Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2276

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
8301687
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Appartementsrecht. Zonnepanelen zonder toestemming van vereniging van eigenaars. Nietigheid besluit bij de kantonrechter? Verwijzing naar handelskamer. Verhouding tussen verzoeken nietigheid/vernietigbaarheid tot machtiging op grond van artikel 5:121 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 8301687 \ AZ VERZ 20-5 \ 398

uitspraak van

Beschikking

in de zaak van

[naam]

wonende te [woonplaats]

[verzoeker]

gemachtigde: mr. R.J.A.M. Besselink

tegen

de vereniging

Vereniging van Eigenaars [adres] te [plaats]

gevestigd te [vestigingsplaats]

verweerster

gemachtigde: mr. Y.E.M. Goessens

Partijen worden hierna [verzoeker] en de VvE genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, ingekomen op 4 februari 2020

- de brief van mr. Besselink van 2 maart 2020

- het verweerschrift, tevens aantekeningen mondelinge behandeling, echter zonder de daarbij ingezonden producties, die ter zitting na bezwaar van mr. Besselink zijn teruggegeven aan mr. Goessens

- de op 4 maart 2020 gehouden mondelinge behandeling; daarbij heeft ook mr. Besselink zich van spreekaantekeningen bediend, die zich bij de stukken bevinden.

1.2

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1

[verzoeker] is gerechtigd tot een appartementsrecht behorende tot het complex [adres] te [plaats] . Het complex bestaat sinds 2018 uit drie appartementen, kort

gezegd [huisnummers 1, 2 en 3] . [verzoeker] is gerechtigd tot [huisnummer 1] , gelegen op de eerste en tweede verdieping, met vliering. [verzoeker] heeft zijn appartement in 2014 verkregen.

2.2

De splitsingsakte dateert van 1998. Toen is ook de VvE opgericht. Tot het complex behoorde tot 2018 ook [adres] [huisnummer 4] . Het modelsplitsingsreglement van januari 1992 is van toepassing (hierna: het splitsingsreglement).

2.3

Eind 2015 heeft [verzoeker] ten behoeve van zijn energievoorziening 12 zonnepanelen op het dak van het complex geplaatst. Tevens heeft hij op zijn balkon een airco/luchtwarmtepomp geplaatst.

2.4

[verzoeker] heeft zijn appartement in juni 2019 te koop gezet. Dat heeft op 6 december 2019 geleid tot een koopovereenkomst. Op 12 december 2019 heeft [naam] als bestuurslid van de VvE [verzoeker] onder meer geschreven:

In [het] Modelreglement is in artikel 13 lid 1 bepaald dat iedere op, aan- of onderbouw zonder toestemming van de vergadering is verboden.

Geconstateerd is :

  1. dat u zonder toestemming van de vergadering zonnepanelen op het gemeenschappelijke dak heeft geplaatst waarbij onduidelijk is hoe de leidingen zijn aangelegd.

  2. dat u zonder toestemming een airco installatie aan de buitenkant van het gemeenschappelijke pand heeft geplaatst waarbij onduidelijk is hoe deze leidingen zijn aangelegd.

U heeft aangegeven dat u voornemens bent uw appartement te gaan verkopen. Nu u bovenstaande twee zaken zonder toestemming heeft gerealiseerd, verzoekt de VVE [adres] deze zaken te verwijderen en ervoor zorg te dragen dat alles weer in de originele staat hersteld zal worden (..)

2.5

Op 8 januari 2020 heeft op verzoek van [verzoeker] een vergadering van de VvE plaatsgevonden, waarin de VvE heeft besloten om toestemming aan het (in 2015) aanbrengen van de zonnepanelen en de airco/luchtwarmtepomp te onthouden (hierna: besluit 1). Tevens is in die vergadering een huishoudelijk reglement vastgesteld (hierna: besluit 2). In artikel 2 lid 2 daarvan is het volgende bepaald:

Het is niet toegestaan aan, tegen of op de buitengevels/balustrades/dak verlichting, reclameaanduidingen, antennes, schotels, zonnepanelen en andere apparatuur of voorwerpen aan te brengen.

Ten slotte, voor zoveel hier van belang, hebben de leden van de VvE gesproken over de vorming van een reservefonds ten behoeve van eventuele juridische ondersteuning en procedures, in het bijzonder tegen [verzoeker] (hierna: besluit 3).

