Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2020:2252

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
19-05-2020
Zaaknummer
NL19.15538
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenzaak. Eigendom betwiste grond wel degelijk overgedragen aan verweerders. Beroep op bevrijdende/verkrijgende verjaring strandt. Voorw. tegenvordering behoeft geen behandeling. Concl. op vordering aangemerkt als tegenvordering; die slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORBLAD

Rechtbank Gelderland

Zaaknummer: NL19.15538

[persooon A] tegen [personen B en C]

Vonnis van 16 april 2020

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer: NL19.15538

Vonnis van 16 april 2020

in de zaak van

[voornamen] [persooon A],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres van de vordering,
verweerster op de tegenvordering,
hierna te noemen: [persooon A] ,
advocaat mr. P.W.E. Hoezen te Winterswijk,

tegen

1 [persoon B] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [persoon C] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerders op de vordering,
eisers van de tegenvordering,
hierna samen te noemen: [personen B en C] ,
advocaat mr. Y. Cenik te Lichtenvoorde.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de procesinleiding

- het verweerschrift tevens (voorwaardelijke) tegenvordering

- het verweerschrift tegenvordering

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 28 januari 2020

- de akte houdende wijziging en vermeerdering van eis van [personen B en C]

- de akte uitlating gewijzigde tegenvordering van [persooon A] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren. [persooon A] woont aan de [adres 1] te [woonplaats] . [personen B en C] woont daarnaast, op [adres 2]

2.2.

[persooon A] heeft in 1965 samen met wijlen haar echtgenoot (tezamen hierna ook aangeduid als [persooon A] ) de boerderij aan de [adres 1] , met daarbij twee zomerhuisjes, erf, tuin, bouwland en weiland, in eigendom verkregen. Dit perceel was destijds kadastraal bekend als Gemeente Winterswijk, sectie G, nummers 1342, 4201 en 4210.

2.3.

Dit perceel is rond 1985 in het kader van een ruilverkaveling hernummerd tot sectie G5136.

2.4.

Op 9 oktober 1996 heeft [persooon A] aan haar zoon, de heer [naam zoon] (hierna ook: de zoon), en zijn echtgenote onder meer het achterhuis van de boerderij overgedragen. In de ter zake opgemaakte notariële akte van 9 oktober 1996 staat hetgeen daarbij is geleverd als volgt aangeduid:

[e]en perceel grond gelegen achter het woonhuis [adres 1] kadastraal bekend Gemeente Winterswijk sectie G van nummer 5136 een kennelijk afgedeeld gedeelte waarvan de grootte nader zal blijken bij kadastrale opmeting; bij het hiervoor vermelde gedeelte van het kadastrale nummer 5136 is sprake van één onroerende zaak; waarvoor in het plan van toedeling van de ruilverkaveling "Winterswijk-West" in de plaats zal treden een gedeelte van de kavel genummerd 159.011 hierna ook te noemen het verkochte, door verkoper in gebruik als grond.

2.5.

Het in 2.2 en 2.3 genoemde perceel is gesplitst in twee woningen: [persooon A] is blijven wonen op het adres [adres 1] (het voorhuis) en de woning van de zoon is [adres 2] (het achterhuis) geworden.

2.6.

Uit de notariële akte van toedeling in het kader van de ruilverkaveling van
18 september 1998, waarin ook het hiervoor genoemde perceel betrokken was (zie verwijzing in de leveringsakte onder 2.4), volgt dat bij die ruilverkaveling aan [persooon A] is toegedeeld de kavel 159.011AB, kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie U, nummer 93 (hierna ook: sectie U93).

Aan de zoon van [persooon A] zijn daarbij toegedeeld de kavels 159.011AA en 159.510AA, kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie U92 respectievelijk U122.

2.7.

Op 31 juli 2017 heeft de zoon en zijn echtgenote met [personen B en C] een koopovereenkomst gesloten, waarbij zij aan [personen B en C] hebben verkocht, gelijk [personen B en C] van hen heeft gekocht “de eigendom van het perceel grond met woning en verdere aanhorigheden:

- plaatselijk bekend (Incl. postcode); [adres 2] , 7119AS te [woonplaats]

- kadastraal bekend gemeente Winterswijk / Winterswijk, sectie U / U, no. 92 / 122

- Groot totaal, 25 are, 85 centiare”.

