Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2487

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
C/05/364388
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beschadiging bij onderhoudswerkzaamheden turbine door onderaannemer. Vraag of na herstel nog schade. Toerekenbaarheid afspraken tussen hoofdaannemer en opdrachtgever aan onderaannemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/364388 / HA ZA 20-21

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GPW Turbine Support B.V.,

gevestigd te Stellendam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.W. de Pater te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. S. Hering-de Monchy te Zutphen.

Partijen zullen hierna GPW en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure in conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 december 2019 en de daarin genoemde gedingstukken;

  • -

    de brief van mr. Hering-de Monchy voornoemd van 27 januari 2020 met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 7 februari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

GPW exploiteert een onderneming voor revisie en onderhoud van onder meer gasturbines, stoomturbines en generatoren.

2.2.

[gedaagde] is een heavy-duty gasturbinespecialist.

2.3.

Op 17 januari 2018 heeft [gedaagde] per e-mail aan GPW verzocht om een offerte voor het uitvoeren van een MI inspectie bij [naam opdrachtgever] , locatie [plaats] (verder te noemen: [naam opdrachtgever] ), op Gasturbine unit [nummer ] , in de periode van 3 tot en met 30 april 2018. Gevraagd wordt om een aanbieding op basis van all-in tarieven, inclusief een calculatie in Excel format. Bij het verzoek is onder meer vermeld: “General Terms of Purchase of [gedaagde] zijn van toepassing.”

2.4.

GPW heeft op 24 januari 2018 aan [gedaagde] een tarievenlijst gestuurd voor de inzet van personeel. Aan de paginavoet is vermeld: “Op al onze offertes, op alle opdrachten aan ons en op alle met ons gesloten overeenkomsten zijn toepasselijk de METAALUNIEVOORWAARDEN gedeponeerd ter Griffie van de rechtbank te Rotterdam op 1 januari 2001, zoals deze luiden volgens de op de achterzijde afgedrukte tekst.”

2.5.

Op 20 februari 2018 heeft GPW de nieuwe offerte verzonden. Onderaan de begeleidende brief is een zakelijk gelijkluidende mededeling over de algemene voorwaarden afgedrukt.

2.6.

[gedaagde] heeft op 26 februari 2018 een Inkooporder gestuurd aan GPW. Dit stuk opent met de volgende mededeling:

“According to the “General Terms of Purchase of [gedaagde] ”, as already in your possession, and if these are not in your possession you will receive them at first request, the terms and conditions of supplier are not applicable, we herewith request you to supply or carry out the following.”

2.7.

In deze inkooporder is verder onder meer het volgende vermeld:

“If a party fails to meet an obligation, resulting from this agreement, this party shall compensate the resulting loss incurred by the other party, unless the failure can be ascribed to that party.


Each party is liable for the loss that is related to death, injury or material damage, suffered by the other party, its personnel and/or third parties that is the result of a accountable actions or negligence of this party, its personnel or the third parties its employs.”

2.8.

GPW heeft de offerte aanvaard voor een bedrag van € 222.928,00 exclusief btw. De werkomschrijving in de Inkooporder is gelijkluidend aan die in het verzoek van [gedaagde] om de offerte (zie hiervoor onder 2.3); de periode waarin het werk moet worden uitgevoerd is die van 3 tot en met 25 april 2018. Verder is vermeld, voor zover hier van belang, dat [naam contactpersoon] (hierna: [naam contactpersoon] ) voor [gedaagde] als contactpersoon optreedt.

2.9.

Een intern e-mailbericht van [gedaagde] ( [naam medewerker 1] aan [naam contactpersoon] ) van 10 april 2018 luidt als volgt:

“Dit moet even gezegd worden.

Ik ben uiterst content met de GPW mechanics.

Er is een goede samenwerking en er wordt zeer interactief gewerkt.

Veiligheid werken is bespreekbaar en goed beheersbaar.”

2.10.

[naam contactpersoon] bericht op dezelfde dag per e-mail aan [naam medewerker 2] van [gedaagde] (verder: [naam medewerker 2] ):

“Onze mensen zijn zeer tevreden met GPW in het algemeen en de proactieve houding.

Ik zal het intern ook even beken baar maken. En het mag een keertje gezegd worden.