2.6

Bij brief van 16 januari 2020 heeft mr. Besselink de VvE verzocht om niet tot verwijdering van de dakpanelen en de airco/luchtwarmtepomp over te gaan en eerst de uitkomst van de onderhavige procedure af te wachten. Nadat de VvE had meegedeeld aan dat verzoek geen gevolg te geven heeft [verzoeker] haar in kort geding gedagvaard met kort gezegd een vordering tot verbod van demontage van de installaties. Na het aanhangig maken van de zaak heeft de VvE toegestemd te voldoen aan hetgeen werd gevorderd, waarna de vordering is ingetrokken.

3 Het verzoek

3.1

Na intrekking ter zitting van het incidenteel verzoek tot schorsing van de door [verzoeker] bestreden besluiten van de VvE heeft [verzoeker] verzocht:

a. de besluiten 1, 2 en 3 te vernietigen dan wel nietig te verklaren;

b. een vervangende machtiging te verlenen, voor zover de kantonrechter overgaat tot vernietiging dan wel nietigverklaring van die besluiten;

c. de veroordeling van de VvE in de kosten van het geding.

3.2

Volgens [verzoeker] zijn de installaties niet in strijd met artikel 13 lid 1 van het splitsingsreglement (en is besluit 1, dat wel daar vanuit gaat, zo begrijpt de kantonrechter, dus nietig) . De zonnepanelen liggen zwevend bovenop het dak en zijn door middel van houten latten en dakhaken gemonteerd; de airco/warmtepomp bevindt zich op het privébalkon van [verzoeker] .

[verzoeker] stelt voorts dat, voor zover de installaties wel onder artikel 13 lid 1 van het splitsingsreglement zouden vallen, de VvE hem, totdat hij de brief van 12 december 2019 ontving, nooit op de strijdigheid met het reglement heeft gewezen. In de vergaderingen van 16 juni 2016 en/of 1 november 2016 heeft hij die toestemming zelfs verkregen, althans is sprake van rechtsverwerking door nu verwijdering van hem te verlangen. Daarnaast had [huisnummer 4] al langer het dak vol panelen liggen, volgens [verzoeker] met toestemming van de VvE. Daarom is ook sprake van willekeur, aldus [verzoeker] , hetgeen moet leiden tot vernietiging wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. De toestemming had volgens [verzoeker] ook moeten worden verleend omdat er op het dak nog genoeg ruimte voor zonnepanelen is voor de andere eigenaren. Daarnaast is niet gebleken van een risico op verhoogd brandgevaar.

3.3

Met betrekking tot besluit 2 geeft [verzoeker] niet precies aan waarom dat zou moeten worden vernietigd of nietig is. Besluit 3 is volgens [verzoeker] vernietigbaar omdat het is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [verzoeker] stelt dubbel te worden gestraft, nu hij gehouden is naar aanleiding van de besluiten zelf te gaan procederen en kosten te maken. Volgens [verzoeker] is het volstrekt onredelijk dat hij nu ook nog eens aan de VvE moet gaan betalen voor de kosten van de procedure tegen hem.

3.4

De VvE voert verweer, dat hierna nog aan de orde zal komen.

4 De beoordeling

4.1

De VvE voert in de eerste plaats aan dat mede sprake is van een verzoek dat strekt tot verklaring voor recht dat de besluiten van de VvE van 8 januari 2020 nietig zijn. Volgens de VvE moet een dergelijk verzoek als vordering worden ingesteld bij de handelskamer van de rechtbank en niet bij de kantonrechter. Het standpunt van de VvE is op zichzelf juist. Voor een afzonderlijke beoordeling van een dergelijk ‘verzoek’ is in de onderhavige procedure geen plaats. Dat dient bij dagvaarding (art. 3:302 BW) bij de handelskamer van de rechtbank te worden gevorderd. Indien [verzoeker] dat wenst, zal de kantonrechter de zaak in zoverre naar die kamer verwijzen (art. 69 Rv). [verzoeker] zal zich daarover nog kunnen uitlaten. Maar, zoals hierna nog blijkt, worden dezelfde vragen als die daar aan de orde zouden komen ook hierna besproken. De procedures betreffende nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten staan in beginsel los van de machtigingsprocedure van artikel 5:121 BW. Is een besluit echter nietig (in dit geval als toestemming niet nodig was), dan is in zoverre een machtiging niet nodig. De kantonrechter zal zich daarom ook in de onderhavige procedure over de nietigheidsvraag moeten buigen. Hij kan de stellingen van [verzoeker] omtrent de nietigheid van besluit 1 bij de beoordeling van de verzochte machtiging immers niet negeren. De vraag is dan ook wat [verzoeker] met een verwijzing naar de handelskamer opschiet.