2.8.

Op 6 november 2017 hebben de zoon en zijn echtgenote overgedragen aan [personen B en C] “het recht van eigendom met betrekking tot het woonhuis met verdere aanhorigheden, erf en tuin gelegen te 7119 AS [woonplaats] , [adres 2] , kadastraal bekend gemeente WINTERSWIJK, sectie U, nummers 92 en 122, respectievelijk ter grootte van vijf are (5 a) en twintig are en vijfentachtig centiare (20 a 85 ca)”.

2.9.

De grond en de daarop staande carport en inrit, in gebruik bij [persooon A] , groot 115 m2 (hierna ook: de betwiste grond met carport en inrit) bevinden zich op sectie U122.

2.10.

Uit een in opdracht van [personen B en C] opgesteld taxatierapport van 28 september 2018 volgt dat Blekkink Makelaardij de betwiste grond met carport en inrit per 18 september 2017 taxeert op een bedrag van € 17.250,00.

2.11.

Bij brief van 22 december 2018 heeft [personen B en C] jegens [persooon A] aanspraak gemaakt op de betwiste grond met carport en inrit. [personen B en C] schrijft daarbij te hopen dat er eind januari [2019] een definitieve oplossing komt.

2.12.

Die oplossing hebben partijen evenwel niet weten te bereiken, ook niet nadat zij beiden juridische bijstand hebben ingewonnen.

3 De vordering

3.1.

[persooon A] vordert dat de rechtbank [bij vonnis], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. voor recht zal verklaren dat [persooon A] eigenaar is van de oprit naar haar woning aan de [adres 1] te [woonplaats] , en de carport, alsmede de ondergrond, gelegen vanaf de [naam weg] bezien aan de rechtervoorzijde van haar woning.

II. [personen B en C] zal veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2.

[persooon A] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het volgende aan haar vordering ten grondslag. [persooon A] is eigenaar van de betwiste grond met carport en inrit. Primair is dit deel door haar niet overgedragen aan haar zoon en heeft hij het op zijn beurt evenmin overgedragen aan [personen B en C] kan dan ook geen eigenaar zijn geworden. Subsidiair heeft te gelden dat [persooon A] door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de betwiste grond met carport en inrit.

4 Het verweer op de vordering

4.1.

[personen B en C] concludeert, na ook zijn conclusie bij akte te hebben uitgebreid, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1a) primair voor recht zal verklaren dat [personen B en C] eigenaar is van het woonhuis met verdere aanhorigheden, erf en tuin gelegen te 7119 AS [woonplaats] , [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie U, nummers 92 en 122, respectievelijk ter grootte van vijf (5 a) are en twintig are en vijfentwintig centiare (20 a 85 ca) en meer specifiek (...) van de carport, ondergrond en de oprit naar de openbare weg zich bevindende op / onderdeel uitmakende van voormelde sectie U nummers 122 en/of 92;

1b) subsidiair voor recht zal verklaren dat [personen B en C] eigenaar is van het woonhuis met verdere aanhorigheden, erf en tuin gelegen te 7119 AS [woonplaats] , [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie U, nummers 92 en 122, respectievelijk ter grootte van vijf (5 a) are en twintig are en vijfentwintig centiare (20 a 85 ca) en meer specifiek (...) van de carport, ondergrond en de oprit naar de openbare weg, een en ander indien en voor zover zich bevindende op / onderdeel uitmakende van voormelde sectie U nummers 122 en/of 92;

2) [persooon A] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen van [persooon A] zal afwijzen en [persooon A] zal veroordelen in de proceskosten.

4.2.

Op het verweer van [personen B en C] zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

5 De voorwaardelijke tegenvordering

5.1.

[personen B en C] vordert, na vermeerdering van eis, voorwaardelijk - indien het oordeel luidt dat [personen B en C] geen eigenaar is van de litigieuze grond als gevolg van een geslaagd beroep op verjaring door [persooon A] - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1a) primair [persooon A] zal veroordelen om aan [personen B en C] te betalen een geldbedrag van € 17.250,00, althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de procesinleiding tot aan de dag van de algehele voldoening;

1b) subsidiair [persooon A] zal veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [personen B en C] de carport, ondergrond en oprit naar de openbare weg die zich bevinden op / onderdeel uitmaken van sectie U122 in eigendom over te dragen alsmede [persooon A] zal veroordelen in de kosten van overdracht (notaris en kadaster), e.e.a. op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat Warmerdam hieraan weigert om haar medewerking te verlenen;

2) primair en subsidiair [persooon A] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

5.2.

