Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2399

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7141
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

caravanstalling in kassencomplex. Strijd met het bestemmingsplan. College van burgemeester en wethouders zijn bevoegd handhavend op te treden. Geen sprake van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. Beroepen zijn ongegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/5664 en 19/5671 (beroepen) en 19/7138 en 19/7141 (voorlopige voorzieningen)

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de geschillen tussen

[eisers] , (19/5664 en 19/7141)

[eisers] , (19/5671 en 19/7138)
beiden te [woonplaats] ,

eisers,

(gemachtigde: mr. I.E. Nauta),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard te Bemmel, verweerder.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 21 december 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder eisers een last onder dwangsom opgelegd. Bij afzonderlijke besluiten van 10 april 2018 heeft verweerder het tegen deze besluiten ingediende bezwaar ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn om aan de last te voldoen verlengd tot en met 31 augustus 2018. De hiertegen ingediende beroepen zijn door deze rechtbank bij uitspraak van 17 juli 2018 ongegrond verklaard (AWB 18/2647).

Bij uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard, en heeft zij de uitspraak van de rechtbank van 17 juli 2018 en de besluiten op bezwaar van 10 april 2018 vernietigd.1

Bij separate besluiten van 27 augustus 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder opnieuw op de bezwaren van eisers beslist, de bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 21 december 2017 in stand gelaten. Hierbij heeft verweerder de begunstigingstermijn om aan de last te voldoen bepaald op 1 maart 2020.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door zowel hun gemachtigde als hun adviseur [adviseur] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigden T.J.E. Lodders LL.B en E.P.H. Weijde.

Bij besluit van 18 februari 2020, verzonden 25 februari 2020, heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot 1 juli 2020.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.

Inleiding

2. Eisers exploiteren beiden een glastuinbedrijf in [woonplaats] , [eisers] aan de

[locatie] in [woonplaats] en [eisers] aan de [locatie].

[eisers] gebruikt zijn kassen voor het telen van gewassen, zoals sperziebonen, basilicum, dille en munt, voor de restaurantketen [bedrijf] , en voor het stallen van caravans. [eisers] heeft 1 hectare aan kassen waarvan hij 30 á 40% gebruikt voor teelt en 50% voor caravanstalling. Het resterende deel staat leeg. [eisers] teelt in zijn kassen paprika’s, komkommers en spinazie voor zaadveredelaar [bedrijf] (thans [bedrijf] ), en stalt daarnaast ook caravans. [eisers] heeft 1,5 hectare aan kassen, waarvan hij 40% gebruikt voor teelt en 60% voor caravanstalling. Naar eigen zeggen zijn eisers voor hun inkomen geheel of grotendeels afhankelijk van de caravanstalling aangezien de teelt nog niet ( [eisers] ) of nauwelijks ( [eisers] ) kostendekkend is.

Vanaf de jaren ’90 worden van overheidswege plannen ontwikkeld voor de herontwikkeling van het gebied tussen Huissen en Bemmel ten behoeve van grootschalige glastuinbouw. In de Structuurvisie 2012 is dit gebied onderverdeeld in een glastuinbouwconcentratiegebied en een glastuinbouwintensiveringsgebied. Het gebied de [locatie] is in het provinciale beleid aangewezen als glastuinbouwintensiveringsgebied. In 2017 hebben de provincie en de gemeente Lingewaard de samenwerkingsovereenkomst ‘[bedrijf]’ gesloten. Deze overeenkomst is gericht op het verbeteren van de toekomstmogelijkheden (marktpositie, innovatie, duurzaamheid) voor de glastuinbouw en regelt tevens subsidiemogelijkheden. In het kader van deze samenwerkingsovereenkomst heeft de gemeente in juli 2017 voor de kleinschalige glastuinbouwbedrijven met leegstaande kassen op de [locatie] het innovatieve project Living Lab gestart. Het doel van dit project is het behoud en het voortbestaan van de kleinschalige glastuinbouwbedrijven. Dit wordt bereikt door de telers te begeleiden in een transitie naar het kweken van nieuwe producten. Eisers werken mee aan dit project (o.a. door de teelt van komkommers, paprika’s en spinazie en de teelt van onder meer sperziebonen in het kader van het project ‘korte keten glastuinbouw’). Onder leiding van de gemeente is de werkgroep De [locatie] geformeerd, waarin de voortgang in de ontwikkelingen van de innovatieve teelten wordt besproken.