We hebben ook al andere ervaringen gehad met natuurlijk andere subcontractoren.”

2.11.

Bij brief van 19 april 2018 deelt [gedaagde] aan GPW mee, voor zover hier van belang:

“With this letter [gedaagde] ([gedaagde]) officially informs G.P.W. Turbine Support B.V. (GPW) about the Non Compliance Report (NCR) [gedaagde] as contractor received from [naam opdrachtgever] on the 17th of April 2018 for works sub-contracted and carried out by GPW staff at [naam opdrachtgever]

Reported Non Conformity:

During removal of the 3rd stage compressor stator blading damage has been done to the compressor

casing. A GPW employee used a grinder to remove a segment of this blading which eventually

resulted in a cut over the length of half of the bottom casing with a max depth of 17mm.

Requested follow up by G.P.W.:

- provide an official statement on how this incident has occurred

- explain how to prevent similar events to occur from happening in the (near) future, specifically

during the remainder of the GT5 MI. Specific topics that need to be addressed in the two items

above:

 Availability and correct use of the proper tooling (size of grinder tool)

 Instructions given to mechanics from GPW

 Experience with this method by the mechanics applying it

Based on the final conclusions and consequences of this non conformity [gedaagde] may hold GPW

responsible for the direct and indirect costs arising from this non conformity, according to the

agreements made between GPW and [gedaagde] for these works.”

2.12.

GPW heeft op 18 mei 2018 per e-mail twee facturen aan [naam contactpersoon] gezonden, de eerste, genummerd [factuurnummer 1] , voor een bedrag van € 213.065,00 exclusief btw voor de geoffreerde werkzaamheden, en de tweede, genummerd [factuurnummer 2] , voor € 111.335,00 voor meerwerk. De omschrijving van de gefactureerde werkzaamheden is gelijkluidend aan die in het verzoek om de offerte; wel is op de tweede factuur vermeld dat het om meerwerk gaat. De periode is op de facturen niet vermeld.

2.13.

[naam contactpersoon] heeft dit e-mailbericht op 24 mei 2018 doorgestuurd aan een drietal medewerkers van [gedaagde] met copie conform aan nog twee medewerkers en aan GPW. [naam contactpersoon] schrijft: “Factuur [factuurnummer 2] is toegevoegd in purq: [omschrijving] Gaarne verwerken.”

2.14.

Op 14 juni 2018 heeft [gedaagde] als volgt aan GPW bericht:

“With this [gedaagde] officially claims G,P.W. Turbine Support B.V. (GPW) for the costs that have arisen from the Non Conformity at [naam opdrachtgever]

With our letter dated 19th of April 2018 [gedaagde] informed GPW about the Non Compliance Report (NCR) [gedaagde] as contractor received from [naam opdrachtgever] on the 17th of April 2018 for works sub-contracted and carried out by GPW staff at [naam opdrachtgever]

[gedaagde] received GPW feed back on the Non Conformity with your letter dated 7th of May 2018.

After extensive research and consultation [gedaagde] has the opinion that GPW is fully culpable for the

occurred non-conformity and therefore [gedaagde] claims GPW for the amount of €317.868,50 which

equals the costs arising from this non conformity.

Description

Cost

Replacement/Spare Compressor Casing

€ 151.000,00

Stator Blading row 1-10

€ 119.800,00

Installation Consumables

€ 2.347,00

Extra hours manpower caused by non conformity delay

€ 40.721,50

Research by third engineering party to determine impact non conformity on casing

€ 4.000,00

Totaal € 317.868,50

[gedaagde] expects that GPW, within 30 days from the date mentioned in the header of this letter, issues a

credit note to [gedaagde] for the total amount of € 317,686,50. The amount of the credit note will be

deducted from existing and future GPW invoices. 4 credit note deduction schedule to be determined

between both parties.”

2.15.

[gedaagde] heeft bij brief van dezelfde datum aan GPW meegedeeld dat zij verdere schadeclaims die verband houden met het Non Compliance Report zal doorleiden aan GPW en betaling van de facturen genummerd [factuurnummer 1] en [factuurnummer 2] opschort.

2.16.

