Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2323

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-03-2020
Datum publicatie
14-05-2020
Zaaknummer
8335543 \ VV EXPL 20-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding. Concurrentiebeding en vaststellingsovereenkomst. Zeer ruim geformuleerd beding, maar belangenafweging valt uit in voordeel van werkgever. Geen schorsing van het concurrentiebeding en geen redelijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0543
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 8335543 \ VV EXPL 20-10 \ 610 \ 41245

uitspraak van

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. R.F.G. Peijs-Schoester,

tegen

de besloten vennootschap Hezelburcht b.v.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. H.J.F. Wekking.

Partijen worden hierna [eiser] en Hezelburcht genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 maart 2020 met producties;

- de e-mails van 10 maart 2020 met producties 1 tot en met 23 van de gemachtigde van Hezelburcht;

- de e-mails van 11 maart 2020 met producties 24 tot en met 34 van de gemachtigde van Hezelburcht;

- de e-mail van 11 maart 2020 met productie 13 van de gemachtigde van [eiser];

- de mondelinge behandeling van 12 maart 2020, mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van [eiser] en de pleitnotities / conclusie van antwoord van de gemachtigde van Hezelburcht.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hezelburcht is een subsidieadviesbureau met vijf vestigingen in Nederland en België waar in totaal ruim 90 medewerkers werkzaam zijn.

2.2.

[eiser], geboren op 13 juli 1984, treedt op 1 maart 2014 in dienst bij Hezelburcht in de functie van senior consultant. Vanaf 1 oktober 2015 promoveert hij naar de functie van managing consultant. Zijn werk bestaat uit het mogelijk maken van duurzaamheidsprojecten door middel van subsidies. [eiser] werkt 36 uur per week tegen een salaris van € 4.465,12 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld en andere arbeidsvoorwaarden.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst van [eiser] is het volgende concurrentiebeding opgenomen:

Artikel 9: concurrentiebeding

  1. De werknemer zal tijdens de duur van deze arbeidsovereenkomst en bovendien gedurende een periode van 12 maanden na het eindigen daarvan, ongeacht de wijze waarop deze arbeidsovereenkomst eindigt, direct noch indirect in Nederland op enigerlei wijze, tegen betaling of om niet, betrokken zijn bij het vervaardigen en/of het verhandelen van producten die door de werkgever worden vervaardigd en/of verhandeld en/of bij diensten die door de werkgever worden verleend, tenzij met uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de werkgever.

  2. De in het eerste lid aan de werknemer opgelegde beperking van zijn vrijheid van arbeidskeuze geldt voor de activiteiten die horen bij zijn functie van managing consultant alsmede eventuele toekomstige functie(s) die de werknemer bij de werkgever gaat vervullen.

  3. Onder het begrip werkgever in dit artikel wordt tevens begrepen de met de werkgever in concernverband geassocieerde en gelieerde bedrijven.”

2.4.

Daarnaast heeft [eiser] op grond van artikel 8 van zijn arbeidsovereenkomst een geheimhoudingsplicht en is hij gebonden aan het volgende relatiebeding:

“Artikel 10: relatiebeding en verbod tot indiensttreding bij relaties

  1. De werknemer zal gedurende een periode van 24 maanden na het eindigen van deze arbeidsovereenkomst, ongeacht de wijze waarop deze arbeidsovereenkomst eindigt, geen zakelijke contacten onderhouden met de (rechts)personen die bij het einde van de arbeidsovereenkomst behoren tot de kring van de relaties van werkgever, voor zover die zakelijke contacten betrekking hebben op het vervaardigen en/of het verhandelen van producten die door de werkgever worden vervaardigd en/of verhandeld en/of op diensten die door de werkgever worden verleend, tenzij met uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de werkgever.

  2. Het is de werknemer evenmin toegestaan om gedurende een periode van 24 maanden na het eindigen van deze arbeidsovereenkomst, ongeacht de wijze waarop deze arbeidsovereenkomst eindigt, in dienstbetrekking werkzaam te zijn voor de (rechts)personen die bij het einde van de arbeidsovereenkomst behoren tot de kring van relaties van de werkgever en met de werkgever in concernverband gelieerde vennootschappen, voor zover de betreffende werkzaamheden gelijksoortig zijn aan die van de werkgever, tenzij met uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van werkgever.

