Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2480

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
C/05/359962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Intellectuele eigendom. Uniemerken en Benelux-merken. Handelsnamen, auteursrechten, misleidende reclame. Incidentele vorderingen tot verwijzing. Verwijzing naar rechtbank Den Haag op grond van exclusieve bevoegdheid Uniemerken. Verwijzing (arbeidsrechtelijke) vorderingen naar sector kanton. Onderlinge samenhang, doelmatigheid, gezamenlijke behandeling, splitsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/359962 / HA ZA 19-61

Vonnis in incident van 18 maart 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Eiser 1]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Eiser 2] .,

gevestigd te [vestigingsplaats]

eiseressen in conventie in de hoofdzaak,

verweersters in reconventie in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. R. Klöters te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Gedaagde 1]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Gedaagde 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [Gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Gedaagde 4] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden in conventie in de hoofdzaak,

eisers in reconventie in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. M.R. Rijks te Eindhoven.

1 De procedure in de hoofdzaak en het incident

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 8 januari 2020

  • -

    de akte houdende wijziging eis van 8 januari 2020 van de zijde van gedaagden (eisers in het incident)

  • -

    de akte uitlating verwijzing ex artikel 93 sub c Rv van 5 februari 2020 van de zijde van eiseressen (verweersters in het incident)

  • -

    de akte uitlating in het incident en hoofdzaak van 5 februari 2020 van de zijde van gedaagden (eisers in het incident).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in het incident

2.1.

Het incident strekt tot een verwijzing van een deel van de zaak naar de rechtbank Den Haag.

2.2.

Met hun hiervoor vermelde akte van 8 januari 2020 hebben eiseressen (verweersters in het incident) hun eis in de hoofdzaak vermeerderd. Over de eis zelf en over de toelaatbaarheid van de vermeerdering als zodanig, wordt hangende dit incident nog niet beslist.

2.3.

De eis in de hoofdzaak is na vermeerdering – de vermeerdering vetgedrukt – als volgt:

I. voor recht te verklaren dat verweerders met het gebruik van de (handels)namen en/of de tekens ' [handelsnaam en/of tekens] ’, ' [handelsnaam en/of tekens] ', het [handelsnaam en/of tekens] , ' [handelsnaam en/of tekens] ' en: ' [handelsnaam en/of tekens] ' en/of van soortgelijke namen en/of tekens zoals omschreven in het lichaam van de procesinleiding, jegens eiseressen onrechtmatig handelen nu daarmee inbreuk wordt gemaakt op de handelsnaamrechten en/of de Benelux- en/of Uniemerken van eiseressen, althans dat anderszins sprake is van jegens eiseressen onrechtmatig handelen;

II. voor recht te verklaren dat verweerders met het gebruik van de in het lichaam van de procesinleiding omschreven foto's van eiseressen, jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld nu daarmee inbreuk is gemaakt op de auteursrechten van eiseressen, althans dat anderszins sprake is van jegens eiseressen onrechtmatig handelen;

III. voor recht te verklaren dat verweerders met de in het lichaam van de procesinleiding omschreven, wijze van reclame maken, jegens eiseressen onrechtmatig hebben gehandeld, nu dit kwalificeert als misleidende reclame, althans dat anderszins sprake is van jegens eiseressen onrechtmatig handelen;

IV. voor recht te verklaren dat verweerders [Gedaagde 1] (sub 1) en [Gedaagde 4] (sub 4) met het door hen gemaakte gebruik van de in het lichaam van de procesinleiding omschreven bedrijfswagen van eiseres [Eiser 1] (sub 1), jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, althans dat anderszins sprake is van jegens eiseressen onrechtmatig handelen;

V. voor recht te verklaren dat verweerders jegens eiseressen aansprakelijk zijn voor de door hen geleden en nog te lijden schade als gevolg van de inbreuk op hun merken- en/of handelsnaam- en/of auteursrechten, dan wel door het jegens eiseressen onrechtmatige handelen;