Op 18 juni 2018 heeft GPW per e-mail aan [gedaagde] laten weten dat haar schadeclaim is doorgeleid naar haar aansprakelijkheidsverzekeraar. GPW voegt daar de vraag van haar verzekeraar aan toe of [gedaagde] zelf een CAR-verzekering heeft afgesloten waarbij deze schade kan worden geclaimd.

2.17.

De raadsman van GPW heeft op 25 juli 2018 per e-mail [gedaagde] in gebreke gesteld voor een totaal bedrag van € 392.523,40, te betalen binnen veertien dagen na de datum van het e-mailbericht.

2.18.

De raadsman van [gedaagde] bericht op 7 augustus 2018 per e-mail aan GPW onder meer:

“Cliënte kan zich niet vinden in de claim van uw cliënte zoals neergelegd in uw sommatie van 25 juli jl. en wijst de vordering vooralsnog af. Het is immers uw cliënte die haar overeengekomen verplichtingen niet is nagekomen en daardoor schade heeft veroorzaakt. De door cliënte geleden en nog te lijden schade dient door uw cliënte te worden vergoed.

(…)

Meerwerk

Met factuur van 17 mei jl. (nr. [factuurnummer 2] ) heeft uw cliënte meerwerk groot € 134.714,75 in rekening gebracht waarvoor echter geen (aanvullende schriftelijke) opdracht is verstrekt, hetgeen noodzakelijk was geweest zoals overeengekomen op pagina 6 van de inkooporder van 26 februari jl. (nr [ordernummer] ). Meerwerk is niet uitgevoerd op basis van een opdracht van cliënte.”

3 Het geschil in conventie

3.1.

GPW vordert dat de rechtbank:

I. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 324.400,00 exclusief btw, althans een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente dan wel de wettelijke rente, te berekenen vanaf 17 juli 2018, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie nader te betalen datum, tot de dag van algehele voldoening;

II. [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te voldoen de buitengerechtelijke

incassokosten conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 3.737,62, althans een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen bedrag;

III. [gedaagde] bij toewijzing van haar vordering zal veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten, de laatste volgens het liquidatietarief Rechtbanken en Hoven forfaitair berekend op € 131,00 zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,00 zonder betekening in conventie en reconventie tezamen, en verhoogd met € 68,00 in geval van betekening, indien en voor zover gedaagde niet binnen de wettelijk vereiste

termijn van twee dagen, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, na betekening van het te wijzen vonnis, heeft voldaan;

IV. althans een zodanige beslissing zal nemen zoals rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

De vordering is gegrond op de stelling, kort gezegd, dat partijen zijn overeengekomen dat GPW werkzaamheden zal verrichten voor [gedaagde] , dat [gedaagde] daarvoor een prijs zal betalen, dat die werkzaamheden daadwerkelijk zijn uitgevoerd en dat GPW in opdracht van [gedaagde] meerwerk heeft verricht, dat GPW facturen heeft gestuurd aan [gedaagde] , en dat [gedaagde] , in weerwil van herhaalde aanmaning en sommatie, die facturen gedeeltelijk onbetaald heeft gelaten. GPW is ook van mening dat [gedaagde] de kosten van de werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte aan haar moet vergoeden.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Samengevat weergegeven houdt het verweer in dat voor het meerwerk geen opdracht is verstrekt en dat medewerkers van GPW bij de uitvoering van de werkzaamheden materiële schade hebben veroorzaakt, die door GPW moet worden vergoed. Dit vormt een grond voor verrekening.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] doet haar verweer in conventie uitmonden in een vordering in reconventie, strekkende tot:

(I. betreft de vordering in conventie);

II. verklaring voor recht dat GPW verplicht is om aan [gedaagde] op eerste verzoek alle schade te vergoeden die [gedaagde] lijdt en nog zal lijden verband houdende met het incident waarbij op 16 april 2018 schade is toegebracht aan de casing van de Gasturbine unit [nummer ] , van [naam opdrachtgever] , locatie [plaats] ;

III. veroordeling van GPW tot betaling aan [gedaagde] binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting:

a. het bedrag van € 317.868,50 voor hoofdsom;

b. de wettelijke handelsrente dan wel de wettelijke rente over € 317.868,50 vanaf 14 juli 2018, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie nader te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;

c. het bedrag van € 3.737,62, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake van buitengerechtelijke kosten; en

IV. veroordeling van GPW:

a. in de kosten van deze procedure, indien de helft of meer van de vordering van [gedaagde] wordt toegewezen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis;

b. voor het geval dat voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis

plaatsvindt, in de nakosten van € 131,00, dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, van € 199,00;

c. de onder a en b bedoelde kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten alsmede de nakosten, wanneer deze niet uiterlijk binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis zijn betaald; en

d. tot betaling aan [gedaagde] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de kosten die zij heeft moeten maken bij executie van het veroordelend vonnis ter verkrijging van het aan haar toekomende.

