Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2388

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2020
Datum publicatie
15-05-2020
Zaaknummer
8431242
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

In een kort geding (de mondelinge behandeling is vanwege de Corona maatregelen telefonisch gehouden) is voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0565
NJF 2020/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8431242 \ VV EXPL 20-40 \ 693\415

uitspraak van

vonnis in kort geding

in de zaak van

[naam]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. J.B.R. Daniels

procederende krachtens toevoegingsnummer 2GA5289

tegen

[naam] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam]

zaakdoende en kantoorhoudende te [kantoorplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. J. de Wrede

Partijen worden hierna [werknemer] en [werkgever] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 april 2020 met producties 1 tot en met 9

- de vanwege de huidige Corona maatregelen vooraf op 14 april 2020 ingediende pleitnotitie (conclusie van antwoord) met producties 1 tot en met 6 van de gemachtigde van [werkgever]

- de vanwege de huidige Corona maatregelen vooraf op 14 april 2020 ingediende pleitnotitie van de gemachtigde van [werknemer]

- het e-mailbericht van de gemachtigde van [werkgever] van 15 april 2020 met productie 7.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 16 april 2020 en is vanwege de huidige Corona maatregelen telefonisch gehouden.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij schriftelijke arbeidsovereenkomst van 1 juli 2019 treedt [werknemer] bij [werkgever] voor de duur van zes maanden in dienst getreden als oproepkracht in de functie van recruiter op basis van een nuluren contract.

2.2.

Begin 2020 wordt aan [werknemer] een schriftelijke arbeidsovereenkomst ter hand gesteld. Deze wordt niet door partijen ondertekend. Hierin is onder meer het volgende opgenomen.

(…)

Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd [naam werknemer]

(…)

Artikel 1

De bepaling van deze overeenkomst, met als ingangsdatum 1 januari 2020, regelen de rechtsverhoudingen tussen partijen volledig en onvoorwaardelijk.

Artikel 2

De dienstbetrekking is aangegaan voor de bepaalde tijd van twaalf maanden ingaande 1 januari 2020. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op 31 december 2020 (…)

Artikel 3

De werknemer is in dienst bij de werkgever in de functie van Accountmanager (…)

Artikel 4

De werknemer voert haar werkzaamheden uit voor 40 uur per week (…)

Artikel 5

De werknemer ontvangt brutosalaris van € 1.896,25 per maand (…). De werkgever verstrekt de werknemer bij elke voldoening van het loon een loonstrookje. (…)

2.3.

[W] , werkzaam als officemanager bij [werkgever] , stuurt een drietal e-mailberichten naar [de rijschoolhouder] van de autorijschool waar [werknemer] rijlessen volgt, waarin zij bij het eerste bericht op 22 januari 2020 toezegt dat [werkgever] de factuur die week zal voldoen. Bij het tweede bericht geeft [W] aan dat zij contact heeft gehad met de directeur en dat de factuur in drie termijnen voldaan zal worden. In het laatste bericht geeft [W] aan dat [de rijschoolhouder] zich tot [werknemer] moet wenden nu hij niet meer in dienst is.

2.4.

[werkgever] verstrekt voor de maand januari 2020 een salarisspecificatie. Hierin is onder meer het volgende opgenomen

(…)

Vaste gegevens

(…)

Begindatum 01-01-2020

(…)

In dienst 01-07-2019

Parttimefactor 0,0

Basisloon 1896,25

Beroep Acc.man.

AO schriftelijk Nee

AO onb. tijd Ja

Oproep ovk Nee

(…)

Dagen Uren

Gewerkt 23,00 Gewerkt 184,00

Overzicht deze periode

Basisloon (…) 1896,25 (…)

2.5.

Op 31 januari 2020 maakt [werkgever] een bedrag van € 1.793,98 over naar de bankrekening van [werknemer] met als omschrijving salaris [naam werkgever] .

2.6.

Op 7 februari 2020 meldt [werknemer] zich ziek bij [werkgever] .

2.7.

Op 11 februari 2020 stuurt [R] namens [werkgever] een e-mailbericht naar [werknemer] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Helaas is het dienstverband niet geworden wat we er van verwacht hadden. Je geeft dat zelf ook aan. Voor een klein bedrijf als [werkgever] is het contra productief dan toch met elkaar door te gaan.

