Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2378

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
14-05-2020
Zaaknummer
8029014 CV EXPL 19-10983
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Facturen ten onrechte onbetaald gelaten. Urenverantwoording onvoldoende gemotiveerd weersproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8029014 \ CV EXPL 19-10983 \ 42693 \ 34124

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap Timbee B.V.

gevestigd te Veenendaal

eisende partij

gemachtigde mr. A. Heijink

tegen

[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats gedaagde]

gedaagde partij

gemachtigde mr. W. van Dijk

Partijen worden hierna Timbee en [gedaagde] (beiden vrouwelijk enkelvoud) genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 november 2020 en de daarin genoemde processtukken

- de akte met producties 7 tot en met 10 van 3 februari 2020 aan de zijde van Timbee

- de comparitie van partijen van 12 februari 2020.

1.2.

Nadat Timbee daartoe in de gelegenheid is gesteld heeft zij bij akte van 14 februari

2020 haar eis verminderd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen is in 2017 een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen waarbij Timbee ten behoeve van [gedaagde] (internet)marketingwerkzaamheden heeft verricht tegen een uurtarief van € 75,00 excl. BTW.

2.2.

[gedaagde] heeft de door Timbee verzonden facturen vanaf oktober 2017 tot medio mei 2018 voldaan en vanaf medio 2018 heeft zij deze (gedeeltelijk) onbetaald gelaten.

2.3.

Timbee heeft vanaf februari 2019 geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde] .

3 De vordering en het verweer

3.1.

Timbee vordert – na vermindering van eis – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Timbee van een bedrag van € 6.679,39, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente vanaf 13 februari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening. Timbee vordert voorts de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, de kosten van conservatoir beslag alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2.

Timbee legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht, voornamelijk bestaande uit internet marketing werkzaamheden. Haar werkzaamheden heeft Timbee maandelijks aan [gedaagde] gefactureerd. Ondanks aanmaning daartoe heeft [gedaagde] de facturen vanaf mei 2018 (gedeeltelijk) onbetaald gelaten. Nu [gedaagde] in gebreke is gebleven met de betaling van de facturen vordert Timbee naast de hoofdsom de wettelijke handelsrente alsmede de buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Timbee. Zij voert daartoe aan dat Timbee teveel uren bij haar in rekening heeft gebracht, terwijl zij in werkelijkheid nauwelijks werkzaamheden heeft verricht. Timbee heeft bovendien in strijd gehandeld met haar plicht om een deugdelijke verantwoording af te leggen over de uitgevoerde werkzaamheden. Omdat Timbee niet als goed opdrachtnemer heeft gehandeld, is zij tekort geschoten in de uitvoering van de opdracht. Gelet hierop is zij geen bedrag meer verschuldigd aan Timbee, aldus [gedaagde] .

4 De beoordeling

4.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] gehouden is de door Timbee bij haar in rekening gebrachte facturen te voldoen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij daartoe niet gehouden is omdat Timbee teveel uren bij haar in rekening heeft gebracht. In sommige maanden heeft Timbee namelijk minder dan de overeengekomen twaalf uur gewerkt, aldus [gedaagde] .

4.2.

De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar verweer. Timbee heeft gemotiveerd gesteld dat zij conform de door haar aan [gedaagde] verstrekte offerte maandelijks gemiddeld twaalf uur heeft gewerkt en gefactureerd. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Timbee verwezen naar haar e-mail aan [gedaagde] van 19 februari 2019 waarin zij de door haar gewerkte en in rekening gebrachte uren vanaf oktober 2018 heeft verantwoord en gespecificeerd. Dit blijkt tevens uit het door Timbee als productie 9 in het geding gebrachte urenoverzicht waarin zij vanaf oktober 2017 tot en met januari 2019 inzage heeft gegeven in haar werkzaamheden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [naam] namens Timbee verder toegelicht dat uit het urenoverzicht volgt dat in december 2019 weliswaar niet de volledige twaalf uur is gewerkt maar dat zij deze uren heeft gecompenseerd met andere maanden waarin juist meer uren zijn gewerkt, zoals de maand november 2018. Uit het overgelegde urenoverzicht volgt tot slot dat zij in plaats van de overeengekomen twaalf uur, gemiddeld dertien uur per maand heeft gewerkt.