[personen B en C] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het volgende aan zijn voorwaardelijke vorderingen ten grondslag. [personen B en C] is rechtsgeldig, namelijk bij notariële akte, eigenaar geworden van de percelen U92 en U122. De betwiste grond met carport en inrit bevinden zich op sectie U122, hetgeen tevens blijkt uit de door [personen B en C] overgelegde kadastrale kaart. Gelet op de inhoud van de notariële aktes van 9 oktober 1996 (2.4), 18 september 1998 (2.6) en 6 november 2017 (2.8) volgt dat de betwiste grond met carport en inrit is overgedragen aan [personen B en C]

De primaire vordering onder 1a) heeft [personen B en C] gebaseerd op onrechtmatige daad. [persooon A] is te kwader trouw ten aanzien van het bezit van de betwiste grond met carport en inrit. Dat is onrechtmatig jegens [personen B en C] , die zijn vordering uit onrechtmatige daad jegens haar te gelde wil maken. Indien [persooon A] financieel niet bij machte is om het bedrag van € 17.250,00 dat met de primaire vordering gemoeid is, aan [personen B en C] te betalen, vordert [personen B en C] - bij wijze van schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom, artikel 6:103 BW - veroordeling van [persooon A] om de betwiste grond met carport en inrit aan [personen B en C] over te dragen.

6 Het verweer op de voorwaardelijke tegenvordering

6.1.

[persooon A] concludeert tot afwijzing van de (voorwaardelijke) tegenvordering(en) van [personen B en C] , met veroordeling van [personen B en C] in de proceskosten en de nakosten.

6.2.

Op het verweer van [persooon A] zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

7 De beoordeling

van de vordering

7.1.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of, zoals [persooon A] stelt maar [personen B en C] betwist, [persooon A] eigenaar is van de betwiste grond met carport en inrit.

7.2.

[persooon A] heeft daartoe primair gesteld dat zij eigenaar is van de betwiste grond met carport en inrit, nu dit deel door haar niet is overgedragen aan haar zoon en haar zoon het op zijn beurt evenmin heeft overgedragen aan [personen B en C] kan dan ook geen eigenaar zijn geworden. Wat “een kennelijk afgedeeld gedeelte” is, zoals in de leveringsakte onder 2.4 vermeld, volgt volgens [persooon A] uit de door haar (als productie 13) overgelegde foto’s.

7.3.

[personen B en C] heeft hier tegenin gebracht dat hij rechtsgeldig, namelijk bij notariële akte, eigenaar is geworden van de percelen U92 en U122. De betwiste grond met carport en inrit bevinden zich op sectie U122, hetgeen tevens blijkt uit de door [personen B en C] overgelegde kadastrale kaart. Gelet op de inhoud van de notariële aktes van 9 oktober 1996 (2.4), 18 september 1998 (2.6) en 6 november 2017 (2.8) volgt dat de betwiste grond met carport en inrit is overgedragen aan [personen B en C] Hij is dan ook eigenaar, en niet [persooon A] , aldus [personen B en C]

7.4.

Bij de beantwoording van de vraag wat geleverd is, komt het aan op de in de notariële leveringsakte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak (Hoge Raad 8 december 2000, NJ 2001, 350). In dit verband komt betekenis toe aan alle objectief kenbare omstandigheden van het geval, en dus niet aan de niet-kenbare bedoeling van degenen die de bepaling van de akte hebben geredigeerd.

7.5.

Tussen partijen is niet in geschil (2.9) dat de betwiste grond met carport en inrit zich bevindt op - kort gezegd - sectie U122 (volledig: kavel 159.510AA, kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie U122).

Als vervolgens tegen de achtergrond van de hiervoor (7.4) genoemde maatstaf wordt beoordeeld aan wie deze sectie U122 door de jaren heen is geleverd bij de verschillende transacties, blijkt het volgende:

7.5.1.