4.2.

GPW voert gemotiveerd verweer.

4.3.

Ter zitting heeft [gedaagde] laten weten haar schadevordering te verminderen met € 117.000,00.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie houden nauw verband met elkaar. De rechtbank zal ze daarom gezamenlijk bespreken.

5.2.

[gedaagde] heeft er in haar verweerschrift op gewezen dat op grond van haar algemene voorwaarden, de rechtbank Rotterdam exclusief bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Uit dit verweerschrift volgt echter niet of zij een beroep doet op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Gelderland. Bij akte van 4 september 2019 heeft zij desgevraagd laten weten geen beroep te doen op die relatieve onbevoegdheid. Dit hoeft dus verder niet te worden onderzocht.

5.3.

Meerwerk

5.3.1.

Uit het verweer in conventie volgt dat, met uitzondering van het voor meerwerk gefactureerde bedrag, de vordering van GPW niet wordt betwist. Voor hoofdsom is dan ook € 213.065,00 exclusief btw aanstonds toewijsbaar.

5.3.2.

Voor de beoordeling van de vordering voor meerwerk is het volgende van belang. [naam contactpersoon] (zie hiervoor onder 2.8) trad voor [gedaagde] op als contactpersoon voor de door GPW uit te voeren werkzaamheden. GPW stelt dat het meerwerk is uitgevoerd in overleg met [naam contactpersoon] , dat aan hem de meerwerkfactuur is gezonden en dat [naam contactpersoon] intern opdracht heeft gegeven die factuur te verwerken. Uit dit laatste blijkt, zo meent GPW, dat [naam contactpersoon] op de hoogte was van deze extra werkzaamheden en dat de vordering voor het meerwerk ook is erkend. Ter zitting heeft GPW daar nog aan toegevoegd dat partijen al twintig jaar met elkaar samenwerken met [naam contactpersoon] als contactpersoon, dat hij feitelijk de opdrachten gaf, dat hij voor [gedaagde] de facturen van GPW goedkeurt en dat er dan ook wordt betaald. GPW leidt daaruit af dat [naam contactpersoon] bevoegd was tot vertegenwoordiging van [gedaagde] en dat alles in orde was. GPW merkt op dat pas na stillegging en demontage van de gasturbine duidelijk wordt welke werkzaamheden precies moeten worden verricht, en dat er werkendeweg veelal geen tijd is om meerwerkopdrachten van [naam contactpersoon] eerst te laten autoriseren door de directie van [gedaagde] , in afwachting waarvan het werk (telkens) zou moeten worden stilgelegd.

5.3.3.