4.3.

[gedaagde] heeft de urenverantwoording van Timbee onvoldoende gemotiveerd weersproken. Met een enkele blote betwisting kan niet worden volstaan. Bovendien heeft [gedaagde] tot december 2018 nooit geklaagd bij Timbee over de gewerkte uren en zij heeft de overige facturen, met hetzelfde aantal uren namelijk twaalf, zonder protest voldaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld wordt ook het verweer van [gedaagde] dat Timbee niet zou hebben gehandeld als goed opdrachtnemer omdat zij geen (uren-)verantwoording zou hebben afgelegd, gepasseerd. Datzelfde geldt voor het verweer dat Timbee toerekenbaar tekort zou zijn geschoten jegens [gedaagde] . Gesteld noch gebleken is dat Timbee in gebreke is gesteld, zodat zij niet in verzuim is komen te verkeren.

4.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in voldoende mate vast staat dat Timbee maandelijks gemiddeld twaalf uur heeft gewerkt ten behoeve van [gedaagde] . Dat betekent dat [gedaagde] de door Timbee in rekening gebrachte facturen ten onrechte onbetaald heeft gelaten, met uitzondering van de factuur voor de maand februari 2019. Tijdens de mondelinge behandeling is immers gebleken dat Timbee in die maand haar werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] heeft gestaakt. [gedaagde] is derhalve de facturen voor de maanden mei 2018, augustus tot en met december 2018 alsmede de maand januari 2019 aan Timbee verschuldigd. Deze facturen bedragen in totaal
€ 8.137,25.

4.5.

Timbee vordert de betaling van de wettelijke handelsrente berekend tot en met 12 februari 2020 ten bedrage van € 703,33. Dit bedrag omvat echter ook de wettelijke handelsrente over de factuur van februari 2019 waarvan hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] deze factuur niet verschuldigd is. De wettelijke handelsrente over de factuur van februari 2019 bedraagt, gerekend vanaf 8 maart 2019 tot en met 12 februari 2020 (datum akte vermindering van eis), € 81,60. De vordering is derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 621,73 (€ 703,33 - € 81,60).

4.6.

Timbee vordert verder betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 836,31. Genoegzaam is gebleken dat incassowerkzaamheden zijn verricht. Nu hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] de factuur over de maand februari 2019 niet verschuldigd is, is het gevorderde bedrag niet in overeenstemming met het Besluit gerechtelijke incassokosten. Daarmee rekening houdend is [gedaagde] een bedrag van € 781,86 aan Timbee verschuldigd.

4.7.

De betaling van [gedaagde] op 26 maart 2019 ten bedrage van € 1.089,00 en de betaling op 28 mei 2020 van € 2.997,50 (in totaal € 4.086,50), strekken op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering op de buitengerechtelijke incassokosten van € 781,86, dan op de verschuldigde rente van € 621,73 en vervolgens op de hoofdsom van € 8.137,25, zodat thans een bedrag resteert van € 5.454,34 dat voor toewijzing in aanmerking komt. De kantonrechter wijst de vordering in zoverre toe. De gevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf 13 februari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.

4.8.

De gevorderde beslagkosten kunnen worden toegewezen gelet op grond van het bepaalde in artikel 706 Rv. De beslagkosten worden begroot op € 949,08 voor verschoten en € 300,00 voor salaris gemachtigde.

4.9.

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van

€ 120,00, zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde, met een maximum van € 120,00, te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 indien betekening van het vonnis dient plaats te vinden.

4.10.

De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten en de proceskosten wordt toegewezen vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Timbee te betalen een bedrag van € 5.454,34, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 13 februari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.249,08 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot deze uitspraak aan de zijde van Timbee begroot op € 83,97 aan explootkosten, € 0,00 aan griffierechten (griffierecht onderhavige procedure ad € 486,00 -/- griffierecht beslagprocedure ad € 639,00), € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde, € 120,00 aan nakosten die na dit vonnis zullen ontstaan alsmede € 68,00 in het geval betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, alles te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis;

5.4.

verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op