4.2

Wat besluit 2 betreft heeft [verzoeker] niet gesteld waarom dat besluit hem zou deren. Blijkens de tekst gaat het immers om nieuwe installaties (“aan te brengen”). Gesteld noch

gebleken is dat het besluit terugwerkende kracht zou hebben. Los hiervan heeft [verzoeker] ook niet duidelijk gemaakt wat er aan dat besluit mankeert, behalve dat hij het er kennelijk niet mee eens is.

4.3

Hoewel het uit de notulen niet expliciet volgt, is op 8 januari 2020 kennelijk besloten een reservefonds te vormen ten behoeve van de bekostiging van juridische procedures waarin de VvE is betrokken. Uit de notulen wordt wel duidelijk dat hierbij met name is gedacht aan het geschil met [verzoeker] over de zonnepanelen en de airco/warmtepomp. In zoverre heeft het besluit een specifiek doel en zou het zonder dat geschil klaarblijkelijk toen niet zijn genomen. [verzoeker] heeft gelijk waar hij zegt dat het initiatief om actie te ondernemen tegen besluit 1 bij hem lag. Hij zal daarvoor dus inderdaad de nodige kosten hebben moeten maken. Voor zover het besluit ten gevolge heeft dat [verzoeker] ook belast wordt met een deel van de kosten van de VvE ten gevolge van de door [verzoeker] aangespannen procedures is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] die laatste kosten niet behoort te dragen. In zoverre is besluit 3 in strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Daaraan doet niet af dat artikel 3 van het splitsingsreglement in algemene zin in dergelijke besluiten voorziet en evenmin dat [verzoeker] volgens de VvE al een tijd nalatig was met het betalen van zijn maandelijkse bijdrage.

4.4

Volgens artikel 13 lid 1 van het splitsingsreglement is iedere op-, aan- of onderbouw zonder toestemming van de vergadering verboden. Lid 2 bepaalt voorts dat het aanbrengen aan de buitenzijde van naamborden, reclame-aanduidingen, uithangborden, zonneschermen, vlaggen, spandoeken, bloembakken, schijnwerpers en in het algemeen van uitstekende voorwerpen, alsmede het hangen van wasgoed aan de buitenzijde van het gebouw slechts mag geschieden met toestemming van de vergadering of volgens regels te bepalen in het huishoudelijk reglement.

Ter vergelijking heeft de kantonrechter het modelsplitsingsreglement 2017 geraadpleegd. Daar luidt de parallelbepaling artikel 24, voor zoveel van belang, als volgt:

24.1

Ook indien daarvoor geen wijziging van de Akte is vereist, is iedere op-, aan-, onder- of
bijbouw door een Eigenaar zonder voorafgaande toestemming van de Vergadering
verboden.
(..)
24.3 Het zichtbaar aanbrengen in of aan het Gebouw dan wel op de Grond van naamborden,
reclameaanduidingen, uithangborden, zonweringen, wind- en terrasschermen, rolluiken,
zonnepanelen, boilers, vlaggen, spandoeken, bloembakken, schijnwerpers,
(schotel-)antennes, antennes van zendamateurs, alarminstallaties, luchtbehandelings- en
koelinstallaties, en in het algemeen van uitstekende voorwerpen, alsmede het in het zicht
hangen van wasgoed, mag slechts geschieden met toestemming van de Vergadering of
volgens regels te bepalen in het Huishoudelijk Reglement. Het in de vorige zin bepaalde
geldt mede voor de tot de Privé-gedeelten behorende buitenruimten.

4.5

Deze vergelijking sterkt de kantonrechter in zijn vermoeden dat zonnepanelen niet onder het verbod van artikel 13 lid 1 van het splitsingsreglement vallen. Ze worden immers in de parallelbepaling uit 2017 onder de opsomming van 24.3 geschaard. Dat lijkt te impliceren dat het in het eerste lid alleen over bouwwerken gaat.

4.6

Intussen is denkbaar dat zij wel onder het tweede lid van artikel 13 zouden kunnen vallen. Dat doet de vraag rijzen of het in dat lid alleen om “uitstekende werken” gaat en, zo ja, of zonnepanelen als zodanig moeten worden aangemerkt en, zo ja, of daarmee in 1992 al was te rekenen en, zo nee, of dat met het verstrijken van de tijd wellicht anders werd (in het reglement van 2006 zitten ze ook nog niet in de opsomming), zodat zij bij de aanleg in 2015 geacht moeten worden onder de bepaling van artikel 13 lid 2 te vallen. Als dat laatste niet zo is, zo lijkt de conclusie te zijn, is besluit 1 nietig en is er geen machtiging nodig.