[gedaagde] heeft niet betwist dat partijen al twintig jaar met elkaar samenwerken met [naam contactpersoon] als contactpersoon en dat hij ook in het verleden lopende de werkzaamheden feitelijk opdrachten gaf, ook buiten het initieel overeengekomen werk. Evenmin heeft [gedaagde] betwist dat het vanwege de tijdsdruk onmogelijk is om voor aanvullende werkzaamheden eerst schriftelijke autorisatie door de directie van [gedaagde] af te wachten. [gedaagde] heeft zelf meermaals benadrukt dat elke dag dat de turbine buiten werk gesteld bleef, haar opdrachtgever [naam opdrachtgever] veel geld kostte.
Hierin ligt besloten dat door [gedaagde] aan [naam contactpersoon] een toereikende volmacht is gegeven om dit soort meerwerk-overeenkomsten aan te gaan. Voor zover een dergelijke volmacht niet is gegeven, en door [gedaagde] is niets gesteld dat er op duidt dat [naam contactpersoon] zijn boekje te buiten zou zijn gegaan, heeft [gedaagde] in ieder geval de schijn gewekt dat [naam contactpersoon] bevoegd was. Dit betekent dat [gedaagde] tegenover GPW, die op grond van verklaringen en/of gedragingen van [naam contactpersoon] heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan doen, zoals in artikel 3:61 lid 2 BW is bepaald. Daarbij merkt de rechtbank op dat [naam contactpersoon] al op 24 mei 2018 intern opdracht heeft gegeven tot het betalen van het meerwerk (zie hiervoor onder 2.13) en dat [gedaagde] op 14 juni 2018 nog schreef dat de betaling werd geschorst in afwachting van de afhandeling van de schadeclaim (zie hiervoor 2.14). Nog altijd werd niet gerept van het niet verschuldigd zijn van de meerwerkfactuur. Pas op 7 augustus 2018 is, door de advocaat van [gedaagde] , ineens gesteld dat dit bedrag niet verschuldigd zou zijn (zie hiervoor 2.18). Als [naam contactpersoon] inderdaad niet bevoegd zou zijn geweest om [gedaagde] te binden, valt niet in te zien waarom daar pas op zo’n laat moment melding van wordt gemaakt. Dat in de overeenkomst is vermeld dat voor meerwerk voorafgaand overleg en een schriftelijke opdracht vereist zijn kan hieraan niet afdoen, nu uit het voorgaande volgt dat partijen een andere vaste werkwijze hanteerden en dat de in de overeenkomst neergelegde procedure niet hanteerbaar is in geval van tijdens het werk opkomende extra werkzaamheden.

5.3.4.

[gedaagde] heeft verder niet betwist dat het meerwerk noodzakelijk was en niet aan GPW te wijten, dat het meerwerk met [naam contactpersoon] is afgestemd en dat het meerwerk is verricht. Evenmin is betwist dat de voor dat meerwerk gehanteerde tarieven overeenkomen met de tarieven zoals vastgelegd in de overeenkomst en dat de daarvoor verzonden factuur door [naam contactpersoon] is goedgekeurd. De conclusie uit het voorgaande luidt dan ook dat het meerwerk geacht moet worden tussen partijen te zijn overeengekomen en dat het voor het meerwerk gevorderde bedrag toewijsbaar is.

5.4.

Wanprestatie

5.4.1.

Vast staat dat medewerkers van GPW bij het verwijderen van de schoepen van de compressor een slijptol hebben gebruikt en dat daarbij een kras of groef is ontstaan in de casing.

5.4.2.

[gedaagde] stelt hierover het volgende. GPW is op 3 april 2018 begonnen met de inrichting van een werkplaats en heeft gewerkt aan het openen van de gasturbine en het inspecteren van de schoepen. Op 11 april 2018 heeft [naam medewerker 1] van [gedaagde] geconstateerd dat op de werkplek geen kleine slijptol voorhanden was; daar is dezelfde dag nog in voorzien door een ATH Technical Advisor, die een kleine slijptol naar de werkplek heeft laten brengen. Op 16 april 2018 is het personeel van GPW op instructie van [gedaagde] begonnen met het slijpen van de niet handmatig te verwijderen schoepen. Singelenberg heeft op die dag vóór aanvang van de werkzaamheden het personeel van GPW geïnstrueerd om deze kleine slijptol te gebruiken voor het afslijpen van de schoepen. GPW-personeel heeft echter, in strijd met deze instructies, een grote slijptol gebruikt. Bij het slijpen is een groef in de casing ontstaan.

5.4.3.

GPW heeft dit betwist aan de hand van verklaringen van [werknemer GPW 1] en [werknemer GPW 2] , de werknemers van GPW die deze werkzaamheden hebben uitgevoerd. Uit hun exposé van de gebeurtenissen op 16 april 2018 waarbij de schade is ontstaan, volgt dat de rechter-schoepenrij behoorlijk vast zat. Het was niet mogelijk om met het gebruikelijke gereedschap (slagkoper/teflon/hamer) de schoepenrij los te krijgen. In overleg met [naam medewerker 1] van [gedaagde] zou toen zijn besloten het met behulp van een pneumatische hamer te proberen. Dit lukte ook niet. Toen zijn zij een slijptol gaan halen. Zij hebben [naam medewerker 1] gemeld dat er alleen een grote slijptol voorhanden was. [naam medewerker 1] gaf hun vervolgens de opdracht om de werkzaamheden dan maar met de aanwezige grote slijptol uit te voeren. Tijdens de werkzaamheden hield [naam medewerker 1] ( [gedaagde] ) steeds toezicht. Ondanks dat ze voorzichtig te werk gingen ontstond toch een kleine groef. [naam medewerker 1] zou vervolgens de verantwoordelijkheid op zich hebben genomen.