Het perceel dat [persooon A] in 1965 in eigendom heeft verkregen, was eerst kadastraal bekend als Gemeente Winterswijk, sectie G, nummers 1342, 4201 en 4210 (zie 2.2) en is in 1985 ter gelegenheid van een ruilverkaveling hernummerd tot sectie G5136. (zie 2.3).

7.5.2.

Op 9 oktober 1996 heeft [persooon A] aan haar zoon en zijn echtgenote volgens de tekst van de op die dag opgemaakte leveringsakte overgedragen “een kennelijk afgedeeld gedeelte” van sectie G5136. Daarbij is in die leveringsakte opgenomen dat in het plan van toedeling van de ruilverkaveling “Winterswijk-West” in plaats van dat kennelijk afgedeeld gedeelte van sectie G5136 in de plaats zal treden “een gedeelte van de kavel genummerd 159.011”. Dat laatste gedeelte wordt in die akte verder aangeduid met “het verkochte”. (zie 2.4)

7.5.3.

De van die ruilverkaveling “Winterswijk-West” opgemaakte notariële akte van toedeling is opgemaakt op 18 september 1998. Daaruit volgt dat bij die ruilverkaveling aan de zoon van [persooon A] zijn toegedeeld de kavels 159.011AA en 159.510AA, kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie U92 respectievelijk U122. (zie 2.6)

7.5.4.

Deze twee kavels hebben de zoon van [persooon A] en zijn echtgenote op 6 november 2017 overgedragen aan [personen B en C] Dat volgt uit de ter zake opgemaakte notariële leveringsakte van 6 november 2017; daarin worden de beide secties U92 en U122 genoemd, alsmede hun respectievelijke groottes. (zie 2.8)

7.6.

Uit het voorgaande volgt dat [persooon A] wel degelijk aan haar zoon en zijn echtgenote de grond heeft overgedragen, die later aangeduid is gaan worden met “sectie U122”. De naar objectieve maatstaven, in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen onroerende zaak - “een kennelijk afgedeeld gedeelte” van sectie G5136, waarvoor bij de ruilverkaveling in de plaats zal treden “een gedeelte van de kavel genummerd 159.011” - laat geen andere uitleg toe. Immers, het gedeelte van dat laatstgenoemde kavelnummer dat bij de aangekondigde ruilverkaveling is toegedeeld aan de zoon en zijn echtgenote betreft - onder meer - sectie U122. Ook die uitleg is gebaseerd op objectieve maatstaven, namelijk de in de betreffende notariële akte opgenomen kavelaanduidingen.

7.7.

De zoon en zijn echtgenote hebben aldus de eigendom verkregen van, voor zover hier van belang, sectie U122. Die eigendom hebben zij vervolgens op 6 november 2017 overgedragen aan [personen B en C] De ter zake opgemaakte notariële leveringsakte vermeldt als omschrijving van de over te dragen onroerende zaak immers dat sectienummer, hetgeen een objectief kenbare aanduiding is van een over te dragen stuk grond.

7.8.

[personen B en C] is aldus eigenaar van, voor zover hier van belang, de grond van sectie U122. Op grond van artikel 5:20 lid 1 aanhef en onder e BW is [personen B en C] daarmee ook eigenaar van de carport.

7.9.

Hierop stuit de vordering van [persooon A] af. Dat in de verkoopbrochure van de woning aan de [adres 2] de betwiste grond met carport en inrit niet is vermeld, en volgens [persooon A] door haar zoon en echtgenote evenmin te koop is aangeboden aan [personen B en C] , sorteert goederenrechtelijk geen effect. Aan de niet-kenbare bedoeling van degenen die de bepalingen van de notariële akte hebben geredigeerd, komt immers geen betekenis toe (zie maatstaf 7.4, slot). Hetzelfde geldt voor de door [persooon A] aangedragen foto’s van de situatie ter plaatse. Het beroep van [persooon A] op het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 april 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:1626) kan haar evenmin baten, nu gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld (7.7), de zoon van [persooon A] en zijn echtgenote de eigendom van sectie U122 hebben verkregen, en dus bij de overdracht aan [personen B en C] wel degelijk beschikkingsbevoegd waren.

7.10.