In het coalitieprogramma ‘Samen bouwen aan Lingewaard’ 2018-2022 wordt beschreven dat [bedrijf] voor de [locatie] wordt uitgevoerd. Ook wordt beschreven dat nog eens goed zal worden gekeken naar de herstructurering in de gebieden [locatie] en een deel van de Leutse Leigraaf en dat zal worden overlegd met de provincie of er ook andere mogelijkheden zijn.

In het College Uitvoeringsprogramma 2018-2022 wordt beschreven hoe zij dit gaan uitvoeren:

Aanpak :Verkenning ontwikkelingsrichtingen welke op de langere termijn kansrijk zijn. Afhankelijk van de uitkomsten wordt beoordeeld of een actualisatie van de visie nodig is.

Resultaat: Nieuwe visie op herstructurering van deze tuinbouwgebieden

Planning:

2018: Verkennen ontwikkelingsrichtingen; 2019: Zo nodig actualiseren visie.

Besluitvorming

3. Bij besluiten van 21 december 2017 is aan eisers een last onder dwangsom opgelegd om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik te staken en gestaakt te houden. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1752 het hoger beroep tegen deze besluiten gegrond verklaard en geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op het betoog over de evenredigheid van het handhavend optreden (rechtsoverweging 5.1). De begunstigingstermijn is door verweerder verlengd tot 1 juli 2020.

4. In de beslissing van 27 augustus 2019 heeft verweerder opnieuw op de bezwaren beslist.

Bevoegdheid van het college

5. Niet in geschil is dat stalling van caravans in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Verweerder is daarom bevoegd om handhavend op te treden.

Beginselplicht tot handhaving

6. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7. Eisers stellen dat verweerder wegens de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden ten onrechte niet van handhaving heeft afgezien.

Vertrouwensbeginsel

7.1

Eisers betogen in de eerste plaats dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel.

Verweerder was ervan op de hoogte dat zij nog onvoldoende inkomsten konden genereren uit het telen van gewassen. Wethouder [wethouder] heeft gezegd dat de handhaving ’on hold’ gezet zal worden/tot vijf voor twaalf gewijzigd kan worden als [locatie]/[bedrijf] telers ervoor tekenen dat zij zich samen met de gemeente blijven inzetten voor een transitie en gaan telen voor respectievelijk [bedrijf] en [bedrijf] . Eisers zouden niet in de projecten hebben geïnvesteerd en subsidie hebben aangevraagd, als zij hadden geweten dat verweerder toch zou gaan handhaven. Verder stellen eisers dat tijdens het overleg van juli 2017 over het project Living Lab toezeggingen zijn gedaan namens verweerder, dat een-op-een gesprekken zouden worden gehouden met de telers waarin zou worden nagegaan hoe de handhaving zich verhoudt tot hun deelname aan dit project. Omdat deze gesprekken niet hebben plaatsgevonden en het project werd doorgezet, is de verwachting gewekt dat niet meer zou worden gehandhaafd. Deze verwachting werd versterkt door de subsidieaanvraag die verweerder in december 2017 heeft gedaan bij de provincie Gelderland voor de realisatie van het project Korte Keten. Verder heeft ook het overleg van 19 december 2018 over de kwestie [bedrijf] bijgedragen aan deze verwachting. Hiervoor wijzen eisers op het gespreksverslag van dit overleg waarin gemaakte afspraken zijn opgenomen tussen, onder meer, eisers en de gemeente en de e-mail van 22 februari 2019 waarin dit verslag is aangevuld. Gelet op deze gebeurtenissen stellen eisers dat bij hen de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat verweerder niet zou handhaven tegen de caravanstalling.

