Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2386

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-04-2020
Datum publicatie
16-05-2020
Zaaknummer
7883545
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Grensgeschil. Kadastrale grens. Meerdere reconstructies. Onduidelijk standpunt eiser over plaats verwijderde haag. Stellingen sluiten niet aan bij vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7883545 \ CV EXPL 19-8065 \ 398

uitspraak van

Vonnis

in de zaak van

[naam]

wonende te [woonplaats]

eiser

gemachtigde: mr. W.G. Tideman (Achmea Rechtsbijstand)

tegen

[naam]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

gemachtigde: mr. S.M. van der Zwan

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 september 2019

- de op 4 maart 2020 gehouden comparitie van partijen ter plaatse van het geschil; het proces-verbaal daarvan, met foto’s, bevindt zich bij de stukken. Vanwege een netwerkstoring tijdens de zitting zijn de aantekeningen van de griffier verloren gegaan.

1.2

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn buren. [eiser] woont aan [adres] ; [gedaagde] woont daarnaast, op nummer [huisnummer] . Het gaat om de kadastrale percelen ( [gemeente] sectie R) 453 en 620 ( [eiser] ) en 531, 532, 533 ( [gedaagde] ). [eiser] heeft perceel 453 in mede-eigendom samen met [naam] , [gedaagde] – in ieder geval – perceel 531 samen met [naam] .

2.2

De percelen zijn – globaal – als volgt ten opzichte van elkaar gelegen:

2.3

Vanaf de openbare weg gezien naar achteren toe wordt het grensgebied tussen de erven van partijen gevormd door wat struiken, een grote boom met gedeeltelijk daaromheen een hulststruik, een gevlochten stalen hekwerkje, een houten schutting (hierna: schutting 1), de zijmuur van de garage van [gedaagde] , een schutting van stalen platen respectievelijk houten planken (hierna: schutting 2). Ter hoogte van schutting 1 stond eerst een coniferenhaag (hierna: de coniferenhaag).

2.4

Partijen hebben in december 2017 met elkaar gesproken over vervanging van de coniferenhaag door een schutting. Zij zijn het kennelijk niet eens geworden, in ieder geval niet over de plaats van de schutting.

2.5

In opdracht van [gedaagde] heeft [bedrijf X] op 17 januari 2018 een grensreconstructie uitgevoerd.

2.6

Op 24 januari 2018 heeft [gedaagde] de coniferenhaag laten verwijderen en vervolgens schutting 1 laten plaatsen. Tevens is in het verlengde daarvan het stalen hekwerkje geplaatst.

2.7

[eiser] heeft op 20 september 2018 door het kadaster een grensreconstructie laten uitvoeren. Het resultaat daarvan is hierboven afgebeeld (onderdeel van het relaas van bevindingen, zie productie 14 bij de dagvaarding).

3 Het geschil en de vordering

3.1

[eiser] stelt dat [gedaagde] de coniferenhaag niet eenzijdig mocht laten verwijderen, omdat deze mandelig was. Ook stelt [eiser] dat [gedaagde] het grootste deel van de hulststruik zonder toestemming van [eiser] heeft verwijderd, terwijl die volgens [eiser] op zijn grond

stond. Volgens [eiser] staan het stalen hekwerkje en schutting 1 een heel stuk op zijn grond. Ook schutting 2 zou met enige grensoverschrijding zijn aangebracht. Bovendien is schutting 2 volgens [eiser] “niet afgewerkt”. [eiser] vordert, op straffe verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag en tot een maximum van € 15.000,-, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

1. ontruiming van zijn grond, waaronder verwijdering van het stalen hekwerkje en herplaatsing daarvan op de kadastrale grens, alsmede verwijdering van schutting 1;

2. plaatsing van een coniferenhaag van circa 14 meter lang op de kadastrale grens en van een hulststruik tegen de grote boom;

3. plaatsing van schutting 2 op de kadastrale grens en afwerking ervan aan de zijde van [eiser] ;

4. schadevergoeding bestaande uit kadasterkosten ad € 650,- en wegens gederfd woongenot ad € 150,- per week vanaf 24 januari 2018 tot de ontruiming (zoals gevorderd onder 1 en 3);

5. vergoeding van buitengerechtelijk incassokosten ad € 625,- inclusief btw;

6. veroordeling in de proceskosten met nakosten € 131,- / € 199,- zonder / met betekening.

3.2

[gedaagde] voert verweer. Hij stelt dat [eiser] niet alleen in rechte ten behoeve van de gemeenschap kan optreden. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat partijen het eens waren over vervanging van de coniferenhaag door schutting 1. Hij betwist dat de coniferenhaag mandelig was. Verder betwist [gedaagde] , voor zover [eiser] dat zou stellen, dat schutting 1 meer in de richting van het erf van [eiser] is geplaatst dan waar de coniferenhaag stond. In ieder geval staat schutting 1 binnen de kadastrale grens, zoals gereconstrueerd door [bedrijf X] . Om die reden betwist [gedaagde] ook dat de verwijderde hulststruik op grond van [eiser] stond.

