Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2264

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
NL19.19559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Paardenzaak. Vordering tot nakoming (leveren paard) slaagt niet, maar subs. vordering tot afgifte i.k.v. revindicatie wel. Verkoper heeft zich ten onrechte op retentierecht beroepen, want alle vorderingen uit ovk. en zaakwaarneming tijdig voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORBLAD

Rechtbank Gelderland

Zaaknummer: NL19.19559

[koper] tegen [verkoper]

Vonnis van 16 april 2020

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer: NL19.19559

Vonnis van 16 april 2020

in de zaak van

[voornamen] [koper],
wonende te [woonplaats] ,
eiser van de vordering,
verweerder op de tegenvordering,
hierna te noemen: [koper] ,
advocaat mr. M.A.J. Brouwers te Oisterwijk,

tegen

[voornaam] [verkoper],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder op de vordering,
eiser van de tegenvordering,
hierna te noemen: [verkoper] ,
advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding

- het verweerschrift met een tegenvordering

- het verweerschrift op de tegenvordering tevens vermindering eis

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 11 maart 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verkoper] , mede handelend onder de naam “ [handelsnaam 1] ” en “ [handelsnaam 2] ” houdt zich bezig met het houden en fokken van paarden (productie 1 van [koper] ).

2.2.

Op 30 april 2018 heeft [koper] op basis van door [verkoper] in die maand verstrekt beeldmateriaal een paard gekocht van [verkoper] voor een bedrag van € 15.000,00. Op de factuur van [handelsnaam 1] , gedateerd op 18 juli 2018 (productie 3 van [koper] ), is vermeld:

5 year old mare Starpower x Cornet Obolensky

Tax government 21% from € 15.000,= € 3.150,=

In de database van de KWPN is dit paard (hierna mede te noemen: Insallah) als volgt geregistreerd (productie 2 van [koper] ):

INSALLAH VII S, 2013

♀ MERRIE

STARPOWER (NAAM VADER) X CORNET OBOLENSKY (NAAM MOEDERSVADER)

LEVENSNUMMER 528003201303207

GEBOORTEDATUM 19-5-2013

FOKRICHTING Springpaard

REGISTER STB STER, IBOP-(SPR)

STOKMAAT 166 cm

KLEUR BRUIN

2.3.

Op 30 april 2018 heeft [koper] € 15.000,00 aan [verkoper] betaald (productie 1 van [verkoper] ) en op 3 augustus 2018 € 3.150,00 (productie 2 van [verkoper] ).

2.4.

Na het sluiten van de in 2.2 genoemde koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) is [koper] op 21 mei 2018 bij [verkoper] in Nederland geweest om het paard te bezichtigen en te berijden. Partijen hebben toen afgesproken dat Insallah tot
1 december 2018 gestald blijft bij en verzorgd en getraind wordt door [verkoper] . Partijen hebben daartoe op 21 mei 2018 de volgende overeenkomst (productie 3 van [verkoper] , hierna ook: de stallingsovereenkomst) ondertekend:

We, [handelsnaam 2] and [koper] make the appointment that [voornaam] trains the 5 year old mare Insallah Starpower x Cornet Obolensky till the first of December 2018. The costs for training is €4356,= till the first of December 2018. This includes training, feed, blacksmith, stable and VAT.

Daaronder heeft [verkoper] nog de volgende tekst ondertekend:

I [handelsnaam 2] promiss to try to sell this mare as soon as possible for [koper] for the amount of € 15.000,= and costs 4.356,=. I pay this back to [koper] . [koper] needs to pay me 21 % Vat when the mare is sold in Europe which is € 3.150,= The horse needs to be sold for the amount of € 25.000,=

2.5.

Bij factuur van 28 mei 2018 heeft [verkoper] de stallings-/trainingskosten (€ 726,00) van de eerste maandtermijn bij [koper] in rekening gebracht (productie 4 van [verkoper] ).

2.6.

In de periode mei-november 2018 en begin 2019 hebben partijen veelvuldig via WhatsApp contact met elkaar gehad (productie 6 van zowel [koper] als [verkoper] ).

2.6.1.

Op 7 juli 2018 heeft [koper] aan [verkoper] gevraagd om een video van Insallah omdat hij wil weten hoe het met het paard gaat.

2.6.2.

Op 10 juli 2018 heeft [koper] aan [verkoper] het volgende bericht gestuurd:

(…) I definitely need videos of my horse! I know it’s not a good horse, but I want and need to see if it’s improving even a little (…)

2.6.3.

Op 16 juli 2018 heeft [koper] onder andere als volgt aan [verkoper] medegedeeld:

I don’t think it’s a good horse, but maybe we can still sell her any time soon!

2.6.4.

Op 27 november 2018 heeft [koper] aan [verkoper] gevraagd hoe het met Insallah gaat. [verkoper] heeft daarop geantwoord: “The same friend sorry”. Daarop heeft [koper] voorgesteld dat [verkoper] hem de € 15.000,00 terug geeft. Daarmee heeft [verkoper] niet ingestemd.

2.6.5.

Op 7 maart 2019 heeft [koper] aan [verkoper] bericht dat hij zijn geld terug wil.

Daarop heeft [verkoper] gereageerd dat hij het paard naar [koper] kan sturen.

[koper] heeft daarop bericht: “Not a chance. That horse is worth nothing”.

2.6.6.

In april 2019 heeft [koper] [verkoper] als volgt medegedeeld:

And yes, I signed the contract, because you told me, the mare would be the same one if the video you first send me:

Which is not.

2.6.7.

