Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2261

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
UTL-I-2019026090
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging gevangenhouding uitleveringswet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Rechtbanknummer : 19/651

Lurisnummer : UTL-I-2019026090

Zittingsdatum : 10 april 2020

Uitspraakdatum : 10 april 2020

BESLISSING van de Rechtbank Gelderland, meervoudige rechtbank voor strafzaken, zittinghoudende te Arnhem, in de zaak van:

naam : [opgeëiste persoon], hierna te noemen: de opgeëiste persoon,

geboren op : [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Marokko),

thans verblijvende : [PPC] .

Raadsman: mr. S. Kriekaard, advocaat te Arnhem.

PROCEDURE

Op 18 september 2019 is de opgeëiste persoon, na een van de Marokkaanse autoriteiten ontvangen uitleveringsverzoek, aangehouden. Op 19 september 2019 is zijn inverzekeringstelling bevolen en op 20 september 2019 heeft de rechter-commissaris de bewaring bevolen voor de duur van ten hoogste 20 dagen. Bij beslissing van de rechtbank van 15 november 2019 is de gevangenhouding bevolen voor de duur van 30 dagen.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 29 november 2019 is de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard.

Bij beslissing van 6 maart 2020 heeft de rechtbank de gevangenhouding laatstelijk met de duur van 30 dagen verlengd. Het bevel gevangenhouding is van kracht tot 13 april 2020.

Thans ligt voor de vordering van de officier van justitie van 18 maart 2020, tot verlenging van de gevangenhouding, op grond van artikel 37 van de Uitleveringswet, van de opgeëiste persoon met 30 dagen.

Vanwege het coronavirus en de in verband daarmee door de Rijksoverheid en de Rechtspraak genomen maatregelen is de rechtbank gesloten en is de zaak niet op een openbare terechtzitting behandeld. Dit is via e-mail kenbaar gemaakt aan alle procesdeelnemers alsmede aan de (advocaat van de) benadeelde partij.

De rechtbank heeft er naar gestreefd de doelen en belangen die gediend zijn met een dergelijke behandeling zoveel mogelijk te waarborgen, door de betrokken procespartijen op voorhand te informeren en - voor zover sprake is van voorlopige hechtenis - van hen voorafgaand aan de zitting (per mail) standpunten in te winnen. De situatie van een anders openbare terechtzitting heeft de rechtbank aldus zoveel mogelijk nagebootst, waarbij de rechters uit de zittingscombinatie vervolgens in gezamenlijk overleg tot de hierna te vermelden beslissingen zijn gekomen.

De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. S. Kriekaard, heeft bij mail van 8 april 2020 schriftelijk zijn standpunt verwoord. De officier van justitie, mr. M.J. van Dijck-Jager, heeft per mail van 8 april 2020 gereageerd. Zij heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen. De raadsman heeft in tweede termijn gereageerd bij mail van 9 april 2020. De officier van justitie heeft in tweede termijn gereageerd bij mail van 9 april 2020.

BEOORDELING

Vordering verlenging gevangenhouding

Bij beschikking van 19 maart 2020 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid de verzochte uitlevering toegestaan.

De mogelijkheid tot het instellen van een procedure bij de civiele voorzieningenrechter tegen de beschikking van de Minister is reeds verstreken.

Op grond van artikel 38 van de Uitleveringswet kan de verlenging van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon voor ten hoogste 30 dagen geschieden. Het derde lid onder d van dat artikel bepaalt dat verlenging alleen kan geschieden in gevallen waarin de uitlevering inmiddels wel is toegestaan, maar nog niet heeft kunnen plaatshebben. Van deze verlengingsgrond is in dit geval sprake.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande, nu de verdediging ook geen verweer heeft gevoerd, de gevangenhouding opnieuw verlengen met de duur van 30 dagen.

Schorsing uitleveringsdetentie

De verdediging heeft verzocht de gevangenhouding te schorsen, nu geen sprake is van vluchtgevaar en nu niet valt te overzien wanneer de uitlevering daadwerkelijk doorgang kan vinden gelet op de huidige omstandigheden met het coronavirus.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat gelet op artikel 56, eerste lid, van de Uitleveringswet het niet mogelijk is om de uitleveringsdetentie voorwaardelijk op te schorten of te schorsen, omdat de officier van justitie overeenkomstig artikel 36 van de Uitleveringswet in kennis is gesteld van de beslissing van de minister de uitlevering toe te staan.

Uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel volgt dat het doel van artikel 56 van de Uitleveringswet is om te voorkomen dat een niet-gedetineerde opgeëiste persoon zich aan feitelijke uitlevering kan onttrekken en daarmee de effectuering van de beslissing van de Minister van Justitie en Veiligheid kan frustreren. Het gerechtshof Amsterdam komt tot een zelfde uitleg van (artikel 56 van) de Uitleveringswet. De rechtbank verwijst in het bijzonder naar de uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2006 (ECLI:NL: GHAMS: 2006/AV6832) en 11 februari 2015 (ECLI: NL: GHAMS: 2015/5739), waarin het hof overweegt: “Uit de wet en de zojuist aangehaalde Memorie van Toelichting blijkt dat een schorsing van rechtswege eindigt nadat de officier van justitie in kennis is gesteld van zijn beslissing tot uitlevering. Dit impliceert naar het oordeel van het hof dat uitdrukkelijk bedoeld is dat na dit moment schorsing niet meer tot de mogelijkheden behoort”.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft inmiddels op 31 juli 2019 eveneens beslist dat gelet op artikel 56, eerste lid, van de Uitleveringswet schorsing niet mogelijk is nu de minister de officier van justitie in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de uitlevering toe te staan1.

Het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie dient dan ook te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst toe de vordering van de officier van justitie;

verlengt de gevangenhouding van de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon] voor een termijn van 30 (dertig) dagen;

wijst af het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie.

Deze beslissing is gegeven door mr. Y.H.M. Marijs, als voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en mr. H.C. Leemreize, als rechters in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier.

De rechters en de griffier zijn buiten staat te ondertekenen. Daarom is in opdracht getekend door een dienstdoende tekenrechter.

Waarvan is op gemaakt dit proces-verbaal, op 10 april 2020

Naam en handtekening tekenrechter: mr.

1 ECLI:NL:GHARL:2019:7022