VI. voor recht te verklaren dat verweerders [Gedaagde 1] (sub 1), [Gedaagde 2] (sub 3) en [Gedaagde 4] (sub 4) jegens eiseres [Eiser 1] (sub 1) aansprakelijk zijn voor de door haar geleden schade, voortvloeiend uit het ongeoorloofde gebruik van de in het lichaam omschreven bedrijfswagen;

VII. voor recht te verklaren dat verweerders [Gedaagde 1] (sub 1) en [Gedaagde 4] (sub 4) jegens eiseressen dwangsommen hebben verbeurd op grond van de niet-naleving van het kort geding vonnis van de Rechtbank Gelderland van 24 oktober 2014, alsmede voor recht te verklaren dat deze dwangsommen een bedrag van € 250.000,- belopen, dan wel een door Uw Rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;

VIII. verweerders te gebieden met onmiddellijke ingang ieder gebruik van de Beneluxmerken ' [Beneluxmerk] ' ( [omschrijving] ), het woord/beeldmerk ' [Beneluxmerk] ' ( [omschrijving] ) en het [Beneluxmerk] ( [omschrijving] ), en/of van soortgelijke tekens die inbreuk maken op deze merken te staken en gestaakt te houden;

IX. verweerders te gebieden met onmiddellijke ingang ieder gebruik van de Uniemerken, bestaande uit het [uniemerk] ( [omschrijving] ) en het woord/beeldmerk ' [uniemerk] ' ( [omschrijving] ), en/of van soortgelijke tekens die inbreuk maken op deze merken te staken en gestaakt te houden;

X. verweerders te gebieden met onmiddellijke ingang ieder gebruik van de handelsnamen ' [handelsnaam] en ' [handelsnaam] ', of daarvan slechts in geringe mate afwijkende handelsnamen, te staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen maar niet beperkt tot ieder gebruik van de handelsnaam ' [handelsnaam] ';

XI. verweerders te gebieden met onmiddellijke ingang alle in het lichaam van de procesinleiding en onderhavige akte omschreven vormen van oneerlijke handelspraktijken waaronder mede begrepen alle onrechtmatige misleidende reclame en/of mededelingen te staken en gestaakt te houden, waaronder in ieder geval wordt begrepen het staken en gestaakt houden van het openbaar (laten) maken van mededelingen waarom wordt gesteld en/of gesuggereerd dat gedaagde [Gedaagde 2] (sub 3) een 'Erkend Vochtexpert' is volgens de Stichting Erkende Vochtexperts en/of waarbij gebruik gemaakt wordt van het in deze akte omschreven logo van de Stichting Erkende Vochtexperts;

XII. verweerders te gebieden met onmiddellijke ingang de openbaarmaking en/of verveelvoudiging van de auteursrechtelijke werken van eiseres [Eiser 1] (sub 1) zoals in het lichaam van de procesinleiding omschreven, alsmede iedere ongeoorloofde bewerking hiervan, te staken en gestaakt te houden;

XIII. verweerders te bevelen aan eiseressen ten titel van dwangsom te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per overtreding van één van de hiervoor onder VIII tot en met XII genoemde geboden, dan wel, naar keuze van eiseressen, voor iedere dag of dagdeel dat gedaagde in strijd handelt met enig bovengenoemd gebod, of enig gedeelte daarvan;

XIV. verweerders [Gedaagde 1] (sub 1), [Gedaagde 2] (sub 3) en [Gedaagde 4] (sub 4) hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres [Eiser 1] (sub 1) als gevolg van het door verweerders sub 1, 3 en 4 ten onrechte en zonder toestemming van eiseressen in de periode tussen 2013 en 2018 gemaakte gebruik van de in het lichaam van de procesinleiding omschreven bedrijfswagen, waaronder onder meer de hiervoor gemaakte kosten; Deze kosten worden door eiseressen begroot op een bedrag van € 15.233,70 (zegge: vijftienduizendtweehonderddrieëndertig euro en zeventig eurocent, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening;