7.2

Voor de bespreking van een beroep op het vertrouwensbeginsel hanteert de Afdeling een stappenplan2. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating of gedraging waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Doorgaans zal de uitlating en/of gedraging door een ambtenaar worden gedaan of verricht, maar dit kan ook door anderen gebeuren, bijvoorbeeld een wethouder of derden, die door het bestuursorgaan worden ingeschakeld. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die betreft de belangenafweging. In het kader daarvan moet de vraag worden beantwoord of geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.

7.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het geval van eisers niet is gebleken van een dergelijke toezegging. Niet is gebleken dat de wethouders [wethouder] (verantwoordelijk voor economische zaken) en [wethouder] (verantwoordelijk voor glastuinbouw) uitlatingen hebben gedaan die bij eisers redelijkerwijs de indruk hebben kunnen wekken van een welbewuste standpuntbepaling van verweerder om in het geval van eisers geen gebruik te zullen maken van zijn handhavingsbevoegdheid. Verder is niet gebleken dat tijdens het overleg van juli 2017, waarin is gesproken over het project Living Lab, rechtens relevante toezeggingen zijn gedaan. Ook hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat tijdens het overleg van 19 december 2018 over de kwestie [bedrijf] rechtens relevante toezeggingen zijn gedaan door wethouder [wethouder] . Uit het gespreksverslag van dit overleg blijkt enkel dat één van de telers zijn ongenoegen heeft geuit over het gestarte handhavingstraject. Verder komt uit de door de telers gewenste aanvulling op dit verslag, zoals opgenomen in de e-mail van 22 februari 2019, naar voren dat wethouder [wethouder] heeft aangegeven dat initiatieven en inspanningen van telers die zijn gericht op het vinden van alternatieven voor de caravanstalling, tot vijf-voor-twaalf een rol zouden kunnen spelen bij het toepassen van het handhavingsbeleid. Nog los van het feit dat deze voorgestelde aanvulling van het gespreksverslag tijdens een volgende bijeenkomst met de werkgroep zou worden besproken, en niet is gebleken dat die aanvulling is overgenomen, en de omstandigheid dat verweerder deze uitlating betwist, blijkt uit deze beweerdelijke uitlating hooguit dat mogelijk sprake zou kunnen zijn van (verder) uitstel maar niet van afstel.

Ook is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken van gedragingen die als een toezegging in de in 7.2 genoemde zin kunnen worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat verweerder eisers in de loop der jaren heeft willen ondersteunen in hun pogingen om de caravanstalling af te bouwen en daarvoor in de plaats alternatieve teelten te beproeven waarmee eisers voldoende inkomsten zouden kunnen genereren. Verweerder heeft daartoe allerlei innovatieve projecten gestimuleerd dan wel toegejuicht, met telers samengewerkt en subsidie(s) aangevraagd. Daaruit kan echter redelijkerwijs niet worden afgeleid dat verweerder de illegale caravanstalling voor onbepaalde tijd zou blijven gedogen en zou afzien van zijn bevoegdheid om tot handhaving over te gaan.

Voor zover eisers hebben willen stellen dat het jarenlange gedogen van de caravanstalling op zichzelf al een gedraging is die kan worden gekwalificeerd als een rechtens relevante toezegging, wordt overwogen dat het vaste rechtspraak is dat uit de enkele omstandigheid dat wordt gedoogd niet kan worden afgeleid dat in het geheel niet meer zal worden gehandhaafd.3 Verweerder heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel dan ook terecht verworpen. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.