Eind april/begin mei 2019 heeft [koper] aan [verkoper] bericht dat hij het paard naar Amerika getransporteerd wilde hebben. [verkoper] heeft daarop op 3 mei 2019 gereageerd dat het paard op transport kan worden gezet als [koper] heeft betaald voor de verzorging van het paard.

2.6.8.

Op 13 mei 2019 heeft [verkoper] aan [koper] bericht dat hij door de transporteur is benaderd omdat die het paard klaar wil maken voor transport, maar dat hij nog wacht op het geld. [koper] heeft daarop aan [verkoper] bericht dat het paard een bloedtest zal ondergaan in verband met transport, dat het paard nog 30 dagen bij [verkoper] zal staan en dat de rekening van [verkoper] zal worden voldaan als de bloedtest negatief is.

2.7.

[koper] heeft voorbereidingen getroffen om Insallah op 13 juni 2019 te kunnen laten transporteren. Op de factuur van 7 juni 2019 van [persoon A] , transporteur gespecialiseerd in paardenvervoer, is vermeld: “Horsename Insallah VII S Dep. Airport AMS Arr. Airport MEX scheduled shipping date 13.06.2019” (productie 9 van [koper] ).

2.8.

Op 6 juni 2019 heeft [verkoper] een bedrag van € 8.390,00 van [koper] ontvangen (productie 8 van [verkoper] ). Bij WhatsApp-bericht heeft [verkoper] daarop aan [koper] bericht: “You have send to less it is 9438 euro”. [koper] heeft daarop gereageerd: “It was actually € 8,400 for 12 exact months.” Daarop heeft [verkoper] bericht:

It is 13 x 726 euro” (productie 6 van [koper] ).

2.9.

Op 12 juni 2019 is namens [koper] een bedrag van nog eens € 1.028,00 bijgeschreven op de rekening van [verkoper] (productie 8 van [koper] ).

2.10.

Bij brief van 30 juli 2019 (productie 10 van [koper] ) heeft de advocaat van [koper] aan [verkoper] (in de Engelse taal) bericht dat [koper] € 18.150,00 voor Insallah heeft betaald en € 9.438,00 aan kosten voor stalling (13 x € 726,00), maar dat [verkoper] heeft geweigerd om het paard op transport te zetten. Zijn advocaat heeft medegedeeld dat [koper] nakoming van de overeenkomst vraagt, waarbij [verkoper] de kosten van transport voor zijn rekening moet nemen omdat [koper] al tevergeefs kosten heeft gemaakt voor transport van het paard. Namens [koper] is [verkoper] daarbij gesommeerd om het paard binnen 7 dagen op transport naar Mexico te zetten, bij gebreke waarvan [koper] [verkoper] aansprakelijk stelt voor de door [koper] geleden schade ten bedrage van € 35.454,99.

2.11.

Bij brief van 2 augustus 2019 (productie 11 van [koper] ) heeft [verkoper] onder meer als volgt aan de advocaat van [koper] medegedeeld:

(…)

Ik wil het paard Insallah zeker aan [koper] leveren zodra mijn kosten betaald zijn.

Dat zijn nog twee maanden trainingskosten, er is inderdaad 13 maanden betaald maar inmiddels zijn er weer twee maanden verstreken .Ook waren we overeengekomen dat Insallah in December 2018 bij mij zou worden opgehaald voor transport naar dhr [koper] . Hij houdt zich niet aan zijn afspraken, niet wat betreft het transport en ook niet op financieel vlak. (…) Insallah heeft een koliek aanval gehad ongeveer 3 weken geleden en daar zijn kosten mee gemoeid. Ook dit moet voldaan.

Zodra [koper] de laatste kosten overgemaakt heeft gaat Insallah zo snel mogelijk op transport (…).

Verder wordt er beweerd dat er van zijn kant kosten voor transport, quarantaine, bloedtesten etc gemaakt zijn, dat zijn kosten die dhr [koper] zelf afgesproken heeft met de transporteur en waar ik part nog deel aan heb, en dus ook niet op mij verhaald kunnen worden.

Een paard gaat op transport zodra de kosten betaald zijn, dat is/ was ook de afspraak met dhr. [koper] . Zodra een dier ziek wordt hebben wij de zorgplicht, maar de kosten zijn voor de eigenaar (…)

2.12.

Bij brief van 8 augustus 2019 (productie 12 van [koper] ) heeft de advocaat van [koper] [verkoper] nogmaals, dit keer in het Nederlands, aangeschreven en (samengevat) gesommeerd om Insallah binnen 7 dagen na heden te transporteren naar Mexico, en medegedeeld dat [koper] bij gebreke daarvan [verkoper] in gebreke stelt en, in plaats van nakoming, vervangende schadevergoeding vordert op grond van artikel 6:87 lid 1 BW.

2.13.

Omdat [verkoper] niet aan de sommatie voldeed, heeft [koper] - na daartoe op 15 augustus 2019 verlof te hebben gekregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam - op 19 augustus 2019 ten laste van [verkoper] conservatoir verhaalsbeslag laten leggen onder ABN AMRO Bank in verband met de schadevergoedingsvordering (productie 13 van [koper] ). De vordering is begroot op € 46.000,00 (de koopsom van Insallah, de tevergeefs gemaakte transportkosten en trainingskosten).

2.14.

Bij brief van 16 september 2019 heeft ABN AMRO (productie 14 van [koper] ) naar aanleiding van het gelegde beslag een derdenverklaring afgelegd waaruit blijkt dat de vorderingen van de bank de vorderingen van [verkoper] op de bank overtreffen, het beslag dus geen doel heeft getroffen en de bank het beslag als opgeheven beschouwt.

3 Het geschil

de vordering

3.1.