XV. verweerders [Gedaagde 1] (sub 1) en [Gedaagde 4] (sub 4) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250.000,- (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro) aan verbeurde dwangsommen, als gevolg van het niet tijdig en/of volledig naleven van het kort geding vonnis van 24 oktober 2014 (zaak- en rolnummer C1051270165 I KG ZA 14-466), dan wel een door Uw Rechtbank in goede justitie te betalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening;

XVI. verweerders hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, ter vergoeding van de door eiseressen geleden schade als gevolg van de inbreuk op de aan hen toekomende merken- en/of handelsnaam- en/of auteursrechten en/of op grond van het jegens hen onrechtmatige handelen zoals in het lichaam van de procesinleiding omschreven, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening;

XVII. verweerders te veroordelen binnen 14 (veertien) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan eiseressen kopieën te verstrekken van alle bescheiden zoals omschreven in het lichaam van de procesinleiding, althans van dat gedeelte van de omschreven bescheiden dat Uw Rechtbank in goede justitie bepaalt, in een gangbare digitale en bruikbare vorm;

XVIII. verweerders te bevelen aan eiseressen ten titel van dwangsom te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per dag of dagdeel dat gedaagde nalaat de hiervoor onder XVII genoemde veroordeling, of enig gedeelte daarvan, na te leven;

XIX. verweerders te veroordelen binnen 3 (drie) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis voor de duur van 3 (drie) maanden vanaf de eerste dag van plaatsing de navolgende mededeling te plaatsen in een goed leesbaar lettertype tegen een witte achtergrond, op het zonder te scrollen - zowel via een desktopscherm, een laptop, tablet alsook smartphone - direct zichtbaar deel van de homepagina van de website http:// [Gedaagde 2] .nl:

Geachte bezoeker,

Wij wijzen u erop dat het door ons via deze website onder de naam [Gedaagde 2] aangeboden vochtbestrijdingssysteem afwijkt van het in de jaren zeventig ontwikkelde [Naam systeem] van [naam] .

Dit betekent dat [Gedaagde 2] ook niet dezelfde garanties en kwaliteit biedt als het [Naam systeem] en dat de klantervaringen met het [Naam systeem] geen relevantie hebben voor het [Gedaagde 2] systeem. Tussen de personen achter [Gedaagde 2] en het [Naam systeem] bestaat daarnaast geen enkele zakelijke relatie.

Nu er door [Gedaagde 2] en haar oprichters op onrechtmatige wijze getracht is te profiteren van de bekendheid en goede reputatie van het [Naam systeem] en wij derhalve het gevaar van verwarring bij (potentiële) klanten hebben veroorzaakt, heeft de Rechtbank Gelderland ons veroordeeld tot het plaatsen van deze tekst, waarmee beoogd wordt iedere verdere verwarring in de toekomst te voorkomen.

[naam directeur/oprichter]

Directeuren/oprichters [Gedaagde 2]

gedaagden te veroordelen binnen 7 (zeven) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis opgave te hebben gedaan aan eiseressen van alle ondernemingen die zijn aangesloten bij de Stichting Erkende Vochtexperts;

verweerders te bevelen aan eiseressen ten titel van dwangsom te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per dag of dagdeel dat gedaagde nalaat de hiervoor onder XIX en XX genoemde veroordelingen, of enig gedeelte daarvan, na te leven;

verweerders ex artikel 1019h Rv te veroordelen in de volledige proceskosten, waaronder de volledige door eiseres in het kader van het geding gemaakte kosten van rechtsbijstand conform de specificaties die als productie in het geding zullen worden gebracht, alsook in de nakosten.

2.4.

De grondslag van de vermeerderde deel van de eis is, kort gezegd, gelegen in een door eiseressen gesteld onrechtmatig handelen van gedaagden jegens onder meer eiseressen, door gebruik te maken van een vals keurmerk voor de vochtbestrijdingsbranche, waarmee gedaagden zich volgens eiseressen schuldig maken aan het voeren van een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193b lid 2 onder a BW en artikel 6:193g onder b BW.

