stedenbouwkundig en ruimtelijk gezien duidelijk anders is dan de woningblokken met voorgevels op het oosten gericht. De woningen die naar het zuiden zijn gericht, hebben grotere voortuinen dan de woningen die op het oosten zijn gericht.

10. Het betoog van eiseres dat verweerder misbruik maakt van de aan hem toegekende bevoegdheid om de omgevingsvergunning te weigeren (détournement de pouvoir) om op die manier de toegang tot het gemeentelijk riool op het perceel van eiseres te waarborgen volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft aangegeven dat het bouwen van een carport boven een inspectieput van het gemeenteriool ongewenst is. Door het gebruik van de aangevraagde carport zal de inspectieput niet te allen tijde toegankelijk zijn. Dit is een belang dat verweerder heeft kunnen meewegen in de beoordeling van de aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, rechter, in tegenwoordigheid

van mr. M.H. Dijkman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier en de rechter zijn in

verband met de maatregelen rond het coronavirus verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(...)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Bestemmingsplan “Wageningen, 2e herziening”

9.1

bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. bermen en beplanting;

c. voet- en (brom)fietspaden;

d. speelvoorzieningen;

e. uitstallingen;

(...)

met daaraan ondergeschikt de daarbij behorende:

j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

k. verhardingen.

19.1

bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. tuinen;

b. parkeren, uitsluitend ter plaatse van een oprit;

c. een ondergrondse parkeervoorziening, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage';

d. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

met de daarbij behorende:

e. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

met dien verstande dat parkeerplaatsen, met uitzondering van het bepaalde onder b en c, nadrukkelijk zijn uitgesloten.

19.2

bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw mag ten hoogste 2,00 m bedragen;

b. de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend vergunningvrij worden gebouwd.

23.1

bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep op maximaal 30% van het bruto-vloeroppervlak van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot een maximum per woning van:

- 45 m2 bij bouwpercelen tot 750 m2;

- 60 m2 bij bouwpercelen van 750 m2 tot 1.500 m2;

- 75 m2 bij bouwpercelen vanaf 1.500 m2;

(...)

met daaraan ondergeschikt:

h. tuinen, erven en terreinen;

i. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

met de daarbij behorende:

j. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;

k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:

a. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd;

b. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden minimaal 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd met dien verstande dat aan- en uitbouwen tevens mogen worden gebouwd op gronden waarop het hoofdgebouw mag worden gebouwd;

(...)