[koper] vordert na vermindering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

[verkoper] zal veroordelen binnen 7 dagen na betekening aan hem van dit vonnis, tot betaling van een bedrag van € 29.048,99 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 augustus 2019, althans 15 augustus 2019, althans vanaf de dag der dagvaarding dan wel een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;

Subsidiair (letteraanduiding per te onderscheiden vordering toegevoegd door de rechtbank):

A. voor recht zal verklaren dat [verkoper] geen retentierecht toekomt en dat [verkoper] ex artikel 6:162 BW onrechtmatig heeft gehandeld jegens [koper] door het paard zonder grond onder zich te houden;

B. (...) [verkoper] zal veroordelen binnen 7 dagen na betekening aan hem van dit vonnis, tot betaling van een bedrag van € 1.648,86, zijnde de door [koper] tevergeefs gemaakte transportkosten;

C. (...) [verkoper] zal veroordelen tot het op transport laten gaan van het paard Insallah met chipnummer 528210002970582 naar het adres: [adres] Mexico;

D. (...) [verkoper] zal veroordelen om] voorafgaand aan dit transport te [hengen] en te gedogen dat het paard op kosten van [verkoper] volledig veterinair wordt gekeurd door een door [koper] aan te wijzen dierenarts, waarbij ook de identiteit van het paard vastgesteld wordt,

E. [zal bepalen dat] [verkoper] een dwangsom verbeurt van € 2.500,00 voor iedere dag dan wel deel daarvan dat hij nalaat aan deze veroordelingen onder C. en D. te voldoen;

F. [verkoper] zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten zijnde een bedrag van € 1.065,49, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, onder de bepaling dat [verkoper] de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten verschuldigd wordt indien deze kosten niet binnen 7 dagen na betekening aan hem van dit vonnis (volledig) aan [koper] zijn voldaan;

En ten slotte:

[verkoper] zal veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen het nasalaris en de kosten van de conservatoire beslagleggingen, onder de bepaling dat [verkoper] de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten verschuldigd wordt indien deze kosten niet binnen 7 dagen na betekening aan hem van dit vonnis (volledig) aan [koper] zijn voldaan.

3.2.

[koper] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat hij Insallah heeft gekocht op basis van het (als productie 4 door hem overgelegde) beeldmateriaal, maar dat [verkoper] dat paard niet heeft geleverd. [koper] stelt met betrekking tot zijn subsidiaire vorderingen onder meer dat hij in juni 2019 alle vorderingen van [verkoper] (de koopsom, de stallings-, verzorgings- en trainingskosten van in totaal € 8.400,00 (12 x € 700,00) en in aanvulling daarop nog € 1.038,00) aan [verkoper] had voldaan, zodat [verkoper] op dat moment geen beroep op opschorting toekwam en van rechtswege in verzuim was. Voor zover hij niet van rechtswege in verzuim verkeerde, was [verkoper] vanaf 8 respectievelijk 15 augutus 2019 in verzuim als gevolg van de ingebrekestellingen in de brieven van 30 juli en 8 augustus 2019. [koper] betwist dat [verkoper] een vordering op hem heeft en/of dat [verkoper] zich kan beroepen op een retentierecht. Als [verkoper] het paard conform overeenkomst op transport had gezet, had [verkoper] de door hem in zijn brief van 2 augustus 2019 gestelde (en overigens niet onderbouwde) kosten niet hoeven maken. [koper] betwist dan ook dat hij die kosten verschuldigd is.

3.3.

[verkoper] concludeert dat de rechtbank [koper] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans [koper] zijn vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [koper] in de proces- en nakosten.

Op het verweer van [verkoper] wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

de tegenvordering

3.4.

[verkoper] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het op 19 augustus 2019 gelegde conservatoire derdenbeslag zal opheffen;

II. [koper] zal veroordelen tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, van de onderhoudskosten van het paard (zoals genoemd onder punt 39 e.v. van het verweerschrift tevens tegenvordering) aan [verkoper] op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. [koper] zal veroordelen in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval voldoening binnen de bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede in de nakosten met een bedrag van € 157,00 respectievelijk € 239,00 euro indien betekening van dit vonnis dient plaats te vinden.

3.5.

[verkoper] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het door [koper] gelegde beslag onrechtmatig is, omdat de vorderingen van [koper] moeten worden afgewezen. Het beslag moet op grond van artikel 705 lid 2 Rv dan ook worden opgeheven.

[koper] dient de verschuldigde bedragen voor training en onderhoud van het paard te voldoen. [verkoper] beroept zich daarbij op zaakwaarneming.

3.6.

[koper] concludeert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verkoper] niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, althans deze vorderingen afwijst, met veroordeling van [verkoper] in de proces-, beslag- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis aan [koper] zijn voldaan.

Op het verweer van [koper] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

van de vordering en de tegenvordering

bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Omdat [koper] in Colombia woonachtig is, zal de rechtbank allereerst toetsen of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil en welk recht van toepassing is.

4.2.

De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de in artikel 2 Rv vastgelegde hoofdregel, inhoudende dat in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. [verkoper] heeft immers zijn woonplaats in Nederland.

4.3.

Met betrekking tot toepasselijk recht overweegt de rechtbank dat op de koopovereenkomst tussen partijen het Weens Koopverdrag (van 11 april 1980, Trb. 1986,61, hierna: WKV) van toepassing is, omdat Nederland en Colombia verdragsstaten zijn bij dat verdrag.

4.4.