  3. Onder relaties als genoemd in het eerste en tweede lid worden in dit verband verstaan relaties waarmee de werkgever op het moment van het einde van het dienstverband zaken deed of in de periode van twee jaar daaraan voorafgaande heeft gedaan alsmede ook degene(n) die door de werkgever werd/wordt aangemerkt als prospect en als zodanig ten tijde van het dienstverband van de werknemer in het relatiebeheersysteem was geregistreerd.”

2.5.

In 2017 krijgt [eiser] gezondheidsklachten. In oktober van dat jaar krijgt hij een hartstilstand waardoor hij een tijd niet kan werken. In januari 2018 gaat hij weer volledig aan het werk. In oktober 2018 valt [eiser] wederom uit, dit keer met een burn-out. Medio februari 2019 start hij met zijn re-integratie.

2.6.

In mei en juni 2019 vinden er gesprekken plaats tussen Hezelburcht en [eiser] met betrekking tot de voortgang van zijn re-integratie en de terugkeer in de eigen functie. In een gesprek tussen [eiser] en zijn leidinggevende [naam leidinggevende] en HR-manager [naam hr-manager] op 8 juli 2019 geeft [eiser] te kennen zijn dienstverband met Hezelburg niet meer te willen voortzetten. Nadat er nog een aantal gesprekken heeft plaatsgevonden tussen [eiser] en Hezelburcht tekenen zij op 29 augustus 2019 een vaststellingsovereenkomst, waarin de arbeidsovereenkomst van [eiser] met wederzijds goedvinden per 1 januari 2020 wordt beëindigd. [eiser] wordt vanaf 1 oktober 2019 vrijgesteld van zijn verplichting om werkzaamheden te verrichten voor Hezelburcht.

2.7.

Artikel 4.3. van de vaststellingsovereenkomst luidt:

“Alle postcontractuele verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, waaronder uitdrukkelijk begrepen het geheimhoudingsbeding en het concurrentie- en relatiebeding, blijven ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst onverkort van kracht, voor zover hieronder niet anders is bepaald. Werknemer blijft eveneens gebonden aan de daaraan verbonden boetebepalingen.

Ten aanzien van het geldende relatiebeding wordt toegelicht dat het beding slechts een verbod behelst voor het verrichten van werkzaamheden bij relaties van werkgever voor zover die werkzaamheden betrekking hebben op het gebied van subsidie-advies en kunnen leiden tot vermindering van de dienstverlening van werkgever.”

2.8.

In artikel 4.5. van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat [eiser] de arbeidsovereenkomst vanaf 1 oktober 2019 desgewenst tegen elke dag voor 1 januari 2020 kan opzeggen en artikel 4.7. van de overeenkomst bevat een zogenoemde tekenvergoeding voor het geval de arbeidsovereenkomst eerder eindigt dan 1 januari 2020.

2.9.

Op 11 september 2019 zegt [eiser] de arbeidsovereenkomst op tegen 1 oktober 2019.

2.10.

In oktober 2019 verwerft [eiser] aandelen in het bedrijf SolisParks, een zonneparkprojectontwikkelaar. Hij verricht daar één dag per week onbetaalde werkzaamheden.

2.11.

Op 7 november 2019 schrijft Hezelburcht in een brief aan [eiser] dat hij door zijn partnerschap bij SolisParks zowel het concurrentie- als het relatiebeding overtreedt en daardoor de in de arbeidsovereenkomst opgenomen boete is verschuldigd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert kort gezegd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. Het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding geheel vernietigt dan wel schorst;

Subsidiair:

II. Het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding gedeeltelijk vernietigt dan wel schorst, in die zin dat de duur van het beding wordt beperkt tot 6 maanden na einde dienstverband;

Meer subsidiair:

III. Het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding gedeeltelijk vernietigt dan wel schorst, in die zin dat het [eiser] is toegestaan om als zelfstandig adviseur aan te sluiten bij het (binnenkort op te richten) bedrijf van zijn vrouw [eiser] en de heer [naam 1] op het gebied van duurzaamheidsubsidies, dan wel voor dit bedrijf subsidieadvies-werkzaamheden te verrichten, alsmede - voor zover vereist - dat het [eiser] is toegestaan om zijn werkzaamheden voor SolisParks, niet zijnde subsidieadvies-werkzaamheden, te blijven verrichten alsook om aandelen te verwerven in SolisParks;

Meer meer subsidiair:

