Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:257

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-01-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4525 en AWB 19/673
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen omzetbelasting.

Hoorplicht is niet geschonden. De inspecteur heeft over 2016 het standpunt ingenomen dat eiseres geen ondernemer is, maar nodigt haar daarna weer uit tot het doen van aangiften OB. Eiseres retourneert de aangiften niet. De inspecteur heeft niet kunnen uitsluiten dat eiseres in 2017 en 2018 wel ondernemer was voor de omzetbelasting. Daarom heeft hij eiseres terecht uitgenodigd.

Omkering bewijslast. De inspecteur heeft niet onderbouwd waarop de schatting van € 250 omzetbelasting per kwartaal is gebaseerd. Hij heeft niet gesteld dat eiseres in de jaren 2017 en 2018 kon factureren, terwijl eiseres gemotiveerd heeft gesteld dat dit niet het geval was. Geen redelijke schatting. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslagen en de boetes wegens niet voldoen van de verschuldigde omzetbelasting. De rechtbank handhaaft de boetes voor het niet doen van de vereiste aangiften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-02-2020
FutD 2020-0540
V-N Vandaag 2020/446
V-N 2020/24.2.6
NTFR 2020/560
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 18/4525 en AWB 19/673

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 januari 2020

in de zaken tussen

[X] B.V., te [Q] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 26 augustus 2017 over het tijdvak 1 april 2017 tot en met 30 juni 2017 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [XXX] .F.17240) omzetbelasting opgelegd van € 250, alsmede bij beschikkingen verzuimboetes van € 50 en € 65.

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 28 augustus 2018 over het tijdvak 1 april 2018 tot en met 30 juni 2018 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [XXX] .F.18240) omzetbelasting opgelegd van € 250, alsmede bij beschikkingen verzuimboetes van € 50 en € 65.

Op 25 juni 2019 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. Voor een weergave van het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank mede naar de tussenuitspraak.

Bij uitspraak op bezwaar van 1 maart 2019 heeft verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2018 tot en met 30 juni 2018 ongegrond verklaard.

Met dagtekening 28 juni 2019 heeft verweerder alsnog uitspraak op bezwaar gedaan over de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2017 tot en met 30 juni 2017 en ook dit bezwaar ongegrond verklaard.

Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 10 december 2019.

Namens eiseres is [A] (hierna: [A] ) verschenen. Namens verweerder zijn mr. [B] , mr. [C] en mr. drs. [D] verschenen.

De beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de beroepen van [A] met zaaknummers 16/5948, 17/698 en 19/6525.

Na het sluiten van het onderzoek heeft eiseres een nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft die brief wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten en heeft geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 6 november 2014 opgericht. [A] is 100% aandeelhouder en enig bestuurder van eiseres. Eiseres ontplooit activiteiten op het gebied van mobiele financiële dienstverlening.

2. Voor het tweede kwartaal 2017 en 2018 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor het doen van aangifte voor de omzetbelasting. Eiseres heeft deze aangiften niet ingediend.

3. Verweerder heeft ter zake van beide naheffingsaanslagen telkens twee boetes opgelegd. Dat betreft telkens een verzuimboete van € 65 voor het niet doen van de vereiste aangifte en een verzuimboete van € 50 voor het niet voldoen van de verschuldigde omzetbelasting.1

4. Op 8 april 2019 heeft op kantoor van verweerder een gesprek plaatsgevonden tussen [A] , mr. [B] , mr. [C] en mr. drs. [D] . Van dit gesprek is geen hoorverslag opgemaakt.

Geschil

5. In geschil is of verweerder de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen heeft mogen opleggen en, zo ja, of deze op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat met betrekking tot de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2017 tot en met 30 juni 2017 (hierna: de naheffingsaanslag 2017) de hoorplicht is geschonden. Daarnaast is de hoogte van de door verweerder verschuldigde dwangsommen in geschil en de vraag of eiseres recht heeft op schadevergoeding.