[persooon A] heeft subsidiair aangevoerd dat zij door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de betwiste grond met carport en inrit. Zij heeft daartoe gesteld dat zij de betreffende carport en inrit heeft gebouwd respectievelijk aangelegd. De bouwvergunning voor de bouw van de carport is op 3 februari 1998 verleend. [persooon A] heeft de carport vervolgens gebouwd en sindsdien zijn de carport en inrit bij haar in gebruik. Er is (fysiek) sprake van een duidelijke erfgrens; de betwiste grond met carport en inrit hoort bij het perceel van [persooon A] . Dat is altijd zo geweest. [persooon A] heeft gemeend eigenaar van de betwiste grond met carport en inrit te zijn; zij heeft zich ook altijd als zodanig gedragen: tegenover de gemeente bij de vergunningaanvraag, tegenover haar zoon en tegenover [personen B en C] Er is sprake van ondubbelzinnig bezit, dat al meer dan twintig jaar, in elk geval vanaf 1996, voortduurt. Bovendien is [persooon A] - onder verwijzing naar artikel 3:118 BW - bezitter te goeder trouw, nu zij bij de splitsing van de boerderij nooit de intentie heeft gehad om het gedeelte van de grond waarop nu de carport en de inrit zijn aangelegd, over te dragen aan haar zoon, aldus nog steeds [persooon A] .

7.11.

[personen B en C] heeft hier tegenin gebracht dat [persooon A] niet te goeder trouw is. Het door [persooon A] aan haar zoon verkochte en geleverde perceel is betrokken geweest bij een ruilverkaveling. Gelet op het tijdsverloop tussen de levering
(9 oktober 1996, 2.4) en de akte van toedeling in het kader van die ruilverkaveling
(18 september 1998, 2.6) had [persooon A] op basis van het plan van toedeling, dat aan alle betrokken grondeigenaren ter inzage wordt verstrekt, er mee bekend moeten zijn welk deel van de grond aan haar en welk deel aan haar zoon werd toegedeeld. Derhalve wist [persooon A] dat de carport niet op haar eigen grond, maar op die van haar zoon is gebouwd.

Raadpleging van de openbare registers had [persooon A] geleerd dat aan haar zoon de secties U92 en U122 zijn overgedragen. Gelet op het bepaalde in artikel 3:23 BW kan een beroep op goede trouw [persooon A] niet baten.

[personen B en C] heeft ook weersproken dat [persooon A] het bezit van de betwiste grond met carport en inrit heeft gehad. Zij is slechts houder, nu zij kennelijk met goedvinden van haar zoon een carport op zijn grond heeft gebouwd. [personen B en C] betwist bovendien dat [persooon A] de carport altijd heeft gebruikt; ook aan een houder komt immers het gebruik toe. Ook het gebrek aan bezit staat aan de verjaringsvordering van [persooon A] in de weg.

Tot slot heeft [personen B en C] aangevoerd dat nergens uit blijkt dat, zoals [persooon A] stelt, het bezit van de betwiste grond met carport en inrit in 1996 is aangevangen en dat sindsdien sprake is van onafgebroken bezit daarvan door [persooon A] . [persooon A] heeft niet aangetoond wanneer de bouw van de carport is afgerond. In elk geval is de verjaring door [personen B en C] door de brief van 22 december 2018 (2.11) gestuit, aldus nog steeds [personen B en C]

7.12.

De rechtbank zal eerst het beroep van [persooon A] op bevrijdende verjaring beoordelen.

Artikel 3:105 lid 1 BW bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Uit hoofde van artikel 3:306 BW geldt hiervoor de algemene termijn van twintig jaren, die aanvangt op het in artikel 3:314 lid 2 BW omschreven tijdstip. De verjaringstermijn loopt door zolang het goed in bezit is van een derde, ongeacht hoeveel opvolgende bezitters er zijn en op welke wijze zij het bezit hebben verkregen. Noodzakelijk is slechts dat de rechthebbende het bezit gedurende twintig jaar heeft moeten ontberen.

7.13.

In dit juridisch kader neemt het begrip “bezit van een goed” een centrale plaats in. Voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring zal [persooon A] , gelet op de onweersproken stuiting van de verjaring bij brief van [personen B en C] van 22 december 2018 (2.11), moeten stellen - en bij betwisting moeten bewijzen - dat zij de betwiste grond met carport en inrit vanaf 21 december 1998 in bezit heeft gehad.