Evenredigheid

7.4

Eisers betogen in de tweede plaats dat handhaving in dit concrete geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, althans dat verweerder zijn oordeel ten aanzien van de evenredigheid onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe stellen eisers dat verweerder hun belangen in de besluitvorming nog altijd onvoldoende heeft betrokken en het gebrek zoals door de Afdeling in de uitspraak van 29 mei 2019 is vastgesteld4, nog niet heeft geheeld. Eisers stellen dat zij in de afgelopen jaren stappen hebben gezet om alternatieve teelten te realiseren en investeringen hebben gedaan in diverse hoopgevende projecten die een economisch en maatschappelijk belang dienen. Zo hebben zij geïnvesteerd in de projecten Living Lab en Korte Keten. Om deze investeringen te kunnen doen zijn de inkomsten die eisers genereren met het stallen van caravans cruciaal. Dat eisers deze inkomsten nodig hebben voor het laten slagen van het project onderbouwen eisers met een document van A. Megens, deskundige op het gebied van procestechnologie. Indien de inkomsten uit de caravanstalling wegvallen, dan dreigt volgens eisers faillissement van hun bedrijf. Daarnaast wijzen eisers opnieuw op de verwachtingen die zijn gewekt door het handelen van de betrokken wethouders en de samenwerking van eisers met de gemeente rond de realisatie van bovengenoemde projecten. Verder stellen zij dat het niet reëel is om vast te blijven houden aan het bestemmingsplan. De [locatie] is volgens eisers ongeschikt voor herstructurering vanwege de verbrokkelde structuur van glastuinbouw en woningbouw. Ook verweerder heeft dit ingezien. In het collegeakkoord 2018 - 2022 heeft verweerder immers aangegeven in gesprek te willen gaan met de provincie Gelderland over een andere invulling van de [locatie]. Onduidelijk is waarom na jarenlang gedogen dit gesprek niet kan worden afgewacht. Eisers wijzen er verder op dat verweerder in het nabijgelegen gebied ’t Zand meewerkt aan de realisatie van woningbouw. Dit rechtvaardigt volgens hen ook een andere invulling van de [locatie]. Daarnaast zorgen de ontwikkelingen op ’t Zand ervoor dat de [locatie] wordt ingesloten door woonwijken. Ook stellen eisers dat uit de door hen overgelegde Aeriusberekening blijkt dat herstructurering en intensivering van glastuinbouw niet aan de orde kan zijn. Volgens eisers leidt de ingebruikname van alle kassen namelijk tot ontoelaatbare stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Eisers wijst in dit kader op de PAS-uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019.5 Verder stellen zij dat de ruimtelijke uitstraling van de caravanstalling minimaal is. Volgens eisers is ook nog van belang dat niet is gebleken dat derden zich verzetten tegen de caravanstalling en, indien dat wel het geval is, verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt welke derden zich daartegen verzetten en waarom hun belangen zwaarder wegen dan die van eisers.

7.5

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet onevenredig in hun belangen zijn geschaad. Hiervoor heeft verweerder van belang mogen achten dat al in 2011 en later opnieuw in 2018 in het handhavingsbeleid het bestrijden van illegale caravanstalling als prioriteit is benoemd. Ook heeft verweerder terecht bij de afweging betrokken dat vanaf 2011 al gesprekken lopen over de caravanstalling en verweerder sindsdien ruimschoots gelegenheid heeft geboden aan eisers om alternatieve inkomstenbronnen te ontwikkelen en tegelijkertijd de caravanstalling stapsgewijs af te bouwen, de afgelopen anderhalf jaar ook door het bieden van ruime begunstigingstermijnen. Dat dit tot op heden nog in onvoldoende mate is gelukt, en dat dit in ieder geval deels niet aan eisers kan worden toegerekend, betekent niet dat verweerder nog langer dient af te wachten of de hoopgevende ontwikkelingen voldoende vruchten gaan afwerpen. Zoals hiervoor reeds is overwogen hebben eisers er niet op mogen vertrouwen dat verweerder zou wachten met handhavend optreden totdat zij financieel niet meer afhankelijk zouden zijn van de caravanstalling. Dat eisers hebben besloten om investeringen te doen zonder dat zij een garantie hadden dat deze terugverdiend zouden kunnen worden, komt dan ook voor hun eigen risico. In dit verband acht de voorzieningenrechter verder nog van belang dat niet is gebleken dat eisers binnen afzienbare tijd niet meer afhankelijk zullen zijn van de inkomsten uit de caravanstalling. Op de zitting hebben eisers immers aangegeven dat de kassen te klein zijn om een rendabel glastuinbedrijf te kunnen exploiteren en dat het in ieder geval nog enige tijd duurt voordat zij voldoende inkomsten genereren uit het telen van gewassen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling6 dat ernstige financiële gevolgen die ontstaan voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, geen grond bieden voor het oordeel dat verweerder van handhaving dient af te zien. Ook de omstandigheid dat er algemene maatschappelijke belangen zijn gediend met het slagen van de betreffende projecten, betekent niet dat verweerder dit algemene belang had moeten laten prevaleren boven het algemene belang dat gediend is bij handhaving. Verweerder heeft daarom deugdelijk gemotiveerd waarom voldoende rekening is gehouden met de belangen van eisers en, vanwege genoemde omstandigheden, de rek er inmiddels uit is.