2.5.

De niet gewijzigde tegenvordering in de hoofdzaak van gedaagden (eisers in het incident) is als volgt:

i) de Benelux merkregistraties met nummers [nummer] en [nummer] vervallen te verklaren wegens niet normaal gebruik met veroordeling van gedaagden in de proceskosten ex artikel 1019h Rv;

ii) voor recht te verklaren dat er nog altijd een arbeidsovereenkomst tussen [Gedaagde 4] en [Eiser 1] bestaat;

iii) voor recht te verklaren dat [Eiser 1] aan [Gedaagde 4] uit hoofde van die arbeidsovereenkomst ook vanaf mei 2012 salaris en vakantietoeslag had dienen te betalen;

iv) [Eiser 1] te veroordelen om binnen 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis, aan [Gedaagde 4] een bedrag ad € 191.490,60 bruto aan achterstallig salaris en vakantietoeslag te betalen, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

v) [Eiser 1] te veroordelen om binnen 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis, aan [Gedaagde 4] de wettelijke rente over het achterstallig salaris en vakantietoeslag te betalen;

vi) [Eiser 1] te veroordelen om binnen 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis, aan [Gedaagde 4] een bedrag ad € 103.404,92 bruto aan wettelijke verhoging te betalen, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

vii) [Eiser 1] te veroordelen om binnen 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis, aan [Gedaagde 4] de wettelijke rente over de wettelijke verhoging te betalen;

viii) [Eiser 1] te veroordelen om aan [Gedaagde 4] het salaris ad € 3.191,51 bruto per maand, verhoogd met 8% vakantietoeslag, te blijven betalen tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

ix) [Eiser 1] te veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [Gedaagde 4] alsmede de nakosten.

2.6.

Gedaagden (eisers in het incident) leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de daarin vermelde merken zijn vervallen en [Gedaagde 4] aanspraak kan maken op betalingen uit hoofde van een arbeidsovereenkomst omdat deze nog niet rechtsgeldig is beëindigd.

2.7.

In het tussenvonnis in het incident heeft de rechtbank overwogen dat de zaak kan worden verwezen naar de rechtbank in zoverre het gaat om vorderingen die betrekking hebben op Uniemerken. Voor de andere vorderingen, die onder meer gegrond zijn of verband houden met (gestelde inbreuken) op Benelux-merken, beweerde misleidende vermeldingen en een beweerdelijk niet voldoen aan de veroordelingen in het kort-gedingvonnis van 24 oktober 2014, lijkt dit verband minder evident, reden waarom partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover in een nadere akte uit te laten. Verder heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen dat een deel van de vorderingen betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst en daarom ex artikel 93 onder c Rv verwijzing zou moeten plaatsvinden naar de sector kanton. Ook daarover konden partijen zich in een nadere akte uitlaten.

2.8.

Uit de daarna door partijen genomen aktes blijken hun volgende, uiteenlopende, standpunten.

2.9.

Gedaagden (eisers in het incident) vinden dat de zaak alleen voor de vorderingen die gebaseerd zijn op de Uniemerken naar de rechtbank Den Haag zou moeten worden verwezen. De andere vorderingen laten zich zelfstandig beoordelen en kunnen bij de rechtbank Gelderland blijven, met uitzondering van de in reconventie ingestelde arbeidsrechtelijke vorderingen, waarvoor verwijzing naar de sector kanton van de rechtbank Gelderland moet plaatsvinden. Bij het laatste staan gedaagden (eisers in het incident) een directe (terug)verwijzing naar de (handelskamer van de) rechtbank voor opdat de aldaar behandelend rechter van het niet verwezen deel van de zaak ook over dat arbeidsrechtelijke deel kan oordelen, alsdan als plaatsvervangend kantonrechter. Hiermee wordt voorkomen dat een kantonrechter zich volledig moet inlezen in de kwestie en een nieuwe procedure moet worden gestart met daarbij komende kosten, aldus nog steeds gedaagden (eisers in het incident).