De rechtsverhouding tussen partijen die voortvloeit uit een andere overeenkomst dan de koopovereenkomst of uit een andere bron dan overeenkomst, zal de rechtbank op grond van artikel 4 lid 1 onder b van Rome I (EG Verordening nr. 593/2008) en artikel 11 lid 1 van Rome II (EG Verordening nr. 864/2007) naar Nederlands recht beoordelen, omdat [verkoper] zijn woonplaats in Nederland heeft.

4.5.

De beoordeling van het retentierecht waar [verkoper] zich op beroept, zal eveneens naar Nederlands recht worden beoordeeld. Het retentierecht is een bijzonder opschortingsrecht dat buiten het materiële toepassingsgebied van Rome I valt. Op grond van artikel 10:129 BW worden het ontstaan en de inhoud van het retentierecht bepaald door het recht dat de daaraan ten grondslag liggende rechtsverhouding beheerst en kan slechts geldend worden gemaakt voor zover het recht van de staat waar de zaak (het paard) zich bevindt, dat toelaat.

van de vordering

primaire vordering

4.6.

[koper] heeft aan zijn primaire vordering ten grondslag gelegd dat [verkoper] de koopovereenkomst niet is nagekomen. [verkoper] heeft het door [koper] gekochte paard, Insallah, niet geleverd, althans het paard dat [verkoper] heeft geleverd is niet het juiste paard. De rechtbank overweegt als volgt over de nakoming van de koopovereenkomst.

4.7.

Partijen hebben op 30 april 2018 een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [koper] voor € 15.000,00 exclusief btw het paard Insallah van [verkoper] heeft gekocht. [koper] heeft op 30 april 2018 de koopsom aan [verkoper] betaald en op 3 augustus 2018 het btw-bedrag. Op 21 mei 2018 is [koper] bij [verkoper] geweest om het paard te bezichtigen en te berijden. Partijen toen zijn overeengekomen dat Insallah tot 1 december 2018 bij [verkoper] zou worden gestald, verzorgd en getraind.

4.8.

Uit het voorgaande blijkt dat partijen over en weer hebben voldaan aan hun verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst: [verkoper] heeft op 21 mei 2018 voldaan aan zijn verplichting tot levering in de zin van artikel 33 WKV en [koper] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de koopsom in de zin van artikel 53 WKV. De stelling van [koper] dat [verkoper] niet aan zijn verplichting tot levering heeft voldaan omdat het geleverde paard een ander paard was dan Insallah, wordt niet gevolgd. Uit de tussen partijen gevoerde WhatsApp-correspondentie volgt niet dat [koper] dat standpunt reeds direct na de levering - toen hij in mei 2018 bij [verkoper] was om het paard te berijden en te bezichtigen - heeft ingenomen. In juli 2018 heeft [koper] aan [verkoper] bericht dat hij geen goed paard geleverd heeft gekregen, maar ook dat het paard misschien nog beter kon worden en aan een derde kon worden verkocht. [koper] stelt dat uit beeldmateriaal (een filmpje dat hij voorafgaand aan de koop van [verkoper] kreeg, vergeleken met een filmpje dat is gemaakt toen [koper] [verkoper] in mei 2018 bezocht en bij die gelegenheid het paard heeft bereden) blijkt dat het paard dat hem werd gepresenteerd een ander paard was dan Insallah, althans een ander paard dan zichtbaar op het filmpje dat [verkoper] aan hem stuurde voorafgaand aan de koop.

4.9.

[verkoper] heeft dit met klem betwist. Het paard zoals is te zien op het eerste filmpje (productie 4 van [koper] ) is precies hetzelfde paard - en wel Insallah - als op het tweede filmpje (productie 5 van [koper] ), aldus [verkoper] . Hij heeft daaraan toegevoegd dat op het eerste filmpje, dat is geschoten op een wedstrijddag, [verkoper] eigen ruiter te zien is, die het paard continu traint. Paard en ruiter kennen elkaar, ze vormen een combinatie. Op het tweede filmpje is [koper] te zien, die het paard voor het eerst berijdt. Dan springt een paard niet direct heel hoog. Paard en ruiter moeten eerst een combinatie worden. En hoe beter de ruiter, hoe beter het paard presteert, aldus nog steeds [verkoper] ter zitting.

[koper] heeft deze toelichting op de beelden niet, althans onvoldoende betwist. Zijn enkele stelling dat uit vergelijking tussen de beide filmpjes een verschil in kwaliteit en hoogte bij het springen blijkt, is gelet op de gemotiveerde betwisting van [verkoper] onvoldoende. [koper] heeft ter zitting bovendien onderkend dat een paard in de aanloop naar een wedstrijddag toe extra geprepareerd wordt. Die wedstrijd vond, onweersproken door [koper] , volgens [verkoper] plaats een aantal weken voor 30 april 2018, de dag dat hij de beelden daarvan naar [koper] heeft verzonden. Hetgeen [koper] nog heeft aangevoerd over het moment waarop het aan hem op 21 mei 2018 getoonde paard een veulen had gekregen, is - mede gelet op hetgeen [verkoper] daarover heeft verklaard - onvoldoende voor een andersluidend oordeel.

Daar komt nog het volgende bij. Zelfs als er veronderstellende wijs van wordt uitgegaan dat op het ene filmpje een ánder paard is te zien dan op het andere, dan had van [koper] verwacht mogen worden dat hij eerder (direct of kort na 21 mei 2018) aan [verkoper] kenbaar had gemaakt dat het geleverde paard niet voldeed aan de overeenkomst. Daarvan is echter niet gebleken. In plaats daarvan heeft [koper] het paard kennelijk geaccepteerd en bovendien is hij met [verkoper] overeengekomen dat [verkoper] het paard onder zich zou houden om het voor [koper] te trainen en aan een derde te verkopen. Kort en goed, [koper] heeft op 21 mei 2018 het door hem gekochte paard Insallah geleverd gekregen.