7.14.

Dat laatste is echter niet komen vast te staan. Weliswaar kan er, onweersproken door [personen B en C] , van worden uitgegaan dat aan [persooon A] op 3 februari 1998 de bouwvergunning voor de carport is verleend, maar dat deze carport vervolgens uiterlijk
21 december 1998 is gebouwd én dat met het realiseren en vervolgens gebruiken van die carport (en de ervoor gelegen oprit) is voldaan aan het bezitsvereiste, is door [persooon A] niet concreet gesteld, laat staan onderbouwd. Voor zover [persooon A] het vereiste “bezit van een goed” heeft willen aantonen met de bouw en het gebruik van de carport, wordt zij daarin dan ook niet gevolgd.

7.15.

Voor zover de bezitsdaden van [persooon A] met betrekking tot de betwiste grond met carport en inrit uit iets anders dan het realiseren en het gebruik van de carport hebben bestaan, heeft [persooon A] daarvoor eveneens onvoldoende aangevoerd. De enkele stelling dat zij altijd eigenaar is geweest van de grond waarop thans de carport en inrit prijken, is onvoldoende. Dat houdt mede verband met het volgende. [persooon A] was vanaf 1965 eigenaar van, voor zover hier relevant, de grond die thans wordt aangeduid met “sectie U122”, maar op 9 oktober 1996 heeft zij deze eigendom overgedragen aan hun zoon en zijn echtgenote (7.6). Het had dan ook op de weg van [persooon A] gelegen om concreet te stellen waaruit haar bezitsdaden vanaf dát moment hebben bestaan. Dat heeft zij nagelaten. Het beroep op bevrijdende verjaring wordt dan ook verworpen.

7.16.

Ten aanzien van het beroep van [persooon A] op verkrijgende verjaring overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 3:99 lid 1 BW bepaalt dat onroerende zaken door een bezitter te goeder trouw verkregen worden door een onafgebroken bezit van tien jaren. Op grond van artikel 3:118 lid 1 BW is een bezitter te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen. Verder wordt goede trouw vermoed aanwezig te zijn en moet het ontbreken daarvan worden bewezen (artikel 3:118 lid 3 BW). Volgens artikel 3:23 BW wordt het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend. Artikel 3:11 BW bepaalt verder dat goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, niet alleen ontbreekt indien hij de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen.

7.17.

Zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat [persooon A] wel ten minste tien jaar het onafgebroken bezit van de betwiste grond met carport en inrit heeft gehad, en als daarbij tevens wordt aangenomen dat daarmee aan het bezitsvereiste is voldaan, dan stuit het beroep van [persooon A] op verkrijgende verjaring alsnog af op het ontbreken van goede trouw. De rechtbank stelt, gelet op haar eigen verklaring, vast dat [persooon A] nimmer ter verificatie van de positie van de juridische erfgrens de openbare registers (artikel 3:23 BW) dan wel het kadaster heeft geraadpleegd. Dat heeft [persooon A] kennelijk ook niet gedaan nadat zij een deel van haar perceel aan haar zoon had verkocht en geleverd en voordat zij de carport liet bouwen. Naar nu blijkt: op grond die destijds toebehoorde aan de zoon van [persooon A] en thans aan [personen B en C] Door raadpleging van de openbare registers zou duidelijk zijn geworden dat de percelen in de loop van de jaren weliswaar andere nummers hebben gekregen, maar dat de kadastrale grens steeds dezelfde loop - inclusief ‘knikjes’- heeft gehad. Namens [personen B en C] is dit ter zitting - onweersproken door [persooon A] - toegelicht aan de hand van het kadastrale veldwerk uit 1985 (productie 3 bij procesinleiding), de kadastrale kaart uit 1997 (productie 9 bij verweerschrift) en de ter zitting overgelegde veldwerktekening uit 1998.

7.18.

[persooon A] is dus ook niet op grond van verkrijgende verjaring eigenaar geworden van de betwiste grond met carport en inrit. Haar vordering zal worden afgewezen.

7.19.