4 De beoordeling

4.1

Volgens artikel 3:171 BW is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. [eiser] is dus ontvankelijk in zijn vorderingen.

4.2

Uit de stellingen van partijen volgt niet méér dan dat partijen hebben overlegd over het verwijderen van de coniferenhaag en het vervangen van die haag door schutting 1. Daar is volgens die stellingen dus geen bindende overeenkomst uit voortgevloeid over de plaats van schutting. Kennelijk moest nog het nodige tussen partijen worden besproken. Om die reden kan die initiële overeenstemming hier, en ook gelet op hetgeen nog volgt, in het midden blijven.

4.3

Deze zaak betreft de vraag wie van partijen eigenaar is van de grond in het grensgebied van hun erven. Dit grensgebied kan in vier delen worden opgeknipt, vanaf de openbare weg gezien: a) de strook tot schutting 1; b) de strook ter hoogte van schutting 1 (waarbij de kantonrechter er vooralsnog van uitgaat dat die strook net zo lang is als de strook waar de coniferenhaag stond); c) de strook waar de zijmuur van de garage van [gedaagde] min of meer tegen het erf van [eiser] aanligt; en d) de strook ter hoogte van schutting 2.

4.4

Strook c is niet in het geding. Partijen zijn het erover eens, welke kadastrale grensreconstructie ook wordt aangehouden, dat zich tegen de zijmuur van de garage van [gedaagde] een strook grond bevindt die toebehoort aan [gedaagde] . In verband daarmee is geen vordering ingesteld. In het midden kan dus blijven hoe breed die strook is. Voor zover de beide schuttingen doorlopen tot naast de zijmuur is het bovenstaande echter niet van

toepassing. Zie de foto van productie 4 bij de dagvaarding. Daar geldt hetgeen hierna onder 4.6 tot en met 4.9 wordt overwogen.

4.5

Strook a is een open strook. Er staan alleen wat struiken en een dikke boom. Hier is de kadastrale grens beslissend. Er wordt hier immers geen andere grens geclaimd. De kadastrale grens (volgens het kadaster) is in beeld gebracht op de onder 2.2 weergegeven tekening. Daarop staat aan de straatzijde een ijzeren buis. Deze ijzeren buis is zichtbaar op de eerste en tweede foto van productie 14 bij de dagvaarding, waarop ook een jalon (bakenstok) zichtbaar is. [gedaagde] heeft niet, althans niet voldoende duidelijk, aangegeven waar volgens hem in die strook de kadastrale grens zou moeten liggen. Meer in het algemeen worden de meetresultaten van [bedrijf X] niet nader genoemd of overgelegd. Evenmin wordt met inhoudelijke argumenten aangegeven waarom aan de reconstructie van het kadaster zou moeten worden getwijfeld. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de reconstructie door het kadaster. Dat betekent dat de kadastrale grens (hoogstwaarschijnlijk) door de boom heenloopt. Dat betekent ook dat de hulststruik daar ten onrechte door [gedaagde] is weggehaald. En ten slotte betekent dat, dat het stalen hekwerkje, dat daar door [gedaagde] is geplaatst, niet kan blijven staan. Zie voor dat hekje de foto op blad 11 van het proces-verbaal van comparitie. [eiser] wil het hekje herplaatst hebben op de kadastrale grens. Dat is, mede gelet op artikel 5:49 BW, op zichzelf toewijsbaar. Probleem is wel dat de – gemeenschappelijke – boom dan in de weg staat. [eiser] mag aangeven wat hij nu wil: moet dat stalen hekje worden herplaatst? Of moet het alleen maar weg? Hij zal zich bij akte daarover kunnen uitlaten.

4.6

Strook b betreft de strook ter hoogte van de voormalige coniferenhaag. Uit de eerste foto met de jalon blijkt al van een behoorlijke (hoogstwaarschijnlijke) discrepantie tussen schutting 1 en de kadastrale grens zoals deze in de vorige overweging door de kantonrechter als juist is aanvaard. [eiser] betrekt hier (echter) de stelling dat de coniferenhaag op de kadastrale grens stond. Zie de dagvaarding onder 7. Dat impliceert dus een behoorlijke afwijking tussen schutting 1 en de voormalige coniferenhaag. Dát blijkt echter niet uit een vergelijking van de door [eiser] overgelegde foto’s van het rooien van de coniferenhaag (vierde en vijfde foto van productie 8 bij de dagvaarding) met die van de net geplaatste balken van schutting 1 (eerste foto van productie 9 bij de dagvaarding). Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat zijn tegelpad al heel lang zo ligt en nooit is veranderd. Op de foto’s van het rooien was het pad dus vier tegels breed. Op die foto’s zijn echter slechts drie tegels te zien. Niet waarschijnlijk is dat de vierde rij schuilgaat onder het grind van [eiser] . De vierde rij moet zich dus onder het groenafval aan de rand van het pad bevinden. De derde rij bevindt zich gedeeltelijk al onder een hoeveelheid houtsnippers. Als die lijnen denkbeeldig worden doorgetrokken komt het midden van de voormalige haag aardig dicht bij de plek waarop de palen van schutting 1 de grond in zijn gegaan. De kantonrechter gaat bij een eventuele verjaringsgrens – en gelet op hetgeen al is overwogen dus afwijkend van de door het kadaster gereconstrueerde grens – uit van een denkbeeldige gemiddelde middenlijn tussen de stammen van de coniferenhaag. Die middenlijn is beslissend voor wat eventueel door tijdsverloop is verkregen. Anders dan de gemachtigde van [gedaagde] in zijn brief van 18 oktober 2018 gaat de kantonrechter er dus niet van uit dat de hele breedte van de veronderstellenderwijs door de rechtsvoorganger van [gedaagde] eenzijdig geplante heg tot occupatie van de zich daaronder bevindende grond heeft geleid, nog daargelaten de later opgetreden hebbende groei van die breedte en de door het tijdsverloop ingegeven houding van de buren dat de heg – het midden ervan – kennelijk de grens vormde.