4.10.

Omdat partijen gelet op het hiervoor overwogene over en weer hebben voldaan aan hun verplichtingen uit de koopovereenkomst, hebben zij op grond daarvan niets meer van elkaar te vorderen. [koper] wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat [verkoper] de koopovereenkomst niet is nagekomen. Het primair door [koper] gevorderde is daarom niet toewijsbaar. Hij is reeds eigenaar van Insallah.

subsidiaire vorderingen

4.11.

[koper] heeft subsidiair een zestal (door de rechtbank onderscheiden) vorderingen ingesteld. Zijn vordering onder A. behelst een verklaring voor recht dat [verkoper] geen retentierecht toekomt en dat [verkoper] ex artikel 6:162 BW onrechtmatig heeft gehandeld jegens [koper] door het paard zonder grond onder zich te houden. De rechtbank overweegt als volgt.

4.12.

[verkoper] heeft zich in mei 2019 met een beroep op het retentierecht op het standpunt gesteld dat hij Insallah niet hoefde af te geven aan [koper] in verband met een vordering die hij op [koper] had op grond van de stallingsovereenkomst.

4.13.

In de stallingsovereenkomst (weergegeven in 2.4) zijn partijen overeengekomen dat Insallah tot 1 december 2018 bij [verkoper] zou blijven en dat [koper] daarvoor
€ 4.356,00 aan [verkoper] zou betalen. Daaruit volgt dat partijen zijn overeengekomen dat [koper] € 726,00 per maand (immers € 4.356,00 voor 6 maanden) aan [verkoper] zou betalen. Gebleken is dat het paard na 1 december 2018 bij [verkoper] is gebleven. Niet gebleken is dat partijen daarover nadere afspraken hebben gemaakt. Ter zitting heeft [verkoper] zich op het standpunt gesteld dat hij Insallah na 1 december 2018 op grond van zaakwaarneming is blijven verzorgen en trainen, aangezien de stallingsovereenkomst niet is verlengd, ook niet stilzwijgend. [koper] , op zijn beurt, heeft hieromtrent verklaard dat de stallingsovereenkomst wel stilzwijgend is verlengd na 1 december 2018, maar dat hij deze overeenkomst op 2 mei 2019 heeft opgezegd. Die opzegging heeft [verkoper] zonder voorbehoud geaccepteerd, aldus [koper] met verwijzing naar de WhatsApp-correspondentie (spreekaantekeningen mr. Brouwers, randnummer 7).

4.14.

Dat betekent dat voor de periode vanaf 1 december 2018 tot en met 2 mei 2019 de grondslag voor de door [verkoper] geclaimde bedragen in zaakwaarneming (volgens [verkoper] ) dan wel de stallingsovereenkomst (volgens [koper] ) zijn gelegen. Voor de periode vanaf 3 mei 2019 resteert enkel zaakwaarneming als grondslag.

4.15.

[verkoper] heeft daarbij gesteld dat de door [koper] in het kader van zaakwaarneming te vergoeden kosten, althans schade en vergoeding zoals bepaald in lid 1 respectievelijk lid 2 van artikel 6:200 BW, gelijk zijn aan het door [koper] op grond van de stallingsovereenkomst verschuldigde bedrag van € 726,00 per maand.

4.16.

[koper] heeft daar ten eerste tegenin gebracht dat [verkoper] Insallah helemaal niet heeft verzorgd, getraind en onder zich heeft (gehad), aangezien het paard dat [verkoper] op videomateriaal aan [koper] heeft laten zien voorafgaand aan de koop een ander paard betreft dan het paard dat op 21 mei 2018 aan [koper] is getoond en geleverd.

4.17.

Met deze stelling wil [koper] kennelijk betogen dat [verkoper] zich überhaupt niet heeft ingelaten met de behartiging van de belangen van [koper] , zodat van zaakwaarneming geen sprake kan zijn. Zijn betoog wordt met verwijzing naar hetgeen de rechtbank onder 4.9 heeft overwogen en beslist, verworpen.

4.18.

Indien en voor zover [verkoper] Insallah onder zich zou hebben, heeft [koper] ten tweede betwist dat Insallah door [verkoper] is en wordt getraind. [koper] stelt dat het paard ongetraind en klaarblijkelijk niet verkocht kan worden. Bewijs van enige training dan wel deelname aan een wedstrijd wordt door [verkoper] - ondanks verzoeken daartoe - ook niet of nauwelijks geleverd. Op het spaarzame videomateriaal dat wel is toegezonden, is een niet afdoende getraind paard te zien. Voor alleen stalling van Insallah is het bedrag van € 726,00 per maand absurd. Indien en voor zover er enige maandelijkse kosten ter zake Insallah aan [verkoper] voldaan zouden moeten worden, is dit maximaal een bedrag van € 350,00, de

kosten van een gemiddelde pensionstalling, aldus nog steeds [koper] .

4.19.

Voor de periode van 1 december 2018 tot en met 2 mei 2019 moet dit betoog van [koper] worden geïnterpreteerd als beroep op wanprestatie aan de zijde van [verkoper] . Immers, [koper] stelt zich op het standpunt dat in die periode de stallingsovereenkomst nog van kracht was. (Op de situatie dat dat niet het geval is, heeft [koper] geen stellingen toegesneden.) Aangesproken tot betaling (aan de orde is immers de gepretendeerde vordering van [verkoper] en het daarop gebaseerde retentierecht) kan [koper] zich niet verweren met de (enkele) stelling dat zijn wederpartij de op hem rustende verbintenis uit de stallingsovereenkomst (ook) niet nakomt. Voor genoemde periode leidt dit verweer dan ook nergens toe.