[personen B en C] heeft bij zijn akte houdende wijziging en vermeerdering van eis “met betrekking tot de vordering” geconcludeerd dat - kort gezegd - de rechtbank bij vonnis een verklaring voor recht uitspreekt, inhoudende dat [personen B en C] eigenaar is van de betwiste grond met carport en inrit. Voor een dergelijke conclusie is bij de beoordeling van de vordering van zijn wederpartij, [persooon A] , echter geen plaats. Voor een vordering met de strekking zoals door [personen B en C] als conclusie geformuleerd, staat slechts de mogelijkheid van een tegenvordering open.

Gelet op de aankondiging ter zitting van de advocaat van [personen B en C] , dat hij “niet expliciet in de tegenvordering een verklaring voor recht [heeft] gevorderd, maar dit wel zo [heeft] bedoeld” en met name gelet de akte uitlating gewijzigde tegenvordering van [persooon A] , waarin zij er blijk van geeft de vordering van [personen B en C] tot verklaring voor recht als tegenvordering te hebben opgevat (akte uitlating gewijzigde tegenvordering, randnummer 1), zal de rechtbank voormelde conclusie van [personen B en C] aanmerken als tegenvordering. Daarop zal hieronder worden beslist.

7.20.

[persooon A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [personen B en C] worden vastgesteld op:

- griffierecht 297,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.383,00.

van de (voorwaardelijke) tegenvordering

7.21.

Aan het instellen van zijn (gewijzigde) voorwaardelijke tegenvordering onder 1a) en 1b) heeft [personen B en C] - zowel in zijn verweerschrift tevens (voorwaardelijke) tegenvordering als in zijn akte houdende wijziging en vermeerdering van eis - de voorwaarde verbonden dat de rechtbank van oordeel is dat [personen B en C] geen eigenaar is van de betwiste grond met carport en inrit als gevolg van een geslaagd beroep op verjaring door [persooon A] .

7.22.

Tot dat oordeel komt de rechtbank evenwel niet. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor bij de beoordeling van de vordering is overwogen en beslist (7.15 en 7.18). Uit die beslissing op de vordering vloeit voort dat de voorwaarde niet is vervuld, zodat op de deze tegenvorderingen geen beslissing hoeft te worden gegeven.

7.23.

Met verwijzing naar rechtsoverweging 7.19 zal thans worden beslist op de tegenvordering van [personen B en C] waarin hij - kort gezegd - een verklaring voor recht vordert dat [personen B en C] eigenaar is van de betwiste grond met carport en inrit.

7.24.

Die verklaring voor recht zal worden afgegeven. Hiervoor heeft de rechtbank immers reeds geoordeeld (7.8) dat [personen B en C] eigenaar is van de betwiste grond met carport en inrit. De verklaring voor recht zal worden afgegeven in de primair gevorderde variant, aangezien er geen discussie bestaat (2.9) over de vraag of de betwiste grond met carport en inrit zich geheel of slechts gedeeltelijk op sectie U122 bevinden.

7.25.

In de omstandigheden dat enerzijds een deel van de tegenvorderingen geen behandeling behoeft en anderzijds de toegewezen verklaring voor recht volledig voortvloeit uit de beslissing op de vordering, ziet de rechtbank aanleiding om de kosten verband houdende met de tegenvordering tussen partijen te compenseren.

8 De beslissing

De rechtbank

op de vordering

8.1.

wijst de vordering af,

8.2.

veroordeelt [persooon A] in de proceskosten, aan de zijde van Dietz tot op heden vastgesteld op € 1.383,00,

8.3.

verklaart de beslissing op de vordering wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

op de tegenvordering

8.4.

verstaat dat de vorderingen onder 1a) en 1b) geen behandeling behoeven,

8.5.

verklaart voor recht dat [personen B en C] eigenaar is van het woonhuis met verdere aanhorigheden, erf en tuin gelegen te 7119 AS [woonplaats] , [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Winterswijk, sectie U, nummers 92 en 122, respectievelijk ter grootte van vijf are (5 a) en twintig are en vijfentwintig centiare (20 a 85 ca) en meer specifiek van de carport, ondergrond en de oprit naar de openbare weg zich bevindende op / onderdeel uitmakende van voormelde sectie U nummers 122 en/of 92,

8.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

8.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Klaasen en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2020.

mk/Vr