De kantonrechter zal dat dan in het dictum te verstaan geven. In het andere geval moet beoordeeld worden of de toestemming zonder redelijke grond is geweigerd.

4.7

De onder 4.6 weergegeven vraagstelling lijkt overbodig als het aanbrengen van de zonnepanelen (ook) als een verandering aan het dak kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 9 lid 2 van het splitsingsreglement. Deze laatste bepaling is in ieder geval wel toepasselijk als er sprake is van leidingen die vanuit de installaties door een buitenmuur en/of het dak heengaan. Dat is dus mogelijk ook bij de airco/warmtepomp het geval. Daarnaast zijn bij de bevestiging van deze unit volgens de VvE gaten in de buitenmuren gemaakt. [verzoeker] heeft dat onvoldoende betwist. In het midden kan dan blijven of de enkele aanwezigheid van dit apparaat op het privébalkon van [verzoeker] ook zonder toestemming geoorloofd is.

4.8

Uit de stukken vloeit voort dat de aanwezigheid van de zonnepanelen en de airco/warmtepomp tot de brief van 12 december 2019 geen bron van discussie in de vergadering van eigenaren is geweest. Uit niets is tot dusver gebleken dat [verzoeker] er rekening mee had moeten houden dat (nadere) toestemming nog vereist was en nog minder dat die hem zoveel jaren achteraf nog zou worden onthouden. Aan de andere kant neemt [verzoeker] met zijn 12 panelen een groter deel van het gemeenschappelijke dak in dan hem naar evenredigheid van de onderlinge aandelen (3/8, 2/8 ( [verzoeker] ), 3/8), indien daarover een eerlijke gezamenlijke besluitvorming zou plaatsvinden, zou toekomen. Er met de VvE van uitgaande dat er maximaal 24 panelen op het dak kunnen worden geplaatst, zou [verzoeker] er dus 6 mogen houden. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de VvE geen geldige grond aanvoert om 6 zonnepanelen verwijderd te willen hebben. De verwijdering van de overige 6 panelen ontbeert een redelijke grond totdat en voor zover de overige eigenaren tezamen meer dan 12 panelen willen gaan plaatsen. Van een dergelijk voornemen is nu nog niet gebleken. Voor die overige zes zal de machtiging daarom worden afgegeven onder de ontbindende voorwaarde dat de overige eigenaren tegenover [verzoeker] (of zijn rechtsopvolger, op wie die kwalitatieve bevoegdheid overgaat) van een dergelijk concreet en onderbouwd voornemen zullen doen blijken. Indien er dus maar één eigenaar is die conform zijn aandeel 9 panelen wil gaan plaatsen is de voorwaarde nog niet vervuld en ook niet als die ene eigenaar er bijvoorbeeld 12 wil plaatsen. Voor de airco/warmtepomp zal de machtiging zonder die voorwaarde kunnen worden verleend.

4.9

Indien de machtiging zo verleend zal worden, is er aan de door [verzoeker] verzochte vernietiging van besluit 1 hoogstwaarschijnlijk geen behoefte meer. De machtiging verhindert immers tenminste de facto de uitvoering van dat besluit – waarvoor toch een executoriale titel (veroordeling) nodig is.

4.10

De slotsom is dat [verzoeker] zich nog schriftelijk kan uitlaten over een eventuele verwijzing naar de handelskamer van deze rechtbank als bedoeld onder 4.1 en dat partijen – [verzoeker] eerst – zich nog schriftelijk mogen uitlaten over de zinvolheid van een verdere beslissing omtrent hetgeen onder 4.5 tot en met 4.7 en onder 4.9 is overwogen. De hele discussie kan echter achterwege blijven als partijen het erover eens zijn dat de machtiging, zoals onder 4.8 weergegeven, het hele geschil oplost. Daar kunnen zij ook nog iets over zeggen.

4.11

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1

bepaalt dat [verzoeker] zich voor woensdag 13 mei 2020 schriftelijk kan uitlaten over hetgeen onder 4.1, 4.5. t/m 4.7, 4.9 en 4.10 is overwogen, waarna de VvE daarop (met uitzondering van de uitlating bedoeld onder 4.1) binnen 4 weken schriftelijk kan reageren;

5.2

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. R.J.J. van Acht en uitgesproken in het openbaar op