4.20.

Voor de periode vanaf 3 mei 2019 ligt dit evenwel anders. [verkoper] beroept zich op zaakwaarneming. Op [verkoper] rust ter zake dan ook de stelplicht van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij, voor zover hier relevant, zich willens en wetens op redelijke grond heeft ingelaten met de behartiging van eens anders belang, volgens [verkoper] : door het paard van een ander te stallen, te verzorgen en te trainen. Het gaat, gelet op de gemotiveerde betwisting van [koper] , nu om dat laatste, het trainen van Insallah in de periode vanaf 3 mei 2019. [verkoper] heeft naar het oordeel van de rechtbank op dat punt onvoldoende concreet en onderbouwd op de betwisting van [koper] gereageerd. [verkoper] heeft niet toegelicht door wie, met welke frequentie en met welk resultaat Insallah in genoemde periode is getraind. Daartoe gaf het verweer van [koper] wel aanleiding.

4.21.

Dat betekent dat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat het door [verkoper] gevorderde bedrag vanaf 3 mei 2019, € 726,00 per maand, kan worden vastgesteld als het bedrag dat [koper] aan [verkoper] dient te betalen op grond van zaakwaarneming. Daarvoor heeft [verkoper] , zoals hiervoor overwogen, te weinig gesteld in het licht van het verweer van [koper] dat van training van Insallah niet, althans nauwelijks, is gebleken.

4.22.

Maar zelfs als er veronderstellende wijs van wordt uitgegaan dat [koper] bij een geslaagd beroep op zaakwaarneming van [verkoper] gehouden is om vanaf 3 mei 2019 per maand € 726,00 aan laatstgenoemde te voldoen, dan slaagt het verweer van [verkoper] - dat hij zich terecht op zijn retentierecht heeft beroepen - niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.23.

Uit de WhatsApp-correspondentie tussen partijen (weergegeven in 2.6) blijkt dat [koper] eind april/begin mei 2019 aan [verkoper] heeft medegedeeld dat hij Insallah naar Amerika getransporteerd wilde hebben. Dit kwalificeert de rechtbank als een beroep op revindicatie, artikel 5:2 BW. [koper] is immers eigenaar van Insallah. Daarop heeft [verkoper] gereageerd dat dat kon als [koper] de stallings-, verzorgings- en trainingskosten zou hebben betaald. Uit de WhatsApp-berichten (weergegeven in 2.8) blijkt dat [verkoper] daaraan zou meewerken als [koper] € 9.438,00 zou hebben betaald. [koper] heeft daarop in totaal € 9.418,00 (zie 2.8 en 2.9) aan [verkoper] betaald; het laatste bedrag is op 12 juni 2019 bijgeschreven op de rekening van [verkoper] .

4.24.

Hieruit volgt dat [koper] in elk geval heeft voldaan aan zijn betalingsverplichting op grond van de stallingsovereenkomst die tot 1 december 2018 gold. Vanaf 1 december 2018 tot en met 12 juni 2019 heeft [koper] voorts in totaal een bedrag aan [verkoper] betaald dat (bijna) gelijk staat aan de €726,00 per maand waarop [verkoper] in het kader van zijn beroep op zaakwaarneming aanspraak heeft gemaakt, zelfs als daarbij de maand juni 2019 volledig wordt meegeteld. [koper] heeft dat bedrag betaald omdat [verkoper] had toegezegd dat hij na die betaling zou meewerken aan afgifte van Insallah. Op 12 juni 2019 had [koper] derhalve ook aan zijn verplichtingen jegens [verkoper] voldaan voor de periode van 1 december 2019 tot en met juni 2019. Daarom kon [verkoper] op/vanaf 12 juni 2019 geen beroep meer doen op het retentierecht en had hij Insallah moeten afgeven voor het op 13 juni 2019 geplande transport, zoals ook door hem was toegezegd.

4.25.

Ter zitting heeft [verkoper] ter voorkoming van dat rechtsoordeel nog een drietal verweren opgeworpen.

Ten eerste heeft [verkoper] gesteld dat hij niet heeft meegewerkt aan het transport van Insallah omdat er nog bloedtesten moesten worden afgenomen, waardoor Insallah nog een maand langer moest blijven. Uit de Whatsapp-berichten (weergegeven in 2.6, met name 2.6.8) blijkt dat partijen op 13 mei 2019 hebben gecommuniceerd over bloedtesten die moesten worden gedaan en dat Insallah in verband daarmee nog 30 dagen bij [verkoper] zou blijven, aldus tot 12 juni 2019. De stelling van [verkoper] dat hij op/na 12 juni 2019 niet meewerkte aan het transport in verband met bloedtesten, wordt daarom niet gevolgd. Die situatie speelde een maand eerder.

4.26.

Ten tweede heeft [verkoper] gesteld dat [koper] in juni 2019 niet dertien, maar in totaal veertien maandtermijn verschuldigd was. Voor zover die redenering is gebaseerd op hetgeen [verkoper] heeft gesteld over de bloedtesten en het langere verblijf daardoor van Insallah, wordt die redenering verworpen met verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en beslist. Voor zover die redenering is gebaseerd op de stelling dat [koper] ook voor de maand mei 2018 stallings- en trainingskosten verschuldigd is aan [verkoper] , wordt die redenering eveneens verworpen. Dat partijen hadden afgesproken dat [koper] ook voorafgaand aan de levering van Insallah op 21 mei 2018 aan [verkoper] kosten verschuldigd was, heeft [verkoper] weliswaar (eerst ter zitting) gesteld, maar dit is gemotiveerd weersproken door [koper] en door [verkoper] op geen enkele manier van een onderbouwing voorzien, bijvoorbeeld aan de hand van een factuur waarmee bedoeld bedrag bij [koper] in rekening is gebracht. De tekst van de stallingsovereenkomst duidt er evenmin op dat [koper] voorafgaand aan het sluiten van die overeenkomst al kosten verschuldigd was.