IV. Voor het geval het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding in stand blijft, het concurrentiebeding in ieder geval - voor zover vereist - gedeeltelijk vernietigt dan wel schorst, in die zin dat het [eiser] is toegestaan om zijn werkzaamheden voor SolisParks, niet zijnde subsidieadvies-werkzaamheden, te blijven verrichten alsook om aandelen te verwerven in SolisParks en daarnaast Hezelburcht veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een redelijke vergoeding van € 45.000,-- bruto;

Uiterst subsidiair:

V. Voor het geval het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding in stand blijft én de voorzieningenrechter van oordeel is dat de werkzaamheden voor SolisParks mogelijk toch onder het bereik van het concurrentiebeding vallen, Hezelburcht veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een redelijke vergoeding van € 75.000,-- bruto;

In alle gevallen:

VI. Hezelburcht veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] kort gezegd dat hij door het concurrentiebeding in verhouding tot het te beschermen belang van Hezelburcht onbillijk wordt benadeeld. Na circa 1,5 jaar uit het arbeidsproces te zijn geweest wil [eiser] zijn werkzaamheden in de duurzaamheidssector graag weer oppakken. Hierbij wordt hij echter erg belemmerd door het concurrentiebeding. [eiser] heeft twaalf jaar in de subsidieadviesbranche gewerkt en het is voor hem ontzettend lastig om ander werk te vinden. Het liefst wil hij gaan werken bij het door zijn vrouw en een oud-collega opgerichte bedrijf op het gebied van duurzaamheidssubsidies (360SDG). Een dergelijk klein bedrijf vormt geen serieuze concurrentie voor een grote onderneming als Hezelburcht, aldus [eiser]. In ieder geval wil hij zijn huidige (onbetaalde) werkzaamheden voor SolisParks kunnen blijven voortzetten. Indien het concurrentiebeding toch in stand wordt gehouden, maakt [eiser] aanspraak op een redelijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.3.

Hezelburcht voert gemotiveerd verweer en concludeert dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen, althans dat de vorderingen als ongegrond dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Primair voert Hezelburcht aan dat een belangenafweging als bedoeld in artikel 7:653 lid 3 BW in dit geval niet aan de orde is. Het concurrentiebeding is immers opgenomen in een vaststellingsovereenkomst die als package deal na goed overleg tussen partijen tot stand is gekomen. Subsidiair is volgens Hezelburcht geen sprake van onvoorziene omstandigheden die zich na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hebben voorgedaan. In het geval toch een volledige belangenafweging moet plaatsvinden, valt deze in haar voordeel uit, zo voert zij meer subsidiair aan.

3.5.

Op de overige stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Het spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. In het algemeen heeft een werknemer er immers belang bij dat hij (zo snel mogelijk) zijn werkzaamheden weer kan oppakken, zulks met het oog op het hebben van toereikende inkomsten, het bijhouden van kennis en het onderhouden van vaardigheden.

De vernietiging dan wel schorsing van het concurrentiebeding

4.2.

Hoofdregel in het Nederlands burgerlijk recht is dat partijen overeenkomsten onverkort moeten nakomen: pacta sunt servanda. Het derde lid van artikel 7:653 BW kent de rechter echter de bevoegdheid toe om een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk te vernietigen op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. De wet geeft de rechter ten aanzien van deze vernietigingsgrond grote vrijheid, zowel wat betreft de wijze waarop en de mate waarin hij het concurrentiebeding vernietigt, als bij de vraag welke belangen moeten worden meegewogen en welk gewicht daaraan dient te worden toegekend.

Het kort geding leent zich naar zijn aard niet voor vernietiging van het concurrentiebeding. Het betreft immers een constitutieve beslissing. Gehele of gedeeltelijke schorsing van een concurrentiebeding totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist is wel mogelijk. Toetssteen is in zo’n geval of een met de gevraagde voorziening vergelijkbare vordering in een bodemprocedure met een grote mate van waarschijnlijkheid zal worden toegewezen.

4.3.

In het kader van de belangenafweging kan aan de zijde van de werkgever onder meer van belang zijn de vrees voor benadeling doordat de werknemer kennis draagt van bedrijfsgeheimen en persoonlijk contact heeft gehad met klanten of andere relaties van de werkgever, de duur van het dienstverband, de omstandigheid dat het dienstverband op initiatief van de werknemer is geëindigd en de omstandigheid dat de werkgever in belangrijke mate heeft geïnvesteerd in de opleiding en deskundigheid van de werknemer. Aan de zijde van de werknemer kan onder meer de mogelijkheid van een positieverbetering een rol spelen, alsook het risico dat hij loopt om bij onverkorte toepassing van het beding ernstig nadeel te ondervinden bij het vinden van een passende werkkring, het grondrecht van de vrijheid van arbeidskeuze en de duur van de arbeidsovereenkomst.