5.4.4.

De rechtbank stelt vast dat de verhalen van partijen aanzienlijk van elkaar afwijken. Wie het gelijk aan haar zijde heeft, behoeft echter geen nadere beoordeling en dus bewijslevering. [gedaagde] vordert immers vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van deze gebeurtenis. Dit betekent dat zij in ieder geval ook voldoende zal moeten stellen dat zij, als gevolg van deze gebeurtenis schade heeft geleden en tot welk bedrag. Daartoe heeft zij echter onvoldoende gesteld. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

5.4.5.

Vast staat dat GPW in samenwerking met [naam medewerker 1] herstelwerk heeft uitgevoerd en dat [naam opdrachtgever] de gasturbine vervolgens weer in bedrijf heeft gesteld. [gedaagde] erkent ook dat de installatie werkt zoals zij hoort te werken. Zij stelt echter dat [naam opdrachtgever] geen vertrouwen meer heeft in de levensduur van de beschadigde casing en vreest voor een potentieel catastrofaal falen van de gasturbine, welk risico niet bestond vóór het ontstaan van de beschadiging. [gedaagde] is vervolgens in overleg getreden met [naam opdrachtgever] . [naam opdrachtgever] eiste dat [gedaagde] een gereedgemaakte reserve-casing ter plaatse zou houden, zodat in geval van problemen de beschadigde casing snel vervangen kon worden. De kosten van een degelijke gereedgemaakte casing bedroegen het aanvankelijk gevorderde bedrag van € 317.868,50. [gedaagde] heeft [naam opdrachtgever] ervan weten te overtuigen een gebruikte casing te accepteren als reserve casing. Het gebruiksklaar maken ervan door een polijst- en poetsbeurt heeft al plaatsgevonden. De facturen daarvan zijn beschikbaar. Dit was goedkoper dan een nieuwe casing, hetgeen de vermindering van de vordering in reconventie verklaart. [naam opdrachtgever] accepteert geen minder exemplaar; de turbine moet tot de volgende inspectie- en onderhoudsbeurt probleemloos draaien. Inspectie en onderhoud vindt in principe één keer per zes jaar plaats.

5.4.6.

GPW betwist dat zij gehouden is dit bedrag te betalen. Zij betoogt dat de turbine in werking is gesteld en dat deze zonder problemen functioneert. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat er later alsnog problemen zullen optreden. Van enige schade is dus niet gebleken. Dat [gedaagde] ervoor heeft gekozen om een afspraak te maken met [naam opdrachtgever] , kan niet aan GPW worden tegengeworpen. Zij is ook niet bij die onderhandelingen betrokken geweest. Evenmin is aan haar gevraagd of zij eventueel een vervangende casing kon leveren.

5.4.7.

De rechtbank overweegt dat, als sprake zou zijn van een fout van de medewerkers van GPW, schade van [gedaagde] slechts voor vergoeding in aanmerking als sprake is van een conditio sine qua non verband tussen de fout en de schade en als de schade ook aan deze gebeurtenis toe te rekenen is. Het is aan [gedaagde] om in dit verband voldoende te stellen. Uit de vaststaande feiten volgt dat de gesprekken tussen [gedaagde] en [naam opdrachtgever] zijn gestart naar aanleiding van de groef in de casing. De rechtbank acht onvoldoende betwist dat daarmee sprake is van een conditio sine qua non verband.

5.4.8.

Dat betekent echter niet dat de uitkomst van die gesprekken, namelijk dat [gedaagde] een casing ter beschikking moest stellen aan [naam opdrachtgever] , aan GPW toerekenbare schade vormt. Niet uitgesloten kan worden dat een afspraak tussen twee partijen over de afwikkeling van schade die een onderaannemer van één van hen heeft veroorzaakt, ook aan die onderaannemer kan worden tegengeworpen. Daarbij is echter onder meer van belang of de gemaakte afspraak redelijk is en in hoeverre de onderaannemer bij de gesprekken betrokken is geweest. Dat vergt in dit geval onder meer dat [gedaagde] onderbouwt dat de met [naam opdrachtgever] gemaakte afspraak redelijk is. Daar is zij niet in geslaagd.