(…)

Ik ga nu niet in op gebeurtenissen en oorzaken; dat zou voor nu alleen maar discussie opleveren. Ik bied je 2 mogelijkheden aan:

1: Het dienstverband eindigt met wederzijds goedvinden per 14 februari as. Je ontvangt jouw salaris tot die datum en een afrekening eventueel restant vakantiedagen en toeslag. Bij wijze van coulance betaalt [werkgever] tevens jouw rijlessen conform de verkorte rijopleiding. (…)

2: Je kiest hier niet voor en het dienstverband loopt door. In dat geval meld je je direct wanneer je beter bent. De kamer naast mijn kantoor wordt jouw werkplek; je zult je dan dagelijks op mijn aanwijzingen bezig houden met activatie telefoontjes (…). Je rapporteert 3 keer daags rechtstreeks aan mij. Jouw dienstverband loopt dan door tot einde contractduur (…). [werkgever] vergoedt in dit geval niet jouw rijlessen. (…)

2.8.

In reactie hierop stuurt [werknemer] een e-mailbericht naar [R] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Allereerst ben ik op dit moment ziek.

Voordat we in gesprek gaan, is het van groot belang dat de rekening van de rijlessen wordt betaald. Je hebt mij in november 2019 toegezegd dat ik op jouw kosten mijn rijbewijs mag gaan halen, in december is hiervan een factuur naar jou toegestuurd en deze is nog steeds niet betaald. Mijn rijlessen zijn door de rijschoolhouder stil gezet. Wat je nu aanbiedt is een cadeautje wat twee keer wordt gegeven. (…)

2.9.

Daarop mailt [R] naar [werknemer] onder meer het volgende.

(…)

Je hebt een oproepovereenkomst, per 1 januari verlengd en de vorige oproepovereenkomst opvolgend welke op 31 december eindigde. Sinds 1 januari ben je nu reeds diverse keren ziek, dan wel zonder opgaaf van redenen niet beschikbaar voor oproep geweest, zelfs volledig van de aardbodem verdwenen. Op of rond 6 februari gaf je te kennen vrij te nemen en niet voor oproep beschikbaar te zijn. Sindsdien hebben we je ook niet meer opgeroepen, formeel geniet je dus vakantie. (…) Ik verzoek je mij aan te geven of en per wanneer je jezelf weer beschikbaar stelt voor oproep. (…)

2.10.

In reactie hierop stuurt de gemachtigde van [werknemer] op 25 februari 2020 een brief naar [R] met daarin onder meer het volgende.

(…)

Op vrijdag 7 februari jl. heeft cliënt zich ziekgemeld. U heeft daarin aanleiding gezien om cliënt thuis te bezoeken en hem diezelfde middag nog een mail te sturen waarin u, nogmaals, te kennen geeft geen vertrouwen meer te hebben in een verdere vruchtbare samenwerking en hem ook een ‘voorstel’ doet, onder meer, ter beëindiging van het dienstverband met daarbij de kanttekening uwerzijds dat daar ook sterk de voorkeur naar uitgaat. Cliënt heeft daarop laten weten nog steeds ziek te zijn en daarnaast dat hij graag de kwestie met betrekking tot de rijlessen conform afspraak afgehandeld wilde hebben alvorens verder met u in overleg te treden. U heeft daar op uw beurt weer op gereageerd (…), cliënt vakantie geniet nu hij vanaf 7 februari ook niet meer is opgeroepen (…). Van het UWV ontving cliënt voorts inmiddels het bericht dat u hem daar op 20 februari jl. als ziek heeft gemeld vanaf 07 februari 2020.

(…) De in december 2019 opgestelde nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst maakt immers uitdrukkelijk melding van een dienstverband van 40 uur per week tegen voormeld salaris in de maand januari 2020 is daar ook onverkort op die wijze uitvoering aan gegeven. (…) Dat de nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst nog niet door partijen is ondertekend, maakt daarbij ook niet uit, te minder waar de enige reden daarvoor gelegen is geweest in de discussie over de (door u toegezegde, maar niet nagekomen) betaling van de rijlessen. Over de essentialia van de arbeidsovereenkomst bestond echter zonder meer overeenstemming, zoals de maand januari ook heeft uitgewezen. (…)

2.11.