4.4.

Hezelburcht heeft - onder verwijzing naar een uitspraak van de kantonrechter in Brielle - aangevoerd dat toetsing aan artikel 7:653 BW in dit geval niet aan de orde is, omdat het concurrentiebeding in een vaststellingsovereenkomst is opgenomen als onderdeel van een totaalpakket van bedingen die allemaal zien op de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst die op initiatief van [eiser] en met juridische bijstand tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de in artikel 7:653 lid 3 sub b BW vastgelegde belangenafweging echter nog steeds te worden toegepast als sprake is van een beëindigingsovereenkomst, omdat het een dwingendrechtelijke bepaling betreft. Dit zou alleen anders zijn als deze belangenafweging in de beëindigingsovereenkomst expliciet is uitgesloten, maar dat is hier niet aan de orde. Wel moet een sterke mate van terughoudendheid worden betracht bij het maken van de belangenafweging. De bescherming die artikel 7:653 lid 3 BW aan een werknemer biedt, is immers door de wetgever in de wet opgenomen gelet op de beperkte mogelijkheden die een werknemer heeft om op het moment van de aanvang van zijn dienstverband en het aangaan van een concurrentiebeding zijn belangen juist in te schatten. In het geval als het onderhavige, waarin na een aantal jaren dienstverband, de werknemer een beëindigingsregeling treft met zijn werkgever en daarbij juridische bijstand heeft, is het echter reëel ervan uit te gaan dat de werknemer zijn belangen op dat moment beter kan inschatten. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt van Hezelburcht dat een concurrentiebeding dat is opgenomen in een vaststellingsovereenkomst uitsluitend kan worden gematigd indien sprake is van onvoorziene omstandigheden.

4.5.

In het kader van de belangenafweging heeft [eiser] puntsgewijs het volgende gesteld:

  1. Hezelburcht heeft geen gerechtvaardigd belang om [eiser] aan het concurrentiebeding te houden. Haar bedrijfsdebiet wordt voldoende beschermd door het ruim opgestelde relatiebeding en het geheimhoudingsbeding;

  2. Als specialist in duurzaamheidssubsidies is [eiser] gebonden aan de duurzaamheidssubsidie-branche. Hij wordt in ieder geval in sterke mate beperkt in het vinden van nieuw werk met een vergelijkbaar inkomen;

  3. Er is sprake van een positieverbetering omdat [eiser] op dit moment werkloos is;

  4. [eiser] heeft enkel om gezondheidsredenen en omdat er geen verbetering kwam in zijn werksituatie voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekozen. Er was geen ruimte voor onderhandeling;

  5. [eiser] is vanwege zijn burn-out al lang uit de roulatie en kan niet rondkomen van de WW-uitkering die hij per 1 januari 2020 ontvangt. Als hij nog langer moet thuiszitten komt dit zijn arbeidsmarktpositie noch zijn gezondheidssituatie ten goede;

  6. Door Hezelburcht is een ongezonde en onveilige werksituatie voor [eiser] gecreëerd vanwege de hoge werkdruk, de moeizame re-integratie en het gebrek aan steun en begrip van zijn leidinggevende;

  7. Aangezien [eiser] als zelfstandig adviseur op het gebied van duurzaamheidssubsidies wil gaan werken zal hij geen directe concurrent vormen voor een groot bedrijf als Hezelburcht. Bovendien is [eiser] tot oktober 2021 nog gebonden aan het relatiebeding;

  8. Er zijn door Hezelburcht nauwelijks investeringen in [eiser] gedaan;

  9. Het dienstverband heeft in totaal 5,5 jaar geduurd, waarbij [eiser] al ruim 1,5 jaar uit het werkproces is vanwege zijn burn-out;

  10. Er was geen ruimte voor onderhandeling over de vaststellingsovereenkomst, die een magere regeling betrof, maar [eiser] heeft zich vanwege zijn gezondheidssituatie genoodzaakt gezien toch akkoord te gaan;

  11. De toenmalige CEO van Hezelburcht heeft aan [eiser] te kennen gegeven dat er in de praktijk schappelijk met het concurrentiebeding zou worden omgegaan. [eiser] had daar ook vertrouwen in, omdat andere oud-werknemers met eenzelfde concurrentiebeding als [eiser] na hun vertrek bij Hezelburcht bij een directe concurrent zijn gaan werken dan wel subsidieadvieswerk zijn blijven doen.