4.7

Ziet de kantonrechter het goed, dan doet in deze procedure niemand een beroep op verjaring. Dat was nog anders op 6 maart 2018 toen de toenmalige gemachtigde van [eiser] (mr. Trouwborst) dat wel deed. Zoals gezegd lijkt dat niet veel uit te maken ten opzichte van

de ligging van schutting 2. [eiser] schiet met zo’n beroep dus niet veel op. Het zal hem hoogstwaarschijnlijk veel beter uitkomen om een beroep te doen op de kadastrale grens, zoals deze is gereconstrueerd door het kadaster. Alleen, door te zeggen dat die grens samenvalt met de middenlijn van de voormalige coniferenhaag zegt [eiser] iets dat gewoon niet kan kloppen. Met [gedaagde] moet worden geconcludeerd dat het petitum daar ook niet op aansluit. De vordering onder 1, voor zover het gaat om schutting 1, en die onder 2 (zie onder 3.1 hiervóór) zal dus worden afgewezen.

4.8

Over strook d zijn partijen nauwelijks met elkaar in debat gegaan. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij het achterste gedeelte van zijn erf in pacht heeft. Daarbij is toen uitgegaan van perceel 620, maar bij nadere beschouwing is dat de vraag. Het kadaster heeft immers de reconstructie verricht als ware [eiser] ook eigenaar van perceel 620. Dat stemt overeen met de ligging van de laatste ijzeren buis, die op de onder 2.2 weergegeven tekening tegen de grens met perceel 1035 ligt. Dat moet de ijzeren buis zijn die de kantonrechter heeft waargenomen naast het stalen gedeelte van schutting 2 (foto op blad 3 van het proces-verbaal van comparitie, in de inham tussen de twee klinkers). Een groot gedeelte van schutting 2 ligt derhalve op perceel 1035, niet alleen het houten gedeelte maar ook een stuk van het stalen gedeelte ervan. Partijen hebben kennelijk dus beiden een gedeelte van perceel 1035 gepacht. Tussen beide gedeelten daarvan ligt geen kadastrale of juridische grens, hoogstens een denkbeeldige lijn in het verlengde van de kadastrale grens tussen de percelen 620 en 533. Wat zij precies hebben gepacht of op welke oppervlakte zij jegens hun verpachter aanspraak kunnen maken is in deze procedure niet naar voren gebracht, ook niet of eventuele voor [eiser] nadelige verschillen ten gevolge van de ligging van schutting 2 – die overigens klein zullen zijn – als feitelijke stoornis jegens [eiser] kunnen gelden. De kantonrechter gaat dan ook niet verder in op de al dan niet juiste loop van schutting 2 ‘voorbij’ de percelen 620 en 533. Dat betekent dat de beoordeling van dit geschil ‘eindigt’ bij de zojuist genoemde ijzeren buis.

4.9

Uit de genoemde foto volgt wel dat het stalen gedeelte van schutting 2 daar een aantal decimeters op perceel 620 ligt. De gemachtigde van [gedaagde] zegt in zijn brief van 18 oktober 2018 dat schutting 2 op de plaats staat waar eerst een haag stond. In de conclusie van antwoord ziet de kantonrechter over schutting 2 geen stellingen, zodat aan die brief op dat punt voorbij zal worden gegaan. Schutting 2 zal, voor zover lopend – gezien vanaf de openbare weg – tot de genoemde ijzeren buis, dus moeten worden verplaatst naar de kadastrale grens. Dan ontstaat wel een knik ten opzichte van het verlengde van schutting 2 op de gepachte grond. De vraag is of [eiser] dat wil. Ook daarover zal hij zich bij akte kunnen uitlaten.

4.10

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van [eiser] omtrent hetgeen hiervoor onder 4.5 en 4.9 is overwogen, waarna [gedaagde] daarop bij antwoordakte kan reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 27 mei 2020 voor akte aan de zijde van [eiser] omtrent hetgeen onder 4.5 en 4.9 is overwogen, waarna [gedaagde] daarop bij antwoordakte kan reageren;

5.2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. R.J.J. van Acht en uitgesproken in het openbaar op