Eind februari 2020 stuurt [werkgever] voor de maanden januari en februari 2020 een salarisstrook, waarbij de salarisstrook van januari 2020 door [werkgever] onder meer op de volgende punten is gewijzigd: er is sprake van een oproepovereenkomst, het uurloon is € 10,94 en Gerrritzen heeft 16 dagen gewerkt. Op de loonstrook van februari 2020 is onder meer opgenomen dat [werknemer] op 17 februari 2020 uit dienst is.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[werknemer] vordert dat de kantonrechter, bij wijze van voorlopige voorziening en uitvoerbaar bij voorraad, [werkgever] veroordeelt:

- om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [werknemer] het salaris van € 1.896,25 bruto per maand te betalen vanaf 1 februari 2020 voor zover er sindsdien maanden zijn verstreken, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van 50%, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover tot aan de dag van volledige voldoening, alsmede tijdige betaling van het salaris zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt en een bedrag van € 773,00 ter zake van de rijlessen;

- om binnen twee dagen na betekening van het vonnis de arbodienst/bedrijfsarts in te schakelen, aantoonbaar, met het oog op een consult en re-integratie op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [werkgever] nalaat hier aan te voldoen;

- tot betaling van de proces- en nakosten.

3.2.

[werknemer] stelt, kort gezegd, dat partijen mondeling een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ingaande per 1 januari 2020, zijn overeengekomen. Partijen waren het eens over de essentialia. Dat de arbeidsovereenkomst niet is ondertekend doet daar volgens [werknemer] niet aan af. Dat heeft enkel te maken met het feit dat [werkgever] , ondanks eerdere toezeggingen, heeft nagelaten om de rijlessen te voldoen. Ook is uitvoering gegeven aan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen voorwaarden. Zo is het salaris van januari 2020 conform de arbeidsovereenkomst uitbetaald. Volgens [werknemer] werkt hij 40 uur per week en is hij niet door [werkgever] opgeroepen om werkzaamheden uit te voeren. Dit blijkt ook nergens uit. [werknemer] vordert, nu [werkgever] , ondanks toezeggingen, nalaat om de rijlessen te voldoen, ook de kosten daarvoor. [werknemer] heeft zich op 7 februari 2020 ziekgemeld en [werkgever] heeft, ongeacht of hij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dan wel een oproepovereenkomst heeft, de verplichting om de bedrijfsarts in te schakelen. Ook dit laat zij ten onrechte na.

3.3.

[werkgever] voert gemotiveerd verweer. Op dit verweer zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering en de stellingen van [werknemer] .

4.2.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.

4.3.

De rechtsvragen die beantwoord moeten worden, zijn of sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar voor 40 uur per week, dan wel van een arbeidsovereenkomst als oproepkracht op basis van een nuluren contract, of [werkgever] een bedrijfsarts moet inschakelen en of [werkgever] gehouden is de kosten voor de rijlessen te voldoen.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor 1 januari 2020 een arbeidsovereenkomst op oproep op basis van een nulurencontract bestond en dat partijen gesproken hebben over een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar voor 40 uur per week en dat aan [werknemer] in de week van 6 januari 2020 een dergelijke arbeidsovereenkomst is overhandigd door [werkgever] (r.ov. 2.2.). Tussen partijen is echter in geschil of [werknemer] (de essentialia) van deze arbeidsovereenkomst heeft aanvaard.

4.5.

[werknemer] heeft zich op het standpunt gesteld dat dat het geval is (r.ov. 3.2.).

4.6.

[werkgever] heeft dat betwist. Volgens [werkgever] is de eerste arbeidsovereenkomst (stilzwijgend) verlengd en is [werknemer] in januari en februari 2020 opgeroepen om werkzaamheden te verrichten.

4.7.