4.6.

Hezelburcht heeft ter zitting de door [eiser] gestelde belangen gemotiveerd betwist. Daarnaast heeft zij haar eigen belangen toegelicht. Hezelburcht moet haar bedrijfsdebiet beschermen. Indien het concurrentiebeding niet wordt gehandhaafd loopt de specifieke marktpositie van Hezelburcht als specialist op het gebied van de integrale subsidieadvisering, mede gelet op de werkervaring en het netwerk van [eiser], gevaar. Daarnaast vreest Hezelburcht voor precedentwerking. Bij Hezelburcht werken hoog geschoolde specialisten op verschillende gebieden die via een interne praktijkopleiding worden geschoold tot consultants met verstand van de subsidieadviespraktijk op het gebied van hun eigen specialisatie. Deze investering van Hezelburcht in haar medewerkers wordt teniet gedaan indien werknemers zoals [eiser] na hun opleiding vertrekken bij Hezelburcht om elders dezelfde soort werkzaamheden te gaan verrichten, aldus Hezelburcht.

4.7.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het concurrentiebeding zeer ruim is geformuleerd. Het beding geldt voor heel Nederland en er is geen beperking tot producten die [eiser] zelf heeft vervaardigd of verhandeld dan wel diensten die hij zelf heeft verleend.

Gelet hierop is duidelijk dat het beding behoorlijk beperkend is voor [eiser] die na twaalf jaar ervaring als specialist in de subsidieadviespraktijk in de duurzaamheidsbranche kan worden aangemerkt. Aan de andere kant heeft Hezelburcht haar belang ter zitting voldoende geconcretiseerd. Zij heeft erop gewezen dat de subsidieadviespraktijk weliswaar heel breed is, maar dat [eiser] zich altijd heeft gericht op de duurzaamheidsmarkt. Juist daarin wil hij nu een eigen subsidieadviesbureau beginnen, samen met twee andere oud-werknemers van Hezelburcht (zijn vrouw [eiser] en [naam 1] die ook hierin gespecialiseerd zijn. Zij begeven zich dan als drie ervaren professionals met een nichekantoor op de markt van subsidieadvies op het gebied van duurzaamheid. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat Hezelburcht zich voornamelijk richt op de zogenoemde WSBO-subsidies, die relatief eenvoudig te verkrijgen zijn, maar Hezelburcht heeft ter zitting verklaard dat zij zich sinds 2014 is gaan focussen op het opbouwen van een marktpositie op het gebied van duurzaamheid. Juist op dat gebied heeft [eiser] tijdens zijn periode bij Hezelburcht specialistische kennis opgedaan en een groot netwerk opgebouwd. In deze omstandigheden is het zeer aannemelijk dat [eiser] door het starten van een eigen subsidieadviesbureau een serieuze en directe concurrent voor Hezelburcht vormt. Het enkele relatiebeding biedt (ook tezamen met het geheimhoudingsbeding) onvoldoende bescherming voor Hezelburcht.

4.8.