2.10.

Eiseressen (verweersters in het incident) willen een algehele verwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag. Volgens hen bestaat er een risico op tegenstrijdige uitspraken als slechts een deel van de zaak wordt verwezen. Daardoor zouden executieproblemen kunnen ontstaan. Daarnaast is voor een deel van de vorderingen niet duidelijk te onderscheiden of deze meer bij de Uniemerken thuishoort dan wel de Benelux-merken. Wat betreft de arbeidsrechtelijke vorderingen bepleiten zij een niet-ontvankelijkheid van gedaagden (eisers in het incident). Volgens hen is een afsplitsing van dat arbeidsrechtelijke deel niet mogelijk. Zij menen dat gedaagden (eisers in het incident) voor hun arbeidsrechtelijke vorderingen een afzonderlijke, nieuwe, procedure bij de kantonrechter moeten beginnen.

2.11.

De beoordeling is nu als volgt.

2.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat zowel de rechtbank Den Haag als de rechtbank Gelderland onbevoegd is om van alle vorderingen in de zaak (conventie en reconventie) kennis te nemen. Evenmin is in geschil dat (in beginsel) de kantonrechter van de rechtbank Gelderland bevoegd is om van de arbeidsrechtelijke vorderingen kennis te nemen. De vraag die voorligt is dan ook niet óf, maar hóe de zaak moet worden gesplitst en welke verwijzing(en) moet(en) plaats vinden.

2.13.

In het vonnis van 8 januari 2020 is in r.o. 4.1. en r.o. 4.3. overwogen dat de incidentele vordering tot verwijzing (van het onder IX gevorderde) toewijsbaar is en dat er tussen het gevorderde onder IX een verband bestaat met het gevorderde onder I, V, XIII, XVI en XXI. De rechtbank heeft verder (vooralsnog) overwogen – en daarmee toen nog niet beslist - dat bij alle andere vorderingen het verband met de Uniemerken minder evident lijkt. Die overweging is ingegeven door de enkele omstandigheid dat de (vervolgens in diezelfde rechtsoverweging door de rechtbank) genoemde onderwerpen geen betrekking hebben op Uniemerken. Daarmee is, anders dan eiseressen (verweersters in het incident) aanvoeren de overweging in redelijkheid begrijpelijk. Dat laat echter onverlet dat eiseressen (verweersters in het incident) liever een algehele verwijzing willen, hetgeen zij, naar de rechtbank begrijpt, in hun akte zo naar voren hebben willen brengen.

2.14.

In de zaak staan met name de volgende woord-/beeldmerkelementen centraal:

‘ [woord-/beeldmerkelement] ’; ‘ [woord-/beeldmerkelement] ’; ‘ [woord-/beeldmerkelement] ’; ‘ [woord-/beeldmerkelement] ’ en ‘ [woord-/beeldmerkelement] ’. Deze elementen zijn als zodanig of in een bepaalde combinatie Uniemerken, Beneluxmerken en/of handelsnamen.

2.15.

In de zaak kan verder een aantal onderwerpen worden onderscheiden waarop nagenoeg alle initiële vorderingen van eiseressen en de vorderingen i) en ix) van gedaagden (eisers in het incident) betrekking hebben: Uniemerken; Beneluxmerken; handelsnamen; auteursrechten; misleidende reclame; dwangsommen (in samenhang met het vonnis van 24 oktober 2014). Elk onderwerp heeft op meer dan één vordering betrekking én op veel van de vorderingen hebben meerdere onderwerpen betrekking.

2.16.