De stelling van eisers dat het gelet op diverse recente ontwikkelingen niet reëel is om vast te blijven houden aan de herstructurering, en het gelet op deze ontwikkelingen onevenredig is om tot handhaving over te gaan, volgt de voorzieningenrechter evenmin. Uitgangspunt is dat de beoordeling van een handhavingsbesluit ex tunc plaatsvindt, en dat de door eisers geschetste ontwikkelingen ten spijt het gemeentelijke en provinciale beleid vooralsnog ongewijzigd is. Het was ten tijde van het bestreden besluit maar ook ten tijde van de zitting nog te vroeg om te kunnen concluderen dat de huidige bestemming zal worden gewijzigd in woningbouw, zoals eisers lijken te verwachten. De enkele omstandigheid dat verweerder heeft nagedacht over de voortzetting van de herstructurering en hierover in gesprek wilde met de provincie Gelderland, maakt nog niet dat verweerder concrete plannen had om een andere invulling te geven aan de [locatie] waardoor het handhavend optreden moest worden opgeschort. Op zitting is verweerder op dit onderwerp bevraagd. Verweerder erkent dat in en om de [locatie] woningbouw plaatsvindt, maar dat uit ambtelijk onderzoek is gebleken dat er nog steeds voldoende ruimte bestaat voor de ontwikkeling van glastuinbouw. Verweerder heeft dan ook onderbouwd waarom is besloten om de herstructurering van de [locatie] (vooralsnog) voort te zetten.

De door eisers aangevoerde stikstofproblematiek hoefde voor verweerder niet tot een ander oordeel te leiden. Welke gevolgen de PAS-uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019 zullen hebben voor de toekomst van de [locatie] was ten tijde van de besluitvorming immers nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Tenslotte maakt de omstandigheid dat de ruimtelijke uitstraling van de caravanstalling volgens eisers gering is niet dat het hier zou gaan om een geringe overtreding. Zeker de helft van de oppervlakte aan kassen is immers in gebruik als caravanstalling. Er is derhalve sprake van een overtreding, en zelfs van een overtreding die volgens het handhavingsbeleid van verweerder prioriteit dient te krijgen.

Het betoog van eisers slaagt daarom niet.

8. Gelet op wat is overwogen, biedt hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten tot handhaving.

begunstigingstermijn

9. Eisers betogen verder nog dat de aan de last verbonden begunstigingstermijn onredelijk kort is. Zij hebben gezocht naar een vervangende bron van inkomsten, maar door de PAS-uitspraken is er een vacuüm ontstaan met veel onduidelijkheid. Teruggaan naar de ‘traditionele’ glastuinbouw is vanwege de uitstoot van stikstof uitgesloten en werpt een nieuw licht op de gewenste herstructurering. Eisers willen deel kunnen blijven nemen aan innovaties, zoals de Living-lab projecten. Om deelname te bekostigen hebben zij inkomsten nodig, die zij uit de caravanstalling halen. Bovendien kunnen zij de gesloten stallingscontracten niet op korte termijn beëindigen.

9.1

Verweerder heeft tijdens de zitting al aangegeven bereid te zijn om de begunstigingstermijn te verlengen tot 1 juli 2020, een datum waarop de meeste caravans sowieso al uit de stalling zullen zijn gehaald. Het daartoe strekkende besluit is na de zitting aan de rechtbank toegezonden.

