Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2320

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
96/149891-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een 22-jarige man uit Heerde is aangehouden door de politie wegens het vermoeden van rijden onder invloed van drugs. Bij verdachte is bloed afgenomen en onderzoek wijst uit dat er 210 microgram Amfetamine en meer dan 100 milliliter GHB in zijn bloed aanwezig is.

De verdediging heeft gesteld dat het onderzoek naar het bloed niet volgens de regels van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen is verlopen en dat het resultaat van dit onderzoek daarom niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt. De verdediging heeft de rechter verzocht verdachte vrij te spreken.

De politierechter heeft in zijn vonnis gemotiveerd waarom hij tot de conclusie komt dat de in het Besluit gestelde voorschriften wel op de juiste wijze zijn nageleefd en hij veroordeeld verdachte tot een taakstraf van 40 uur en een rijontzegging van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 96.149891.19

Datum uitspraak : 3 maart 2020

Tegenspraak

verkort vonnis van de politierechter

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] , wonende te [adres verdachte]

raadsvrouw: mr. V.W.A.M. van de Port, advocaat te Putten.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2020.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 16 februari 2019, te Heerde, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en GHB, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 210 microgram amfetamine per liter bloed en meer dan 100 milligram GHB per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Door de raadsvrouw is – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota – samengevat het volgende naar voren gebracht. Volgens de verdediging blijkt niet dat het afgenomen bloed zo spoedig mogelijk is bezorgd bij [het laboratorium] dat het onderzoek heeft gedaan. Volgens de raadsvrouw is ook onbekend gebleven hoe het bloed is bewaard en is het in dit verband opvallend dat in het proces-verbaal van de politie staat vermeld dat de bloedmonsters zijn verstuurd aan het NFI. Daarnaast heeft het onderzoek van [het laboratorium] niet binnen de voorgeschreven 2 weken plaatsgevonden maar heeft dit ruim 4 weken geduurd. Betoogd is dat daardoor de voorschriften uit artikelen 13, eerste lid aanhef en onder d en 16, eerste lid van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen niet zijn nageleefd, dat deze voorschriften behoren tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994 is omringd, dat daarom bewijsuitsluiting van de resultaten van het onderzoek moet volgen en dat verdachte aldus moet worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft kort samengevat betoogd dat voor zover deze voorschriften al zouden zijn geschonden, deze niet zien op het waarborgen van de juistheid van het onderzoek maar in de regelgeving zijn opgenomen zodat met de nodige voortvarendheid onderzoek van het bloed plaatsvindt zodat de verdachte genoeg tijd resteert om een contra-onderzoek te vragen als hij dat wil.

De politierechter overweegt als volgt.

Uit artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994, volgt onder meer dat het verboden is een voertuig te besturen na gebruik van drugs, waardoor het gehalte drugs in het bloed van de bestuurder bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde.

Het onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van drugs in het bloed vindt plaats in een daartoe geaccrediteerd laboratorium nadat bij de bestuurder bloed is afgenomen. In het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen (hierna: het Besluit) is de procedure aangaande dit onderzoek nader uitgewerkt.

Zo is in artikel 13, eerste lid aanhef en onder d van het Besluit onder meer bepaald dat de opsporingsambtenaar die bij de bloedafname aanwezig is ervoor zorgt dat het/de buisje(s) bloed in een voorgeschreven verpakking en met fraudebestendige sluitzegels en afsluiting zo spoedig mogelijk wordt/worden bezorgd bij het laboratorium.

In artikel 16, eerste lid, is bepaald dat de onderzoeker het onderzoek verricht binnen twee weken na ontvangst van het buisje bloed.

Uit het dossier volgt dat in deze zaak het bloed op 17 februari 2019 is afgenomen en op 20 februari 2019 door [het laboratorium] dat het onderzoek heeft verricht, is ontvangen.

Uit het dossier volgt ook dat het rapport met de onderzoeksresultaten is opgemaakt en ondertekend op 22 maart 2019.

Voor zover de raadsvrouw vraagtekens heeft gezet bij de wijze waarop het afgenomen bloed tussen afname en aankomst bij [het laboratorium] is bewaard, wijst de politierechter op de inhoud van de aanvraag ten behoeve van toxicologisch onderzoek (p. 19 van het politiedossier). Daarin staat vermeld dat het bloed op de voorgeschreven wijze is afgenomen en verzegeld is ingestuurd. Gezien de stempel voor ontvangst bij [het laboratorium] op deze aanvraag is het daar ook zo ontvangen. Ook staan de bijhorende identiteitszegels met unieke SIN nummers vermeld. Deze nummers zijn terug te vinden in het rapport van [het laboratorium] . Verder wijst de politierechter op de vermelding in het rapport (pagina 2) dat het bloedblok is bewaar bij -20 graden Celsius.

Uit het vorenstaande trekt de politierechter de conclusie dat het afgenomen bloed op de in het Besluit voorgeschreven wijze is bewaard en opgestuurd naar [het laboratorium] .

Uit het beperkte tijdsverloop van slechts drie dagen tussen afname van het bloed en ontvangst door [het laboratorium] (respectievelijk 17 en 20 februari), kan niet worden afgeleid dat de opsporingsambtenaar er niet voor heeft gezorgd dat het afgenomen en verzegeld verstuurde bloed zo spoedig mogelijk bij [het laboratorium] is bezorgd.