4.27.

Ten derde en eerst tegen het slot van de zitting heeft [verkoper] , als een duveltje uit een doosje, gesteld dat zich na 12 juni 2019 - de dag waarop hij de laatste betaling van [koper] ontving - geen transporteur meer heeft gemeld voor Insallah. [koper] heeft vanaf dat moment, dus na 12 juni 2019, geen pogingen meer gedaan om het paard onder zich te krijgen, aldus [verkoper] .

4.28.

Deze stelling leidt er niet toe dat [verkoper] zich vanaf dat moment terecht op zijn retentierecht heeft beroepen, zoals hij kennelijk heeft willen betogen. Voor [verkoper] moet vanaf eind april/begin mei 2019 zonneklaar zijn geweest dat [koper] zijn eigendom opeiste. Daarover hebben partijen veelvuldig contact gehad via WhatsApp. Aan de teruggave van Insallah aan [koper] verbond [verkoper] echter de voorwaarde dat [koper] de openstaande bedragen voldeed. Zoals hiervoor is vastgesteld (4.24), heeft [koper] daar uiterlijk 12 juni 2019 aan voldaan. Voor [verkoper] was zelfs vóór die datum duidelijk dat [koper] het laatste bedrag aan hem had overgemaakt, getuige het als afbeelding meegestuurde betalingsbewijs in de WhatsApp-correspondentie van begin juni 2019, zoals ter zitting onweersproken gesteld door [koper] . In reactie daarop heeft [verkoper] enkel woorden gebezigd die neerkomen op “ik praat niet meer met je”, kennelijk vanuit de overtuiging dat [koper] hem op dat moment nóg meer geld schuldig was. Hiervoor is vastgesteld dat die opstelling van [verkoper] rechtens onjuist was.

4.29.

Het transport van Insallah stond gepland voor 13 juni 2019. Dat volgt uit de factuur van transporteur Klatte (2.7). Dat de dierenarts voorafgaand aan het feitelijk transport het paard nog moet keuren en een verklaring moet afgeven omdat dat anders in strijd is met Europese regelgeving, zoals [verkoper] in aanvulling nog heeft gesteld, mag zo zijn, maar feit is dat (1) het transport gepland stond ná ontvangst van de laatste betaling van [koper] en (2) dat [verkoper] hieraan willens en wetens, maar naar nu blijkt: op onterechte gronden, niet heeft meegewerkt. [verkoper] heeft zich daarbij ten onrechte op zijn retentierecht beroepen.

4.30.

De bij verweerschrift ter motivering van zijn beroep op het retentierecht ingenomen stellingen over de dierenartskosten in verband met eerst koliek en later droes, leiden niet tot een ander oordeel, reeds nu vaststaat dat Insallah voor deze ziektes pas op 13 juli 2019 respectievelijk 2 september 2019 is behandeld. Dit volgt uit de op 2 respectievelijk 4 januari 2020 gedateerde facturen van de dierenarts, die [verkoper] naar eigen zeggen kort daarna heeft voldaan. Deze data zijn gelegen na het moment dat [verkoper] zich ten onrechte op het retentierecht is gaan beroepen. Vergoeding van die kosten dient voor zijn eigen rekening te blijven, althans [verkoper] heeft voor de kosten geen rechtens te respecteren vordering op [koper] .

4.31.

Een onterecht beroep op een retentierecht is onrechtmatig, zodat [verkoper] gehouden is de schade die [koper] daardoor lijdt op grond van artikel 6:162 BW te vergoeden.

4.32.

De door [koper] subsidiair onder A. gevorderde verklaring voor recht is op grond van het voorgaande toewijsbaar.

4.33.

[koper] heeft onder B. vergoeding door [verkoper] van de tevergeefs gemaakte transportkosten gevorderd. Ook die vordering is gelet op het voorgaande toewijsbaar. [koper] heeft onderbouwd dat hij van de door hem betaalde transportkosten (€ 5.650,00, productie 9 van [koper] ) op 20 augustus 2019 € 4.550,00 gecrediteerd heeft gekregen (productie 15 van [koper] ). Hij heeft derhalve € 1.648,86 niet gecrediteerd gekregen en dus tevergeefs betaald als gevolg van het onrechtmatig handelen van [verkoper] .

4.34.

Ook de vordering onder C. om [verkoper] te veroordelen om mee te werken aan het op transport laten gaan van Insallah, zal worden toegewezen. [koper] is eigenaar van Insallah en doet een beroep op revindicatie. Het beroep op een retentierecht door [verkoper] slaagt niet (4.24).

4.35.

[verkoper] zal, als consequentie van de toewijzing van de vordering onder C., tevens worden veroordeeld om, zoals door [koper] onder D. gevorderd, voorafgaand aan dit transport te hengen en te gedogen dat het paard volledig veterinair wordt gekeurd door een door [koper] aan te wijzen dierenarts.

4.36.

[koper] vordert daarnaast, eveneens onder D., dat de kosten van die veterinaire keuring voor rekening van [verkoper] komen. [koper] heeft echter niet (voldoende) concreet gesteld op grond waarvan die kosten voor rekening van [verkoper] dienen te komen. De rechtbank acht geen rechtsgrond aanwezig om [verkoper] te veroordelen deze kosten voor zijn rekening te nemen. Dit deel van vordering onder D. wordt dan ook afgewezen.