Van belang is dat het voor [eiser] tijdens het tekenen van de vaststellingsovereenkomst volkomen duidelijk was dat het concurrentiebeding zou blijven gelden. [eiser] heeft hier zelfs nog specifiek over gesproken met de voormalig CEO van Hezelburcht, Jan van Baars, die hem te kennen heeft gegeven dat over het concurrentiebeding niet kon worden onderhandeld. In artikel 4.3. van de vaststellingsovereenkomst wordt ook “uitdrukkelijk” verwezen naar de concurrentie-, geheimhoudings- en relatiebedingen van de arbeidsovereenkomst. Toch heeft [eiser], bijgestaan door een juridisch professional, ervoor gekozen de vaststellingsovereenkomst te tekenen. Volgens [eiser] heeft hij er omwille van zijn gezondheid voor gekozen akkoord te gaan. Hoewel aannemelijk is dat het contact en de gesprekken met Hezelburcht spanningen met zich brachten, had het echter op de weg van [eiser] gelegen om de vaststellingsovereenkomst niet te tekenen als hij zich niet kon vinden in hetgeen daarin was opgenomen met betrekking tot het concurrentiebeding.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat aan de zijde van beide partijen gerechtvaardigde belangen bestaan: voldoende aannemelijk is dat enerzijds Hezelburcht een gerechtvaardigd belang heeft om [eiser] aan het concurrentiebeding te houden ter bescherming van haar bedrijfsdebiet en anderzijds [eiser] een gerechtvaardigd belang heeft om van de werking van het concurrentiebeding te worden ontheven. De belangen tegen elkaar afwegend is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het belang van Hezelburcht bij handhaving van het concurrentiebeding groter is dan het belang van [eiser] om de werking daarvan te schorsen. Het is dan ook niet aannemelijk dat in een bodemprocedure de belangenafweging in het voordeel van [eiser] zal uitvallen. Gegeven de belangen over en weer wordt [eiser] er in dit bijzondere geval niet onbillijk door benadeeld dat dit de overeengekomen duur van twaalf maanden (waarvan er reeds zes voorbij zijn) blijft. De belangen van [eiser] rechtvaardigen geen beperking van de werking van het concurrentiebeding. Over zes maanden is de geldigheidsduur van het concurrentiebeding verstreken en kan [eiser] zich alsnog begeven in de subsidieadviesbranche, waarbij hij zich uiteraard nog wel aan het relatie- en het geheimhoudingsbeding moet houden. Overigens heeft Hezelburcht ter zitting te kennen gegeven dat [eiser] wel aan de slag kan bij een werkgever die zich incidenteel bezighoudt met subsidie(advies), mits [eiser] zich maar niet zelf met subsidies bezighoudt.

De redelijke vergoeding

4.10.

Indien de kantonrechter het concurrentiebeding handhaaft, kan hij op grond van artikel 7:653 lid 5 BW aan de werknemer ten laste van de werkgever een vergoeding toekennen. Daarbij gaat het om de situatie dat er gerechtvaardigde belangen aan de kant van de werkgever zijn om het concurrentiebeding te handhaven, maar dat het concurrentiebeding de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn of noodzaakt om met een minder goed betaalde baan genoegen te nemen. Hiervoor is al vastgesteld dat er gerechtvaardigde belangen zijn aan de kant van Hezelburcht om het concurrentiebeding te handhaven. Aan de andere kant wordt [eiser] ook echt belemmerd om anders dan in dienst van Hezelburcht werkzaam te zijn.

[eiser] ontvangt op dit moment een WW-uitkering. Het is evident dat hij een lager inkomen heeft dan toen hij bij Hezelburcht werkte. Ter zitting heeft hij te kennen gegeven dat zijn uitkering op dit moment lager is, omdat hij zich heeft aangemeld voor de startersregeling van het UWV. Onduidelijk is echter wat [eiser] in het kader van deze regeling doet en of hij daarmee inkomsten genereert. Het is duidelijk dat [eiser] graag dezelfde werkzaamheden wil blijven doen als hij bij Hezelburcht deed. Hoewel het begrijpelijk is dat [eiser] het liefst werkzaamheden verricht in de branche waar hij de afgelopen twaalf jaar heeft gewerkt, kan van hem worden verwacht dat hij - in ieder geval voor de periode dat het concurrentiebeding nog geldt - ook naar andersoortig werk (in de duurzaamheidssector) uitkijkt. Volgens Hezelburcht heeft [eiser] veel in zijn mars. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat hij enkel en alleen subsidieadvies-werkzaamheden kan verrichten. In dit kader is ook van belang dat [eiser] op grond van artikel 4.7. van de vaststellingsovereenkomst nog een tekenvergoeding heeft ontvangen van bijna € 11.000,-- en dat zijn vrouw betaalde werkzaamheden verricht en dus inkomsten heeft. In deze omstandigheden en gelet op de beperkte periode waarin het concurrentiebeding nog geldt, ziet de voorzieningenrechter geen reden om [eiser] een redelijke vergoeding toe te kennen.

Tot slot

4.11.

Hezelburcht heeft ter zitting uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat [eiser] bij SolisParks werkt indien zijn werkzaamheden zich beperken tot het rondrijden op zoek naar geschikte grondlocaties voor zonneparken en het in gesprek gaan met grondeigenaren, gemeenten en energiecoöperaties. Dit soort werkzaamheden, alsook de enkele verwerving van aandelen, vallen volgens haar niet onder het concurrentiebeding, zo heeft zij ter zitting bevestigd. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat Hezelburcht op grond van het enkel verrichten van die werkzaamheden de in haar brief van 7 november 2019 vermelde boetes niet (meer) zal vorderen van [eiser].

De proceskosten

4.12.

[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Hezelburcht begroot op € 720,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op