Beoordeling van het geschil

hoorplicht

6. Voor wat betreft de vraag of verweerder de hoorplicht heeft geschonden, oordeelt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat er op 8 april 2019 een gesprek heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting op 6 maart 2019 had verweerder al te kennen gegeven dat hij op korte termijn duidelijkheid wilde geven over de naheffingsaanslag 2017, dat dit geen kwestie van meer dan twee maanden zou zijn, maar ook afhankelijk van eiseres, bijvoorbeeld voor het plannen van een hoorzitting. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het gesprek op 8 april 2019 mede is bedoeld als hoorzitting over de naheffingsaanslag 2017 en dat dit eiseres op voorhand voldoende duidelijk was. Het niet opmaken van een hoorverslag leidt op zich niet tot een schending van de hoorplicht. Uit de kladaantekeningen van verweerder volgt dat eiseres op 8 april 2019 de mogelijkheid is geboden om stukken in te zien en over inhoudelijke zaken te praten. Op grond van hetgeen partijen verder ter zitting hebben verklaard, acht de rechtbank het aannemelijk dat ook de naheffingsaanslag en boetebeschikkingen aan de orde zijn gekomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden.

inhoudelijke beoordeling

7. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt als ondernemer aangemerkt ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent.

8. Verweerder heeft eerder aan eiseres over het eerste kwartaal van 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Daarbij heeft verweerder in aftrek gebrachte voorbelasting gecorrigeerd. In de uitspraak op bezwaar van 25 oktober 2016 is onder meer het volgende vermeld:

“Allereerst ben ik van mening dat de B.V. geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting, omdat de B.V. niet (langer) als ondernemer voor de BTW is aan te merken. In 2015 en de eerste twee kwartalen van 2016 geeft de B.V. namelijk geen enkele omzet aan. Wanneer de B.V. niet (langer) economische prestaties verricht, is zij geen ondernemer (meer) voor de omzetbelasting.”

9. Verweerder heeft eiseres uitgenodigd tot het doen van aangifte en na het uitblijven van die aangiften de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd, gebaseerd op een geschatte omzet en een geschat bedrag aan verschuldigde omzetbelasting van € 250. Aangezien verweerder echter voordien uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat eiseres in de eerste twee kwartalen van 2016 geen ondernemer was, ligt het op de weg van verweerder aannemelijk te maken dat eiseres gedurende het tweede kwartaal van 2017 en 2018 wel (weer) ondernemer was voor de omzetbelasting.

10. Op basis van de verklaringen van eiseres ter zitting over haar startupactiviteiten op het gebied van softwareontwikkeling heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen uitsluiten dat eiseres in 2017 en 2018 wel ondernemer was voor de omzetbelasting. Geconcludeerd moet worden dat verweerder eiseres daarom terecht heeft uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting over bedoelde tijdvakken in 2017 en 2018. Dit is ook niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het feit dat iemand in 2016 niet als ondernemer wordt aangemerkt de mogelijkheid openlaat dat dit voor 2017 anders kan zijn.

11. Ingevolge artikel 27e, eerste lid, van de AWR wordt het beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Vaststaat dat eiseres de aangiften omzetbelasting niet heeft ingediend. Dit leidt in beginsel tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

12. De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder echter niet van zijn verplichting de door hem geschatte omzet niet naar willekeur vast te stellen. Dit betekent dat de aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. Verweerder heeft niet onderbouwd waarop de schatting is gebaseerd. Verweerder heeft niet eens gesteld dat eiseres in de jaren 2017 en 2018 kon factureren, terwijl eiseres gemotiveerd heeft gesteld dat dit nog altijd niet het geval was. Daarom zijn de schattingen naar het oordeel van de rechtbank een slag in de lucht. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de schatting redelijk is. Zolang niet aannemelijk is dat eiseres kan factureren, is er ook geen sprake van verschuldigde omzetbelasting. Dit betekent dat de naheffingsaanslagen niet in stand kunnen blijven. Ook de boetes die samenhangen met het niet-betalen van de omzetbelasting ter hoogte van € 50 per naheffingsaanslag dienen te worden vernietigd. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

13. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de opgelegde verzuimboetes wegens het niet-indienen van de aangiften ter hoogte van € 65 per naheffingsaanslag. Degene die wordt uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden die aangifte ingevuld te retourneren, desnoods als nihilaangifte. Mede gelet op de omstandigheid dat eiseres niet naar verweerder heeft gecommuniceerd dat zij van mening was dat zij ten onrechte aangiftebiljetten uitgereikt had gekregen, acht de rechtbank deze boetes passend en geboden. Het enkele feit dat verweerder over een eerder tijdvak een ander standpunt heeft ingenomen, kan niet tot het oordeel leiden dat eiseres mocht menen dat zij de uitgereikte aangiften niet hoefde in te dienen. De beroepen slagen dus niet voor zover zij gericht zijn tegen de verzuimboetes wegens het niet-indienen van de aangiften.

dwangsommen

14. In de tussenuitspraak van 25 juni 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres per naheffingsaanslag recht heeft op één dwangsom. Eiseres heeft verzocht op dat oordeel terug te komen en meer dwangsommen toe te kennen. De rechtbank ziet daar geen aanleiding voor. Verweerder kon per naheffingsaanslag - inclusief nevenbeschikkingen - volstaan met één uitspraak op bezwaar. Daarbij past dan ook één dwangsom. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres nader heeft aangevoerd geen aanleiding hierop terug te komen.

schadevergoeding

15. Dat eiseres voor vergoeding in aanmerking komende schade ten bedrage van
€ 25.000 per naheffingsaanslag heeft geleden is nergens uit gebleken. Dit verzoek wijst de rechtbank dan ook af.

16. Eiseres heeft daarnaast verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. In de kern komen die regels op het volgende neer.

17. Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een halfjaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Als sprake is van meer zaken van een belastingplichtige die gezamenlijk zijn behandeld, moet worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. In dat geval wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Als niet tegelijkertijd bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, wordt voor de mate van overschrijding van de redelijke termijn gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerste bezwaar- of beroepschrift.

18. De rechtbank is van oordeel dat inderdaad sprake is van twee samenhangende zaken, omdat het inhoudelijk om precies dezelfde kwestie gaat. De datum van ontvangst van het oudste bezwaarschrift is 6 september 2017. Sindsdien is een periode van iets minder dan tweeënhalf jaar verstreken. Omdat het beroep oorspronkelijk is ingesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op bezwaar, is de bezwaarfase geëindigd met het indienen van het beroepschrift op 12 augustus 2018. Dat betekent dat de overschrijding van de termijn volledig aan de bezwaarfase is toe te rekenen. Dat betekent dat verweerder aan eiseres een vergoeding dient te betalen van € 500.

conclusie en proceskosten

19. Omdat niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen op de bezwaren, zijn die beroepen niet-ontvankelijk. Inhoudelijk zijn de beroepen gegrond, behalve voor zover het de verzuimboetes op grond van artikel 67b van de AWR betreft.

20. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Zij stelt deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vast op € 246 aan verletkosten, bestaand uit 3 uren à € 82 voor twee zittingen (2 uur voor de zitting van 6 maart 2019 en 1 uur voor de zitting van 10 december 2019, vanwege de gelijktijdige behandeling van de onderhavige beroepen met de beroepen van
[A] op de laatste zitting). Daarnaast komt eiseres voor beide zittingen voor vergoeding van reiskosten in aanmerking. Deze zijn, gezien voornoemde gelijktijdige behandeling, op de voet van het Besluit vastgesteld op 1,5 retour openbaar vervoer tweede klasse van het adres van eiseres naar de rechtbank, zijnde afgerond € 14. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. In de vergoeding van voorbereidingstijd voorziet het Besluit niet.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingaanslagen;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen op grond van artikel 67c van de AWR;

  • -

    handhaaft de boetebeschikkingen op grond van artikel 67b van de AWR;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    stelt vast dat verweerder aan eiseres een dwangsom heeft verbeurd van € 2.690;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 260;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 683 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. I.A. Kranenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2020.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

1 Respectievelijk artikel 67b en 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).