5.4.9.

Ten eerste heeft GPW betwist dat de groef van dien aard is dat deze gevaar oplevert voor de casing. De schade aan de casing is hersteld en de casing werkt inmiddels al geruime tijd naar wens. [gedaagde] heeft ook niet concreet gemaakt waarom er sprake zou zijn van een in aanmerking te nemen risico dat de turbine ineens wel zou falen. Ter zitting is door [gedaagde] erkend dat zij dit heeft laten onderzoeken en dat het uit het onderzoek niet is gebleken dat er een aanmerkelijk risico bestaat. Dit was voor haar CAR-verzekeraar ook aanleiding om niets uit te keren. Verder is van belang dat GPW, ondanks de zeer forse financiële gevolgen voor haarzelf, niet betrokken is geweest bij het overleg tussen [gedaagde] en [naam opdrachtgever] . GPW is daardoor niet in de gelegenheid geweest bijvoorbeeld zelf een oplossing aan te dragen of te bepalen in hoeverre het maken van een afspraak met [naam opdrachtgever] redelijk was.

5.4.10.

Dat [gedaagde] er desondanks voor zou hebben gekozen om, tegen gestelde hoge kosten, een geprepareerde casing aan [naam opdrachtgever] ter beschikking te stellen, is onder deze omstandigheden geen schade die aan GPW kan worden toegerekend.

5.4.11.

Gegeven het voorgaande kan de discussie tussen partijen over de bewijslastverdeling buiten beschouwing blijven en hoeft dus niet te worden onderzocht welke algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst. Als gezegd komt, ook als ervan uitgegaan wordt dat GPW toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst, de schadevordering niet in aanmerking voor toewijzing.

5.5.

Wettelijke handelsrente; buitengerechtelijke incassokosten

5.5.1.

Tegen de gevorderde wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) voert [gedaagde] aan dat op de Inkooporder is vermeld dat zij in geval van verlate betaling van facturen niet meer verschuldigd is dat de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW.

5.5.2.

In dit geval is er geen sprake van verlate betaling zonder meer, maar van opschorting van betaling van het verschuldigde zonder goede grond. Onder die omstandigheden komt [gedaagde] geen beroep op een voor haar gunstiger regeling voor te late betaling toe.

5.5.3.

Tegen de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten voert [gedaagde] aan dat GPW haar zonder goede grond in rechte heeft betrokken. Nu de rechtbank tot een ander oordeel komt en [gedaagde] verder geen verweer tegen dit onderdeel van de vordering heeft gevoerd, zal de vergoeding worden toegewezen conform de staffel behorende bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

5.6.

Proceskosten

5.6.1.

[gedaagde] zal zowel in conventie als in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De aan de zijde van GPW gevallen kosten worden als volgt begroot:

in conventie

- voor de betekening van het oproepingsbericht en de procesinleiding € 104,42

- voor griffierecht 4.030,00

- voor salaris advocaat twee punten à € 2.402,00 volgens het liquidatietarief 4.804,00 +

in totaal € 8.938,42

in reconventie

voor salaris advocaat één punt à € 2.402,00 volgens het liquidatietarief.

5.6.2.

[gedaagde] zal ook worden veroordeeld in de nakosten, te begroten op € 157,00 zonder betekening in conventie, verhoogd met € 82,00 plus de explootkosten in geval van betekening.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

in conventie

6.1.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan GPW te betalen € 324.400,00 exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) vanaf 17 juli 2918 tot aan de dag van de algehele voldoening, en vermeerderd met een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.397,00 exclusief btw (€ 4.110,37 inclusief btw);

6.1.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op deze uitspraak begroot op € 8.938,48, en in de nakosten, begroot op € 157,00 zonder betekening in conventie, verhoogd met € 82,00 en de explootkosten in geval van betekening;

6.1.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

6.2.

in reconventie

6.2.1.

wijst de vordering af;

6.2.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak begroot op € 2.402,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. van der Straaten en getekend en in het openbaar uitgesproken door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen op 8 april 2020.