Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2439

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
C/05/367117 / FA RK 20-620
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf ex art. 24 e.v. Wzd. De advocaat van cliënte stelt dat er sprake is van een termijnoverschrijding ex art. 26 lid 1 Wzd nu het CIZ niet binnen drie weken na de dag van verzending van de aanvraag, bedoeld in art. 25 lid 1 Wzd, bij de rechter een verzoek tot het verlenen van een machtiging heeft gedaan. De wetgever heeft aan deze termijnoverschrijding evenwel geen sanctie verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Zaakgegevens: C/05/367117 / FA RK 20-620

Datum mondelinge uitspraak: 19 maart 2020

Beschikking rechterlijke machtiging tot opname en verblijf Wzd

inzake

het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd), ten aanzien van:

[cliënte] ,

geboren op [geboortedag] 1930 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] aan de [adres] ,

hierna te noemen: cliënte,

advocaat: mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes te Heumen.

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op

2 maart 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft bij cliënte thuis plaatsgevonden op 13 maart 2020 en op 19 maart 2020 heeft een aanvullende behandeling plaatsgevonden. Vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 was de laatste behandeling telefonisch.

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling op 13 maart 2020 waren aanwezig en zijn gehoord:

  • -

    cliënte, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mw. [naam 1] , mentor;

  • -

    dhr. [naam 2] , klinisch psycholoog verbonden aan [instelling] .

Tijdens de mondelinge behandeling op 19 maart 2020 zijn telefonisch gehoord:

- cliënte, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mw. [naam 3] , wijkverpleegkundige verbonden aan [begeleidingstraject] ;

  • -

    mw. [naam 4] , spv-er verbonden aan [instelling] .

2 Beoordeling

2.1.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënte lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten een dementieel beeld mogelijk met een vasculaire oorsprong dan wel een Lewy Body dementie, mogelijk met een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan.

2.2.

De mentor heeft aangegeven dat cliënte tijdens het bezoek van het CIZ op 11 februari 2020 nog leed aan een ernstige waan. Zij was erg angstig en achterdochtig en hoorde stemmen. Op dit moment heeft cliënte geen waangedachten.

2.3.

De klinisch psycholoog heeft verklaard dat het in de afgelopen periode goed is gegaan met cliënte. Het is de klinisch psycholoog opgevallen dat ze probleemloos boodschappen doet en zelf kookt. Als cliënte geen overlast meer in haar buurt veroorzaakt en als zij thuiszorg toelaat, kan ze – wat de klinisch psycholoog betreft - thuis blijven wonen en is opname in een accommodatie niet nodig. De klinisch psycholoog heeft daarbij aangegeven dat hij op dit punt geen recente informatie heeft. Hij weet niet wat op dit moment de stand van zaken is bij het toelaten van de thuiszorg en wat de zorgverleners in de afgelopen periode bij cliënte hebben waargenomen.

2.4.

De wijkverpleegkundige heeft aangegeven dat bij cliënte sprake is van een ander toestandsbeeld dan in begin december 2019 het geval is geweest. De psychotische ontregeling als gevolge van het dementieel beeld is niet meer voortdurend aanwezig. Cliënte hoort nog wel eens stemmen maar zij is sneller rustig en minder geagiteerd.

2.5.

De spv-er heeft verklaard dat ook zij in de afgelopen weken een ander beeld bij cliënt heeft waargenomen. Cliënte is rustiger en laat zorg weer toe.

2.6.

Cliënte heeft zelf aangegeven dat zij zich goed voelt. Zij is erg zelfstandig in het huishouden waarbij zij onder meer zelf wast, strijkt en kookt. Daarnaast zorgt zij goed voor haar geliefde vogels. Ze laat de zorg toe die nodig is. Ze woont inmiddels 63 jaar in de huidige woning en wil daar niet weg. Ze beaamt dat ze een tijd angstig is geweest maar dat is nu niet meer het geval. De advocaat van cliënte voert verweer tegen het verzoek. Er is sprake van een termijnoverschrijding ex art. 26 lid 1 Wzd nu het CIZ niet binnen drie weken na de dag van verzending van de aanvraag, bedoeld in art. 25 lid 1 Wzd, bij de rechter een verzoek tot het verlenen van een machtiging heeft gedaan. Tussen de verzending van de aanvraag (28 januari 2020) en het verzoek tot het verlenen van een machtiging (2 maart 2020) is immers een periode van meer dan drie weken verstreken. Gelet op het voorgaande stelt de advocaat van cliënt zich primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Subsidiair stelt de advocaat van cliënte zich op het standpunt dat er geen sprake is van ernstig nadeel en dient ook hierdoor het verzoek te worden afgewezen. In de afgelopen periode is het goed gegaan met cliënt en voelt zij zich ook goed. Er is sprake van een verbeterd toestandsbeeld dat bevestigd wordt door de diverse behandelaren en zorgverleners.

2.7.

In onderhavige zaak staat niet ter discussie dat het CIZ bij het indienen van het verzoek de wettelijke termijn als genoemd in art. 26 lid 1 Wzd heeft overschreden. Maar de rechtbank deelt de zienswijze van de advocaat niet, dat dit tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden. De wetgever lijkt deze termijn in de wet te hebben opgenomen mede om ervoor te zorgen dat de informatie op grond waarvan de rechtbank moet beslissen, actueel is. De wetgever heeft aan deze termijnoverschrijding evenwel geen sanctie verbonden. De rechtbank constateert dat cliënte door de termijnoverschrijding niet in haar belangen is geschaad, nu bij de tweede mondelinge behandeling aanvullend over de actuele toestand van cliënte is gerapporteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van cliënte dat voortvloeit uit voornoemde aandoening niet leidt tot ernstig nadeel. Ter zitting is gebleken dat het momenteel goed gaat met cliënte en dat nog slechts sprake is van geringe psychotische ontregeling ten gevolge van het dementieel beeld. De toestand van cliënte is sterk verbeterd. Ze is coherent en adequaat en ze heeft aangegeven dat ze zich goed voelt en daarnaast goed en voldoende zelfstandig functioneert met hulp van onder meer de thuiszorg en haar mentor. De rechtbank heeft daar ook vertrouwen in.

2.8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de criteria voor een machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De rechtbank wijst het verzoek af.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2020 door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, rechter, in tegenwoordigheid van D.M.J. Schoolderman, griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 maart 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.