Dat tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 40 uur per week, zoals door [werknemer] is gesteld, is in het kader van dit kort geding, mede gelet op hetgeen hiervoor en in r.ovv. 2.2. tot en met 2.7. is weergegeven, aannemelijk geworden. Dit volgt onder meer uit de door [werkgever] zelf opgestelde arbeidsovereenkomst (r.ov. 2.2) en de daaropvolgende salarisbetaling van januari 2020. Dat [werkgever] de salarisbetaling vervolgens eenzijdig heeft gewijzigd, doet daar niet af. Immers, [werknemer] heeft daar meteen tegen geprotesteerd. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat [werkgever] , zoals zij zelf aanvoert, de kosten voor de rijlessen zou dragen, indien een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar tot stand zou komen. Voor de kantonrechter is het, gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken en zonder nadere uitleg die ontbreekt, onduidelijk waarom [werkgever] in de periode van eind januari 2020 tot en met medio februari 2020 (r.ov. 2.3.) heeft toegezegd de autorijlessen te voldoen, indien ook in haar visie geen arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar tot stand was gekomen. Daarmee spreekt [werkgever] zichzelf tegen. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat [werkgever] op dit punt vóór 11 februari 2020 geen enkel voorbehoud of reactie richting [werknemer] heeft geuit. Ook de reactie op 11 februari 2020 (r.ov. 2.7) duidt, in tegenstelling tot wat [werkgever] heeft aangevoerd, eerder op het tegendeel. Immers, het e-mailbericht bevat juist een aanwijzing dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en niet voor een arbeidsovereenkomst als oproepkracht op basis van een nulurencontract. In het voormelde e-mailbericht geeft [R] aan dat [werknemer] , wanneer hij beter is, zijn werkzaamheden op kantoor (dagelijks) kan hervatten tot het einde van zijn dienstverband. Met geen woord wordt daarbij gerept over het oproepen van [werknemer] om werkzaamheden te verrichten. Dat het arbeidscontract niet is ondertekend doet daar, gelet op al het voorgaande en de (betalings)toezeggingen door of namens [werkgever] en het niet nakomen daarvan, niet aan af. Partijen hebben begin januari tot en met 6 februari 2020 uitvoering gegeven aan dit contract. Immers, [werkgever] heeft geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat zij [werknemer] voor werkzaamheden heeft opgeroepen. De verklaring van [W] die in het geding is gebracht, zonder onderbouwing door middel van bijvoorbeeld app-berichten, is daarvoor onvoldoende. Dat had wel van [werkgever] verwacht mogen worden. Dit klemt te meer daar [W] heeft aangegeven [werknemer] via de app te hebben opgeroepen. De verklaringen van de medewerkers van [werkgever] leiden, nog los van het feit dat [werknemer] deze verklaringen gemotiveerd betwist, nu zij niet bij de gesprekken aanwezig zijn geweest, niet tot een ander (voorlopig) oordeel.

4.8.

In het licht van het bovenstaande is dan ook voorshands aannemelijk dat partijen (mondeling) overeenstemming hebben bereikt over een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 40 uur per week. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [werkgever] voortduurt. Immers, op 17 februari 2020 is geen (rechtsgeldig) einde gekomen door een rechtsgeldige opzegging of ontbinding, zodat [werknemer] recht behoudt op loondoorbetalingen. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de loonvordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat toewijzing gerechtvaardigd is. De kantonrechter wijst de loonvordering dan ook toe. Dit geldt eveneens voor de wettelijke verhoging en de wettelijke rente krachtens het bepaalde in de artikel 7:625 BW en 6:119 BW. Deze zijn eveneens toewijsbaar vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige voldoening totdat een rechtsgeldig einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst.

4.9.

Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, geen rechtsgeldig einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst en [werknemer] vanaf 7 februari 2020 ziek is, dient [werkgever] , in het kader van haar re-integratieverplichtingen, een arbodienst/bedrijfsarts in te schakelen. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat ook deze vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat ook toewijzing van deze vordering gerechtvaardigd is. De kantonrechter wijst deze daarom ook toe, waarbij de dwangsom wordt toegewezen en gemaximeerd zoals hierna bepaald.

4.10.

Er is, mede gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, voorshands aanleiding om ook de kosten voor de rijlessen van € 773,00 toe te wijzen. Immers, zoals hiervoor reeds is bepaald, heeft [werkgever] meerdere malen toegezegd de kosten voor de rijlessen te voldoen zonder daaraan voorwaarden (r.ov. 2.3.) te verbinden.

4.11.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de kans op toewijzing van de vorderingen in een bodemprocedure dermate groot is, dat toewijzing van de gevraagde voorziening, als hiervoor overwogen, gerechtvaardigd is.

4.12.

[werkgever] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de exploot- en/of advertentiekosten aan de griffier niet mogelijk. De door [werknemer] gevorderde nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 120,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [werkgever] om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [werknemer] een bedrag van € 1.896,25 bruto per maand vanaf 1 februari 2020 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van volledig voldoening;

5.2.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van een bedrag van € 773,00 aan [werknemer] ter zake van rijlessen;

5.3.

veroordeelt [werkgever] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aantoonbaar een arbodienst/bedrijfsarts in te schakelen voor de re-integratie van [werknemer] ,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 3.000,00;

5.4.

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten tot deze uitspraak aan de kant van [werknemer] begroot op € 803,00 in totaal, welk bedrag bestaat uit € 83,00 aan griffierecht en € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde, alsmede € 120,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan,

5.5.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.J. Weerkamp-Beens en in het openbaar uitgesproken op