Gelet op het voorgaande is het aanbrengen van een (processueel) onderscheid tussen hetzij bepaalde vorderingen hetzij bepaalde onderwerpen, indien al mogelijk, niet doelmatig. Er bestaat tussen de hiervoor bedoelde vorderingen, ondanks onderlinge verschillen, een dusdanige onderlinge samenhang dat deze een gezamenlijke behandeling en beoordeling door één en dezelfde rechter vergen. De betrokken belangen – waaronder het belang van een goede en duidelijke procesorde – worden daarmee het best gediend, gelet op met name de beperking van het risico van tegenstrijdige uitspraken en mogelijk daaruit voortvloeiende executieproblemen. Hier komt bij dat ook gedaagden in hun akte hebben aangegeven dat ook zij vanuit een proceseconomisch oogpunt een gezamenlijke behandeling van alle vorderingen voorstaan. Hoewel dat deel van hun akte kennelijk alleen was gericht op een door hen voorgestane gezamenlijke behandeling van de arbeidsrechtelijke vorderingen met de resterende, niet op Uniemerken betrekking hebbende, vorderingen valt niet in te zien waarom hetzelfde niet zou gelden voor een gezamenlijke behandeling van die laatste vorderingen met de vorderingen die op de Uniemerken betrekking hebben.

2.17.

Het voorgaande leidt ertoe dat de zaak wat betreft de vorderingen in conventie

I – III, V, VII - XIII, XV- XXII en de vorderingen in reconventie onder i) en ix) naar de rechtbank Den Haag zal worden verwezen.

2.18.

De conventionele vorderingen IV, VI, XIV en, in zoverre daarop betrekking hebbend, XVI en de reconventionele vorderingen onder ii) – viii) en, in zoverre daarop betrekking hebbend, ix) zijn gegrond of houden verband met een beweerde arbeidsovereenkomst. Deze zullen ex artikel 93 onder c Rv naar de kantonrechter van de rechtbank Gelderland worden verwezen. Anders dan eiseressen (verweerders in het incident) stellen, staat artikel 93 onder c Rv niet in de weg aan een splitsing van de zaak in deze zin. In dat verband wordt verwezen naar de artikelen 71 lid 2, 94 lid 2 en 138 lid 2 Rv, op grond waarvan splitsing en verwijzing kan plaats vinden, ongeacht het vorderingen in conventie of reconventie betreft.

2.19.

Met de voorgaande verwijzingen blijven er geen vorderingen meer bij de handelskamer van deze rechtbank. Reeds daarom is er geen reden voor een directe terugverwijzing van het arbeidsrechtelijke deel van de zaak, zoals door gedaagden (eisers in het incident) voorgesteld. Overigens zou het bepaalde in artikel 71 lid 5 Rv tweede volzin, aan een dergelijke terugverwijzing in de weg staan.

2.20.

Omdat beide partijen in het incident deels in het (on)gelijk worden gesteld, zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

in het incident en in de hoofdzaak

3.1.

verwijst de zaak in zoverre het betreft de vorderingen (conventie) I – III, V, VII, XIII, XV- XXII en de tegenvorderingen (reconventie) onder i) en ix) in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Den Haag,

3.2.

wijst partijen in dat verband op het bepaalde in artikel 221 Rv,

3.3.

verwijst de zaak in zoverre het betreft de vorderingen (conventie) IV, VI, XIV en in zoverre daarop betrekking hebbend XVI, alsmede de reconventionele vorderingen onder ii) – viii) en in zoverre daarop betrekking hebbend ix) in de stand waarin deze zich bevindt naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, zittingslocatie Arnhem, en wel naar de rolzitting van woensdag 8 april 2020 om 10:00 uur.

3.4.

wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,

3.5.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure bij de kamer van kantonzaken niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook in persoon of bij gemachtigde kunnen verschijnen,

3.6.

wijst partijen erop dat in het kader van deze procedure bij de kamer van kantonzaken opnieuw griffierecht kan worden geheven,

3.7.

verstaat dat over de (toelaatbaarheid van de) vermeerdering van eis in de hoofdzaak nog niet is beslist,

3.8.

compenseert de proceskosten in het incident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.