4.37.

Ook het deel van de vordering onder D. dat de vaststelling van de identiteit van het paard betreft, zal worden afgewezen. [koper] heeft niet gemotiveerd op welke grondslag deze (deel)vordering voor toewijzing in aanmerking dient te komen. Voor zover deze (deel)vordering is ingegeven door de vrees dat [verkoper] Insallah niet onder zich heeft, is die enkele vrees onvoldoende voor toewijzing. [verkoper] zal immers worden veroordeeld (zie 4.34) tot het op transport laten gaan van Insallah.

4.38.

De rechtbank zal voorts, zoals onder E. gevorderd, een dwangsom verbinden aan de uit te spreken veroordelingen zoals weergegeven onder 4.34 en 4.35, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden beperkt als hierna volgend en aan de te verbeuren dwangsommen een maximum zal worden verbonden. Dit laat uiteraard onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit vonnis oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

4.39.

[koper] heeft tot slot onder F. een bedrag gevorderd dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vorderingen hebben echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal.

[koper] heeft gesteld dat hij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt en dat de daarmee gemoeide werkzaamheden andere werkzaamheden zijn dan die waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. [koper] heeft deze stelling nader onderbouwd met verwijzing naar de onder 2.10 en 2.12 weergegeven brieven van zijn advocaat. [verkoper] heeft deze stellingen niet, althans niet gemotiveerd weersproken.

4.40.

[koper] vordert een bedrag van € 1.065,49, uitgaande van een hoofdvordering van € 29.048,99. Toegewezen wordt echter slechts een (belangrijk) deel van de subsidiair ingestelde vorderingen. Met deze omstandigheden houdt de rechtbank rekening bij toepassing van de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Het gevorderde bedrag blijft ruim onder het forfaitaire tarief van het Rapport Voorwerk II en voldoet daarmee naar het oordeel van de rechtbank aan de dubbele redelijkheidstoets. Het gevorderde bedrag zal worden toegewezen.

4.41.

[koper] vordert [verkoper] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 679,77 voor verschotten en € 695,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 695,00). Het griffierecht dat in rekening is gebracht in verband met het beslagrekest zal worden verrekend met het door [koper] verschuldigde griffierecht in deze procedure.

4.42.

[verkoper] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [koper] worden vastgesteld op:

- betekening oproeping € 106,58

- griffierecht 617,00 (€ 914,00 -/- € 297 griffierecht beslagrekest)

- salaris advocaat 1.390,00 (2,0 punten × tarief € 695,00)

Totaal € 2.113,58.

4.43.

De gevorderde wettelijke rente over de proces-, beslag- en buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

van de tegenvordering

4.44.

Ter zitting heeft [verkoper] verduidelijkt dat zijn tegenvordering onder II., om [koper] te veroordelen tot betaling van de onderhoudskosten van het paard, is gebaseerd op de uit hoofde van zaakwaarneming door [verkoper] gemaakte stallings-, verzorgings- en trainingskosten.

4.45.

Zoals bij de beoordeling van de vorderingen van [koper] is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat er op 13 juni 2019 geen vordering van [verkoper] op [koper] resteerde. Vanaf dat moment heeft [verkoper] Insallah onrechtmatig onder zich gehouden. Dat staat in de weg aan een vordering op grond van zaakwaarneming voor de periode vanaf 13 juni 2019. Ook deze tegenvordering van [verkoper] zal, met verwijzing naar de overwegingen en beslissingen van de rechtbank bij de beoordeling van de vordering, worden afgewezen.

4.46.

[verkoper] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [koper] worden vastgesteld op € 347,50 (1,0 punt × factor 0,5 × tarief € 695,00) in verband met salaris advocaat.

4.47.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

van de vordering en de tegenvordering

4.48.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.49.

De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5 De beslissing

De rechtbank

op de vordering

5.1.

verklaart voor recht dat [verkoper] geen retentierecht toekomt en dat [verkoper] ex artikel 6:162 BW onrechtmatig heeft gehandeld jegens [koper] door het paard zonder grond onder zich te houden,

5.2.

veroordeelt [verkoper] om aan [koper] te betalen een bedrag van € 2.714,35, (tweeduizendzevenhonderdveertien euro en vijfendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.065,49 met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [verkoper] tot het op transport laten gaan van het paard Insallah met chipnummer 528210002970582 naar het adres: [adres] Mexico;

5.4.

bepaalt dat [verkoper] voorafgaand aan dit transport dient te hengen en te gedogen dat het paard volledig veterinair wordt gekeurd door een door [koper] aan te wijzen dierenarts,

5.5.

veroordeelt [verkoper] om aan [koper] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij na betekening van dit vonnis niet aan de in 5.3 en/of 5.4 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van in totaal € 50.000,00 is bereikt,

5.6.

veroordeelt [verkoper] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.374,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7.

veroordeelt [verkoper] in de proceskosten, aan de zijde van [koper] tot op heden vastgesteld op € 2.113,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.8.

verklaart dit vonnis op de vordering tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van 5.1,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

op de tegenvordering

5.10.

wijst de vorderingen af,

5.11.

veroordeelt [verkoper] in de proceskosten, aan de zijde van [koper] tot op heden vastgesteld op € 347,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.12.

verklaart dit vonnis op de tegenvordering wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

op de vordering en de tegenvordering

5.13.

veroordeelt [verkoper] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verkoper] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.14.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.15.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Klaasen en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2020.

jo/mk