9.2

De begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Anders wordt het een verkapt gedogen. Als de overtreder met derden duurovereenkomsten heeft gesloten hoeft daarmee geen rekening te worden gehouden bij het bepalen van die termijn.

In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gestelde begunstigingstermijn van een half jaar te kort is. Eisers hebben ruimschoots de tijd gekregen om de caravans te (laten) verwijderen en zodoende aan de last te voldoen. Nu verweerder de begunstigingstermijn verder heeft verruimd tot 1 juli 2020, bestaat er al helemaal geen aanleiding meer om te oordelen dat de begunstigingstermijn te kort is. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.

Nadere hoorplicht in bezwaar

10. Ten slotte betogen eisers dat zij ten onrechte niet opnieuw zijn gehoord door de bezwarencommissie.

10.1

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet een algemene verplichting is opgenomen tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, ter voldoening aan een uitspraak van – thans - de Afdeling, waarbij de eerdere beslissing op bezwaar is vernietigd. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden vóór het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar opnieuw te horen.7

10.2

Een dergelijke situatie doet zich hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 29 mei 2019 oordeelde is verweerder in de eerste beslissing op bezwaar ten onrechte niet ingegaan op het betoog van eisers over de evenredigheid van het handhavend optreden. De door eisers beschreven gang van zaken rondom de gewenste herstructurering en hun deelname aan het Living-lab, waarbij ook verweerder is betroken, waren niet betwist. Gelet hierop en nu in het besluit op bezwaar niet kenbaar was afgewogen hoe deze belangen zijn betrokken bij de besluitvorming, was het besluit op bezwaar in zoverre onvoldoende gemotiveerd, aldus de Afdeling.
Juist vanwege deze overweging van de Afdeling en de voortgaande ontwikkelingen rondom het glastuinbouwgebied had verweerder eisers zorgvuldigheidshalve opnieuw moeten horen alvorens een beslissing op bezwaar te nemen. Zij zijn ook niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het betoog slaagt. De bestreden besluiten zijn in zoverre onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en komen om die reden voor vernietiging in aanmerking.

10.3

De voorzieningenrechter ziet evenwel aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat eisers thans in beroep hun standpunten uitgebreid nader hebben kunnen toelichten en dat verweerder gemotiveerd verweer heeft gevoerd. De voorzieningenrechter heeft deze standpunten ter zitting ook uitgebreid besproken en bij de beoordeling betrokken. Voor een nieuwe bezwaarprocedure is daarom geen aanleiding. Dat zou enkel tot een herhaling van zetten leiden.

Conclusie:

11. Gelet op wat is overwogen in deze uitspraak, zijn de beroepen van eisers gegrond. De voorzieningenrechter zal de beslissingen van 27 augustus 2019 vernietigen, maar de rechtsgevolgen van deze beslissingen in stand laten.

12. Nu de beroepen gegrond zijn zal de voorzieningenrechter verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten veroordelen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand per eiser vast op € 1.656.8 Tevens zal worden bepaald dat verweerder de door eisers betaalde griffierechten in beroep en ten behoeve van het verzoek om voorlopige voorziening, derhalve twee maal € 174 = € 348 per persoon, aan hen dient te vergoeden.

Voorlopige voorziening

13. Hoewel de beroepen gegrond zijn, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen nu de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissingen in stand worden gelaten. De verzoeken om voorlopige voorziening worden daarom afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de besluiten op bezwaar van 27 augustus 2019, gewijzigd bij de besluiten van 25 februari 2020;

  • -

    laat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 1.656 per persoon;

  • -

    gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 348 per persoon aan hen vergoedt;

  • -

    wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op:

door mr. drs. M.S.T. Belt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Voor zover uitspraak is gedaan op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2019:1752.

2 Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694).

3 Onder andere de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO4203)

4 ECLI:NL:RVS:2019:1752

5 ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604

6 Zie de uitspraak van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3883)

7 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9674

8 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1.