Of het bloed eerst is ingestuurd naar het NFI en daarna is doorgestuurd naar [het laboratorium] (standpunt verdediging onder verwijzing naar pagina 5 van het proces-verbaal) of dat op dat punt sprake is van een kennelijke verschrijving in de verslaglegging (standpunt officier van justitie), kan gezien bovenstaande conclusies in het midden blijven.

De politierechter komt dan ook alles overziend tot de conclusie dat in deze zaak het voorschrift van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit niet is geschonden, zodat ten aanzien van dit voorschrift verder buiten beschouwing kan worden gelaten of dit voorschrift wel of niet moet worden gezien als een voorschrift dat behoort tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994 is omringd.

Verder overweegt de politierechter als volgt. Afgaande op de datum waarop het rapport is ondertekend, heeft het onderzoek naar het bloed ruim 4 weken vanaf ontvangst in beslag genomen, terwijl in artikel 16 van het Besluit een termijn van 2 weken staat vermeld.

Uit de wetsgeschiedenis van het Besluit (Staatsblad 2016, 529, met nota van toelichting), kan echter niet worden afgeleid dat deze termijn van 2 weken is bedoeld als strikte waarborg voor de betrouwbaarheid van het onderzoek zelf. Anders gezegd: uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat de overschrijding van deze termijn ertoe leidt dat de inhoudelijke juistheid van de resultaten het onderzoek zelf (met kort gezegd als strekking: er is drugs in het bloed aangetroffen boven de grenswaarde) wordt aangetast. Ook overigens is daar geen aanknopingspunt voor. Gezien de samenhang van artikel 14 met artikel 18 (verplichting tot vernietiging van het bloed een half jaar na dagtekening van het rapport) en de artikelen 16 en 17 (regels omtrent aanvullend- of tegenonderzoek) van het Besluit, is met de termijn van 2 weken kennelijk beoogd het onderzoek niet onnodig lang te laten duren met het oog op eventuele effectuering van het recht op tegenonderzoek en de verplichting tot vernietiging van het bloed na een half jaar. Gelet op het bovenstaande treft het verweer aangaande de termijnoverschrijding van artikel 16 van het Besluit dus geen doel.

Hieruit volgt dat de resultaten van het onderzoek door [het laboratorium] gebezigd kunnen worden voor het bewijs.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 16 februari 2019, te Heerde, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegensverkeerswet 1994, te weten amfetamine en GHB, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 210 microgram amfetamine per liter bloed en meer dan 100 milligram GHB per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

- Het proces-verbaal van rijden onder invloed (pagina 2 e.v.), opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , waarin verkort en zakelijk weergegeven het volgende staat vermeld. De politie heeft op 16 februari 2019 om 23:55 uur op de Boneburgerlaan in Heerde verdachte zien rijden als bestuurder van een auto. Er heeft vervolgens een controle plaatsgevonden op naleving van de Wegenverkeerswet en van verdachte is een indicatieve speekseltest afgenomen, welke een indicatie gaf op het gebruik van amfetamine. De verbalisanten namen verder waar dat bij verdachte sprake was van een woordenvloed en onrustig, opgewonden en euforisch gedrag. Naar aanleiding van het resultaat van de indicatieve speekseltest en genoemde waarneming, is bij verdachte bloed afgenomen voor onderzoek naar de aanwezigheid van drugs.

- Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 8 e.v.) van dezelfde twee verbalisanten waarin onder meer is opgenomen dat verdachte veelvuldig in de politiesystemen voorkomt in verband met drugs en dat in de auto die verdachte bestuurde, onder andere een spuit is aangetroffen. Tijdens de controle had verdachte vergrootte pupillen en gedroeg zich onrustig.

- Het rapport van laboratorium [het laboratorium] (pagina 15 e.v.), opgemaakt en getekend op 22 maart 2019, waarin onder meer staat vermeld dat in het bloed van verdachte amfetamine en GHB is aangetroffen, te weten 210 microgram amfetamine per liter bloed en meer dan 100 milligram GHB per liter bloed en dat dit kort gezegd boven de bepaalde grenswaardes ligt.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

De politierechter heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen de ernst van het feit (het in gevaar brengen van de verkeersveiligheid) en de uitgangspunten voor straftoemeting bij zogenoemd combinatiegebruik, zoals geformuleerd door het gerechtshof Den Haag op 6 mei 2019 (zie bijvoorbeeld: GHDHA:2019:924).

Daarnaast heeft de politierechter zorgen over het drugsgebruik van verdachte, mede gezien de justitiële documentatie (met in 2019 een veroordeling voor onder andere overtreding van de Opiumwet en hem toen verplicht opgelegde begeleiding en behandeling door Tactus verslavingszorg) en de eigen verklaring van verdachte bij de politie dat hij dagelijks blowt (‘als zelfmedicatie’).

Met de straf worden de strafdoelen normstelling, generale- en speciale preventie beoogd.

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis als hij die taakstraf niet of niet naar behoren uitvoert, en daarnaast tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikelen 8 en 176-179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De politierechter:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis als hij die taakstraf niet of niet naar behoren uitvoert;

Een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Dit verkort vonnis is gegeven door mr. P.J.C. Cremers in tegenwoordigheid van mr. M. van Erp-Noordenbos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 maart 2020.